13.10.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 345/102


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „De rol van energiewinning uit afval in de circulaire economie”

(COM(2017) 34 final)

(2017/C 345/17)

Rapporteur:

Cillian LOHAN

Corapporteur:

Antonello PEZZINI

Raadpleging

Europese Commissie, 17.2.2017

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

 

 

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedkeuring door de afdeling

15.6.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

5.7.2017

Zitting nr.

527

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

140/0/2

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) vindt het een goede zaak dat wordt uitgegaan van de afvalhiërarchie bij het nemen van besluiten over afvalbeheer (1), waaronder ook energiewinning uit afval.

1.2.

Om de boodschap van de eerste trede in de afvalhiërarchie — het voorkomen van de productie van afval — te verspreiden, is een gecoördineerde strategie nodig.

1.3.

Het EESC staat achter het principe van duurzaamheidstoetsing van Europese publieke middelen met het oog op de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (Sustainable Development Goals, SDG’s) (2) en vindt dat overheidsfinanciering het welzijn van de Europese burgers moet verbeteren. Een ander uitgangspunt van overheidsfinanciering moet zijn dat er geen activiteiten worden gesteund die burgers schade berokkenen.

1.4.

De tekortkomingen in bestaande richtlijnen betreffende afvalstoffen moeten in toekomstige wetgeving worden verholpen om ervoor te zorgen dat de overgang naar een circulair economisch model eerlijk, consequent en op systematische wijze verloopt.

1.5.

Er mogen geen infrastructurele barrières worden opgeworpen voor de verwezenlijking van hogere recyclingpercentages door te investeren in verouderde procedés voor energiewinning uit afval.

1.6.

Hoewel gescheiden afvalinzameling prioriteit heeft, vooral in het geval van lidstaten die sterk afhankelijk zijn van afvalstorting, moet hier ook een stijging van de recyclagepercentages tegenover staan om de overgang naar meer circulariteit lonend te maken.

1.7.

De grote hoeveelheid verbrandingsinstallaties die op dit moment in bepaalde lidstaten aanwezig is, is in strijd met de ambitieuzere streefcijfers voor recycling van het actieplan voor de circulaire economie (3). Deze lidstaten zouden ertoe moeten worden aangezet om over te stappen van verbranding op uiteenlopende afvalbeheersmaatregelen door push- en pull-maatregelen als:

belastingheffing;

de geleidelijke afschaffing van steunregelingen;

de invoering van een moratorium op nieuwe installaties en de buitengebruikstelling van verouderde installaties.

1.8.

De overgang naar een circulaire economie in de EU is belemmerd door een gebrek aan de juiste prijssignalen. Dit wordt nog versterkt door aanhoudende ongerechtvaardigde subsidies voor niet-duurzame productiesystemen, met name voor de sector fossiele brandstoffen (4). Het EESC is ingenomen met het expliciet genoemde verband tussen toegang tot de middelen van het cohesiebeleid, enerzijds, en de nationale afvalbeheerplannen en het Europese actieplan voor de circulaire economie, anderzijds. Er zou een sterker verband kunnen zijn met het Europees Fonds voor strategische investeringen.

1.9.

Biogas biedt tal van mogelijkheden op EU-niveau, op het gebied van o.a. werkgelegenheidsschepping, emissiereductie en vergroting van de brandstofvoorzieningszekerheid. Op basis van goede praktijkvoorbeelden uit EU- en andere landen moet er een wetgevings- en beleidskader worden ontwikkeld dat het pad effent voor optimale benutting van de geboden kansen.

1.9.1.

Biovergisting voor de productie van biomethaan voor auto’s is in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs. Uit een recente evaluatie door de Commissie (5) blijkt dat de productie van biogas in de EU tegen 2030 minstens zou kunnen verdubbelen en mogelijk zelfs verdriedubbelen.

1.10.

Er zijn een mentaliteitsverandering en een cultuuromslag nodig, die kunnen worden bereikt via educatieve maatregelen voor alle lagen van de bevolking.

2.   Achtergrond

2.1.

