5.10.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 333/4


Samenvatting van het besluit van de Commissie

van 21 juni 2017

inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst

(Zaak AT.40013 — Verlichtingssystemen)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 4100)

(slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(2017/C 333/04)

Op 21 juni 2017 heeft de Commissie een besluit vastgesteld inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst. Overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad  (1) publiceert de Commissie hierbij de namen van de partijen en de belangrijkste punten van het besluit, waaronder de opgelegde sancties, rekening houdende met het rechtmatige belang van de ondernemingen inzake de bescherming van hun bedrijfsgeheimen.

1.   INLEIDING

(1)

Het besluit heeft betrekking op één voortdurende inbreuk op artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst.

(2)

Het besluit is tot de volgende entiteiten gericht: Valeo SA, Valeo Service SAS en Valeo Vision SAS (hierna samen „Valeo” genoemd); Magneti Marelli S.p.A. en Automotive Lighting Reutlingen GmbH (hierna samen „Automotive Lighting” genoemd) en Hella KGaA Hueck & Co. (hierna „Hella” genoemd) (hierna „de partijen” of afzonderlijk „de partij” genoemd).

(3)

De producten waarop de inbreuk betrekking heeft, zijn verlichtingssystemen voor motorvoertuigen. De adressaten van dit besluit waren betrokken bij een geheel van concurrentiebeperkende contacten over de originele vervangingsonderdelen (OES, original equipment spare parts) na het einde van de serieproductie, met inbegrip van contacten met betrekking tot de prijs en andere handelsvoorwaarden.

2.   BESCHRIJVING VAN DE ZAAK

2.1.   Procedure

(4)

De zaak werd ingeleid naar aanleiding van een immuniteitsverzoek dat in januari 2012 door Valeo werd ingediend. In juli 2012 voerde de Commissie onaangekondigde inspecties uit hoofde van artikel 20, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1/2003 uit, gevolgd door een aantal verzoeken om inlichtingen uit hoofde van artikel 18, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 en punt 12 van de clementieregeling (2).

(5)

Automotive Lighting diende vervolgens in augustus 2012 een clementieverzoek in. Hella diende in september 2012 een clementieverzoek in.

(6)

Op 18 mei 2016 werd de procedure ingeleid met het oog op het aangaan van schikkingsgesprekken. Vervolgens hebben alle partijen hun formeel verzoek tot schikking bij de Commissie ingediend overeenkomstig artikel 10 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 773/2004 (3).

(7)

Op 10 mei 2017 heeft de Commissie een aan de partijen gerichte mededeling van punten van bezwaar goedgekeurd. Alle partijen hebben op de mededeling van punten van bezwaar geantwoord en bevestigd dat de inhoud ervan in overeenstemming was met hun verklaringen met het oog op een schikking en dat zij nog steeds bereid waren de schikkingsprocedure te volgen.

(8)

Het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities heeft op 20 juni 2017 een positief advies uitgebracht.

(9)

De Commissie heeft dit besluit op 21 juni 2017 vastgesteld.

2.2.   Duur

(10)

De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 van het Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst door gedurende de hieronder aangegeven perioden aan concurrentiebeperkende praktijken met betrekking tot de levering van verlichtingssystemen voor motorvoertuigen deel te nemen:

Onderneming

Duur

Valeo

7 juli 2004-25 oktober 2007

Automotive Lighting

7 juli 2004-25 oktober 2007

Hella

1 januari 2006-25 oktober 2007

2.3.   Samenvatting van de inbreuk

(11)

Het besluit heeft betrekking op de levering van verlichtingssystemen voor motorvoertuigen (hierna „verlichtingssystemen” genoemd) in de EER van 7 juli 2004 tot en met 25 oktober 2007 met verschillen wat betreft de begindatum voor elke partij. De totale duur van de inbreuk is dus drie jaar en drie maanden.

(12)

De producten waarop het kartel betrekking heeft, zijn verlichtingssystemen, waaronder koplampen, dagrijlichten, achterlichten en hooggemonteerde remlichten, mistlampen en hulplichten. Verlichtingssystemen worden door de leveranciers verkocht om nieuwe voertuigen uit te rusten of als reserveonderdelen of vervangstukken op de aftermarket. Het kartel had betrekking op leveringen van verlichtingssystemen in de EER op de aftermarket voor originele vervangingsonderdelen (hierna „OES” genoemd), na het einde van de serieproductie.

(13)

Het kartel bestond uit een geheel van concurrentiebeperkende contacten met betrekking tot de prijs en bepaalde andere handelsvoorwaarden. De heimelijke besprekingen hadden betrekking op prijsstellings- en onderhandelingsstrategieën, de stand van de onderhandelingen met de afnemers over prijsverhogingen, het standpunt van de partijen ten opzichte van individuele afnemers over de prijsmodellen voor OES, prijsaanvragen van afnemers, alsmede de uitwisseling van informatie over de vooruitzichten en trends in het OES-segment.

