19.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 334/39


P8_TA(2017)0282

Gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht

Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht in de Europese Unie (2015/2084(INL))

(2018/C 334/05)

Het Europees Parlement,

gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien artikel 67, lid 4, VWEU en artikel 81, lid 2, VWEU,

gezien artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest),

gezien artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) en de relevante rechtspraak van het EHRM,

gezien het werkdocument over invoering van gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht in de Europese Unie — de rechtsgrondslag (1),

gezien het onderzoek naar de beoordeling van de Europese toegevoegde waarde, uitgevoerd door de afdeling Europese toegevoegde waarde van de onderzoeksdiensten van het Europees Parlement (EPRS) getiteld „Common minimum standards of civil procedure” (2),

gezien de diepgaande analyse door de Onderzoeksdienst van de leden van het EPRS getiteld „Europeanisation of civil procedure: towards common minimum standards?” (3),

gezien de diepgaande analyse van het directoraat-generaal Intern Beleid „Harmonized rules and minimum standards in the European law of civil procedure” (4),

gezien het ontwerp van het European Law Institute (ELI) en het Internationaal Instituut voor de eenmaking van het privaatrecht (Unidroit) getiteld „From Transnational Principles to European Rules of Civil Procedure”,

gezien de „Principles of Transnational Civil Procedure” van het Amerikaans rechtsinstituut (ALI) en Unidroit (5),

gezien de „Study on the approximation of the laws and rules of the Member States concerning certain aspects of the procedure for civil litigation”, het zogenoemde verslag-Storme (6),

gezien het ontwerpreglement van het eengemaakte octrooigerecht,

gezien het Unieacquis op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken,

gezien de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) betreffende de beginselen van nationale procedurele autonomie en effectieve rechterlijke bescherming (7),

gezien het EU-scorebord voor justitie van 2016,

gezien CEPEJ Studies nr. 23 over „European judicial systems: efficiency and quality of justice” van 2016,

gezien de „beginselen inzake gerechtelijke opleiding” van het Europees netwerk voor justitiële opleiding van 2016 (8),

gezien zijn resolutie van 2 april 2014 over de tussentijdse herziening van het programma van Stockholm (9),

gezien de artikelen 46 en 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0210/2017),

Rechtspraak van het HvJ betreffende nationale procedurele autonomie en doeltreffende rechterlijke bescherming

A.

overwegende dat het volgens de vaste rechtspraak van het HvJ betreffende het beginsel van procedurele autonomie aan de lidstaten is om, bij het ontbreken van een Unieregeling inzake de procedurele aspecten van een Unierechtelijk geschil, de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de uit het Unierecht voortvloeiende rechten;

B.

overwegende dat volgens dezelfde rechtspraak de toepassing van de nationale procesregels aan twee belangrijke voorwaarden moeten voldoen: nationale procesregels mogen niet ongunstiger zijn voor Unierechtelijke geschillen dan die voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht (het gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen niet zodanig zijn vormgegeven dat zij de uitoefening van Unierechtelijke rechten en verplichtingen onmogelijk of uiterst moeilijk maken (het doeltreffendheidsbeginsel);

C.

overwegende dat bij gebreke van Uniebepalingen ter harmonisatie van procesregels de bevoegdheid van de lidstaten om te voorzien in procesregels voor de handhaving van door de Unie verleende rechten zich niet uitstrekt tot de invoering van nieuwe rechtsmiddelen in nationale rechtsorden om de toepasbaarheid van het Unierecht te waarborgen (10);

D.

overwegende dat de rechtspraak van het HvJ de samenwerking tussen deze instantie en de rechtbanken van de lidstaten vergemakkelijkt en het begrip van het Unierecht bij de burgers en bij deze rechtbanken verbetert;

Het Handvest

E.

overwegende dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, zoals vastgelegd in artikel 47 van het Handvest en in artikel 6 van het EVRM, een van de belangrijkste waarborgen vormt voor de eerbiediging van de rechtsstaat en de democratie en onlosmakelijk verbonden is met het burgerlijk procesrecht in zijn geheel;

F.

overwegende dat artikel 47 van het Handvest weliswaar bindend is en artikel 6 EVRM weliswaar een algemeen beginsel van het Unierecht vormt, maar dat het niveau van bescherming van het recht op een onpartijdig gerecht in burgerlijke procedures, en met name het evenwicht tussen het recht van de eiser op toegang tot de rechter en het recht van de verweerder op verdediging, in de Unie niet geharmoniseerd is;

G.

overwegende dat het recht op een onpartijdig gerecht als grondrecht evenwel wordt aangevuld door diverse procedurele secundaire wetgevingshandelingen van de Unie, zoals de verordening inzake geringe vorderingen (11), de richtlijn rechtsbijstand (12), de aanbeveling inzake collectieve vorderingen (13), de richtlijn inzake bescherming van de consumentenbelangen (14) en de richtlijn inbreuken op het mededingingsrecht (15);

Het acquis van de Unie inzake justitiële samenwerking in burgerlijke zaken

H.

overwegende dat Unieburgers, vooral zij die zich grensoverschrijdend verplaatsen, tegenwoordig veel sneller te maken kunnen krijgen met het burgerlijk procesrecht van een andere lidstaat;

I.

overwegende dat minimumnormen voor burgerlijke procedures op Unieniveau kunnen bijdragen aan de modernisering van nationale procedures, aan een gelijk speelveld voor ondernemingen en aan economische groei door middel van doeltreffendere en efficiëntere rechtsstelsels, en tevens de toegang van burgers tot de rechter in de Unie kunnen verbeteren en de eerbiediging van de fundamentele vrijheden van de Unie kunnen bevorderen;

J.

overwegende dat de Uniewetgever bij kwesties van burgerlijk procesrecht in toenemende mate niet uitsluitend meer kiest voor een horizontale aanpak, zoals in het geval van optionele instrumenten (16), maar ook — binnen verschillende beleidsgebieden, zoals intellectuele eigendom (17), consumentenbescherming (18) of, recentelijk, mededingingsrecht (19) — voor een sectorspecifieke benadering;

K.

overwegende dat de fragmentarische harmonisatie op Unieniveau van procesregels herhaaldelijk is bekritiseerd en dat de opkomst van een sectorspecifiek burgerlijk procesrecht in de Unie schadelijk is voor de coherentie van zowel de burgerlijke procesrechtsstelsels op lidstatelijk niveau als de diverse instrumenten van de Unie;

L.

overwegende dat de voorgestelde richtlijn ertoe strekt een kader voor de beslechting van burgerlijke geschillen op te stellen door bestaande regels van burgerlijk procesrecht van de Unie te systematiseren en het toepassingsgebied ervan uit te breiden naar alle kwesties die binnen het toepassingsgebied van het Unierecht vallen;

M.

overwegende dat de voorgestelde richtlijn beoogt een beter gecoördineerde, samenhangender en systematischer aanpak te verwezenlijken voor civielrechtelijke stelsels, die niet zijn belemmerd door grenzen en niet zijn beperkt door de belangen en middelen van de afzonderlijke lidstaten;

Rechtsgrondslag van het voorstel

N.

overwegende dat de Unie overeenkomstig artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 1, VEU (het beginsel van bevoegdheidstoedeling) op een bepaald gebied uitsluitend wetgevingshandelingen mag vaststellen als zij daartoe de expliciete bevoegdheid heeft en slechts voor zover dit in overeenstemming is met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

O.

overwegende dat binnen het huidige verdragskader de belangrijkste rechtsgrondslag voor harmonisatie van burgerlijk procesrecht wordt geboden in Titel V VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht;

P.

overwegende dat het vereiste dat er voor bevoegdheid van de Unie sprake moet zijn van een grensoverschrijdend element in het kader van het Verdrag van Lissabon nog altijd geldt, met als gevolg dat optreden van de Unie op het gebied van het burgerlijk recht slechts dan mogelijk is als er aanknopingspunten zijn (bv. woonplaats, plaats van uitvoering enz.) met ten minste twee lidstaten;

Q.

overwegende dat de algemene bepaling van artikel 114 VWEU betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen, is gebruikt en nog altijd wordt gebruikt als rechtsgrondslag voor een breed scala aan sectorspecifieke richtlijnen strekkende tot harmonisering van bepaalde aspecten van het burgerlijk recht, zoals de richtlijn handhaving intellectuele-eigendomsrechten (IPRED) en de recente richtlijn betreffende schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht;

R.

overwegende dat de Unie op grond van artikel 67, lid 4, VWEU de toegang tot de rechter moet vergemakkelijken, met name door het beginsel van wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen in burgerlijke zaken, zoals uitgewerkt in artikel 81 VWEU;