Op 2 december 2015 keurde de Commissie een EU-actieplan voor de circulaire economie goed, dat een hervormingsagenda met een groot potentieel voor nieuwe banen en groei voorstelt en duurzame consumptie- en productiepatronen wil bevorderen overeenkomstig de verplichtingen van de EU in het kader van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling. In deze mededeling staan de terugwinning van energie uit afval en de plaats daarvan in de circulaire economie centraal. Energiewinning uit afval is een ruim begrip dat veel meer omvat dan enkel de verbranding van afval.

2.2.

Het voornaamste doel van deze mededeling is ervoor te zorgen dat de terugwinning van energie uit afval in de EU de doelstellingen van het actieplan voor de circulaire economie ondersteunt en nauw is afgestemd op de EU-afvalhiërarchie. In de mededeling wordt tevens nagegaan hoe de rol van procedés voor energiewinning uit afval kan worden geoptimaliseerd om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie voor de energie-unie en de Overeenkomst van Parijs. Tegelijkertijd wil de hier beschreven aanpak van energiewinning uit afval door het in de kijker plaatsen van beproefde energie-efficiënte technologie innovatie stimuleren en vaste banen van hoge kwaliteit helpen creëren.

2.3.

In dit advies neemt het EESC een standpunt in over elk van de drie onderdelen van de mededeling, nl.:

plaatsing van procedés voor energiewinning uit afval in de afvalhiërarchie en de rol van financiële steun van de overheid;

procedés voor energiewinning uit afval en de behandeling van restafval: zoeken naar een juist evenwicht;

optimaliseren van de bijdrage van energiewinning uit afval aan de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU in de circulaire economie.

Verder wil het nog een paar punten aanstippen die het perspectief van het maatschappelijk middenveld weergeven en gebaseerd zijn op eerder ingenomen standpunten van het EESC.

2.4.

Het EESC wijst op de noodzaak om te voorzien in de onmiddellijke behoeften van de EU op het gebied van beheer van afvalstoffen in het kader van de bestaande wetgeving en in het kader van de bestaande infrastructuur voor afvalbeheer. Hoewel er altijd nog bepaalde suboptimale praktijken zullen blijven bestaan, is de algemene tendens op langere termijn dat er naar een afvalarm productiemodel wordt gestreefd waarbij afvalpreventie, hergebruik, herbewerking en recyclage centraal staan in de fase na gebruik van materiaalstromen. De uitdaging is om een snelle en gestage overgang naar de langetermijndoelstellingen te bevorderen.

2.5.

Met een gemiddelde stedelijke afvalproductie van ca. 480 kg/inwoner in de hele EU in 2015 kan de gestorte hoeveelheid van land tot land variëren van 3 kg in het beste geval tot 150 kg in het slechtste geval.

3.   Plaatsing van procedés voor energiewinning uit afval in de afvalhiërarchie en de rol van financiële steun van de overheid

3.1.

Het EESC vindt het een goede zaak dat wordt uitgegaan van de afvalhiërarchie bij het nemen van besluiten over afvalbeheer (6), waaronder ook energiewinning uit afval.

3.2.

Het is belangrijk erop te wijzen dat energiewinning uit afval niet altijd een optie is die aansluit bij de ambities of principes van de circulaire economie. Zo is het verbranden van afvalstoffen die geschikt waren voor hergebruik of gerecycleerd hadden kunnen worden niet de beste keuze in termen van hulpbronnen-efficiëntie of optimaal gebruik van grondstoffen. Evenzo resulteert het vervoer van afval over lange afstanden tegen hoge energiekosten, om een verhoudingsgewijs kleinere energieopbrengst te bereiken via energiewinning uit afval, in netto energiekosten en de bijbehorende klimaateffecten. Dit zijn niet de enige voorbeelden.

3.3.

Onderstaande afbeelding illustreert de verhouding tussen de verschillende procedés voor energiewinning uit afval en de afvalhiërarchie.

Image

3.4.

