12.4.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 128/1


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE

Vereisten en procedure voor de opname van in derde landen gelegen inrichtingen in de Europese lijst van scheepsrecyclinginrichtingen

Technische richtsnoeren in het kader van Verordening (EU) nr. 1257/2013 inzake scheepsrecycling

(2016/C 128/01)

Deze technische richtsnoeren inzake de vereisten en de procedure voor de opname van in derde landen gelegen inrichtingen in de Europese lijst van scheepsrecyclinginrichtingen zijn bedoeld ter verduidelijking van bepaalde aspecten van Verordening (EU) nr. 1257/2013 („de verordening”), die op 30 december 2013 in werking is getreden. Deze richtsnoeren zijn door de Europese Commissie vastgesteld na discussies met de lidstaten en belanghebbende partijen.

Artikel 15, lid 4, derde alinea, van de verordening bepaalt dat de Europese Commissie, met het oog op een aanvraag van scheepsrecyclinginrichtingen op het grondgebied van derde landen voor opname in de Europese lijst van scheepsrecyclinginrichtingen („de Europese lijst”) „technische richtsnoeren [kan] uitbrengen om de certificatie te vergemakkelijken”. In het voorliggende document worden de volgende in artikel 15, lid 4, genoemde of bedoelde elementen verduidelijkt:

het voorwerp van certificatie, d.w.z. de ontwerp-, constructie-, operationele, beheer-, monitoring- en administratieve voorschriften waaraan de inrichtingen moeten voldoen;

de status en kwalificaties van de certificerende entiteit („de onafhankelijke verificateur”);

de procedure voor de inspectie van inrichtingen en latere verificaties;

de modaliteiten van de indiening van de aanvraag voor opname in de Europese lijst bij de Europese Commissie.

Het voorliggende document verschaft duidelijkheid in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het Verdrag van Hongkong, rekening houdend met de toepasselijke richtsnoeren van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en het Verdrag van Bazel. De meeste vereisten in de verordening vloeien voort uit het Verdrag van Hongkong, maar enkele vereisten zijn nieuw en behoeven verduidelijking die niet noodzakelijkerwijs in de richtsnoeren van de IMO of andere bestaande richtsnoeren te vinden is.

Deze technische richtsnoeren kunnen worden bijgewerkt indien dit noodzakelijk wordt geacht in het licht van de ervaringen met de tenuitvoerlegging van de richtlijn. De Commissie behoudt zich het recht voor om aanvullende technische richtsnoeren over dit onderwerp te publiceren, bijvoorbeeld over de tussentijdse evaluatie van de naleving waarin wordt voorzien in de eerste alinea van artikel 15, lid 4.

Dit document geeft de zienswijzen van de Europese Commissie weer en is als zodanig niet wettelijk bindend. De bindende interpretatie van EU-wetgeving is de exclusieve bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU). De zienswijzen die in dit begeleidende document worden geuit lopen niet vooruit op de standpunten die de Commissie bij het Hof zou kunnen innemen.

Afkortingen

VHK

Verdrag van Hongkong

IMO

Internationale Maritieme Organisatie

IAO

Internationale Arbeidsorganisatie

TR VB

Technische richtsnoeren bij het Verdrag van Bazel

SRP

Scheepsrecyclingplan

PBM

Persoonlijke beschermingsmiddelen

INHOUD

1.

Algemene vragen over de Europese lijst van recyclinginrichtingen 3

1.1.

Wat is de Europese lijst van inrichtingen? 3

1.2.

Wie kunnen een aanvraag voor opname in de Europese lijst indienen? 3

1.3.

Wie kunnen een aanvraag voor opname in de Europese lijst indienen? 3

1.4.

Wat moet worden opgenomen in het aanvraagdossier? 4

1.5.

Wanneer kunnen aanvragen worden ingediend? 4

1.6.

Hoe beoordeelt de Europese Commissie de aanvragen? 4

1.7.

Hoe wordt de Europese lijst vastgesteld? 4

1.8.

Kan een inrichting van de Europese lijst worden geschrapt? 4

2.

Voorschriften voor opname in de Europese lijst 5

2.1.

Algemene voorschriften 5

2.1.1.

Welke machtigingen en vergunningen zijn nodig om in aanmerking te komen voor opname in de Europese lijst? 5

2.1.2.

Wat moet een scheepsrecyclingplan omvatten? 5

2.1.3.

Waaruit moet een „plan ter voorbereiding en reactie op noodsituaties” bestaan om in overeenstemming te zijn met de verordening? 6

2.1.4.

Wat zijn passende beheer- en monitoringsystemen? 6

2.2.

Milieuvoorschriften 7

2.2.1.

Wat wordt bedoeld met „voorkomen van negatieve effecten voor het milieu” en „controle op lekkages, met name in intergetijdengebieden”? 8

2.2.2.

Wat wordt bedoeld met „ondoordringbare ondergronden” en „doeltreffende drainagesystemen”? 8

2.2.3.

Wat wordt bedoeld met „insluiten van gevaarlijke materialen”? 9

2.2.4.

Wat wordt bedoeld met „bouwwerken”? 10

2.2.5.

Wat is „overeenkomstig afvalstoffenbeheer” in het kader van de verordening? 12

2.3.

Gezondheids- en veiligheidsvereisten 14

2.3.1.

Wat wordt bedoeld met „voorkomen van negatieve effecten voor de menselijke gezondheid”? 14

2.3.2.

Wat zijn „persoonlijke beschermingsmiddelen”? 15

2.3.3.

Welke verplichtingen gelden er op het gebied van opleiding? 15

2.3.4.

Wat zijn „overeenstemmende registers van incidenten, ongevallen, beroepsziekten en chronische effecten”? 16

3.

Certificatie en inspecties 16

3.1.

Wat zijn de belangrijkste kenmerken van het inspectieregime volgens de nieuwe verordening? 16

3.2.

Wat is de taak van de onafhankelijke verificateurs? 18

3.3.

Wie kan onafhankelijke verificateur zijn? 18

3.4.

Zal de Europese Commissie een lijst van onafhankelijke verificateurs publiceren? 18

3.5.

Over welke accreditaties en kwalificaties moeten onafhankelijke verificateurs beschikken? 18

3.6.

Kan de Europese Commissie besluiten om een inrichting nader te inspecteren? 19

1.   Algemene vragen over de Europese lijst van recyclinginrichtingen

1.1.    Wat is de Europese lijst van inrichtingen?

Artikel 2, lid 1: „Deze verordening […] is van toepassing op schepen die de vlag van een lidstaat voeren.

Artikel 6, lid 2, onder a): „Scheepseigenaren zien erop toe dat schepen die bestemd zijn voor recycling […] enkel gerecycled worden in op de Europese lijst opgenomen faciliteiten.

Artikel 16, lid 1, onder b): „De Commissie stelt uitvoeringsbesluiten vast ter vaststelling van een Europese lijst van scheepsrecyclinginrichtingen die […] in een derde land zijn gelegen, en waarvan de opname in de lijst is gebaseerd op een beoordeling van de informatie en de ondersteunende bewijsstukken die overeenkomstig artikel 15 zijn verstrekt of verzameld.

Volgens artikel 16, lid 1, onder b), van de verordening zal de Europese Commissie een lijst (de „Europese lijst”) vaststellen van scheepsrecyclinginrichtingen die voldoen aan de voorschriften van de verordening. De Europese lijst zal zowel in de EU als buiten de EU gelegen inrichtingen omvatten.

In overeenstemming met de Verordening (artikel 2, lid 1, inzake de werkingssfeer, en artikel 6, lid 2, onder a), inzake algemene voorschriften voor scheepseigenaren) mogen eigenaren van schepen die de vlag van een EU-lidstaat voeren hun schepen voor ontmanteling enkel naar in de Europese lijst opgenomen faciliteiten sturen.

1.2.    Wie kunnen een aanvraag voor opname in de Europese lijst indienen?

Artikel 15, lid 1: „Een scheepsrecyclingbedrijf dat eigenaar is van een in een derde land gelegen scheepsrecyclinginrichting, en voornemens is schepen die de vlag van een lidstaat voeren, te recyclen, dient bij de Commissie een aanvraag in voor de opname van die scheepsrecyclinginrichting in de Europese lijst.

De procedure voor de opname van inrichtingen in de Europese lijst is afhankelijk van de geografische ligging van de inrichting. In de EU gelegen inrichtingen zullen door hun respectieve nationale bevoegde autoriteiten worden opgenomen in een nationale lijst, die vervolgens aan de Europese Commissie wordt meegedeeld voor rechtstreekse opname in de Europese lijst. Buiten de EU gelegen inrichtingen zullen een aanvraag moeten indienen bij de Europese Commissie.

Terwijl de praktische modaliteiten voor opname in de nationale lijsten door elke afzonderlijke lidstaat worden bepaald, vereist de verordening dat in en buiten de EU gelegen inrichtingen dezelfde, in artikel 13 van de verordening omschreven voorschriften in acht nemen.

1.3.    Wie kunnen een aanvraag voor opname in de Europese lijst indienen?

Artikel 15, lid 1: „Een scheepsrecyclingbedrijf dat eigenaar is van een in een derde land gelegen scheepsrecyclinginrichting, en voornemens is schepen die de vlag van een lidstaat voeren, te recyclen, dient bij de Commissie een aanvraag in voor de opname van die scheepsrecyclinginrichting in de Europese lijst.

Volgens de verordening moet een scheepsrecyclingbedrijf dat eigenaar is van een buiten de EU gelegen scheepsrecyclinginrichting en voornemens is schepen die onder de vlag van EU-lidstaten varen te recyclen, een aanvraag voor de opname van die scheepsrecyclinginrichting in de Europese lijst indienen bij de Europese Commissie.

De aanvraag dient elektronisch te worden ingediend op het e-mailadres env-ship-recycling@ec.europa.eu, en twee geprinte kopieën moeten per post worden gezonden (1) naar het volgende postadres:

Europese Commissie

Eenheid Afvalstoffenbeheer en Recycling

Directoraat-generaal Milieu

Beaulieulaan 9, BU5/107

1049 Brussel

BELGIË

De Europese Commissie zal een schriftelijke ontvangstbevestiging toezenden aan het scheepsrecyclingbedrijf en daarin een datum aangeven waarop naar verwachting een besluit over de aanvraag zal worden genomen. Voorts zal de Europese Commissie een schriftelijke kennisgeving van het besluit tot het al dan niet opnemen van de scheepsrecyclinginrichting in de Europese lijst aan de aanvrager doen toekomen.