Wederzijds vertrouwen binnen de Europese justitiële ruimte

S.

overwegende dat het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen samenhangt met de noodzaak om een toereikend niveau van wederzijds vertrouwen te verwezenlijken tussen de justitiële autoriteiten van de verschillende lidstaten, vooral als het gaat om het niveau van bescherming van procedurele rechten;

T.

overwegende dat „wederzijds vertrouwen” in deze context moet worden beschouwd als het vertrouwen dat de lidstaten in elkaars rechtsstelsel en gerechtelijk apparaat moeten hebben en dat resulteert in een verbod op herziening van maatregelen van andere staten en besluiten van de rechterlijke macht van andere staten;

U.

overwegende dat het beginsel van wederzijds vertrouwen kan zorgen voor meer rechtszekerheid en voor voldoende stabiliteit en voorspelbaarheid voor burgers en ondernemingen in de Unie;

V.

overwegende dat de toepassing en eerbiediging van het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen, in combinatie met een onderlinge aanpassing van wetgeving, de samenwerking tussen de autoriteiten en de juridische bescherming van individuele rechten zal vergemakkelijken;

W.

overwegende dat een stelsel van gemeenschappelijke minimumnormen in de Unie in de vorm van beginselen en regels een eerste stap zou zijn naar convergentie van nationale regelgeving inzake burgerlijk procesrecht, waarmee een evenwicht kan worden bereikt tussen de fundamentele rechten van procespartijen, met het oog op vol wederzijds vertrouwen tussen de rechtsstelsels van de lidstaten;

X.

overwegende dat het voor wederzijds vertrouwen wenselijk of zelfs noodzakelijk is dat er procedurele waarborgen zijn vastgesteld inzake de doeltreffendheid en efficiëntie van burgerrechtelijke procedures en inzake gelijke behandeling van partijen en dat deze procedurele waarborgen ook worden geëerbiedigd;

Y.

overwegende dat invoering van een dergelijk stelsel van gemeenschappelijke minimumnormen ook een minimaal kwaliteitsniveau voor burgerrechtelijke procedures binnen de hele Unie zou waarborgen, hetgeen niet alleen het wederzijds vertrouwen tussen rechtsstelsels zou versterken, maar ook een positieve invloed kan hebben op de werking van de interne markt, omdat wordt gedacht dat procedurele verschillen tussen de lidstaten onder meer de handel kunnen verstoren en ondernemingen en consumenten kunnen ontraden hun uit de interne markt voortvloeiende rechten uit te oefenen;

Andere overwegingen

Z.

overwegende dat de onderlinge aanpassing van procedurele stelsels in de Unie noodzakelijk is; overwegende dat de voorgestelde richtlijn bedoeld is als eerste stap in het proces van verdere harmonisatie en convergentie van de burgerrechtelijke stelsels van de lidstaten en de invoering, op de lange termijn, van een wetboek van burgerlijke rechtsvordering van de Unie;

AA.

overwegende dat de voorgestelde richtlijn geen afbreuk doet aan de rechterlijke organisatie van de lidstaten, noch aan de belangrijkste kenmerken van de wijze waarop burgerrechtelijke procedures worden gevoerd, maar efficiëntere nationale procesregels mogelijk maakt;

AB.

overwegende dat het derhalve van het allergrootste belang is dat wetgeving wordt vastgesteld die voorziet in de vaststelling van gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht in de Unie en dat deze wetgeving naar behoren ten uitvoer wordt gelegd;

Rechtspraak van het HvJ inzake nationale procedurele autonomie en doeltreffende rechterlijke bescherming

1.

neemt kennis van de centrale rol die het Hof van Justitie heeft gespeeld bij het leggen van de basis voor het burgerlijk procesrecht van de Unie, door invulling te geven aan de betekenis die het burgerlijk procesrecht heeft binnen het rechtsstelsel van de Unie;

2.

benadrukt evenwel dat diverse burgerlijke procesnormen die nu worden aanvaard als onderdeel van het procedurele stelsel van de Unie weliswaar in de rechtspraak van het HvJ zijn bevestigd, maar dat de bijdrage van het HvJ in de eerste plaats bestaat in de interpretatie en niet in het opstellen van normen;

3.

benadrukt dan ook dat de ruime ervaring van het HvJ op het gebied van de toetsing van rechtsmiddelen en procedureregels en de compromissen en de concurrerende waarden die het HvJ voorstaat bijzonder instructief zijn en moeten worden meegewogen bij de invoering van een horizontaal overkoepelend instrument van wetgevende aard met gemeenschappelijke normen voor burgerlijk procesrecht;

Het Handvest

4.

benadrukt dat, met het oog op een eerlijk proces en toegang tot de rechter, samenwerkingsnetwerken en databanken ter bevordering van justitiële samenwerking en uitwisseling van informatie behouden moeten blijven en verder moeten worden uitgebreid;

5.

is dan ook zeer ingenomen met de ontwikkelingen op het gebied van e-justitie, en meer bepaald met de oprichting van het Europees justitieel netwerk en het Europese e-justitieportaal, dat een centraal aanspreekpunt moet worden op het gebied van justitie in de Unie;

Het acquis van de Unie inzake justitiële samenwerking in burgerlijke zaken

6.

verzoekt de Commissie voorts na te gaan of verdere maatregelen moeten worden voorgesteld voor de consolidatie en versterking van een horizontale aanpak van de privaatrechtelijke handhaving van Unierechtelijk toegekende rechten en of de hierbij voorgestelde gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht kunnen worden gezien als een stimulans voor en bijdrage aan een dergelijk horizontaal paradigma;

7.

herhaalt dat de systematische verzameling van statistische gegevens over de toepassing en prestatie van bestaande instrumenten van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken van het allergrootste belang is;

8.

nodigt de Commissie in dit verband uit te beoordelen of aanvullende uitvoeringsmaatregelen door de lidstaten kunnen bijdragen aan een doeltreffende toepassing van op zichzelf staande procedures van de Unie, en is van oordeel dat de Commissie met het oog hierop een robuust en systematisch toezichtssysteem moet realiseren;

Rechtsgrondslag van het voorstel

9.

stelt vast dat artikel 114 VWEU (harmonisatie van de interne markt) als rechtsgrondslag is gebruikt voor de vaststelling van diverse handelingen van de Unie met procedurele gevolgen; constateert dat artikel 114 VWEU betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen, is en nog steeds wordt gebruikt als rechtsgrondslag voor een breed scala aan sectorspecifieke richtlijnen strekkende tot harmonisering van bepaalde aspecten van het burgerlijk recht, zoals de richtlijn handhaving intellectuele-eigendomsrechten (IPRED);

10.

merkt evenwel op dat artikel 81 VWEU voorziet in de vaststelling van maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, waaronder maatregelen ter aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten, met name wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt; is dan ook van mening dat artikel 81 VWEU de passende rechtsgrondslag is voor het voorgestelde wetgevingsinstrument;

11.

is van oordeel dat de term „grensoverschrijdende gevolgen” in de tekst van artikel 81, lid 1, VWEU betreffende de goedkeuring van maatregelen inzake justitiële samenwerking in burgerlijke zaken ruimer moet worden opgevat en dus niet moet worden opgevat als synoniem van „grensoverschrijdende procesvoering”;

12.

benadrukt dat de huidige interpretatie van „zaken met grensoverschrijdende gevolgen” vrij beperkt is en leidt tot de opstelling van twee soorten wetgeving en twee categorieën procespartijen, hetgeen kan leiden tot meer problemen en onnodige complexiteit; pleit derhalve voor een ruimere interpretatie;

13.

benadrukt in dit verband dat de hierbij voorgestelde gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht kunnen leiden tot nog meer efficiëntie als de lidstaten deze normen niet alleen zouden toepassen bij onder het Unierecht vallende kwesties, maar ook bij grensoverschrijdende en zuiver nationale gevallen in het algemeen;

Wederzijds vertrouwen binnen de Europese justitiële ruimte

14.

merkt op dat de invoering van instrumenten betreffende rechtsbevoegdheid, litispendentie en grensoverschrijdende tenuitvoerlegging van beslissingen de belangrijkste maatregelen zijn die de Unie op het gebied van het burgerlijk recht binnen de Europese rechtsruimte heeft genomen;

15.

herhaalt en benadrukt dat het vrije verkeer van beslissingen het wederzijds vertrouwen tussen de rechterlijke instanties van de lidstaten heeft doen toenemen, en dat daardoor de rechtszekerheid is toegenomen en er voldoende stabiliteit en voorspelbaarheid is voor burgers en ondernemingen in de Unie;

16.