De afvalhiërarchie is op zich niet voldoende om de geschiktheid van de procedés voor energiewinning uit afval vast te stellen. Het EESC staat achter het principe van duurzaamheidstoetsing van Europese publieke middelen met het oog op de SDG’s en vindt dat overheidsfinanciering het welzijn van de Europese burgers moet verbeteren. Een ander uitgangspunt van overheidsfinanciering moet zijn dat er geen activiteiten worden gesteund die burgers schade berokkenen.

3.5.

Het is belangrijk dat de zwakke plekken in de kaderrichtlijn afvalstoffen geen gevolgen hebben voor de initiatieven op het gebied van de circulaire economie, bijvoorbeeld de mogelijkheid dat een lidstaat om praktische redenen of bij gebrek aan financiële middelen niet aan zijn verplichtingen op het gebied van gescheiden afvalinzameling hoeft te voldoen. De focus moet liggen op het gebruik van publieke middelen om praktische problemen op te lossen of op het gebruik van economische beleidsinstrumenten om de financiële beperkingen die de toepassing van de optimale praktijkoplossing verhinderen, uit de weg te ruimen. In het geval van materiaal dat giftige stoffen bevat zijn er gegronde redenen om de voorkeur te geven aan verwijdering of energiewinning boven hergebruik of recycling.

3.6.

Deze mededeling is een grondige uitwerking van het actieplan voor de circulaire economie en legt de lat hoog voor een efficiëntere energiewinning uit afval en meer aandacht voor de afvalhiërarchie bij het vaststellen van de circulariteit van verschillende procedés. Maar de wetgeving waarop deze mededeling is gebaseerd, met name de kaderrichtlijn afvalstoffen, bevat historische zwakke plekken die problemen zullen blijven veroorzaken en de plannen zullen ondermijnen als ze niet worden aangepakt. De classificatie van afvalstoffen moet worden herzien en misschien worden gebaseerd op de mogelijkheden die worden geboden door de nieuwe technieken die worden gebruikt in installaties voor de omzetting van afval in energie (bijv. een beschadigde tomaat wordt niet op de markt gebracht, terwijl een onverkochte tomaat afval is), waaronder eventueel ook het gebruik van slib uit stadsriolering voor biovergisting. De ambitie om dergelijke kwesties aan te pakken in het actieplan voor de circulaire economie moet tot uiting komen in noodzakelijke wetswijzigingen op alle relevante niveaus.

3.7.

De positie van procedés voor energiewinning uit afval in de afvalhiërarchie kan misleidend zijn als gevolg van de beperkingen die voortvloeien uit de wijze waarop de procedés wettelijk worden behandeld. De positie wordt bepaald aan de hand van definities die zijn vastgelegd in de wetgeving, in plaats van op basis van wetenschappelijke analyses van de feitelijke impact van dergelijke procedés voor energiewinning uit afval.

3.8.

De berekeningsmethode bevat ook technische aspecten die verband houden met definities en drempels in de kaderrichtlijn afvalstoffen. Dit zijn de berekeningsmethodes die de plaats van de verschillende procedés voor energiewinning uit afval in de afvalhiërarchie bepalen. Deze gedetailleerde berekeningen zouden door de Commissie opnieuw moeten worden bekeken om ervoor te zorgen dat zij nu wel solide zijn, vooral met het oog op de circulaire economie, de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, de energie-unie en de Overeenkomst van Parijs.

3.9.

De verplichtingen op het gebied van gescheiden afvalinzameling die onderdeel zijn van de Europese afvalwetgeving (7) zijn een essentieel aspect van de verwezenlijking van beter afvalbeheer.

3.10.

Door technologische vooruitgang zullen er steeds betere mogelijkheden ontstaan voor het optimaliseren van de efficiency van producten en energiestromen, en zullen er innovatieve oplossingen voor efficiëntere processen worden gevonden.

3.11.

Door Europabreed en op alle fronten voor ecologisch ontworpen goederen en diensten te kiezen zal de hoeveelheid afval verminderen en, als de circulaire economie eenmaal een feit is, tot een minimum worden beperkt. Ecologisch ontwerpen is van essentieel belang om schone repareerbare, herbruikbare, recycleerbare, modulaire producten te vervaardigen en zal „afval” zoals we dat nu kennen uiteindelijk de wereld uit helpen.