1.4.    Wat moet worden opgenomen in het aanvraagdossier?

Artikel 15, lid 2: „De in [artikel 15, lid 1] bedoelde aanvraag moet vergezeld gaan van bewijs dat de betrokken scheepsrecyclinginrichting voldoet aan de voorschriften van artikel 13 om scheepsrecycling te verrichten en overeenkomstig artikel 16 in de Europese lijst te worden opgenomen.

Artikel 15 van de verordening vereist dat het scheepsrecyclingbedrijf een aanvraagdossier indient om bewijs te leveren dat de inrichting voldoet aan de voorschriften van de verordening. Het dossier moet bestaan uit:

1.

een ingevuld formulier inzake „informatie en documentatie in verband met een aanvraag voor de opname van een in een derde land gevestigde inrichting in de Europese lijst van scheepsrecyclinginrichtingen”, samen met ondersteunende documenten, zoals bepaald in Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2398 van de Commissie betreffende informatie en documentatie in verband met een aanvraag voor de opname van een in een derde land gevestigde inrichting in de Europese lijst van scheepsrecyclinginrichtingen (2);

2.

Een kopie van de certificatie van de scheepsrecyclinginrichting door een onafhankelijke verificateur (model in bijlage 1 bij dit document);

3.

Een kopie van het scheepsrecyclingplan.

Alle documenten moeten in het Engels worden opgesteld of vergezeld gaan van een vertaling in het Engels, het Frans of het Duits.

1.5.    Wanneer kunnen aanvragen worden ingediend?

Aanvragen kunnen te allen tijde worden ingediend. Wanneer de Europese lijst is gepubliceerd, zal deze regelmatig worden geactualiseerd om ook inrichtingen die een succesvolle aanvraag hebben ingediend op te nemen in de lijst en om inrichtingen die niet meer voldoen aan de voorschriften van de Verordening (zie het antwoord op vraag 1.8 hieronder) te verwijderen uit de lijst.

Een inrichting kan alleen vóór eind 2016 in de lijst worden opgenomen indien het aanvraagdossier vóór vrijdag 1 juli 2016 is ingediend.

1.6.    Hoe beoordeelt de Europese Commissie de aanvragen?

De Europese Commissie (directoraat-generaal Milieu) toetst de aanvragen die worden ontvangen van buiten de EU gelegen scheepsrecyclinginrichtingen aan de voorschriften van de verordening. Alleen volledige aanvraagdossiers worden geëvalueerd. In geval van een onvolledig aanvraagdossier wordt het bedrijf verzocht het (de) ontbrekende element(en) alsnog te verstrekken.

1.7.    Hoe wordt de Europese lijst vastgesteld?

De Europese lijst wordt vastgesteld en geactualiseerd door de vaststelling van uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Voorstellen voor opname in de Europese lijst worden onderzocht door het bij de verordening ingestelde adviescomité scheepsrecycling, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en dat zijn advies uitbrengt volgens de onderzoeksprocedures als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 (3).

Artikel 16, lid 2, van de verordening verplicht de Commissie om de Europese lijst uiterlijk op 31 december 2016 te publiceren. De lijst wordt opgesplitst in twee sublijsten voor respectievelijk in en buiten de EU gelegen scheepsrecyclinginrichtingen.

De Europese lijst wordt uiterlijk op 31 december 2016 in het Publicatieblad van de Europese Unie en op de website van de Commissie bekendgemaakt. De Europese lijst wordt regelmatig geactualiseerd om scheepsrecyclinginrichtingen in de lijst op te nemen of van de lijst te schrappen, al naar gelang wat van toepassing is.

1.8.    Kan een inrichting van de Europese lijst worden geschrapt?

Artikel 16, lid 4, onder b): „De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast teneinde de Europese lijst regelmatig te actualiseren: […] om een scheepsrecyclinginrichting van de Europese lijst te schrappen wanneer: i) de scheepsrecyclinginrichting niet langer aan de voorschriften van artikel 13 voldoet, of ii) het geactualiseerde bewijsmateriaal niet binnen ten minste drie maanden voor het vervallen van de termijn van vijf jaar, als bedoeld in lid 3 van dit artikel, is verstrekt.

Ja. Indien de Europese Commissie vaststelt dat een inrichting niet langer voldoet aan de voorschriften van de verordening, zal een procedure worden gestart om de inrichting van de Europese lijst uit te sluiten. Het scheepsrecyclingbedrijf waarop de procedure is gericht zal de gelegenheid worden geboden zijn zaak te bepleiten en door de Europese Commissie opgeworpen vragen te beantwoorden.

Het schrappen van een in een derde land gelegen inrichting van de Europese lijst zal eveneens de vaststelling van een uitvoeringshandeling vereisen, volgens de in het antwoord op vraag 1.7 beschreven procedure.

Hoewel het besluit om een inrichting van de Europese lijst te schrappen definitief is, is er niets dat een bedrijf ervan weerhoudt vervolgens een nieuwe aanvraag voor opname van zijn inrichting in de lijst in te dienen.

2.   Voorschriften voor opname in de Europese lijst

In dit gedeelte wordt ingegaan op de verschillende voorschriften waarin de verordening voorziet voor scheepsrecyclingbedrijven die EU-schepen willen recyclen. Ten behoeve van de duidelijkheid zijn de verschillende voorschriften gegroepeerd onder drie noemers (algemene, milieu- en gezondheids- en veiligheidsvoorschriften). Bepaalde voorschriften kunnen onder meer dan één noemer vallen omdat ze verschillende doeleinden dienen. Wanneer dat het geval is, geeft hun kerninhoud de doorslag.

2.1.    Algemene voorschriften

2.1.1.   Welke machtigingen en vergunningen zijn nodig om in aanmerking te komen voor opname in de Europese lijst?

Artikel 13, lid 1, onder a): Scheepsrecyclinginrichtingen moeten „door [hun] bevoegde autoriteiten gemachtigd zijn tot het uitoefenen van scheepsrecyclingactiviteiten”.

Het allereerste voorschrift voor een inrichting om te worden opgenomen in de Europese lijst is dat de inrichting door de bevoegde autoriteiten van haar eigen land toestemming heeft verkregen om schepen te recyclen. De Europese Commissie zal geen inrichtingen in de lijst opnemen die door hun eigen nationale autoriteiten niet zijn gemachtigd om een scheepsrecyclinginrichting te exploiteren. Indien een in de lijst opgenomen inrichting haar nationale machtiging om schepen te recyclen verliest, wordt de inrichting geschrapt van de Europese lijst. De Europese Commissie kan rechtstreeks contact opnemen met de betrokken autoriteiten om te verifiëren of het (de) machtigingsdocument(en) in het aanvraagdossier echt is (zijn).

Voor het doel van de verordening zijn de machtigingsmodaliteiten als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder a), afhankelijk van het recht van het land waarin de inrichting is gelegen.

Als de desbetreffende bevoegde autoriteit(en) geen specifieke vergunning, licentie of machtiging tot het uitoefenen van scheepsrecyclingactiviteiten afgeeft (afgeven), dient de aanvrager dit duidelijk te vermelden in zijn aanvraag en moet hij andere relevante vergunningen, licenties of machtigingen die verband houden met de activiteiten van het bedrijf overleggen.

2.1.2.   Wat moet een scheepsrecyclingplan omvatten?

Artikel 13, lid 1, onder e): Scheepsrecyclinginrichtingen moeten „een scheepsrecyclingplan opstellen”.

Het scheepsrecyclingplan is een cruciaal document dat is ingevoerd bij het Verdrag van Hongkong en is overgenomen in de verordening. Een analyse van de inhoud van het scheepsrecyclingplan zal de Commissie in staat stellen om de naleving van de inhoudelijke voorschriften van de verordening te controleren. Aanbevolen wordt om bij het presenteren van bewijs dat aan de voorschriften van de verordening wordt voldaan, te verwijzen naar de toepasselijke onderdelen van het scheepsrecyclingplan.

Zoals wordt vermeld in de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling (4), moet het scheepsrecyclingplan worden goedgekeurd door de raad van bestuur of het relevante bestuursorgaan van het scheepsrecyclingbedrijf […] Het is […] van essentieel belang dat in het scheepsrecyclingplan wordt beschreven welke activiteiten en procedures in de scheepsrecyclinginrichting worden uitgevoerd om naleving van het verdrag te waarborgen. Voorts moet in het scheepsrecyclingplan een volledige beschrijving worden gegeven van de activiteiten en procedures die in de scheepsrecyclinginrichting moeten worden uitgevoerd om naleving van de verordening te waarborgen waar de voorschriften van de verordening verder gaan dan het Verdrag van Hongkong (zie met name de vragen onder 2.2 hieronder over specifieke voorschriften).

Het aanbevolen formaat voor het scheepsrecyclingplan is opgenomen in bijlage 1 bij de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling (5).

2.1.3.   Waaruit moet een „plan ter voorbereiding en reactie op noodsituaties” bestaan om in overeenstemming te zijn met de verordening?

Artikel 13, lid 1, onder h): Scheepsrecyclinginrichtingen moeten „een plan ter voorbereiding en reactie op noodsituaties vaststellen en bijhouden”.

In punt 3.3.5 van de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling, de punten 4.6 en 16 van de IAO-richtsnoeren (6) en de punten 4.5 en 6.2 van de Technische Richtsnoeren voor het milieuhygiënisch verantwoord beheer van de volledige of gedeeltelijke sloop van schepen bij het Verdrag van Bazel (de „TR VB”) (7), wordt beschreven hoe een plan ter voorbereiding en reactie op noodsituaties kan worden opgesteld.

Daarnaast bevat een adequaat scheepsrecyclingplan de actuele indeling van de recyclinginrichting en moet het plan worden meegedeeld aan alle werknemers van de inrichting, met inbegrip van contractanten en tijdelijk personeel.

2.1.4.   Wat zijn passende beheer- en monitoringsystemen?

Artikel 13, lid 1, onder d): Scheepsrecyclinginrichtingen moeten „systemen, procedures en technieken voor beheer en monitoring ontwikkelen, die tot doel hebben de volgende effecten te voorkomen, te beperken, of, voor zover haalbaar, weg te nemen: i) gezondheidsrisico’s voor de betrokken werknemers en voor de bevolking in de nabijheid van de scheepsrecyclinginrichting, en ii) door scheepsrecycling veroorzaakte negatieve effecten op het milieu”.

Beheer- en monitoringsystemen zijn nodig voor het beheer en de monitoring van afvalstoffen en gevaarlijke materialen, door de scheepsactiviteit in het algemeen veroorzaakte milieuschade en gezondheids- en veiligheidsrisico’s. Deze systemen ondersteunen de tenuitvoerlegging van procedures en technieken voor de preventie, beperking, minimalisering en, voor zover praktisch haalbaar, eliminatie van gezondheidsrisico’s en negatieve milieueffecten.