benadrukt in dit verband dat wederzijds vertrouwen een complex begrip is en dat er veel factoren meespelen bij het opbouwen van dat vertrouwen, zoals de gerechtelijke opleiding, grensoverschrijdende justitiële samenwerking en de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken tussen rechters;

17.

merkt op dat wederzijds vertrouwen ook kan worden bevorderd door methoden van niet wetgevende aard, bijvoorbeeld via samenwerking tussen rechters in het kader van het Europees justitieel netwerk of deelname aan scholing;

18.

is dan ook verheugd over de negen grondbeginselen inzake gerechtelijke opleiding die het Europees netwerk voor justitiële opleiding tijdens zijn algemene vergadering van 2016 heeft aangenomen, omdat deze grondbeginselen een gemeenschappelijk fundament en kader vormen voor zowel de rechterlijke macht als de gerechtelijke opleidingsinstituten in Europa;

19.

is evenwel van oordeel dat, strikt juridisch gezien, voorwaarde voor wederzijds vertrouwen is dat de rechterlijke instanties van de lidstaten elkaars procedures — zowel de theorie ervan als de praktijk — beschouwen als eerlijke burgerrechtelijke procedures;

20.

wijst er derhalve op dat de uitwerking van systematische minimumnormen voor het burgerlijk procesrecht in de Unie in de vorm van een algemene horizontale richtlijn kan leiden tot een groter wederzijds vertrouwen tussen de rechterlijke instanties van de lidstaten en kan zorgen voor een gemeenschappelijk onderling afgestemd systeem van fundamentele procedurele rechten voor burgerlijke geschillen, dat het algemene gevoel van rechtvaardigheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid in de hele Unie kan versterken;

Gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht

21.

benadrukt dat doeltreffende stelsels van burgerlijk procesrecht van groot belang zijn voor de eerbiediging van de rechtsstaat en de fundamentele waarden van de Unie; benadrukt dat zij ook voorwaarde zijn voor duurzame investeringen en een klimaat dat gunstig is voor ondernemingen en consumenten;

22.

is van mening dat onduidelijkheid over verjaringstermijnen voor burgers, consumenten en ondernemingen die betrokken zijn bij een geschil met grensoverschrijdende gevolgen de toegang tot de rechter kan belemmeren; dringt er dus bij de Commissie en de lidstaten op aan te onderzoeken of het haalbaar en wenselijk is om de verjaringstermijnen voor burgerrechtelijke procedures te harmoniseren;

23.

is van mening dat er een duidelijke behoefte is aan wetgeving die voorziet in een geheel van procedurele normen die van toepassing zijn op burgerrechtelijke procedures en roept de Commissie op verder te gaan met de uitvoering van haar actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm dat de Raad op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht heeft vastgesteld;

24.

verzoekt de Commissie daarom overeenkomstig artikel 225 VWEU om uiterlijk op 30 juni 2018 op basis van artikel 81, lid 2, VWEU, een voorstel in te dienen voor een wetgevingshandeling betreffende gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht, een en ander in overeenstemming met de aanbevelingen in de bijlage bij deze resolutie;

25.

wijst erop dat in de bij deze resolutie gevoegde aanbevelingen de grondrechten en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid worden geëerbiedigd;

26.

is van mening dat het verlangde voorstel geen financiële implicaties heeft, aangezien de invoering van minimumnormen voor burgerlijk procesrecht zal leiden tot schaalvoordelen in de vorm van lagere kosten voor procespartijen en hun vertegenwoordigers die zich niet meer hoeven in te werken in het stelsel van burgerlijk procesrecht van een ander land;

o

o o

27.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1)  PE 572.853, december 2015.

(2)  PE 581.385, juni 2016.

(3)  PE 559.499, juni 2015.

(4)  PE 556.971, juni 2016.

(5)  Uniform Law Review, 2004(4).

(6)  M. Storme, Study on the approximation of the laws and rules of the Member States concerning certain aspects of the procedure for civil litigation (eindverslag, Dordrecht, 1994).

(7)  Zie onder meer het arrest van 16 december 1976, Comet BV/Produktschap voor Siergewassen, 45/76, ECLI:EU:C:1976:191 en het arrest van 15 mei 1986, Marguerite Johnston/Chief Constable of the Royal Ulster Constabulary, 222/84, ECLI:EU:C:1986:206.

(8)  Ook online toegankelijk op: http://www.ejtn.eu/PageFiles/15756/Judicial%20Training%20Principles_NL.pdf

(9)  Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0276.

(10)  Zie o.a.: arrest van 13 maart 2007, Unibet (London) Ltd en Unibet (International) Ltd/Justitiekanslern, C-432/05, ECLI:EU:C:2007:163.

(11)  Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 1).

(12)  Richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen (PB L 26 van 31.1.2003, blz. 41).

(13)  Aanbeveling van de Commissie van 11 juni 2013 over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding in de lidstaten betreffende schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten, PB L 201 van 26.7.2013, blz. 60.

(14)  Richtlijn 2009/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen (PB L 110 van 1.5.2009, blz. 30).

(15)  Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB L 349 van 5.12.2014, blz. 1).

(16)  Zie bijvoorbeeld de Europese procedure voor geringe vorderingen (zie tweede voetnoot in overweging G hierboven) en de verordening betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen (Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 59)).

(17)  Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45).

(18)  Zie vierde voetnoot bij overweging G hierboven.

(19)  Zie vijfde voetnoot bij overweging G hierboven.


BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE:

AANBEVELINGEN VOOR EEN RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD BETREFFENDE GEMEENSCHAPPELIJKE MINIMUMNORMEN VOOR BURGERLIJK PROCESRECHT IN DE EU

A.   BEGINSELEN EN DOELSTELLINGEN VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

1.

In de Unie blijft rechtshandhaving voor rechtbanken in grote mate een kwestie van nationale procedurele regels en praktijken. Nationale rechtbanken zijn ook rechtbanken van de Unie. Het is dan ook zaak dat in de procedures voor deze rechtbanken eerlijkheid, rechtvaardigheid en doeltreffendheid, alsmede een doeltreffende toepassing van het Unierecht, worden gewaarborgd.

2.

De toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerrechtelijke zaken heeft het wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars burgerrechtelijke stelsels vergroot. Daarnaast kunnen maatregelen ter aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten de samenwerking tussen de autoriteiten vergemakkelijken en de rechterlijke bescherming van individuele rechten versterken. De mate van wederzijds vertrouwen hangt sterk samen met een aantal parameters, zoals mechanismen voor het waarborgen van de rechten van de eiser of verweerder bij de toegang tot de rechter en tot rechtspleging.

3.

De lidstaten zijn partij bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), maar de ervaring heeft geleerd dat dit op zich niet altijd zorgt voor voldoende vertrouwen in de burgerrechtelijke stelsels van andere lidstaten. Er zijn aanzienlijke verschillen tussen de nationale regels voor burgerlijk procesrecht van de lidstaten. Hierbij gaat het vaak om verschillen met betrekking tot fundamentele procedurele beginselen en waarborgen, die in de weg kunnen staan aan wederzijds vertrouwen tussen gerechtelijke autoriteiten.

4.

Om de fundamentele rechten en vrijheden van de burgers van de Unie te beschermen, nationale procedures te helpen moderniseren, te zorgen voor een eerlijk speelveld voor ondernemingen en groei te stimuleren door middel van doeltreffende en efficiënte rechtsstelsels, moet er dan ook een richtlijn worden vastgesteld waarin de minimumnormen van het Handvest en het EVRM nader zijn uitgewerkt. De passende rechtsgrondslag voor een dergelijk voorstel is artikel 81, lid 2, VWEU, dat betrekking heeft op maatregelen op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken. De richtlijn moet volgens de gewone wetgevingsprocedure worden vastgesteld.

5.

Gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht worden noodzakelijk geacht als stevige basis voor de onderlinge aanpassing en verbetering van nationale wetgeving, waarbij de lidstaten flexibiliteit wordt geboden bij de voorbereiding van nieuwe wetgeving inzake burgerlijk procesrecht, maar tegelijkertijd een algemene consensus over de beginselen van burgerlijk procesrecht wordt weerspiegeld.

6.

Gemeenschappelijke minimumnormen kunnen het vertrouwen in de burgerrechtelijke stelsels van alle lidstaten vergroten, wat dan weer kan leiden tot een doeltreffender, snellere en flexibelere justitiële samenwerking in een klimaat van wederzijds vertrouwen. Deze gemeenschappelijke minimumnormen kunnen ook een einde maken aan belemmeringen voor het vrije verkeer van burgers op het gehele grondgebied van de lidstaten, in die zin dat met name burgers die naar het buitenland reizen niet meer terughoudend zijn om in contact te komen met het burgerrechtelijke systeem van een andere lidstaat.

7.