3.12.

Dit zal ertoe leiden dat er steeds minder gemengd afval naar verbrandingsovens gaat, en daarom moeten de nationale subsidies hiervoor geleidelijk verdwijnen en mogen er geen nieuwe investeringen meer worden overwogen, behalve wanneer het gaat om het moderniseren van bestaande infrastructuur, om deze meer hulpbronnen- en energie-efficiënt te maken.

4.   Procedés voor energiewinning uit afval en de behandeling van restafval: zoeken naar een juist evenwicht

4.1.

Er mogen geen infrastructurele barrières worden opgeworpen voor de verwezenlijking van hogere recyclingpercentages door te investeren in verouderde en energie-inefficiënte procedés voor energiewinning uit afval.

4.2.

In 2013 werd 2,5 Mt merendeels uit afval gewonnen brandstof (refuse-derived fuel, RDF) verscheept tussen de lidstaten voor energiewinning (8).

4.3.

Bij de beoordeling van energiewinning uit afval moet rekening worden gehouden met dit vervoerselement, omdat het aspect „vervoer” bepalend kan zijn voor de feitelijke impact van dit procedé in termen van emissies, wanneer dit aspect wordt meegenomen in de meting van de emissies gerelateerd aan verschillende afvalverwerkingsopties.

4.4.

Wanneer we kijken naar de spreiding van verbrandingsinstallaties in Europa, zien we dat er sprake is van een ongelijke verdeling. Duitsland, Nederland, Denemarken, Zweden en Italië hebben de meeste verbrandingscapaciteit van Europa. In het algemeen blijven veel lidstaten in hoge mate afhankelijk van storten. Dit moet veranderen om tegemoet te komen aan de nieuwe uitdagingen en doelen die zijn vastgesteld in de afvalwetgeving in verband met het actieplan voor de circulaire economie.

4.5.

Lidstaten die in belangrijke mate afhankelijk zijn van storten en geen of weinig gebruikmaken van verbranding moeten zich in de eerste plaats richten op gescheiden inzameling. Gescheiden inzameling aan de bron is van essentieel belang voor de levering van kwalitatief hoogwaardig afval voor recyclage, en dit moet worden aangemoedigd.

4.6.

Er zijn echter veel voorbeelden van lidstaten met recyclagepercentages die niet in verhouding staan tot de hoge percentages voor gescheiden afvalinzameling. Deze manifeste tegenstrijdigheid moet met gerichte beleidsinstrumenten worden aangepakt.

4.7.

In deze mededeling worden de lidstaten aangemoedigd om hun financiële middelen en strategieën op andere doelen dan verbrandingsovens te richten door na te gaan wat de terugverdientijd, de beschikbaarheid van grondstoffen en de capaciteit in buurlanden is.

4.8.

Soms kan het gebruik van een verbrandingsinstallatie in een buurland de beste optie zijn, maar voordat hiertoe wordt overgegaan moet een volledige levenscyclusanalyse worden uitgevoerd, waarbij ook kritisch moet worden gekeken naar de bijbehorende kosten van transport, zowel in economisch als milieuopzicht.

4.9.

Behalve in bepaalde, zeer specifieke, gevallen en gezien de technologische vooruitgang is het onwaarschijnlijk dat de keuze voor verbranding de meest hulpbronnen-efficiënte of meest praktische oplossing is voor de afvalverwerkingsproblematiek.

4.10.

De grote hoeveelheid verbrandingsinstallaties die op dit moment in bepaalde lidstaten aanwezig is, is onverenigbaar met ambitieuzere streefcijfers voor recycling. Deze lidstaten zouden ertoe moeten worden aangezet om af te stappen van verbranding door push- en pull-maatregelen als:

belastingheffing;

de geleidelijke afschaffing van steunregelingen;

de invoering van een moratorium op nieuwe installaties en de buitengebruikstelling van verouderde installaties.