Beheer- en monitoringsystemen zijn bedoeld om de tenuitvoerlegging van de in het scheepsrecyclingplan beschreven processen en omstandigheden te kunnen beheersen. Ze zijn van toepassing op het hele proces: van het aanvaarden van een schip voor recycling tot afvalstoffenbeheer (8) (indien uitgevoerd in de scheepsrecyclinginrichting). Dit omvat — maar beperkt zich niet tot — het beoordelen van de gevaren aan boord van het schip (onder meer op basis van de inventaris van gevaarlijke materialen en het „geschikt voor recycling”-certificaat), het vaststellen en naleven van wettelijke vereisten voor te recyclen schepen, het op een veilige en milieuverantwoorde manier uitvoeren van het scheepsrecyclingproces (inclusief de opslag en het beheer van materialen en afvalstoffen die aan boord van het schip zijn en die worden voortgebracht door het scheepsrecyclingproces), het aanbieden van de vereiste opleidingen en het verrichten van documentatiecontroles voor het hele proces.

a)   Milieubeheer- en monitoringsystemen

In het kader van de verordening vormen de TR VB voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van milieubeheersystemen (9) een geschikte internationale bron die relevant is voor artikel 13, lid 1, onder d), wat negatieve milieueffecten betreft.

Volgens de IMO-richtsnoeren (10) inzake milieumonitoring heeft een milieumonitoringprogramma betrekking op mogelijke negatieve effecten tijdens scheepsrecycling [die kunnen] worden onderverdeeld in vier hoofdcategorieën: het vrijkomen van gevaarlijke materialen in grond- en sedimentlagen, het vrijkomen van gevaarlijke materialen in water, emissies van gevaarlijke materialen in de lucht, en lawaai/trillingen. Blootstelling aan hoge temperaturen is een ander mogelijk negatief effect dat in aanmerking dient te worden genomen.

Voorts bepalen de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling dat het monitoringprogramma […] specifiek voor de inrichting moet zijn, rekening houdend met de kenmerken van de inrichting, zoals het gebruik van droogdokken, steigers/pieren en/of voor de recycling bestemde stukken grond op de grens tussen land en zee, en dat in het programma chemische, biologische en fysieke veranderingen in het milieu rond de scheepsrecyclinginrichting [moeten] worden vastgesteld. In het monitoringprogramma […] moeten gevestigde normen voor het nemen van monsters en de analyse van relevante milieuparameters worden toegepast.

b)   Gezondheids- en veiligheidsbeheer- en monitoringsystemen

Alomvattende beheer- en monitoringsystemen die ten doel hebben door scheepsrecycling veroorzaakte gezondheidsrisico’s voor de betrokken werknemers en voor de bevolking in de nabijheid van de scheepsrecyclinginrichting te voorkomen, te beperken, te minimaliseren en, voor zover haalbaar, weg te nemen, worden geacht twee essentiële aspecten in de zin van de IAO-richtsnoeren te bestrijken:

a)

de inrichting heeft beheersystemen voor veiligheid en gezondheid op het werk opgezet (11);

b)

werknemers beschikken over de in de IAO-richtsnoeren vermelde rechten (12) om verantwoordelijkheid te nemen voor de gezondheids- en veiligheidsbeheersystemen en deze uiteindelijk te helpen verbeteren.

De IAO-richtsnoeren (13) veronderstellen dat werkgevers regelingen treffen voor de identificatie en periodieke beoordeling van de gevaren en risico’s voor de veiligheid en gezondheid die zijn verbonden aan gevaarlijke omgevingsfactoren op elke permanente of tijdelijke werkplek, veroorzaakt door verschillende activiteiten, instrumenten, machines, apparatuur en stoffen en passende preventie- en beschermingsmaatregelen nemen om deze gevaren en risico’s te voorkomen, of om deze te verminderen tot het laagste redelijkerwijs haalbare niveau, in overeenstemming met de nationale wet- en regelgeving.

In de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling wordt ook nader ingegaan op de rol van het scheepsrecyclingbedrijf; dat moet baangerelateerde gevaren beoordelen ter vaststelling van de beste manier om de veiligheid van werknemers te waarborgen. De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van deze beoordelingen moet worden toegewezen aan een bevoegde persoon voor de specifieke gevaren van elke baan. Aanbevolen wordt om de beoordelingen te laten uitvoeren door een team van personeelsleden bestaande uit de bevoegde persoon, een vertegenwoordiger van het management en werknemers met een passend niveau van deskundigheid. (14)

Voor de toepassing van artikel 3, lid 3, van de verordening „kan een bevoegde persoon een geschoolde arbeider of een leidinggevende werknemer zijn die in staat is beroeps- en andere risico’s en de blootstelling van werknemers aan potentieel gevaarlijke materialen of onveilige omstandigheden in een scheepsrecyclinginrichting te herkennen en te evalueren en die in staat is te bepalen welke bescherming en voorzorgen nodig zijn om dergelijke gevaren, risico’s of een dergelijke blootstelling uit te schakelen.”

De tweede pijler van gezondheids- en veiligheidsbeheersystemen behelst de noodzaak voor het scheepsrecyclingbedrijf om ervoor te zorgen dat werknemers voorlichting ontvangen, aan de beoordelingen kunnen deelnemen en feedback kunnen geven om de veiligheid te verbeteren. De lijst van toepasselijke werknemersrechten is te vinden in de IAO-richtsnoeren (15). Deze rechten variëren van het recht om veiligheidsrisico’s onder de aandacht van de bevoegde autoriteit te brengen tot het recht op adequate medische behandeling of het recht van werknemers om hun eigen vertegenwoordigers te kiezen overeenkomstig nationale wet- en regelgeving en de nationale praktijk. In elk geval moet het scheepsrecyclingbedrijf de nodige regelingen treffen om ervoor te zorgen dat werknemers voorlichting ontvangen, aan de beoordelingen kunnen deelnemen en feedback kunnen geven over gezondheids- en veiligheidsaangelegenheden.

De monitoring van gezondheids- en veiligheidsparameters kan worden geacht te zijn verwezenlijkt als het scheepsrecyclingbedrijf de toepasselijke IAO-richtsnoeren ten uitvoer heeft gelegd (16). In de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling wordt voorts vermeld dat de inrichting over procedures voor de monitoring van blootstellingen en voor medisch toezicht beschikt (17).

2.2.    Milieuvoorschriften

Deze paragraaf is grotendeels gebaseerd op punt 3 van de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling van 2012. Ook is geput uit:

Deel II van de IAO-richtsnoeren voor veiligheid en gezondheid bij scheepsontmanteling (18) ;

Punt 5 van de Technische Richtsnoeren voor het milieuhygiënisch verantwoord beheer van de volledige en gedeeltelijke sloop van schepen bij het Verdrag van Bazel (19) ;

de richtsnoeren van het secretariaat van het Verdrag van Bazel voor bevoegde autoriteiten van scheepsrecyclinginrichtingen („de SVB-richtsnoeren van 2013”) (20) .

In het bijzonder wordt in deze paragraaf erkend dat „de toepassing van milieuhygiënisch verantwoorde beheerbeginselen en naleving van de wet- en regelgeving voor de recycling van een schip ten minste gedeeltelijk [zal] steunen op de ontwikkeling van een passende infrastructuur” (21). In operationeel opzicht volgt uit de antwoorden op de vragen 2.2.1 tot en met 2.2.3 dat de verplaatsing van elementen van het schip naar de ondoordringbare ondergrond in de inrichting geschiedt zonder dat de elementen in contact komen met de zee, bij eb droogvallende zones (intergetijdengebieden) of enig ander doordringbaar oppervlak zoals zand- of kiezellagen (22).

2.2.1.   Wat wordt bedoeld met „voorkomen van negatieve effecten voor het milieu” en „controle op lekkages, met name in intergetijdengebieden”?

Artikel 13, lid 1, onder f): Scheepsrecyclinginrichtingen moeten „negatieve effecten voor de menselijke gezondheid en het milieu voorkomen, onder andere door het aantoonbaar controleren op lekkage, in het bijzonder in intergetijdengebieden”.

Essentiële richtsnoeren voor het voorkomen van negatieve effecten voor het milieu zijn te vinden in de IMO-richtsnoeren voor het voorkomen van negatieve effecten voor het milieu (23). Ook in de TR VB worden wenken gegeven voor passende werkmethoden om negatieve milieueffecten te voorkomen (24).

Door te eisen dat scheepsrecyclinginrichtingen „negatieve effecten voor de menselijke gezondheid en het milieu voorkomen”, wordt in de verordening nadruk gelegd op preventie. Inrichtingen die „op een veilige en milieuverantwoorde manier ontworpen zijn, gebouwd zijn en geëxploiteerd worden” (25), hebben maatregelen vastgesteld en beschikken over de infrastructuur om lekkages in het milieu te voorkomen.

Voorts is de inrichting verplicht om „aantoonbaar [te] controleren op lekkage”, d.w.z. om aan te tonen dat zij in staat is om elke soort lekkage (morsen, emissies in de lucht, enz.) te voorkomen en — wanneer dit ondanks een overeenstemmend(e) ontwerp, bouw en exploitatie is mislukt — op lekkages te reageren en deze te beperken.

Voorbeelden van controlesystemen zijn — maar zijn niet beperkt tot — de volgende: voorafgaande beoordeling van verontreinigende stoffen die aan boord van het schip blijven, snelle-reactieteams, olieabsorberende slangen, oliekerende slangen (26), drainagekanalen en ondoordringbare ondergronden (nadere informatie over ondoordringbare ondergronden wordt verstrekt in het antwoord op de volgende vraag).

Het intergetijdengebied is het gebied tussen de hoogste en de laagste getijdelijn. Hoewel elke zone van de inrichting aandacht verdient, worden in de verordening met name intergetijdengebieden genoemd, aangezien deze, vanwege constant veranderende omstandigheden als gevolg van getijdebewegingen, een specifieke uitdaging vormen als het gaat om de controle op lekkages.

2.2.2.   Wat wordt bedoeld met „ondoordringbare ondergronden” en „doeltreffende drainagesystemen”?

Artikel 13, lid 1, onder g), i): Scheepsrecyclinginrichtingen moeten „zorgen voor het veilig en milieuverantwoord beheren en opslaan van gevaarlijke materialen en afvalstoffen, onder andere door […] het uitsluitend op ondoordringbare ondergronden met doeltreffende drainagesystemen verwerken van gevaarlijke materialen en van de tijdens het scheepsrecyclingproces voortgebrachte gevaarlijke afvalstoffen”.