De voorgestelde richtlijn heeft niet tot doel nationale burgerrechtelijke stelsels in hun geheel te vervangen. De richtlijn eerbiedigt nationale bijzonderheden en het fundamentele recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, in het kader waarvan de daadwerkelijke en doeltreffende toegang tot de rechter is gewaarborgd, en heeft ten doel gemeenschappelijke minimumnormen in te voeren voor de werking en het verloop van burgerrechtelijke procedures in de lidstaten met betrekking tot alle kwesties die onder het Unierecht vallen. De richtlijn is ook bedoeld als basis voor de geleidelijke verdieping van de onderlinge afstemming van de stelsels van burgerlijk procesrecht van de lidstaten.

8.

Het voorstel heeft geen invloed op de bepalingen van de lidstaten inzake de organisatie van hun rechtbanken en hun regels betreffende de benoeming van rechters.

9.

Het huidige voorstel strookt met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, aangezien de lidstaten afzonderlijk niet in staat zijn om minimumnormen voor burgerlijk procesrecht in te voeren en het voorstel niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter en het wederzijds vertrouwen in de Unie te waarborgen.

B.   TEKST VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht in de Europese Unie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 81, lid 2,

Gezien het verzoek van het Europees Parlement aan de Europese Commissie,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen waarin het vrije verkeer van personen is gewaarborgd. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van die ruimte dient de Unie maatregelen te nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, met name wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt.

(2)

Krachtens artikel 81, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moeten dergelijke maatregelen onder meer het volgende beogen: de wederzijdse erkenning tussen de lidstaten van rechterlijke beslissingen en de tenuitvoerlegging daarvan, de grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van stukken, samenwerking bij het vergaren van bewijsmiddelen, daadwerkelijke toegang tot de rechter en het wegnemen van hindernissen voor de goede werking van burgerrechtelijke procedures, zo nodig door bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende bepalingen inzake burgerlijke rechtsvordering.

(3)

Volgens de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, en met name punt 33, zouden een versterkte wederzijdse erkenning en de noodzakelijke onderlinge aanpassing van de wetgevingen de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en de rechtsbescherming van het individu ten goede komen. Het beginsel van wederzijdse erkenning moet dan ook de hoeksteen van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken binnen de Unie worden.

(4)

Overeenkomstig het actieplan van de Commissie ter uitvoering van het programma van Stockholm dat de Raad op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht heeft vastgesteld, zijn de Europese justitiële ruimte en de goede werking van de interne markt gegrond op het fundamentele beginsel van de wederzijdse erkenning, dat op zijn beurt is gestoeld op het idee dat lidstaten elkaars rechtstelsels vertrouwen. Dit beginsel kan alleen effectief werken op basis van wederzijds vertrouwen tussen rechters, beoefenaars van juridische beroepen, ondernemingen en burgers. De omvang van dit vertrouwen hangt af van een aantal parameters, zoals het bestaan van mechanismen om de procedurele rechten van procespartijen in burgerrechtelijke procedures te vrijwaren. Gemeenschappelijke minimumnormen die het recht op een onpartijdig gerecht en de doeltreffendheid van rechtsstelsels vergroten en bijdragen aan een daadwerkelijk handhavingsregime zijn dan ook nodig om de toepassing van dit beginsel te waarborgen.

(5)

Door minimumregels voor de bescherming van procedurele rechten van procespartijen op te stellen en de toegang tot de rechter voor burgers gemakkelijker te maken, moet deze richtlijn het vertrouwen van lidstaten in de burgerrechtelijke stelsels van andere lidstaten versterken en zo bijdragen aan de bevordering van een cultuur van grondrechten in de Unie en aan een doeltreffender interne markt, waarbij de fundamentele vrijheden van de Unie worden geëerbiedigd, door middel van de ontwikkeling van een dieper algemeen gevoel van rechtvaardigheid, zekerheid en voorspelbaarheid in de hele Unie.

(6)

De bepalingen van deze richtlijn moeten van toepassing zijn op burgerrechtelijke geschillen met grensoverschrijdende gevolgen, waaronder geschillen die voortvloeien uit de schending van de rechten en vrijheden die door het Unierecht worden gewaarborgd. Wanneer deze richtlijn verwijst naar een schending van aan het Unierecht ontleende rechten, vallen daaronder alle situaties waarin de schending van op het niveau van de Unie vastgestelde voorschriften schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Niets mag lidstaten ervan weerhouden de bepalingen van deze richtlijn ook toe te passen op louter nationale burgerlijke geschillen.

(7)

Alle lidstaten zijn verdragsluitende partij bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950. De in deze richtlijn bedoelde zaken dienen te worden behandeld met inachtneming van dat Verdrag, in het bijzonder het recht op een eerlijk proces en op een doeltreffende voorziening in rechte.

(8)

Deze richtlijn strekt ertoe de toepassing te bevorderen van gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht om de daadwerkelijke toegang tot de rechter in de Unie te verzekeren. Het algemeen erkende recht op toegang tot de rechter wordt bekrachtigd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).

(9)

Burgerrechtelijke procedures moeten verder worden verbeterd door gebruik te maken van de technologische ontwikkelingen op het gebied van justitie en van nieuwe aan de gerechten ter beschikking staande instrumenten die ertoe kunnen bijdragen de geografische afstand te overbruggen en de daaruit voortvloeiende gevolgen als hoge kosten en lange procedures te ondervangen. Om de proceskosten en de duur van procedures verder te verminderen, moet het gebruik van moderne communicatietechnologie door partijen en gerechten verder worden aangemoedigd.

(10)

Om personen in de gelegenheid te stellen te worden gehoord zonder dat zij naar het gerecht hoeven te reizen, moeten lidstaten ervoor zorgen dat mondelinge behandeling en bewijsverkrijging door het horen van getuigen, deskundigen of partijen kunnen plaatsvinden met behulp van passende technieken voor communicatie op afstand, tenzij het gebruik van dergelijke technologieën vanwege de specifieke omstandigheden van de zaak niet passend zou zijn met het oog op een eerlijke rechtspleging. Deze bepaling is van toepassing onverminderd de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad (1).

(11)

De rechtbanken van de lidstaten moeten voor technische, juridische of andere bewijskwesties kunnen vertrouwen op de adviezen van deskundigen. Behalve wanneer dwangmiddelen nodig zijn en overeenkomstig de vrijheid van dienstverlening en de rechtspraak van het Hof van Justitie, moeten rechters in de ene lidstaat deskundigen kunnen aanwijzen om onderzoeken uit te voeren in een andere lidstaat zonder dat hiervoor een voorafgaande goedkeuring nodig is. Om het inschakelen van juridische deskundigen te vergemakkelijken, rekening houdend met het feit dat het moeilijk kan zijn om in het rechtsgebied van een lidstaat voldoende gekwalificeerde deskundigen aan te wijzen, bijvoorbeeld omdat de zaak technisch ingewikkeld is of omdat er directe of indirecte banden bestaan tussen deskundigen en partijen, moet als onderdeel van het Europese e-justitieportaal een Europees register van alle nationale lijsten van deskundigen worden opgesteld en bijgehouden.

(12)

Bij voorlopige en bewarende maatregelen moet een passend evenwicht worden gevonden tussen het belang van de verzoeker om voorlopige bescherming geboden te krijgen en het belang van de verweerder dat geen misbruik wordt gemaakt van deze bescherming. Wanneer voorafgaand aan een rechterlijke beslissing om voorlopige maatregelen wordt verzocht, moet de verzoeker ten genoegen van het gerecht waar het verzoek is ingediend kunnen aantonen dat hij de procedure betreffende het bodemgeschil tegen de verweerder waarschijnlijk zal winnen. Bovendien moet van de verzoeker in alle omstandigheden worden gevraagd ten genoegen van de rechtbank aan te tonen dat zijn eis dringende rechtsbescherming vereist en dat zonder de voorlopige maatregelen de tenuitvoerlegging van de bestaande of toekomstige rechterlijke beslissing in het gedrang kan komen of aanzienlijk kan worden bemoeilijkt.

(13)

De bepalingen van deze richtlijn mogen geen afbreuk doen aan de bijzondere bepalingen voor de handhaving van rechten op het gebied van intellectuele eigendom zoals vastgelegd in Unie-instrumenten en meer bepaald de bepalingen in Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad (2). Zij mogen evenmin afbreuk doen aan de bijzondere bepalingen voor de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen zoals vastgelegd in het Europees bevel tot conservatoir beslag (3).

(14)

Rechtbanken moeten een sleutelrol spelen bij de bescherming van de rechten en belangen van alle partijen en bij het effectieve en daadwerkelijke beheer van de burgerrechtelijke procedures.