4.11.

Het EESC wil erop wijzen dat als er voor een algemene belasting op verbranding wordt gekozen zonder de eindgebruiker betaalbare en toegankelijke alternatieven te bieden, de burger simpelweg een hogere rekening gepresenteerd zal krijgen. Er moet op doelgerichte en slimme wijze gebruik worden gemaakt van belastingen als economisch instrument.

4.12.

Er moet in elke lidstaat een efficiënte procedure zijn voor het hanteren en uitreiken van vergunningen om afvalbeheersactiviteiten te verrichten.

5.   Optimaliseren van de bijdrage van de energiewinning uit afval aan de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU in de circulaire economie

5.1.

Het EESC beaamt dat de energiewinning uit afval alleen door de inachtneming van de afvalhiërarchie de bijdrage van de circulaire economie aan het koolstofarm maken van de economie kan maximaliseren, overeenkomstig de strategie voor de energie-unie en de Overeenkomst van Parijs. Biovergisting voor de productie van biomethaan voor auto’s is in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs. Voertuigen die op biomethaan rijden, kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het koolstofarm maken van het vervoer in Europa.

5.2.

Om de bijdrage van energiewinning uit afval aan de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU in de circulaire economie te optimaliseren, moet ervoor worden gezorgd dat de meest efficiënte technieken en technologieën voor energiewinning uit afval worden gebruikt. Dit is in overeenstemming met de door de Commissie voorgestelde wijzigingen van de richtlijn hernieuwbare energie; deze criteria moeten echter voor alle nieuwe installaties gelden, ongeacht hun omvang, inclusief kleinere installaties van minder dan 20 MW.

5.3.

Belastingheffing op afvalinzameling heeft een steeds grotere impact op de middelen van gezinnen en bedrijven en zou daarom toekomstgericht en met de bescherming van het milieu in gedachten moeten worden gebruikt.

5.4.

De publieke en private sector zouden moeten kunnen samenwerken in langetermijnprojecten om een cultuur van circulariteit concreter te maken. Maatschappelijk verantwoord ondernemen kan ook een belangrijke rol spelen in de overstap naar meer duurzame vormen van afvalbeheer.

5.5.

De overgang naar een circulaire economie in de EU is belemmerd door een gebrek aan de juiste prijssignalen. Dit wordt nog versterkt door aanhoudende ongerechtvaardigde subsidies voor niet-duurzame productiesystemen, met name voor de sector fossiele brandstoffen (9). Het EESC is ingenomen met het expliciet genoemde verband tussen toegang tot de middelen van het cohesiebeleid, enerzijds, en de nationale en regionale afvalbeheerplannen en het Europese actieplan voor de circulaire economie, anderzijds.

5.6.

Er zou een sterker verband kunnen zijn met de steun die in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen wordt verstrekt, om ervoor te zorgen dat er vooral wordt geïnvesteerd in mogelijkheden die de doelstellingen van het actieplan voor de circulaire economie helpen verwezenlijken. Er kunnen bepaalde stimuleringsmaatregelen worden overwogen om gepaste voorzieningen stroomafwaarts te creëren, zoals de distributie van brandstof en/of secundaire grondstoffen of de vervaardiging van andere producten voor potentieel gebruik.

6.   Andere mogelijkheden

6.1.    Biomethaan

6.1.1.

In de mededeling wordt ingegaan op de opties om biogas te produceren via anaerobe vergisting. Deze mogelijkheid kan interessant zijn voor verschillende lidstaten en moet nader worden onderzocht. Uit een recente evaluatie door de Commissie (10) blijkt dat de productie van biogas in de EU tegen 2030 minstens zou kunnen verdubbelen en mogelijk zelfs verdrievoudigen.

6.1.2.

Het gebruik van biogas werkt goed in veel lidstaten, vooral in Italië en Duitsland. Ook kan er lering worden getrokken uit de ervaringen van deze landen met de praktische toepassing.

6.1.3.