De verordening schrijft voor dat „gevaarlijke materialen” en „tijdens het scheepsrecyclingproces voortgebrachte afvalstoffen”„uitsluitend op ondoordringbare ondergronden met doeltreffende drainagesystemen” worden verwerkt.

Verwerking” is een zeer breed begrip, dat meer omvat dan alleen afvalstoffenbeheer. Het begint met het snijden/scheiden van elementen van het schip en omvat het sorteren en transporteren van gevaarlijke materialen en van tijdens de scheepsrecycling voortgebrachte afvalstoffen.

Alle van het schip gescheiden elementen, waaronder grote blokken, vormen ofwel „gevaarlijke materialen”, ofwel „tijdens het scheepsrecyclingproces voortgebrachte afvalstoffen”.

Ondergronden” zijn continue, vlakke en ondersteunende oppervlakken. „Ondoordringbare ondergronden” zijn ondergronden die geen vloeistoffen doorlaten. Dit geeft aan dat het niet alleen noodzakelijk is gevaarlijke vloeistoffen in te sluiten, maar ook maatregelen te nemen om te voorkomen dat gevaarlijke materialen wegspoelen in het milieu. Indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan (zie hieronder) of in geval van drijvende dokken kan het staal van het schip zelf in het kader van de verordening als een ondoordringbare ondergrond worden beschouwd.

In het kader van de verordening wordt onder „doeltreffende drainagesystemen” verstaan: drainagesystemen die zijn verbonden met een waterbehandelingsinstallatie (op het terrein van de inrichting dan wel van een gedeelde/gemeentelijke installatie) of, zoals omschreven in de SVB-richtsnoeren van 2013, eenvoudige infrastructuur (bv. een betonnen fundament) die fungeert als barrière tegen het ontsnappen van verontreinigende materialen. Deze infrastructuur omvat drainage voor verontreinigende stoffen en de mogelijkheid om de drainagekanalen periodiek te reinigen, bijvoorbeeld door verwijderbare roosters over de drainagekanalen te plaatsen (27). Het volume van de drainagesystemen moet worden vastgesteld op basis van meteorologische gegevens (bv. regenval), mogelijke volumes van gemorste stoffen, het type gemorste stof, de afmetingen van de ondoordringbare ondergrond en het binnenkomen van extern water.

Omdat de verwerking van gevaarlijke materialen en van tijdens het scheepsrecyclingproces voortgebrachte afvalstoffen „uitsluitend” op ondoordringbare ondergronden mag worden uitgevoerd, mag een element dat wordt gescheiden van het schip niet in contact komen met niet-ondoordringbare ondergronden, zoals zand. Wel mag het (bv. met een kraan) naar een ondoordringbare ondergrond worden getild.

De binnenkant van het schip kan in het kader van de verordening zelf als een ondoordringbare ondergrond worden beschouwd indien:

a)

de scheepsromp dicht is en de scheepsbodem is geanalyseerd en niet aangetast blijkt;

b)

schadelijke stoffen die tijdens snijoperaties van het vaartuig vallen worden gecontroleerd overeenkomstig het antwoord op vraag 2.2.1, bv. door deze op een milieuverantwoorde manier te verzamelen en te beheren;

c)

voorafgaand aan elke activiteit die een bedreiging vormt voor het milieu oliekerende slangen worden geplaatst vanaf de scheepsromp tot de kustlijn/kade en er gebruiksklare olievegers beschikbaar zijn;

d)

blokken op een veilige wijze naar snijgebieden met een ondoordringbare ondergrond worden getild;

e)

het vrijkomen van verfschilfers en toxische coatings in zee/op doordringbare ondergronden wordt gecontroleerd op de wijze die wordt beschreven in het antwoord op vraag 2.2.1;

f)

de overplaatsing van het resterende deel van de bodem van het schip zelf naar een ondoordringbare ondergrond in het vroegst mogelijke stadium op een veilige en milieuverantwoorde manier wordt uitgevoerd, bv. door het gebruik van kranen, sleden of bomen in combinatie met lieren, om ervoor te zorgen dat het snijden van de bodem plaatsvindt boven een ondoordringbare ondergrond met een doeltreffend drainagesysteem, met inbegrip van een drijvende constructie zoals een drijvend droogdok, een ponton of een gelijkwaardige constructie met een doeltreffend drainagesysteem.

2.2.3.   Wat wordt bedoeld met „insluiten van gevaarlijke materialen”?

Artikel 13, lid 1, onder g), i): Scheepsrecyclinginrichtingen „zorgen voor het veilig en milieuverantwoord beheren en opslaan van gevaarlijke materialen en afvalstoffen, onder andere door […] het insluiten van alle gevaarlijke materialen aan boord gedurende het volledige scheepsrecyclingproces om het vrijkomen van die materialen in het milieu te voorkomen”.

De verordening vereist het „insluiten van alle gevaarlijke materialen”, te allen tijde („gedurende het volledige scheepsrecyclingproces”) (28), om „het vrijkomen van die materialen in het milieu te voorkomen”. Dat betekent dat alle gevaarlijke materialen van het schip moeten worden gehaald en worden verzameld, opgeslagen, getransporteerd en verwijderd zonder in direct contact te komen met het milieu of met werknemers (in de vorm van contact met blote handen, direct contact met het ademhalingskanaal, enz.). In het antwoord op deze vraag ligt de nadruk op het verwijderen, verzamelen en opslaan van gevaarlijke materialen; in het antwoord op vraag 2.2.5 wordt nader ingegaan op afvalstoffenbeheeraspecten.

In de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling, evenals in de punten 4.2 (Identificatie van potentiële verontreinigende stoffen en voorkomen van het vrijkomen van dergelijke stoffen), 5.3 (Ontwerp en constructie) en 5.4 (Exploitatie) van de TR VB, wordt gewezen op de maatregelen die moeten worden genomen bij de verwerking van specifieke materialen, en met name de volgende:

Asbestverwijderingsactiviteiten die aan boord van het schip plaatsvinden (29);

Asbestverwijderingsactiviteiten die buiten het schip zelf plaatsvinden (30);

Verf en coatings op de romp van het schip (31) (het gebruik van speciale ademhalingsuitrusting zoals aanbevolen in de TR VB wordt geregeld in artikel 13, lid 1, onder i), van de verordening);

Vloeibare afvalstoffen (32).

Andere aspecten die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen zijn bijvoorbeeld:

a)

Maatregelen die niveaus van bescherming bieden gelijkwaardig aan het beschermingsniveau als bedoeld in Richtlijn 2009/148/EG van 30 november 2009 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (33), die van toepassing is op activiteiten waarbij werknemers asbest verwijderen. In deze richtlijn worden maatregelen beschreven die werkgevers moeten nemen als er een reële kans bestaat dat een werknemer wordt blootgesteld aan een asbestconcentratie in de lucht die groter is dan 0,1 vezel per cm3, berekend als tijdgewogen gemiddelde (TGG) over een periode van acht uur;

b)

Het gebruik van verhoogde tanks voor het opslaan van olieresiduen wordt aanbevolen, aangezien dit de taak van de onafhankelijke verificateur om te controleren of de inhoud niet onder de tank is terechtgekomen, zal vergemakkelijken.

2.2.4.   Wat wordt bedoeld met „bouwwerken”?

Artikel 13, lid 1, onder c): Scheepsrecyclinginrichtingen „opereren vanaf bouwwerken”.

De verordening schrijft voor dat inrichtingen opereren vanaf bouwwerken. Het doel van bouwwerken is veilige en milieuverantwoorde scheepsrecyclingactiviteiten mogelijk te maken, de veiligheid van werknemers te waarborgen, controle op lekkages te kunnen uitoefenen, gevaarlijke materialen in te sluiten en ondoordringbare ondersteuning te bieden voor gevaarlijke materialen en voor tijdens het recyclingproces voortgebrachte afvalstoffen.

De vereiste om vanaf bouwwerken te opereren betekent niet noodzakelijkerwijs dat een inrichting volledig moet zijn opgebouwd, zolang de voorschriften van de verordening maar worden nageleefd. Wanneer de installatie van vaste kranen niet mogelijk is, kunnen bouwwerken worden aangevuld met bijvoorbeeld „machinerie met rupsbanden of banden met een lage gronddruk” (34), mobiele bezinktanks en drijvende kranen. Dit is met name van toepassing op tijdelijke installaties, wanneer bv. tijdelijke hekken gelijkwaardig worden geacht aan muren, mits een vergelijkbaar niveau van bescherming wordt bereikt. De verordening sluit tijdelijke scheepsrecyclinginstallaties waarbij aanvullende uitrusting is gemonteerd op de basisinrichting (bv. een haven, kade of pier) niet uit, op voorwaarde dat de basisinrichting zelf voldoet aan de ontwerp- en constructievoorschriften van de verordening.

In het kader van de verordening zijn voorbeelden van bouwwerken in scheepsrecyclinggebieden waar primaire snijwerkzaamheden plaatsvinden onder andere, maar niet uitsluitend:

pontons;

scheepshellingen en toegangshellingen;

lades;

dokken;

droogdokken;

scheepsliften;

brugachtige constructies (schraagbruggen);

kanalen;

overkappingen;

vloeddeuren.

Voorbeelden van bouwwerken die ondersteuning voor „vaste installaties” bieden als omschreven in de SVB-richtsnoeren van 2013 (35) zijn onder meer, maar niet uitsluitend:

vaste kranen en andere hefapparaten […] die worden gebruikt binnen de grenzen van hun ontwerp (door er bijvoorbeeld voor te zorgen dat het brutogewicht dat een kraan kan tillen niet wordt overschreden);

lierapparatuur en -kabels voor het veilig verder van de kustlijn wegtrekken van het schip tijdens de ontmanteling;

pompinstallaties om vloeistoffen over te pompen [naar] pompvloeistoffen uit drainage-opvangreservoirs;

generatoren om elektrische stroom te produceren voor verlichting [met het oog op het creëren van] veiligere werkomstandigheden bij weinig licht;

Voorbeelden van bouwwerken in zones van de scheepsrecyclinginrichting waar secundaire snijactiviteiten worden verricht die in de SVB-richtsnoeren worden genoemd zijn onder andere, maar niet uitsluitend:

werkplekken voor secundaire ontmanteling en het achtereenvolgens uit elkaar halen van de componentelementen en speciaal uitgeruste werkplekken voor de verwijdering van gevaarlijke en toxische afvalstoffen (36);

dubbelwandige scheidingen (37) en tanks;

muren […] (hout, beton, staal) […] met toegang vanaf één zijde om materialen te kunnen opslaan en laden (38);

tijdelijke opslaggebieden voor onschuldige materialen en staalwerk (39);

opslaggebieden voor volledig verwerkte uitrusting en materialen die gereed zijn voor hergebruik, recycling of verwijdering (40).