(15)

De doelstelling om te zorgen voor een eerlijk proces, betere toegang tot de rechter en wederzijds vertrouwen, als onderdeel van het Uniebeleid ter verwezenlijking van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, moet de toegang tot gerechtelijke en buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmethoden omvatten. Teneinde partijen aan te moedigen gebruik te maken van bemiddeling moeten de lidstaten ervoor zorgen dat hun regels inzake verjaring partijen niet beletten beroep te doen op de rechter of een arbitrage-instantie indien hun bemiddelingspoging geen resultaat heeft.

(16)

Wegens verschillen tussen de lidstaten in de regels van burgerlijk procesrecht, en met name die welke betrekking hebben op de betekening en kennisgeving van stukken, moeten minimumnormen worden vastgesteld die in het kader van onder het Unierecht vallende burgerrechtelijke procedures van toepassing dienen te zijn. Betekenings- en kennisgevingsmethoden die onmiddellijke en veilige ontvangst van de betekende stukken verzekeren, bevestigd door een ontvangstbewijs, moeten prioriteit krijgen. Het gebruik van moderne communicatietechnologieën moet dan ook op grote schaal worden bevorderd. Voor stukken die aan partijen moeten worden betekend of ter kennis gebracht, moet de elektronische betekening of kennisgeving op gelijke voet staan met betekening of kennisgeving per post. De beschikbare elektronische middelen moeten verzekeren dat de inhoud van de ontvangen stukken en andere schriftelijke communicatie overeenstemt met die van de verzonden stukken en andere schriftelijke communicatie en dat de gevolgde ontvangstbevestigingsmethode een bewijs levert van de ontvangst door de geadresseerde en van de datum van ontvangst.

(17)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de partijen bij burgerrechtelijke procedures het recht hebben op een advocaat naar keuze. In grensoverschrijdende geschillen moeten partijen recht hebben op een advocaat in de lidstaat van herkomst voor voorafgaand advies en op een andere advocaat in de ontvangende lidstaat om het proces te voeren. Vertrouwelijkheid van communicatie tussen de partijen en hun advocaat is van essentieel belang om daadwerkelijke uitoefening van het recht op een onpartijdig gerecht te verzekeren. De lidstaten dienen derhalve het vertrouwelijke karakter van ontmoetingen en andere vormen van communicatie tussen advocaten en partijen in het kader van de uitoefening van het recht op een advocaat waarin deze richtlijn voorziet, te waarborgen. De partijen bij een proces moeten de mogelijkheid hebben om afstand te doen van een uit hoofde van deze richtlijn verleend recht, op voorwaarde dat hun informatie is gegeven om met kennis van zaken te oordelen over de mogelijke gevolgen van een afstand van dat recht.

(18)

De betaling van de gerechtskosten mag niet vereisen dat de eiser naar de lidstaat van het aangezochte gerecht reist of daartoe een advocaat in de arm neemt. Om de effectieve uitoefening van toegang van de eiser tot de procedure te verzekeren, moeten de lidstaten minstens een van de methoden voor betaling op afstand aanbieden waarin in deze richtlijn is voorzien. De informatie over gerechtskosten en betalingswijzen alsmede over de autoriteiten of organisaties die bevoegd zijn om praktische bijstand in de lidstaten te verlenen, moet transparant en gemakkelijk op het internet te vinden zijn via nationale websites.

(19)

De lidstaten moeten de eerbiediging van het grondrecht op rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 47, derde lid, van het Handvest, waarborgen. Alle natuurlijke of rechtspersonen die betrokken zijn bij burgerrechtelijke geschillen binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn, ongeacht of zij als eiser dan wel als verweerder optreden, moeten hun rechten in rechte kunnen doen gelden, ook indien hun persoonlijke financiële toestand hen niet in staat stelt de proceskosten te dragen. Rechtsbijstand dient zich uit te strekken tot advies in de precontentieuze fase met het oog op het vinden van een oplossing voordat er een gerechtelijke procedure wordt ingeleid, juridische bijstand bij het aanhangig maken van een zaak bij de rechter en vertegenwoordiging in rechte, alsook een tegemoetkoming in de proceskosten. Deze bepaling geldt onverminderd Richtlijn 2003/8/EG van de Raad (4).

(20)

De Europese justitiële ruimte kan slechts goed werken als er een Europese justitiële cultuur tot stand wordt gebracht waarin de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht volledig worden geëerbiedigd. Gerechtelijke opleiding is een cruciaal onderdeel van dit proces, omdat er daardoor meer wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, de beoefenaars van juridische beroepen en de burgers ontstaat. In dit verband moeten de lidstaten samenwerken, beroepsopleidingen steunen en de uitwisseling van beste praktijken tussen juridische beroepsbeoefenaren bevorderen.

(21)

Deze richtlijn voorziet in minimumvoorschriften. De lidstaten kunnen de in deze richtlijn vastgestelde rechten uitbreiden om een hoger beschermingsniveau te bieden. Een dergelijk hoger beschermingsniveau mag geen belemmering vormen voor het wederzijdse vertrouwen en de daadwerkelijke toegang tot de rechter die deze minimumvoorschriften beogen te bevorderen. Het beschermingsniveau waarin het Handvest voorziet, zoals uitgelegd door het Hof, en de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht mogen hierbij niet in het gedrang komen.

(22)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het tot stand brengen van gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(23)

Overeenkomstig [artikel 3]/[artikelen 1 en 2] van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, [hebben deze lidstaten laten weten dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze richtlijn]/[nemen deze lidstaten, onverminderd artikel 4 van dat protocol, niet deel aan de aanneming van deze richtlijn; deze is dan ook niet bindend voor noch van toepassing in deze landen].

(24)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze richtlijn, die derhalve niet bindend voor, noch van toepassing is op Denemarken.

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I:

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

De doelstelling van deze richtlijn is de onderlinge aanpassing van de stelsels van burgerlijk procesrecht om volledige eerbiediging van het recht op doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, zoals erkend in artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM, te waarborgen door minimumnormen vast te stellen betreffende de instelling, het verloop en de afronding van burgerrechtelijke procedures voor gerechten in de lidstaten.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Onverminderd normen van burgerlijk procesrecht waarin is voorzien in Uniewetgeving of nationale wetgeving, voor zover deze normen gunstiger zijn voor de procespartijen, is deze richtlijn van toepassing op burgerlijke en handelszaken in geschillen met grensoverschrijdende gevolgen, ongeacht de aard van het gerecht, behalve inzake rechten en verplichtingen waarover partijen niet beschikken uit hoofde van het toepasselijke recht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken en bestuursrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii).

2.   In deze richtlijn wordt onder „lidstaat” verstaan: een andere lidstaat dan [het Verenigd Koninkrijk, Ierland en] Denemarken.

Artikel 3

Geschillen met grensoverschrijdende gevolgen

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn heeft een geschil grensoverschrijdende gevolgen wanneer:

(a)

ten minste een van de partijen haar woonplaats of haar gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht, of

(b)

beide partijen hun woonplaats hebben in dezelfde lidstaat als die van het aangezochte gerecht, op voorwaarde dat de plaats van uitvoering van de overeenkomst, de plaats waar het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan of de plaats van tenuitvoerlegging van de beslissing in een andere lidstaat gelegen is, of

(c)

beide partijen hun woonplaats hebben in dezelfde lidstaat als die van het aangezochte gerecht, op voorwaarde dat het onderwerp van het geschil onder het Unierecht valt.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt de woonplaats bepaald overeenkomstig de artikelen 62 en 63 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad (5).

HOOFDSTUK II:

MINIMUMNORMEN VOOR BURGERLIJKE RECHTSVORDERING

Afdeling 1

Eerlijke en doeltreffende resultaten

Artikel 4

Algemene verplichting inzake doeltreffende rechterlijke bescherming

De lidstaten voorzien in de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die noodzakelijk zijn om de handhaving van de rechten die door het Unierecht in burgerlijke zaken worden toegekend te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zijn eerlijk en billijk, zijn niet onnodig ingewikkeld of kostbaar en houden geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen in en respecteren de nationale bijzonderheden en grondrechten.

Die maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zijn doeltreffend en evenredig en worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor daadwerkelijke toegang tot de rechter wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik ervan.

Artikel 5

Mondelinge behandeling

1.   De lidstaten waarborgen een eerlijk verloop van de procedure. Indien partijen niet fysiek aanwezig kunnen zijn of indien partijen, met goedkeuring van het gerecht, zijn overeengekomen gebruik te maken van snelle communicatiemiddelen, waarborgen de lidstaten dat de mondelinge behandeling kan plaatsvinden met gebruikmaking van passende technologie voor communicatie op afstand, zoals videoconferentie of teleconferentie, waarover het gerecht beschikt.