De kosten van biomethaan liggen momenteel hoger dan die van fossiel methaan. Het gebruik van biomethaan wordt echter gerechtvaardigd door de indirecte kosten die worden veroorzaakt door mutagene en carcinogene agentia, bijv. NOx en oliedampen afkomstig uit fossiele brandstoffen (11).

6.1.4.

Bovendien zijn de mogelijk hogere kosten van biomethaan in overeenstemming met de doelstellingen die zijn vastgesteld in de Overeenkomst van Parijs inzake de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen afkomstig van traditionele brandstoffen (12).

6.1.5.

Het is van essentieel belang dat het gebruik van grondstoffen voor anaerobe vergisting geen of slechts geringe indirecte veranderingen in landgebruik (ILUC) heeft en geen negatieve impact heeft op de voedselproductie. Om aan de afvalverwerkings- en energiebehoeften te voldoen, worden biogasinstallaties bij voorkeur in de directe omgeving van de aanvoer van grondstoffen (hoofdzakelijk landbouwafval) gebouwd. De bouw van anaerobe gistingstanks, waardoor de vraag naar nieuwe aanvoer van grondstoffen ontstaat — afval of gewassen — moet worden vermeden.

6.1.6.

De plaats van de biogasinstallatie is van cruciaal belang. Er moet aantoonbaar efficiënt gebruik worden gemaakt van de geproduceerde energie, om verspilling van efficiënt geproduceerde energie te voorkomen. Ook dient erop te worden gewezen dat anaerobe vergisting geen standaardoplossing is voor alle landbouwregio’s in de EU en dat de promotie ervan beperkt moet blijven tot gebieden waar veel grondstoffen aanwezig zijn die thans voor afvalproblemen zorgen.

6.1.7.

De ontwikkeling van een goed geplande infrastructuur voor de productie en het gebruik van biogas kan een zeer efficiënte manier zijn om landbouwafval te verwerken, potentieel milieubelastende stoffen aan te pakken en veilige afvalverwerking te bevorderen. Ook kan worden voorzien in de behoefte aan verwarming en vervoersbrandstoffen voor gemeenschappen.

6.1.8.

Anaerobe vergisting kan problemen op het gebied van de volksgezondheid helpen aanpakken, meststof voor landbouwgrond leveren, de uitstoot helpen verminderen en een praktisch voorbeeld van circulariteit zijn.

6.1.9.

Anaerobe vergisting kan zeer effectief zijn wanneer de beginselen van de circulaire economie worden toegepast, met name het idee van korte lijnen, waarbij de grondstoffen voor gistingstanks lokaal worden gewonnen en opgewekte energie lokaal wordt gebruikt (behalve wanneer brandstof als gas wordt gebruikt in trucks). Met behulp van investeringen moet worden geprobeerd om afval over een zo kort mogelijke afstand, en bij voorkeur helemaal niet, te vervoeren.

6.1.10.

De gevolgen voor de werkgelegenheid en de economie van de ontwikkeling van geïntegreerde biogaswinning tot een nationale of regionale energiemix moeten worden geanalyseerd en onder de aandacht worden gebracht. Ook moet worden nagegaan of de administratieve procedures voor het aanvragen van een vergunning voor het bouwen van een bioafvalverwerkingsinstallatie kunnen worden vereenvoudigd en versneld.

6.1.11.

Economische en beleidssteun voor projecten die aan alle criteria voldoen zal bevorderlijk zijn voor innovatie en kan een van de vele instrumenten zijn om de overgang naar een koolstofarme economie te bewerkstelligen.

6.1.12.

De herziening van mandaat M/475 van het Europees Comité voor normalisatie (CEN) moet worden uitgebreid zodat biomethaan uit bronnen die momenteel niet zijn toegestaan, zoals stortgas, gas van rioolwaterzuiveringsinstallaties, uit slib en uit ongesorteerd stads- en ander afval, kan worden ingevoed in aardgasnetwerken. Er is al biomethaan uit dergelijke bronnen voorhanden.

6.1.13.