Voorbeelden van bouwwerken waarop de aan gezondheid en veiligheid gerelateerde voorschriften van de verordening van toepassing zijn, zijn onder andere, maar niet uitsluitend:

stevige, vlakke wegen (een eenvoudige basislaag kan in eerste instantie worden aangelegd met behulp van bijvoorbeeld verkruimeld beton) of een samengeperste basislaag die het voor een ambulance of brandweerwagen mogelijk maken het schip en de werkplek naast het schip (41) of, in geval van een droogdok, de nooduitgang (zoals een lift) te bereiken;

Vaste kranen en andere hefapparaten […] die worden gebruikt binnen de grenzen van hun ontwerp (door er bijvoorbeeld voor te zorgen dat het brutogewicht dat een kraan kan tillen niet wordt overschreden) (zie hierboven);

Stabiele loopplanken bij uitgangen;

Aanvullende elementen waarnaar wordt verwezen in de IAO-richtsnoeren (42), in het bijzonder de drinkwatervoorziening, de ligging en werking van sanitaire en wasvoorzieningen en garderobes, evenals schuilruimten en eet- en drinkfaciliteiten;

Aanvullende elementen waarnaar wordt verwezen in de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling (43): wasvoorzieningen, douches, eet- en recreatieruimten, toiletvoorzieningen en kleedruimten […] om blootstelling aan en de verspreiding van gevaarlijke materialen te voorkomen; sanitaire en wasvoorzieningen die gemakkelijk toegankelijk zijn en zodanig zijn gesitueerd dat er geen risico op verontreiniging vanaf de werkplek bestaat; afzonderlijke en passende kleedruimten en sanitaire en wasvoorzieningen voor exclusief gebruik door werknemers die met asbest omgaan; afzonderlijke en niet-verontreinigde ruimten voor werknemers voor eet-, drink- en andere pauzes.

2.2.5.   Wat is „overeenkomstig afvalstoffenbeheer” in het kader van de verordening?

Artikel 13, lid 1, onder g), ii): Scheepsrecyclinginrichtingen moeten ervoor zorgen „dat alle afvalstoffen van de scheepsrecyclingactiviteit en de hoeveelheden ervan gedocumenteerd worden, en enkel naar afvalverwerkingsinstallaties, waaronder afvalrecyclinginrichtingen, worden gestuurd die gemachtigd zijn om deze stoffen en op een milieuverantwoorde manier te behandelen zonder daarbij de menselijke gezondheid in gevaar te brengen”.

Artikel 15, lid 5: „Voor de toepassing van artikel 13, mag met betrekking tot de betreffende nuttige toepassing of verwijdering van afval alleen worden verondersteld dat het beheer in kwestie op milieuverantwoorde wijze geschiedt indien de scheepsrecyclinginrichting kan aantonen dat de beheerinstallatie die het afval ontvangt, wordt geëxploiteerd overeenkomstig volksgezondheids- en milieubeschermingsnormen die vrijwel gelijkwaardig zijn met de toepasselijke internationale en Unienormen”.

De verordening bevat diverse voorschriften voor het beheer van gevaarlijke en andere afvalstoffen die tijdens het scheepsrecyclingproces worden voortgebracht.

Afhankelijk van de inrichting zouden alle of zou een deel van of geen enkele van de activiteiten voor nuttige toepassing of verwijdering in de inrichting kunnen plaatsvinden. Sommige scheepsrecyclinginrichtingen zijn bijvoorbeeld uitgerust met verbrandingsovens, sommige inrichtingen zullen bepaalde afvalstromen kunnen verwerken maar andere niet, terwijl een aantal inrichtingen zou kunnen besluiten om de nuttige toepassing of de verwijdering van afvalstoffen volledig uit te besteden aan externe afvalverwerkingsinstallaties. De verordening schrijft geen specifieke regeling voor. Wel vereist zij dat het scheepsrecyclingbedrijf kan aantonen dat de verschillende afvalstromen volgens bepaalde normen worden verwerkt, ongeacht waar de nuttige toepassing of de verwijdering plaatsvindt. Daarom is het raadzaam voor de inrichting om op haar aanvraagformulier duidelijk te vermelden welke afvalstromen zij zelf kan en mag recyclen/verwijderen en welke afvalstromen zij zal doorsturen naar externe afvalverwerkingsinstallaties verderop in de keten.

a)   Documentatie en overdracht van afvalstoffen

Naleving van het deel van artikel 13, lid 1, onder g), ii), betreffende de documentatie en overdracht van afvalstoffen mag worden verondersteld indien, in overeenstemming met de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling (44), de inrichting beschikt over procedures voor het volgen van gevaarlijke materialen en afvalstoffen tijdens het vervoer ervan van de scheepsrecyclinginrichting naar hun eindbestemming, en voor het beheer en de opslag van documentatie, waaronder die van onderaannemers.

b)   Machtiging van afvalverwerkingsinstallaties verderop in de keten

De verordening vereist dat scheepsrecyclinginrichtingen ervoor zorgen dat de afvalverwerkingsinstallatie gemachtigd is om de desbetreffende stoffen op een milieuverantwoorde manier te verwerken zonder daarbij de menselijke gezondheid in gevaar te brengen. Dit voorschrift weerspiegelt de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling (45).

De afvalverwerkingsinstallatie die onder deze vereiste valt is ofwel:

onderdeel van de scheepsrecyclinginrichting zelf, indien de scheepsrecyclinginrichting zelf de afvalstoffen nuttig toepast of verwijdert; ofwel

een externe afvalverwerkingsinstallatie, indien de scheepsrecyclinginrichting dit deel van haar activiteiten heeft uitbesteed; of

beide, indien de scheepsrecyclinginrichting bepaalde afvalstromen zelf beheert en het beheer van andere uitbesteedt.

De in de verordening bedoelde machtiging is de machtiging die is verleend door de betrokken bevoegde autoriteit(en) in het land waar de afvalverwerkingsinstallatie is gelegen. Zij omvat documentatie in verband met de in/uitvoer van afvalstoffen en — indien van toepassing — documentatie in verband met de voorafgaande geïnformeerde toestemming wanneer de afvalverwerkingsinstallatie is gelegen in een land dat niet het land is van de scheepsrecyclinginrichting. Bij het aanvraagformulier moet een kopie van de desbetreffende machtiging worden bijgevoegd, zoals bepaald in Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2398.

c)   Beheer van afvalstoffen in de afvalverwerkingsinstallatie

Niet-EU-inrichtingen die een aanvraag indienen voor opname in de Europese lijst wordt gevraagd aan te tonen dat de afvalverwerkingsinstallatie(s) normen in acht neemt (nemen) die grotendeels gelijkwaardig zijn aan de toepasselijke internationale en Unienormen.

Dit voorschrift impliceert geen volledige naleving van EU-vereisten die voortvloeien uit andere rechtshandelingen dan de verordening of met internationale normen, maar veeleer de noodzaak om ervoor te zorgen dat de in de afvalverwerkingsinstallatie(s) toegepaste voorschriften/normen een vergelijkbaar niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu bieden.

Aanvragende bedrijven dienen de documenten te ondertekenen, zoals voorgeschreven in Uitvoeringsbesluit (EU) nr. 2015/2398, en dienen een kopie bij te voegen van elk voor het toepassingsgebied relevant document.

Normen worden geacht grotendeels gelijkwaardig te zijn aan de toepasselijke internationale en Unienormen indien de volgende uit internationale normen en EU-richtlijnen afgeleide hoofdbeginselen in de afvalverwerkingsinstallatie worden toegepast:

—   Internationale normen:

De lijst van relevante, op internationaal niveau ontwikkelde richtsnoeren is te vinden in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, waaronder de Technische Richtsnoeren voor het milieuhygiënisch verantwoord beheer van de volledige en gedeeltelijke sloop van schepen waar het gaat om het afvalstoffenbeheer verderop in de keten. Updates van in het kader van het Verdrag van Bazel ontwikkelde technische richtsnoeren zijn te vinden op de website van het Verdrag (46).

Daarnaast hebben de partijen bij het Verdrag van Bazel een Kader voor het milieuhygiënisch verantwoord beheer van gevaarlijke en andere afvalstoffen (47) goedgekeurd. In dit kader wordt een gemeenschappelijke uitleg aan het begrip „milieuhygiënisch verantwoord beheer” gegeven en wordt verwezen naar bv. een aantal leidende beginselen en maatregelen die afvalverwerkingsinstallaties moeten toepassen om een milieuhygiënisch verantwoord beheer te waarborgen.

—   Unienormen:

De normen van de Europese Unie inzake menselijke gezondheid en milieubescherming die relevant zijn voor afvalverwerkingsinstallaties zijn te vinden in de kaderrichtlijn afval van de EU en in afvalstroomspecifieke wetgeving.

De belangrijkste vereisten van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (48) (de „kaderrichtlijn afval”) hebben betrekking op het volgende.

De afvalhiërarchie (artikel 4): de volgende afvalhiërarchie is van toepassing, in volgorde van prioriteit: a) preventie, b) voorbereiding voor hergebruik, c) recycling, d) andere nuttige toepassing, bv. energieterugwinning, en e) verwijdering.

Bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu (artikel 13): afvalstoffenbeheer vindt zodanig plaats dat het geen gevaar oplevert voor de gezondheid van de mens en geen nadelige gevolgen heeft voor het milieu, in het bijzonder: a) zonder risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora, b) zonder geluids- of stankhinder te veroorzaken, en c) zonder schade te berokkenen aan natuur- en landschapsschoon.

Gevaarlijke afvalstoffen (artikelen 17, 18 en 19): gevaarlijke afvalstoffen worden opgeslagen en verwerkt onder omstandigheden waarbij bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid wordt geboden. Ze mogen niet worden gemengd met andere categorieën gevaarlijke afvalstoffen en ze worden verpakt en voorzien van een etiket.

Naast de voornaamste beginselen van de kaderrichtlijn afval worden in de volgende rechtshandelingen van de EU normen gegeven voor verwerkingen van afvalstoffen die relevant zijn voor artikel 15, lid 5, van de verordening:

Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (49);

Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval, en de wijzigingen daarvan (50);

Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (51).

Tot slot zijn normen voor stroomspecifieke afvalverwerkingsactiviteiten die relevant zijn voor artikel 15, lid 5, van de verordening te vinden in de volgende rechtshandelingen van de EU:

Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB’s/PCT’s) (52);

Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG (53);

De verwijdering van elektrische en elektronische apparatuur volgt de voornaamste operationele beginselen van Richtlijn 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (54).