(14)

Bovendien waren de partijen het erover eens dat zij zouden moeten streven naar een prijsverhoging na het einde van de serieproductie en hebben zij een beoogde einddatum afgesproken voor de contractuele beschikbaarheid van de reserveonderdelen na het einde van de serieproductie.

(15)

Het kartel functioneerde in hoofdzaak op basis van bilaterale contacten, al werd er ten minste één multilateraal contact georganiseerd. Geografisch gezien vonden de concurrentiebeperkende besprekingen plaats in de EER, voornamelijk in Frankrijk of Duitsland. Tussen 2004 en 2006 hebben de partijen hun concurrentiebeperkende contacten geleidelijk uitgebreid tot verkopen aan alle fabrikanten van originele onderdelen (hierna „OEM” genoemd, original equipment manufacturers) die afnemers waren van de partijen in de EER in 2007.

2.4.   Adressaten

(16)

De volgende rechtspersonen worden in dit besluit door de Commissie aansprakelijk gesteld:

a)

Valeo SA, Valeo Service SAS en Valeo Vision SAS hoofdelijk;

b)

Magneti Marelli S.p.A. en Automotive Lighting Reutlingen GmbH hoofdelijk, en

c)

Hella KGaA Hueck & Co.

2.5.   Sancties

(17)

In het besluit worden de richtsnoeren inzake geldboeten van 2006 (4) toegepast.

2.5.1.   Basisbedrag van de geldboete

(18)

Om beter rekening te houden met de concrete weerslag van het kartel, wordt een alternatieve maatstaf voor de jaarlijkse waarde van de verkopen (gebaseerd op de werkelijke waarde van de verkopen van OES-verlichtingssystemen na het einde van de serieproductie in de EER door de ondernemingen gedurende de periode waarin zij aan de inbreuk deelnamen) gebruikt als uitgangspunt voor de berekening van het basisbedrag van de geldboeten.

(19)

Gelet op de aard van de inbreuk en de geografische omvang ervan (EER), is het percentage van het variabele bedrag van de geldboeten en het additionele bedrag („entry fee”) vastgesteld op 16 % van de waarde van de verkopen voor de inbreuk.

(20)

Het variabele bedrag wordt vermenigvuldigd met respectievelijk het aantal jaren of fracties van jaren dat aan de inbreuk is deelgenomen, om ten volle rekening te houden met de duur van de deelname van elke partij aan de inbreuk. De Commissie houdt rekening met de werkelijke duur van de deelname van de partijen aan de inbreuk op basis van de volledige jaren, maanden en dagen.

(21)

Aangezien de gedragingen eerst betrekking hadden op een aantal OEM’s en geleidelijk werden uitgebreid tot alle OEM’s die afnemers waren van de partijen in de EER in 2007, zijn drie verschillende groepen afnemers vastgesteld waarvoor de waarde van de verkopen afzonderlijk wordt berekend door verschillende vermenigvuldigingsfactoren voor de duur toe te passen.

2.5.2.   Aanpassingen van het basisbedrag

(22)

In dit besluit is er geen sprake van verzwarende of verzachtende omstandigheden. In dit besluit wordt voor geen van de partijen een afschrikkingsfactor toegepast.

2.5.3.   Toepassing van het 10 %-omzetplafond

(23)

Geen van de berekende boeten was hoger dan 10 % van de totale omzet van de respectieve onderneming in het boekjaar dat voorafgaat aan de datum van dit besluit.

2.5.4.   Toepassing van de clementieregeling van 2006: boeteverlaging

(24)

Valeo verstrekte als eerste onderneming inlichtingen en bewijsmateriaal die aan de voorwaarden van punt 8, onder a), van de clementieregeling van 2006 voldeden.

(25)

Automotive Lighting voldeed als eerste onderneming aan de vereisten van de punten 24 en 25 van de clementieregeling van 2006 en krijgt een boeteverlaging van 35 %.

(26)

Hella voldeed als tweede onderneming aan de vereisten van de punten 24 en 25 van de clementieregeling en krijgt een boeteverlaging van 20 %.

2.5.5.   Toepassing van de mededeling betreffende schikkingsprocedures

(27)

Op grond van de toepassing van de mededeling betreffende schikkingsprocedures wordt het bedrag van de geldboeten die aan Automotive Lighting en Hella worden opgelegd, nog eens met 10 % verlaagd.

3.   CONCLUSIE

(28)

Overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 zijn de volgende geldboeten opgelegd:

a)

Valeo: 0 EUR;

b)

Automotive Lighting: 16 347 000 EUR;

c)

Hella: 10 397 000 EUR.


(1)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.

(2)  Mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB C 298 van 8.12.2006, blz. 17).

(3)  Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 18).

(4)  PB C 210 van 1.9.2006, blz. 2.