Het Europees Fonds voor strategische investeringen is van cruciaal belang voor de invoering van anaerobe vergistingsprocedés voor projecten die nog niet financieel levensvatbaar zijn.

6.1.14.

Er moet een beroep worden gedaan op het soort stimuleringsmaatregelen dat vroeger werd gebruikt voor de fossielebrandstofindustrie om het gebruik van op biogas rijdende voertuigen aan te moedigen. Doordat er betaalbare en toegankelijke alternatieve transportmogelijkheden worden geboden aan de consument, zal de eindgebruiker hier uiteindelijk de vruchten van plukken.

6.2.    Cultuurverschillen en educatie

6.2.1.

Een deel van de uitdaging ligt in het aanpakken van cultuurverschillen, die dan ook aandacht verdienen. Om een mentaliteitsverandering op het gebied van afvalscheiding aan de bron tot stand te brengen is ook een cultuuromslag nodig. Daarvoor kunnen allerlei instrumenten worden ingezet, zoals nudging  (13).

6.2.2.

Om de boodschap van de eerste trede in de afvalhiërarchie — het voorkomen van de productie van afval — te verspreiden, is een gecoördineerde strategie nodig.

6.2.3.

Mentaliteitsveranderingen kunnen ook worden bereikt door op schoolniveau programma’s over deze onderwerpen te ontwikkelen. Op alle schoolniveaus — van kleuter- en basisonderwijs tot universiteiten en praktijkopleidingen — kun je, als onderdeel van een langetermijnaanpak, kinderen en burgers informeren en instrueren.

6.2.4.

Universiteiten en overheidsinstanties kunnen het goede voorbeeld geven door nieuwe technieken en praktijken in gebruik te nemen die hierdoor legitimiteit verwerven, en kunnen zodoende fungeren als regionale ambassadeurs voor energiewinning uit afval (14).

Brussel, 5 juli 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  Advies van het EESC over het pakket circulaire economie, paragraaf 4.3 (PB C 264 van 20.7.2016, blz. 98).

(2)  Advies van het EESC over duurzame ontwikkeling: inventarisatie van het interne en het externe beleid van de EU, paragraaf 4.3.5.5 (PB C 487 van 28.12.2016, blz. 41).

(3)  Mededeling van de Commissie „Maak de cirkel rond — Een EU-actieplan voor de circulaire economie”, (COM(2015) 614), 2 december 2015.

(4)  David Coady, Ian Parry, Louis Sears, Baoping Shang, How Large Are Global Energy Subsidies?, IMF Working Papers, WP/15/105, mei 2015.

(5)  Europese Commissie, Optimal use of biogas from waste streams — An assessment of the potential of biogas from digestion in the EU beyond 2020, maart 2017.

(6)  Advies van het EESC over het pakket circulaire economie, paragraaf 4.3 (PB C 264 van 20.7.2016, blz. 98).

(7)  Richtlijn 2008/98/EG, met name de artikelen 11 (papier, metaal, plastic, glas en bouw- en sloopafval) en 22 (bioafval) (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(8)  Europees Thematisch Centrum voor afval en materialen in een groene economie (ETC/WMGE), Assessment of waste incineration capacity and waste shipments in Europe, januari 2017.

(9)  David Coady, Ian Parry, Louis Sears, Baoping Shang, How Large Are Global Energy Subsidies?, IMF Working Papers, WP/15/105, mei 2015.

(10)  Europese Commissie, Optimal use of biogas from waste streams — An assessment of the potential of biogas from digestion in the EU beyond 2020, maart 2017.

(11)  COM(2017) 11 final — 2017/0004 (COD).

(12)  „L’opera loda l’artefice” (het werk prijst zijn meester), zei Machiavelli ooit.

(13)  EESC-advies over de toepassing van „nudging” in het EU-beleid (PB C 75 van 10.3.2017, blz. 28).

(14)  Hiervan zijn voorbeelden te vinden in tal van lidstaten. Eén daarvan is het University College Cork in Ierland, dat over eigen kleinschalige anaerobe gistingstanks voor onderzoek beschikt.