2.3    Gezondheids- en veiligheidsvereisten

2.3.1.   Wat wordt bedoeld met „voorkomen van negatieve effecten voor de menselijke gezondheid”?

Artikel 13, lid 1, onder f): Scheepsrecyclinginrichtingen moeten „negatieve effecten voor de menselijke gezondheid […] voorkomen”.

Behalve op fysieke regelingen (zie het antwoord op vraag 2.2.4 hierboven over bouwwerken), wordt in de IAO-richtsnoeren ingegaan op een breed scala aan operationele regelingen, van het voorkomen van de ergste vormen van kinderarbeid tot gehoorbescherming en het waarborgen van passende huisvesting voor zover de woonruimte in de inrichting is gelegen of anderszins onder de verantwoordelijkheid van het scheepsrecyclingbedrijf valt. Deze verschillende fysieke en operationele elementen vormen samen de „veilige exploitatie” voor de „veiligheid van werknemers” en de „procedures en technieken die tot doel hebben gezondheidsrisico’s te voorkomen, te beperken, of, voor zover haalbaar, weg te nemen” zoals bedoeld in de verordening (55).

naleving van de veiligheidsgerelateerde voorschriften kan worden verondersteld indien de inrichting bovengenoemde operationele regelingen ten uitvoer heeft gelegd en, in overeenstemming met de IMO-richtsnoeren (56), beschikt over plannen en procedures voor de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de werknemers en kan aantonen te beschikken over de benodigde kennis over en een goed begrip van de toepasselijke processen, procedures, wetten, regelgeving en richtsnoeren inzake de veiligheid en gezondheid van werknemers op de werkplek. De inrichting moet ook een doeltreffend evacuatieplan om al het personeel snel en veilig te evacueren hebben en bijhouden (57).

Bovendien moet de inrichting een of meer personeelsleden [in dienst hebben] met het opleidingsniveau en de ervaring die nodig zijn om er op een doeltreffende manier voor te zorgen dat de omstandigheden waarin de werkzaamheden in de scheepsrecyclinginrichting worden verricht veilig zijn, waaronder een of twee bevoegde personen voor het uitvoeren van specifieke taken. Afhankelijk van de omvang van de scheepsrecyclinginrichting en het aantal werknemers, [zou de scheepsrecyclinginrichting] een hiërarchie van personeelsleden voor het beheer van veiligheid en gezondheid van werknemers [kunnen instellen], met onder meer een algemeen manager, toezichthoudend personeel en algemene werknemers (58). In de verordening wordt „bevoegde persoon” gedefinieerd als „een persoon met passende kwalificaties en opleiding en voldoende kennis, ervaring en vaardigheden voor het uitvoeren van de specifieke taken” (59). Deze persoon kan „een geschoolde arbeider of een leidinggevende werknemer zijn die in staat is beroeps- en andere risico’s en de blootstelling van werknemers aan potentieel gevaarlijke materialen of onveilige omstandigheden in een scheepsrecyclinginrichting te herkennen en te evalueren en die in staat is te bepalen welke bescherming en voorzorgen nodig zijn om dergelijke gevaren, risico’s of een dergelijke blootstelling uit te schakelen (60)”.

Tot slot wordt in de IMO-richtsnoeren expliciet verwezen naar internationale verdragen die relevant zijn voor scheepsrecycling, waaronder het Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid van 1999 en het Verdrag inzake de minimumleeftijd voor toelating tot de arbeidsmarkt van 1973. Er zijn landen waar scheepsrecycling plaatsvindt die mogelijk nog niet alle verdragen hebben geratificeerd. Desalniettemin wordt van scheepsrecyclingbedrijven verwacht dat ze, om aan de voorschriften van de verordening te voldoen, zelf, op hun eigen niveau, de verschillende voor de gezondheid en veiligheid van werknemers relevante bepalingen van de internationale verdragen waarnaar in bijlage 4 bij de IMO-richtsnoeren wordt verwezen, ten uitvoer leggen.

2.3.2.   Wat zijn „persoonlijke beschermingsmiddelen”?

Artikel 13, lid 1, onder i): Scheepsrecyclinginrichtingen moeten „zorgen voor de veiligheid […] van de werknemers, onder meer door toe te zien op het gebruik van beschermingsuitrusting voor activiteiten die dat vereisen”.

Onder beschermingsmiddel wordt een uitrustingsstuk of -middel verstaan dat bestemd is om door een persoon te worden gedragen of vastgehouden als bescherming tegen één of meer gevaren die een bedreiging voor zijn of haar gezondheid of veiligheid kunnen vormen (61). Persoonlijke beschermingsmiddelen in de zin van de verordening worden uitvoering beschreven in de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling (62) en in de IAO-richtsnoeren (63).

2.3.3.   Welke verplichtingen gelden er op het gebied van opleiding?

Artikel 13, lid 1, onder i): Scheepsrecyclinginrichtingen moeten „zorgen voor de […] opleiding van de werknemers […]”.

naleving van de opleidingsgerelateerde voorschriften wordt verondersteld indien de inrichting de desbetreffende IAO-richtsnoeren ten uitvoer heeft gelegd (64) en, in overeenstemming met de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling (65), beschikt over opleidingsprocedures om een passend niveau van werknemersveiligheid en milieubescherming te waarborgen. De opleidingsprogramma’s moeten betrekking hebben op alle werknemers en leden van de scheepsrecyclinginrichting, met inbegrip van personeel van contractanten en medewerkers, […] en in de programma’s moeten het type opleiding en de frequentie van de opleidingsactiviteiten worden vermeld.

Met betrekking tot brandbescherming en -preventie wordt specifieke aandacht besteed aan de IMO-richtsnoeren (66), waarin is bepaald dat inrichtingen moeten beschikken over procedures voor het verstrekken van geschikte opleidingen, instructies en informatie aan alle toezichthouders en personeelsleden […] over de gevaren van brand, de te nemen passende voorzorgsmaatregelen en het gebruik van brandblusapparatuur, zodat gedurende alle werkperioden adequaat opgeleid personeel beschikbaar is om onmiddellijk op te treden. Naleving van deze voorschriften wordt het best aangetoond door de desbetreffende IMO-richtsnoeren te volgen (De inrichting moet registers van opleidingen en oefeningen bijhouden, met inbegrip van informatie over het type opleiding/oefening, de taken van de opgeleide persoon, de gebruikte uitrusting, de duur, de locatie, de datum en het tijdstip).

2.3.4.   Wat zijn „overeenstemmende registers van incidenten, ongevallen, beroepsziekten en chronische effecten”?

Artikel 13, lid 1, onder j): Scheepsrecyclinginrichtingen moeten „registers aanleggen van incidenten, ongevallen, beroepsziekten en chronische effecten en, indien [hun] bevoegde autoriteiten daarom verzoeken, alle incidenten, ongevallen, beroepsziekten of chronische effecten rapporteren die de veiligheid van werknemers, de volksgezondheid en het milieu in gevaar brengen of kunnen brengen”.

Gegevens over beroepsziekten en chronische effecten worden verkregen door middel van jaarlijkse medische controles, waarbij ten minste bloed- en urinemonsters moeten worden afgenomen, evenals, indien mogelijk, haarmonsters. Informatie over de oorsprong van ziekten en chronische effecten wordt het best verkregen door het nemen van bodem-, lucht- en stofmonsters.

Het aanleggen van complete registers begint met vaststellen wie er in de inrichting werken. De inrichting moet de identiteit van alle werknemers, waaronder personeel van contractanten en tijdelijk personeel, registreren en ervoor zorgen dat te allen tijde een lijst van alle op een gegeven dag aanwezige werknemers beschikbaar is.

Naleving van artikel 13, lid 1, onder i) en j), van de verordening veronderstelt ook dat de inrichting de aanbevelingen van de IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling (67) en de IAO (68)-richtsnoeren opvolgt.

Bovendien wordt er in de IAO-richtsnoeren op gewezen dat het doel van de registers is daadwerkelijk te worden gebruikt om de gezondheid van werknemers te beschermen. De resultaten worden door professioneel gezondheidspersoneel duidelijk uitgelegd aan de betrokken werknemers of aan naar eigen inzicht geselecteerde personen, worden niet gebruikt voor ongerechtvaardigde discriminatie en kunnen op verzoek van de bevoegde autoriteit, of enige andere door werkgevers en werknemers overeengekomen partij, worden gebruikt voor het opstellen van passende gezondheidsstatistieken en het verrichten van epidemiologische studies, mits anonimiteit is gewaarborgd. De IMO-richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling bepalen voorts dat indien in de nationale vereisten geen termijn wordt gespecificeerd, aanbevolen wordt om de registers gedurende vijf jaar te bewaren.

3.   Certificatie en inspecties

3.1.    Wat zijn de belangrijkste kenmerken van het inspectieregime volgens de nieuwe verordening?

Artikel 15, lid 4, van de verordening voert een inspectie- en verificatieregime met twee stappen in voor in derde landen gelegen inrichtingen die onder de vlag van een EU-lidstaat varende schepen wensen te recyclen.

Artikel 15, lid 4, eerste alinea: Om in de Europese lijst te worden opgenomen, worden de door in derde landen gelegen scheepsrecyclinginrichtingen die aan de voorschriften van artikel 13 voldoen, gecertificeerd na een inspectie ter plaatse door een onafhankelijke en bekwame verificateur. De certificatie wordt door het scheepsrecyclingbedrijf aan de Commissie voorgelegd op het moment dat het zich kandidaat stelt om in de Europese lijst te worden opgenomen, en daarna om de vijf jaar, bij de verlenging van de opname in de Europese lijst. De oorspronkelijke opname in de lijst en de hernieuwing ervan, worden aangevuld met een tussentijdse evaluatie ter bevestiging dat aan de voorschriften van artikel 13 is voldaan.

Artikel 15, lid 4, tweede alinea: Door opname in de Europese lijst aan te vragen, aanvaarden scheepsrecyclingbedrijven de mogelijkheid dat de betrokken scheepsrecyclinginrichtingen vóór of na hun opname in de Europese lijst worden onderworpen aan een inspectie ter plaatse door de Commissie of personen die namens haar optreden, om te verifiëren of zij aan de voorschriften van artikel 13 voldoen. Om die inspecties ter plaatse uit te voeren, werken de onafhankelijke verificateur, de Commissie of personen die namens haar optreden, samen met de bevoegde autoriteiten van het derde land waar de scheepsrecyclinginrichting is gelegen.