2.   Als de te horen persoon zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van het aangezochte gerecht, wordt de aanwezigheid van die persoon bij een mondelinge behandeling via videoconferentie, teleconferentie of een andere passende technologie voor communicatie op afstand georganiseerd door gebruik te maken van de procedures van Verordening (EG) nr. 1206/2001. Met betrekking tot videoconferentie wordt rekening gehouden met de op 15 en 16 juni 2015 door de Raad aangenomen aanbevelingen van de Raad over grensoverschrijdende videoconferenties (6) en met de in het kader van het Europese e-justitieportaal verrichte werkzaamheden.

Artikel 6

Voorlopige en bewarende maatregelen

1.   De lidstaten waarborgen dat voorlopige maatregelen voor het behoud van een feitelijke of wettelijke situatie worden ingevoerd om vóór het begin van de bodemprocedure of op enig ogenblik tijdens deze procedure de volledige doeltreffendheid van een latere rechterlijke beslissing over het bodemgeschil te waarborgen.

De in lid 1 bedoelde maatregelen omvatten ook maatregelen om dreigende inbreuken te voorkomen of om onmiddellijk een einde te maken aan een vermeende inbreuk en alsook voor het behoud van middelen die noodzakelijk zijn om te verzekeren dat de inning van de vordering niet in het gedrang komt of aanzienlijk wordt bemoeilijkt.

2.   Bij dergelijke maatregelen worden de rechten van de verdediging geëerbiedigd en deze maatregelen moeten in verhouding staan tot de kenmerken en de ernst van de vermeende schending. Waar passend worden waarborgen geboden voor de kosten en de schade bij de verweerder ten gevolge van een ongerechtvaardigd verzoek. De gerechten hebben de bevoegdheid van de eiser te verlangen dat hij redelijkerwijs beschikbaar te achten bewijsmateriaal overlegt, opdat zij zich er met een voldoende mate van zekerheid van kunnen vergewissen dat de gevraagde voorlopige maatregel noodzakelijk en evenredig is.

3.   De lidstaten waarborgen dat in naar behoren gemotiveerde gevallen voorlopige maatregelen kunnen worden genomen zonder dat de verweerder is gehoord, wanneer uitstel onherstelbare schade voor de eiser zou veroorzaken, of wanneer er een aantoonbaar gevaar bestaat dat bewijsmateriaal wordt vernietigd. In een dergelijk geval worden de maatregelen onverwijld, en ten laatste onmiddellijk nadat zij zijn uitgevoerd, ter kennis van partijen gebracht.

Op verzoek van de verweerder vindt een toetsing plaats, waarbij de verweerder het recht heeft te worden gehoord, teneinde binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van de maatregelen te beslissen of die maatregelen dienen te worden gewijzigd, herroepen of bevestigd.

Wanneer de in lid 1 bedoelde maatregelen worden herroepen of wanneer daarna wordt vastgesteld dat er geen inbreuk of gevaar van inbreuk is geweest, kan het gerecht de verzoeker, op verzoek van de verweerder, bevelen de verweerder passende schadevergoeding te verstrekken voor de door de maatregelen veroorzaakte schade.

4.   Dit artikel geldt onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2004/48/EG en Verordening (EU) nr. 655/2014.

Afdeling 2

Efficiëntie van de procedure

Artikel 7

Procedurele efficiëntie

1.   De gerechten van de lidstaten eerbiedigen het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, dat de daadwerkelijke toegang tot de rechter waarborgt, en het beginsel van hoor en wederhoor, met name bij beslissingen over de noodzaak van een mondelinge behandeling, de bewijsmiddelen en de omvang van de bewijslast.

2.   De gerechten van de lidstaten handelen zo vroeg mogelijk, ongeacht of er al dan niet voorgeschreven termijnen bestaan voor bepaalde handelingen tijdens de verschillende fasen van de procedure.

Artikel 8

Gemotiveerde besluiten

De lidstaten waarborgen dat gerechten binnen een redelijke termijn voldoende gedetailleerde gemotiveerde besluiten verstrekken, zodat partijen in staat zijn om doeltreffend gebruik te maken van hun recht op herziening van besluiten of het recht om in beroep te gaan.

Artikel 9

Algemene beginselen voor het verloop van de procedure

1.   De lidstaten waarborgen dat de gerechten de zaken die zij behandelen actief beheren, om een eerlijke en doeltreffende afhandeling van geschillen binnen een redelijke termijn en tegen redelijke kosten te garanderen, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de vrijheid van partijen om het onderwerp van en het ondersteunende bewijs voor hun zaak te bepalen.

2.   Voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, beheert het gerecht de zaak in overleg met partijen. Meer specifiek kan actief beheer van een zaak het volgende omvatten:

(a)

het aanmoedigen van partijen om met elkaar samen te werken tijdens de procedure;

(b)

het in een vroeg stadium in kaart brengen van geschilpunten;

(c)

het onmiddellijk beslissen welke geschillen volledig moeten worden onderzocht en welke beknopt kunnen worden behandeld;

(d)

het vastleggen van de volgorde waarin geschillen moeten worden opgelost;

(e)

het helpen van partijen om de zaak geheel of gedeeltelijk te schikken;

(f)

het vastleggen van tijdschema's om de voortgang van de zaak te controleren;

(g)

het in één keer behandelen van zo veel aspecten van de zaak als het gerecht aankan;

(h)

het behandelen van de zaak zonder dat partijen persoonlijk aanwezig hoeven te zijn;

(i)

het gebruikmaken van beschikbare technische middelen.

Artikel 10

Bewijsverkrijging

1.   De lidstaten waarborgen dat doeltreffende middelen voor overlegging, verkrijging en bewaring van bewijsstukken beschikbaar zijn, rekening houdend met de rechten van de verdediging en de noodzaak om vertrouwelijke informatie te beschermen.

2.   De lidstaten moedigen het gebruik van moderne communicatietechnologie bij bewijsverkrijging aan. Het aangezochte gerecht maakt gebruik van de eenvoudigste en goedkoopste wijze van bewijsverkrijging.

Artikel 11

Gerechtsdeskundigen

1.   Onverminderd de mogelijkheid dat partijen bewijsmateriaal van deskundigen overleggen, zorgen de lidstaten ervoor dat het gerecht te allen tijde gerechtsdeskundigen kan aanwijzen die advies geven over bepaalde aspecten van het geschil. Het gerecht verstrekt dergelijke deskundigen alle informatie die noodzakelijk is voor het verstrekken van het deskundigenadvies.

2.   In grensoverschrijdende geschillen, behalve wanneer dwangmiddelen nodig zijn of wanneer een onderzoek wordt uitgevoerd op plaatsen die verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag van een lidstaat of op plaatsen die volgens het recht van de lidstaat waar het onderzoek wordt uitgevoerd niet of slechts door bevoegde personen mogen worden betreden of waar enkel die personen bepaalde handelingen mogen verrichten, waarborgen de lidstaten dat een gerecht een gerechtsdeskundige kan aanstellen om onderzoeken uit te voeren buiten het rechtsgebied van het gerecht zonder dat hiervoor enig voorafgaand verzoek bij de betreffende overheid van de andere lidstaat nodig is.

3.   Voor de toepassing van de leden 1 en 2 voert de Commissie een Europees register van deskundigen in door bestaande nationale lijsten van deskundigen samen te voegen en beschikbaar te maken via het Europees e-justitieportaal.

4.   De gerechtsdeskundigen stellen zich onafhankelijk en onpartijdig op, overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op rechters als bedoeld in artikel 22.

5.   Aan het gerecht uitgebracht deskundigenadvies wordt ter beschikking van partijen gesteld, die de mogelijkheid hebben hierop te reageren.

Afdeling 3

Toegang tot de rechter en tot justitie

Artikel 12

Beslechting van geschillen

1.   De lidstaten waarborgen dat het gerecht, als het van oordeel is dat het geschil kan worden opgelost, in elk stadium van de procedure en gelet op alle omstandigheden van de zaak, kan voorstellen dat partijen gebruikmaken van bemiddeling om het geschil te schikken of schikking ervan te onderzoeken.

2.   Lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van partijen die voor bemiddeling kiezen om een gerechtelijke procedure of arbitrage met betrekking tot hun geschil in te leiden voor het verstrijken van verjaringstermijnen tijdens het bemiddelingsproces.

Artikel 13

Proceskosten

1.   De lidstaten waarborgen dat de gerechtskosten die in de lidstaten voor burgerlijke geschillen worden aangerekend, in verhouding staan tot de waarde van de vordering en procesvoering niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.