De eerste stap (artikel 15, lid 4, eerste alinea) vindt plaats voordat de inrichting een aanvraag voor opname in de Europese lijst indient. Deze stap bestaat uit een inspectie ter plaatse van de inrichting door een onafhankelijke verificateur om te beoordelen of aan de voorschriften van de verordening is/wordt voldaan.

In een latere stap (artikel 15, lid 4, tweede alinea) kan de Europese Commissie besluiten om door middel van inspecties ter plaatse te verifiëren of de inrichting de voorschriften naleeft. Deze verificaties kunnen plaatsvinden voordat of nadat een besluit over de opname van de inrichting in de Europese lijst is genomen.

Figuur 1

Belangrijkste stappen van het inspectie- en verificatieproces voor buiten de EU gelegen scheepsrecyclinginrichtingen

Image

3.2.    Wat is de taak van de onafhankelijke verificateurs?

Onafhankelijke verificateurs zijn belast met de certificering van de inrichting op basis van de voorschriften van de verordening. Ze voeren hun taken onafhankelijk uit; daartoe geeft het contract tussen de eigenaar van de scheepsrecyclinginrichting en een onafhankelijke verificateur de laatste het recht om alle activiteiten te verrichten die nodig zijn om de overeenstemming van de inrichting met de voorschriften van de verordening te controleren en daarover verslag uit te brengen. Contractuele verplichtingen van onafhankelijke verificateurs beletten of beperken op geen enkele wijze hun activiteiten.

De Europese Commissie staat klaar om onafhankelijke verificateurs op verzoek advies te verstrekken.

3.3.    Wie kan onafhankelijke verificateur zijn?

De term onafhankelijke verificateur moet niet worden opgevat als zijnde één natuurlijke persoon. Voor de doeltreffende uitvoering van de taken van de onafhankelijke verificateur zal normaliter een team van personen met een breed scala aan kwalificaties nodig zijn. Onafhankelijke verificateurs worden geregistreerd volgens de wet- en regelgeving van het land waar ze actief zijn; in voorkomend geval zijn zij overeenkomstig de nationale wetgeving gemachtigde bedrijven.

3.4.    Zal de Europese Commissie een lijst van onafhankelijke verificateurs publiceren?

Neen. De Commissie zal geen lijst van onafhankelijke verificateurs verstrekken, aangezien de verordening daarin niet voorziet. Een bedrijf dat eigenaar is van een scheepsrecyclinginrichting of een dergelijke inrichting exploiteert, moet een onafhankelijke verificateur inschakelen en ervoor zorgen dat deze onafhankelijk is en over de benodigde kwalificaties beschikt.

3.5.    Over welke accreditaties en kwalificaties moeten onafhankelijke verificateurs beschikken?

De verordening bepaalt dat verificateurs die voor de voorschriften van artikel 13 goedgekeurde inrichtingen certificeren „onafhankelijk” en „bekwaam” moeten zijn. Hoewel de verordening geen verplichte accreditatie van onafhankelijke verificateurs oplegt, is norm-gebaseerde accreditatie door EU-accreditatie-instanties of instanties die de overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van de Internationale Conferentie over de erkenning van testlaboratoria (ILAC) hebben ondertekend de meest effectieve manier om onafhankelijkheid en de vereiste bekwaamheid aan te tonen. Nadere uitleg volgt hieronder.

De EU heeft een accreditatiesysteem ontwikkeld waarin accreditatie op basis van een specifieke norm kan worden verkregen van een door een EU-lidstaat overeenkomstig Verordening (EU) nr. 765/2008 (69) aangewezen nationale accreditatie-instantie. De van een dergelijke instantie verkregen accreditatie wordt in de hele EU erkend. Een accreditatie kan ook worden verkregen van een accreditatie-instantie buiten de EU die de overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van de Conferentie over de erkenning van testlaboratoria (ILAC) voor het betrokken toepassingsgebied (in het onderhavige geval: ISO/IEC 17020 (70)) heeft ondertekend (71) (72).

In het kader van de verordening worden onafhankelijkheid en geschiktheid het best aangetoond door middel van naleving van de voorschriften voor („type A-”) inspectie-instanties van derde landen als vervat in de norm ISO/IEC 17020, die voorschriften bevat voor de werking van verschillende instanties die inspecties uitvoeren.

ISO/IEC 17020:2012(E)

Deze internationale norm is opgesteld met als doel het vertrouwen in inspecties verrichtende instanties te bevorderen. Inspectie-instanties voeren beoordelingen uit namens particuliere klanten, hun moederorganisatie of autoriteiten met het oogmerk informatie te verstrekken over de overeenstemming van geïnspecteerde activiteiten met wet- en regelgeving, normen, specificaties, inspectieregelingen of contracten.

ISO/IEC 17020 bevat gedetailleerde voorschriften voor inspectie-instanties. In het bijzonder moeten volgens ISO/IEC 17020 beoordeelde inspectie-instanties hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid met bewijzen staven (zie bijlage A bij de norm), hun juridische structuur, organisatie- en managementstructuren en inspectie-methoden en -procedures gedetailleerd beschrijven en een voldoende aantal gekwalificeerde personeelsleden in dienst hebben (rechtstreeks of via onderaanneming), diverse registers bijhouden, inspectieverslagen en -certificaten uitbrengen en over klacht- en beroepsprocedures en managementsystemen beschikken. Deze gedetailleerde voorschriften worden gebruikt als checklist voor de accreditering van de competentie om specifieke inspectietaken te verrichten — in dit geval de verificatie van scheepsrecyclinginrichtingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1257/2013. De voorschriften hebben altijd betrekking op een specifieke activiteit en worden nooit geïsoleerd toegepast.

Scheepsrecyclingbedrijven wordt aanbevolen om de onafhankelijke verificateur die zij inschakelen om te beoordelen in hoeverre zij de voorschriften van de verordening naleven, contractueel te verplichten over kwalificaties op de volgende gebieden te beschikken:

o Scheepsarchitectuur of gelijkwaardige kwalificaties op het gebied van scheepsbouw en/of de deconstructie van grote staalconstructies;

o Systemen voor het beheer van gezondheid en veiligheid op het werk en het milieu;

o Beheer van gevaarlijke materialen en afvalstoffenbeheer, waaronder het beheer van gevaarlijke afvalstoffen.

Ook wordt aanbevolen dat de teamleider van de onafhankelijke verificateur minimaal vijf jaar ervaring heeft op ten minste twee van de bovengenoemde gebieden en dat andere teamleden minimaal drie jaar ervaring hebben op ten minste twee van de bovengenoemde gebieden.

De Europese Commissie zal eventueel specifiek op onafhankelijke verificateurs gerichte opleidingsactiviteiten en workshops organiseren om certificatiepraktijken te harmoniseren.

3.6.    Kan de Europese Commissie besluiten om een inrichting nader te inspecteren?

Door een aanvraag voor opname in de Europese lijst in te dienen, aanvaarden scheepsrecyclingbedrijven de mogelijkheid dat de betrokken inrichting wordt onderworpen aan inspecties ter plaatse — ook onaangekondigd — door de Europese Commissie of personen die namens haar optreden. Deze inspecties moeten worden uitgevoerd in samenwerking met de autoriteiten van het land waar de inrichting zich bevindt. De kosten van de inspecties zullen niet worden gedragen door het scheepsrecyclingbedrijf.

Bij haar besluiten om inspecties van gecertificeerde inrichtingen uit te voeren zal de Europese Commissie een op risico’s gebaseerde prioriteitstelling volgen. Alle in een derde land gelegen gecertificeerde inrichtingen kunnen door de Europese Commissie of personen die namens haar optreden worden geïnspecteerd. Het besluit om een gegeven inrichting te inspecteren zal worden genomen in het licht van de kwaliteit en de volledigheid van de in het aanvraagdossier verstrekte informatie.

Aanvullende aspecten die de kans op nadere inspecties door de Europese Commissie of personen die namens haar optreden vergroten, zijn bijvoorbeeld — maar niet uitsluitend — bij de Europese Commissie ingediende klachten en zorgen over de werking van de inrichting.


(1)  Het is toegestaan omvangrijke documenten zoals het scheepsrecyclingplan alleen per e-mail te zenden.

(2)  PB L 332 van 18.12.2015, blz. 145.

(3)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(4)  IMO, resolutie MEPC.210(63), aangenomen op 2 maart 2012, 2012 Guidelines for safe and environmentally sound ship recycling (Richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling 2012), blz. 7-36.

(5)  IMO, MEPC.210(63), bijlage 1, blz. 37.

(6)  IAO, Safety and health in shipbreaking, guidelines for Asian countries and Turkey (Veiligheid en gezondheid bij de sloop van schepen, richtsnoeren voor Aziatische landen en Turkije), 2004 (de „IAO-richtsnoeren”), punt 4.6, blz. 32, en punt 16, blz. 128-133.

(7)  Verdrag van Bazel, Technical Guidelines for the Environmentally Sound Management of the Full and Partial Dismantling of Ships (Technische Richtsnoeren voor het milieuhygiënisch verantwoord beheer van de volledige en gedeeltelijke sloop van schepen) („TR VB”), punt 4.5, blz. 63-64, en punt 6.2, blz. 84-88.

(8)  Zie de antwoorden op vraag 2.2.5 voor nadere details over de voorschriften van de verordening inzake afvalstoffenbeheer.

(9)  TR VB, punt 6.2, blz. 85-87.

(10)  IMO MEPC.210(63), punt 3.4.1, blz. 24.

(11)  IAO-richtsnoeren, blz. 28-33.

(12)  IAO-richtsnoeren, blz. 21-23.

(13)  IAO-richtsnoeren, punt 3.4.2, blz. 19 en bijlage III, blz. 155-172.

(14)  IMO MEPC.210(63), punt 3.3.3.

(15)  IAO-richtsnoeren, punt 3.6, blz. 21-23.

(16)  IAO-richtsnoeren, bijlage I (Bewaking van de gezondheid van werknemers), punten 2 en 3, blz. 147-150, en bijlage II (Toezicht op de werkomgeving), blz. 152-154.

(17)  IMO MEPC.210(63), punt 3.3.4.11, blz. 21.

(18)  IAO-richtsnoeren, deel II, blz. 47-140 (met uitzondering van de punten 14 en 16, waarnaar in het volgende hoofdstuk van de voorliggende richtsnoeren wordt verwezen).

(19)  TR VB, punt 5, blz. 66-83.

(20)  Secretariaat van het Verdrag van Bazel, Guidance for competent authorities of ship recycling facilities (Richtsnoeren voor bevoegde autoriteiten van scheepsrecyclinginrichtingen), 4 augustus 2013.

(21)  SVB-richtsnoeren van 2013, blz. 13.