2.   De gerechtskosten die in de lidstaten voor burgerlijke geschillen worden aangerekend, mogen de burgers niet ontmoedigen hun zaak bij een gerecht aanhangig te maken en mogen de toegang tot de rechter op geen enkele manier belemmeren.

3.   De partijen moeten de gerechtskosten kunnen betalen door betalingsmethoden op afstand, ook vanuit een andere lidstaat dan de lidstaat waarin het gerecht is gevestigd, via bankoverschrijving of via betaling met krediet- of debetkaart.

4.   De lidstaten waarborgen dat de informatie over gerechtskosten en betalingswijzen, alsmede over de autoriteiten of organisaties die bevoegd zijn om praktische bijstand in de lidstaten te verlenen, transparanter wordt gemaakt en gemakkelijk op het internet te vinden is. Daartoe delen de lidstaten deze informatie mee aan de Commissie, die er op haar beurt voor zorgt dat de informatie openbaar wordt gemaakt en op grote schaal via passende middelen wordt verspreid, in het bijzonder via het Europees e-justitieportaal.

Artikel 14

Het beginsel dat de verliezer betaalt

1.   De lidstaten waarborgen dat de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten draagt, waaronder, maar niet uitsluitend de eventuele kosten van de vertegenwoordiging van de tegenpartij door een advocaat of andere rechtsbeoefenaar en de kosten van de betekening of kennisgeving dan wel van de vertaling van stukken, voor zover deze in verhouding staan tot de waarde van de vordering en mits zij noodzakelijk waren.

2.   Indien een partij slechts gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld of in uitzonderlijke omstandigheden, kan het gerecht gelasten dat de kosten op billijke wijze worden toegerekend of dat elke partij haar eigen kosten draagt.

3.   Een partij draagt alle onnodige kosten die zij voor het gerecht of een andere partij heeft veroorzaakt door onnodige kwesties aan te halen of door een onredelijke strijdbaarheid aan de dag te leggen.

4.   Het gerecht kan bij de toewijzing van de kosten laten meewegen of een partij op onredelijke wijze heeft geweigerd mee te werken of niet te goeder trouw heeft meegewerkt aan inspanningen om de zaak te schikken, overeenkomstig artikel 20.

Artikel 15

Rechtsbijstand

1.   Om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen, zorgen de lidstaten ervoor dat gerechten rechtsbijstand kunnen toekennen aan een partij.

2.   Rechtsbijstand kan, geheel of gedeeltelijk, de volgende kosten dekken:

(a)

gerechtskosten, door middel van een volledige of gedeeltelijke kwijtschelding of een betalingsregeling;

(b)

kosten voor rechtsbijstand en vertegenwoordiging met betrekking tot:

(i)

advies in de precontentieuze fase met het oog op het vinden van een oplossing voordat er gerechtelijke procedures worden ingeleid overeenkomstig artikel 12, lid 1;

(ii)

het inleiden en voeren van een procedure voor het gerecht;

(iii)

alle proceskosten met inbegrip van de aanvraag voor rechtsbijstand;

(iv)

tenuitvoerlegging van beslissingen;

(c)

andere noodzakelijke proceskosten die een partij moet dragen, met inbegrip van kosten voor getuigen, deskundigen, tolken en vertalers en de noodzakelijke reis-, verblijfs- en onderhoudskosten van die partij en haar vertegenwoordiger;

(d)

de kosten die aan de in het gelijk gestelde partij worden toegewezen, indien de eiser de zaak verliest overeenkomstig artikel 14.

3.   De lidstaten waarborgen dat natuurlijke personen die ingezetenen zijn van de Europese Unie of ingezetenen van een derde land die wettig in een lidstaat van de Europese Unie verblijven, rechtsbijstand kunnen aanvragen wanneer:

(a)

zij wegens hun economische situatie geheel of ten dele niet in staat zijn de in lid 2 van dit artikel bedoelde proceskosten te dragen, en

(b)

de zaak waarvoor de rechtsbijstand wordt gevraagd een redelijke kans op succes heeft, gezien de procedurele positie van de aanvrager, en

(c)

de eiser die rechtsbijstand aanvraagt gemachtigd is om vorderingen in te stellen krachtens de relevante nationale bepalingen.

4.   Rechtspersonen kunnen rechtsbijstand aanvragen in de vorm van vrijstelling van voorafbetaling van de proceskosten en/of bijstand van een advocaat. Bij de beslissing over de toekenning van deze bijstand kunnen de gerechten onder meer rekening houden met:

(a)

de rechtsvorm van de betrokken rechtspersoon en het feit of deze al dan niet winst maakt;

(b)

de financiële draagkracht van de vennoten of aandeelhouders;

(c)

de mogelijkheid van deze vennoten of aandeelhouders om het nodige bedrag voor het inleiden van gerechtelijke procedures te verzamelen.

5.   De lidstaten waarborgen dat de burgers en rechtspersonen van de Unie worden ingelicht over de procedure voor het aanvragen van rechtsbijstand als bedoeld in de leden 1 tot en met 4, zodat deze mogelijkheid daadwerkelijk wordt benut en rechtsbijstand toegankelijk is.

6.   Dit artikel is van toepassing onverminderd Richtlijn 2003/8/EG.

Artikel 16

Financiering

1.   De lidstaten waarborgen dat wanneer een rechtsvordering door een private derde partij wordt gefinancierd, de derde partij zich ervan onthoudt:

(a)

invloed uit te oefenen op de procedurele beslissingen van de eisende partij, met inbegrip van schikkingen;

(b)

een vordering te financieren tegen een verweerder die een concurrent is van de financier of tegen een verweerder waarvan de financier afhankelijk is;

(c)

buitensporige rente te berekenen over de ter beschikking gestelde financiële middelen.

2.   De lidstaten waarborgen dat bij rechtsvorderingen die door private derde partijen worden gefinancierd, de vergoeding die wordt gegeven aan of de rente die wordt berekend door de financier niet gebaseerd is op het bedrag van de bereikte schikking of de toegekende vergoeding, tenzij de financieringsregeling wordt gereguleerd door een overheidsinstantie die de belangen van partijen waarborgt.

Afdeling 4

Eerlijke rechtsprocedure

Artikel 17

Betekening of kennisgeving van stukken

1.   De lidstaten waarborgen dat in beginsel methoden worden gebruikt die ontvangst van de betekende of in kennis gebrachte stukken waarborgen.

2.   De lidstaten waarborgen dat de stukken waarmee de procedure wordt ingeleid of gelijkwaardige stukken en dagvaardingen voor een terechtzitting overeenkomstig het nationaal recht worden betekend of ter kennis worden gebracht op een van de hierna vermelde wijzen:

(a)

persoonlijk;

(b)

via postdiensten;

(c)

met elektronische middelen, zoals fax of e-mail.

De betekening of kennisgeving moet blijken uit een door de geadresseerde ondertekende ontvangstbevestiging met de datum van ontvangst.

Ten behoeve van betekening of kennisgeving met elektronische middelen als vermeld in de eerste alinea, onder c), van dit lid moet worden gebruikgemaakt van voldoende hoge technische normen die de identiteit van de verzender en de veilige verzending van de betekende of ter kennis gebrachte stukken waarborgen.

Deze documenten mogen ook persoonlijk worden betekend of ter kennis worden gebracht, blijkens een document ondertekend door de bevoegde persoon die de betekening of kennisgeving heeft verricht, en waarin wordt verklaard dat de geadresseerde de stukken in ontvangst heeft genomen of zonder wettige grond heeft geweigerd, en waarin de datum van betekening of kennisgeving is vermeld.

3.   Indien betekening of kennisgeving overeenkomstig lid 2 niet mogelijk is, en wanneer het adres van de verweerder niet met zekerheid bekend is, mag de betekening of kennisgeving worden uitgevoerd op een van de hierna vermelde wijzen:

(a)

in persoon op het persoonlijke adres van de verweerder, aan een persoon die als huisgenoot van de verweerder dezelfde woonplaats heeft of aldaar in dienst is;

(b)

wanneer de verweerder een zelfstandige of een rechtspersoon is, in persoon op het zakenadres van de verweerder, aan een persoon die bij de verweerder in dienst is;

(c)

door deponering van de stukken in de brievenbus van de verweerder;

(d)

door deponering van de stukken op een postkantoor of bij de bevoegde autoriteiten, en schriftelijke mededeling daarvan in de brievenbus van de verweerder, mits de schriftelijke mededeling duidelijk vermeldt dat het om gerechtelijke stukken gaat of dat deze schriftelijke mededeling rechtsgeldig is als betekening of kennisgeving en de toepasselijke termijnen doet ingaan;

(e)

per post zonder bewijs overeenkomstig lid 4 indien de verweerder zijn adres in de lidstaat van oorsprong heeft;

(f)

op elektronische wijze, blijkens een automatische ontvangstbevestiging, op voorwaarde dat de verweerder vooraf uitdrukkelijk met deze wijze van betekening of kennisgeving heeft ingestemd.

Betekening of kennisgeving als bedoeld in de eerste alinea, onder a) tot en met d), van dit lid moet worden aangetoond door:

(a)

een document dat is ondertekend door de bevoegde persoon die de betekening of de kennisgeving heeft verricht, en waarin het volgende wordt vermeld:

(i)

de volledige naam van de persoon die de kennisgeving of de mededeling heeft gedaan;

(ii)

de wijze van betekening of kennisgeving;

(iii)

de datum van betekening of kennisgeving;

(iv)

indien de stukken ter betekening of kennisgeving zijn aangeboden aan een andere persoon dan de verweerder, de naam van die persoon en zijn relatie tot de verweerder, en

(v)

andere informatie die verplicht verstrekt moet worden krachtens het nationale recht.

(b)

voor de toepassing van punten a) en b) van de eerste alinea van dit lid, een ontvangstbevestiging van de persoon aan wie betekening of kennisgeving is geschied.

4.   Betekening of kennisgeving overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel kan ook aan een wettige of gemachtigde vertegenwoordiger van de verweerder geschieden.

5.   Wanneer de stukken die het geding inleiden of gelijkwaardige stukken en enigerlei dagvaarding voor een terechtzitting moeten worden betekend of ter kennis worden gebracht buiten de lidstaten, mag de betekening of kennisgeving op een andere wijze geschieden zoals beschreven in:

(a)

Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad (7) indien zij van toepassing is op de naleving van de rechten van de ontvanger die krachtens de verordening zijn toegekend, of

(b)

het Verdrag van 's Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken of enige ander verdrag of andere overeenkomst dat/die van toepassing is.

6.   Deze richtlijn laat de toepassing van Verordening (EG) nr. 1393/2007 onverlet en doet geen afbreuk aan Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad (8) en Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad (9).

Artikel 18

Recht op een advocaat in een burgerrechtelijke procedure

1.   De lidstaten waarborgen dat de partijen in een burgerrechtelijke procedure recht hebben op een advocaat naar hun keuze om hen in staat te stellen hun rechten op praktische en doeltreffende wijze uit te oefenen.

In grensoverschrijdende geschillen waarborgen de lidstaten dat de partijen in een burgerrechtelijke procedure recht hebben op een advocaat in hun lidstaat van herkomst voor voorafgaand advies en op een advocaat in de ontvangende lidstaat om het proces te voeren.

2.   De lidstaten eerbiedigen de vertrouwelijkheid van communicatie tussen de partijen in een procedure en hun advocaat. Deze communicatie omvat ontmoetingen, briefwisseling, telefoongesprekken en elke andere vorm van communicatie die krachtens het nationale recht is toegestaan.

3.   Onverminderd de door het nationale recht voorgeschreven aanwezigheid of bijstand van een advocaat, kunnen de partijen in een burgerrechtelijke procedure afstand doen van een recht als bedoeld in lid 1 van dit artikel, wanneer

a)

mondeling of schriftelijk duidelijke en toereikende informatie in eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen is gegeven over de mogelijke gevolgen van het afstand doen van dit recht, en

b)

op vrijwillige en ondubbelzinnige wijze afstand van dit recht wordt gedaan.

De lidstaten waarborgen dat deze afstand later op elk moment tijdens de burgerrechtelijke procedure door partijen kan worden herroepen en dat partijen van die mogelijkheid op de hoogte worden gebracht.

4.   Deze bepaling is onverminderd de specifieke bepalingen met betrekking tot juridische vertegenwoordiging waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad (10), Verordening (EG) nr. 1896/2006 en Verordening (EU) nr. 655/2014.

Artikel 19

Toegang tot informatie

De lidstaten spannen zich in om burgers transparante en gemakkelijk toegankelijke informatie te verstrekken over het inleiden van diverse procedures, verjaringstermijnen, de voor diverse geschillen bevoegde gerechten en de nodige formulieren die hiervoor moeten worden ingevuld. Niets in dit artikel verplicht de lidstaten tot het verlenen van rechtsbijstand in de vorm van een juridische beoordeling van een specifieke zaak.

Artikel 20

Vertolking en vertaling van essentiële documenten

De lidstaten spannen zich in om te waarborgen dat alle partijen bij een geschil een volledig begrip hebben van de gerechtelijke procedure. In het kader van deze doelstelling waarborgen zij dat vertolking beschikbaar is tijdens burgerlijke procedures en dat een schriftelijke vertaling beschikbaar is van alle essentiële documenten, om de eerlijkheid van de procedure te garanderen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 15 van deze richtlijn.

Artikel 21

Verplichtingen van partijen en hun vertegenwoordigers

De lidstaten waarborgen dat de partijen in een geschil en hun vertegenwoordigers zich bij de omgang met het gerecht en andere partijen te goeder trouw gedragen, en voor de gerechten geen verkeerde voorstelling geven van zaken of feiten als zij zich daarvan bewust zijn of dat redelijkerwijs behoren te zijn.

Artikel 22

Openbare procesvoering

De lidstaten waarborgen dat de procesvoering openbaar is, tenzij het gerecht besluit de zaak, voor zover nodig, in het belang van een der partijen of van andere betrokkenen, dan wel in het algemene belang van de rechtsbedeling of de openbare orde, vertrouwelijk te behandelen.

Artikel 23

Rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid

1.   De lidstaten waarborgen dat gerechten en hun rechters onafhankelijk zijn. De samenstelling van de gerechten moet voldoende waarborgen bieden om elke gerechtvaardigde twijfel over onpartijdigheid uit te sluiten.

2.   Bij de uitvoering van hun taken zijn de rechters niet gebonden door enige instructies en zijn zij vrij van invloed of druk en van enig persoonlijk vooroordeel of vooringenomenheid in een zaak.

Artikel 24

Opleiding

1.   Onverminderd de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de verschillen in de organisatie van de rechterlijke macht binnen de Unie waarborgen de lidstaten dat de rechterlijke macht, justitiële opleidingsinstellingen en juridische beroepen hun gerechtelijke opleidingsprogramma's verbeteren om ervoor te zorgen dat het recht en de procedures van de Unie in nationale opleidingsactiviteiten worden geïntegreerd.

2.   De opleidingsprogramma's moeten praktijkgericht zijn, relevant voor het dagelijkse werk van beoefenaars van juridische beroepen, plaatsvinden gedurende korte periodes, gebruikmaken van actieve en moderne leertechnieken en mogelijkheden bieden voor initiële opleiding en levenslang leren. De opleidingsprogramma's moeten in het bijzonder zijn toegespitst op:

(a)

de verwerving van voldoende kennis van de instrumenten voor justitiële samenwerking van de Unie en de ontwikkeling van de reflex om regelmatig te verwijzen naar de rechtspraak van de Unie, de omzetting op nationaal niveau te controleren en gebruik te maken van de mogelijkheid om bij het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële procedure aanhangig te maken;

(b)

de verspreiding van kennis en ervaring in het recht en de procedures van de Unie en in andere rechtstelsels;

(c)

de vergemakkelijking van kortstondige uitwisseling van nieuwe rechters;

(d)

de beheersing van een vreemde taal en de rechtsterminologie in die taal.

HOOFDSTUK III:

SLOTBEPALINGEN

Artikel 25

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk … [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2.   Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De methoden voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

3.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 26

Evaluatie

De Commissie dient, uiterlijk op 31 december 2025 en vervolgens om de vijf jaar, bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze richtlijn op basis van zowel kwalitatieve als kwantitatieve gegevens. In dit verband beoordeelt de Commissie in het bijzonder de gevolgen ervan voor de toegang tot de rechter, voor het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, voor de samenwerking in burgerrechtelijke zaken en voor de werking van de interne markt, kmo's, het concurrentievermogen van de economie van de Europese Unie en het consumentenvertrouwen. Indien nodig gaat het verslag vergezeld van wetgevingsvoorstellen ter herziening en versterking van deze richtlijn.

Artikel 27

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 28

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te, [datum]

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PB L 174 van 27.6.2001, blz. 1).

(2)  Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45.

(3)  Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 59).

(4)  Richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen (PB L 26 van 31.1.2003, blz. 41).

(5)  Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1).

(6)  Aanbevelingen van de Raad — „Bevordering van het gebruik en de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van grensoverschrijdende videoconferenties binnen het justitieel apparaat op lidstaat- en EU-niveau” (PB C 250 van 31.7.2015, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken („de betekening en de kennisgeving van stukken”), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 79).

(8)  Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 15).

(9)  Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB L 399 van 30.12.2006, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 1).