(22)  Omdat blokken niet alleen „tijdens het scheepsrecyclingproces voortgebrachte afvalstoffen” vormen, maar doorgaans ook een hoog risico met zich brengen dat ze in contact komen met tijdens de snijwerkzaamheden voortgebrachte olieresiduen en/of verf- en coatingdeeltjes, mogen ze niet in intergetijdengebieden of op enig ander doordringbaar oppervlak zoals zand- of kiezellagen worden gedeponeerd en/of daarover worden geschoven, aangezien die procedure een inbreuk op de controle op lekkages (artikel 13, lid 1, onder f)), het insluiten van gevaarlijke materialen (artikel 13, lid 1, onder g), i)), en de verwerking op ondoordringbare ondergronden (artikel 13, lid 1, onder g), ii)) zou vormen.

(23)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.4.4, blz. 33-36.

(24)  TR VB, blz. 81-83.

(25)  Artikel 13, lid 1, onder b), van de verordening.

(26)  Het type oliekerende slang dat wordt gebruikt zal variëren afhankelijk van de locatie en de omstandigheden van de scheepsrecyclinginrichting. Mogelijk zullen twee insluitingsniveaus nodig zijn, met name in inrichtingen waar schepen op eigen kracht worden aangemeerd, waardoor verontreinigd wegstromend water in zee terecht zou kunnen komen: een eerste laag van absorberende oliekerende slangen rond het schip dat wordt ontmanteld en een tweede, meer permanente laag van niet-absorberende slangen op de kust of in zee.

(27)  SVB-richtsnoeren van 2013, blz. 14.

(28)  „insluiten van alle gevaarlijke materialen”, „gedurende het volledige scheepsrecyclingproces” (artikel 13, lid 1, onder g), i)).

(29)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.4.3.1, blz. 29, en TR VB, blz. 82.

(30)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.4.3.1, blz. 30, en TR VB, blz. 80.

(31)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.4.3.4.1, blz. 32, en TR VB, blz. 82-83.

(32)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.4.3.5 Gevaarlijke vloeistoffen, residuen en sedimenten (zoals olie, lenswater, ballastwater), blz. 32 en TR VB, blz. 81.

(33)  PB L 330 van 16.12.2009, blz. 28.

(34)  SVB-richtsnoeren van 2013, blz. 17.

(35)  SVB-richtsnoeren van 2013, blz. 15.

(36)  TR VB, blz. 68.

(37)  SVB-richtsnoeren van 2013, blz. 16.

(38)  Zie voetnoot 37.

(39)  Zie voetnoot 36.

(40)  Zie voetnoot 36.

(41)  Op grond van artikel 13, lid 1, onder h), van de Verordening (de scheepsrecyclinginrichting zorgt ervoor dat het schip en alle delen van de scheepsrecyclinginrichting snel toegankelijk zijn voor materiaal dat nodig is bij noodsituaties, zoals brandbestrijdingsmiddelen en -voertuigen, ambulances en kranen), voldoen inrichtingen waar hulpverleningsvoertuigen niet naast het schip zelf of naast de loopplank kunnen parkeren, bijvoorbeeld vanwege waterige, instabiele ondergronden die geen voertuigen kunnen ondersteunen, niet aan de voorschriften van de verordening.

(42)  IAO-richtsnoeren, blz. 138-140.

(43)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.3.4.9, blz. 20.

(44)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.4.2.6, §3.

(45)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.2.6: Wanneer materialen of afvalstoffen van de scheepsrecyclinginrichting worden verwijderd voor verdere verwerking en/of verwijdering, moet in het scheepsrecyclingplan een gedetailleerde beschrijving worden gegeven van de procedures die zullen worden gebruikt om ervoor te zorgen dat ze alleen worden doorgestuurd naar een installatie die gemachtigd is om deze materialen of afvalstoffen op een milieuverantwoorde manier te verwerken en/of te verwijderen.

(46)  Zie voor meer informatie: http://www.basel.int/Implementation/TechnicalMatters/DevelopmentofTechnicalGuidelines/AdoptedTechnicalGuidelines/tabid/2376/Default.aspx

(47)  Zie voor meer informatie: http://www.basel.int/Implementation/CountryLedInitiative/EnvironmentallySoundManagement/ESMFramework/tabid/3616/Default.aspx

(48)  PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.

(49)  PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1.

(50)  PB L 332 van 28.12.2000, blz. 91.

(51)  PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17.

(52)  PB L 243 van 24.9.1996, blz. 31.

(53)  PB L 266 van 26.9.2006, blz. 1.

(54)  PB L 37 van 13.2.2003, blz. 24.

(55)  Zie artikel 13, lid 1, onder b), artikel 13, lid 1, onder d), i), en artikel 13, lid 1, onder i).

(56)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.3.1, blz. 11.

(57)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.3.6 §6, blz. 23.

(58)  IMO MEPC.210(63), punt 3.3.2.

(59)  Artikel 3, lid 1, punt 13), van de verordening.

(60)  Artikel 3, lid 3, van de verordening.

(61)  Definitie overeenkomstig Richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen (PB L 399 van 30.12.1989, blz. 18.

(62)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.3.4.10, blz. 21.

(63)  IAO-richtsnoeren, punt 15, blz. 122-127.

(64)  IAO-richtsnoeren, punt 14, blz. 117-121.

(65)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.1.2, blz. 8.

(66)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.3.6 §7, blz. 23.

(67)  IMO MEPC.(210)63, punt 3.1.4, blz. 9.

(68)  IAO-richtsnoeren, punt 5, blz. 34--40, en bijlage I (Toezicht op de gezondheid van werknemers), punt 4, blz. 150-151.

(69)  Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).

(70)  ISO/IEC 17020:2012, Requirements for the operation of various types of bodies performing inspection (Algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren).

(71)  Een lijst van dergelijke instanties is te vinden op http://www.european-accreditation.org/mla-and-bla-signatories#6 en https://www.ilac.org/documents/mra_signatories.pdf

(72)  Artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 765/2008 bepaalt dat nationale autoriteiten de gelijkwaardigheid moeten erkennen van de diensten die worden geleverd door de accreditatie-instanties die met succes de collegiale toetsing hebben doorlopen, en daarbij de accreditatiecertificaten van die instanties en de verklaringen die de door hen geaccrediteerde conformiteitsbeoordelingsinstanties afgeven, aanvaarden.


BIJLAGE 1

Kopie van de certificatie door een onafhankelijke verificateur

Image

Tekst van het beeld

NAAM VAN DE VERIFICATEUR (LOGO)

Adres

CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING

Nr.

___(naam van de verificateur)___, geaccrediteerd als overeenstemmend met de vereisten van ISO/IEC 17020___ door ___(naam van de nationale accreditatie-instantie) (1), verklaart dat:

(naam van de scheepsrecyclinginrichting)

(adres van de inrichting)

voldoet aan de voorschriften van artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG, en geeft derhalve dit certificaat af.

Van ___(dd/mm/jjjj)___ tot ___(dd/mm/jjjj) is een inspectie ter plaatse verricht, tijdens welke de overeenstemming met alle voorschriften van artikel 13 is geverifieerd. De resultaten van deze inspectie en het onderzoek van de relevante documentatie en registers van de scheepsrecyclinginrichting waren bevredigend.

___(naam van de verificateur)___ verklaart dat hij onafhankelijk is van het scheepsrecyclingbedrijf dat eigenaar van de scheepsrecyclinginrichting is en van de bovengenoemde scheepsrecyclinginrichting en dat hij de uit hoofde van deze verordening vereiste werkzaamheden heeft uitgevoerd in het openbaar belang. (naam van de verificateur), en alle onderdelen van zijn rechtspersoon, verklaart/verklaren tevens geen scheepsrecyclingbedrijf of eigenaar van een scheepsrecyclinginrichting te zijn en geen relaties met het hierboven genoemde bedrijf te onderhouden die van invloed zouden kunnen zijn op zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

Certificaat afgegeven te: ________________

Datum van afgifte: ___(dd/mm/jjjj)___

Vervaldatum (2): ___(dd/mm/jjjj)___

Handtekening: ________________________

(1) De nationale accreditatie-instantie moet de overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van de Internationale Conferentie over de erkenning van testlaboratoria (ILAC) voor inspectie hebben ondertekend of door een EU-lidstaat zijn aangewezen in overeenstemming met de algemene beginselen als vervat in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 765/2008.

(2) Het certificaat mag niet langer dan vijf jaar geldig zijn.


BIJLAGE 2

Bronnen en externe verwijzingen

IMO, Hongkong International Convention for the Safe and Environmentally Sound Recycling of Ships, 2009 (Verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuverantwoord recyclen van schepen, 2009).

http://ec.europa.eu/environment/waste/ships/pdf/Convention.pdf

IMO, resolutie MEPC.211(63), aangenomen op 2 maart 2012, 2012 Guidelines for the authorization of ship recycling facilities (Richtsnoeren voor de machtiging van scheepsrecyclinginrichtingen 2012).

http://www.imo.org/OurWork/Environment/ShipRecycling/Documents/211(63).pdf

IMO, resolutie MEPC.210(63), aangenomen op 2 maart 2012, 2012 Guidelines for safe and environmentally sound ship recycling (Richtsnoeren voor veilige en milieuverantwoorde scheepsrecycling 2012).

http://www.imo.org/OurWork/Environment/ShipRecycling/Documents/210(63).pdf

ILO, Safety and health in shipbreaking, guidelines for Asian countries and Turkey, 2004 (IAO, Veiligheid en gezondheid bij de sloop van schepen, richtsnoeren voor Aziatische landen en Turkije, 2004)

http://ilo.org/safework/info/standards-and-instruments/codes/WCMS_107689/lang--en/index.htm

(N.B.: dit document is ook beschikbaar in het Frans, Spaans, Chinees, Bengaals en Hindi)

Basel Convention, Technical Guidelines for the Environmentally Sound Management of the Full and Partial Dismantling of Ships (Verdrag van Bazel, Technische Richtsnoeren voor het milieuhygiënisch verantwoord beheer van de volledige en gedeeltelijke sloop van schepen)

http://www.basel.int/Portals/4/Basel%20Convention/docs/meetings/sbc/workdoc/techgships-e.pdf

Secretariat of the Basel Convention, Guidance for competent authorities of ship recycling facilities, 4/8/2013 (Secretariaat van het Verdrag van Bazel, Richtsnoeren voor bevoegde autoriteiten van scheepsrecyclinginrichtingen, 4 augustus 2013).

http://www.basel.int/Portals/4/download.aspx?d=UNEP-CHW-SHIPS-GUID-CompetentAuthorities.English.pdf