Straatsburg, 13.12.2016

COM(2016) 815 final

2016/0397(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004

(Voor de EER en Zwitserland relevante tekst)

{SWD(2016) 460 final}
{SWD(2016) 461 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Het recht van EU-burgers en hun gezinsleden om zich vrij te verplaatsen en te verblijven in elk EU-land, is een van de vier fundamentele vrijheden die zijn verankerd in de EU-verdragen.

Vrij verkeer van personen is alleen mogelijk als de socialezekerheidsrechten van mobiele burgers en hun gezinsleden worden beschermd.

Dit initiatief maakt deel uit van het pakket arbeidsmobiliteit van de Europese Commissie van 2016. Het doel van dit initiatief is door te gaan met de modernisering van de EU-wetgeving op het gebied van de coördinatie van de sociale zekerheid, zoals vastgelegd in de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 1 en (EG) nr. 987/2009 2 (hierna "de verordeningen"), door het burgers gemakkelijker te maken hun rechten uit te oefenen en tegelijkertijd de rechtszekerheid, een eerlijke en rechtvaardige verdeling van de financiële lasten tussen de lidstaten en administratieve eenvoud en uitvoerbaarheid van de regels te waarborgen. Een gemoderniseerd systeem voor de coördinatie van de sociale zekerheid dat beantwoordt aan de sociale en economische realiteit in de lidstaten, is een van de belangrijkste doelstellingen van dit initiatief.

Het voorstel concentreert zich op de volgende vier gebieden waar betere coördinatie nodig is: de toegang van economisch niet-actieve burgers tot sociale uitkeringen, prestaties bij langdurige zorg, werkloosheidsuitkeringen en gezinsuitkeringen. Elke lidstaat is vrij om zelf de bijzonderheden van zijn eigen socialezekerheidsstelsel te bepalen, waaronder welke uitkeringen worden verstrekt, onder welke voorwaarden men ervoor in aanmerking komt, hoe deze uitkeringen worden berekend en hoeveel premie moet worden betaald, en wel voor alle takken van de sociale zekerheid, zoals ouderdoms-, werkloosheids- en gezinsuitkeringen, op voorwaarde dat de nationale bepalingen in overeenstemming zijn met de beginselen van het EU-recht, in het bijzonder wat gelijke behandeling en non-discriminatie betreft. In dit verband zijn de lidstaten vrij om toezicht houden op de ontwikkelingen met betrekking tot de betaling van die uitkeringen, ook wanneer het gaat om EU-burgers die in een andere lidstaat verblijven. De Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels speelt een speciale rol in de uitwisseling van deze informatie.

Bij de herziening wordt ten eerste beoogd te verduidelijken in welke gevallen de lidstaten de toegang tot sociale uitkeringen aan economisch niet-actieve mobiele EU-burgers kunnen beperken. Volgens recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna "het Hof van Justitie") is dit noodzakelijk om redenen van duidelijkheid, transparantie en rechtszekerheid. De populatie van economisch niet-actieve mobiele burgers wordt geraamd op 3,7 miljoen mensen 3 . Bijna 80 % van hen ontleent rechten (recht op verblijf en/of een uitkering) aan economisch actieve gezinsleden bij wie zij verblijven, en heeft nog steeds het recht op dezelfde behandeling als de gezinsleden van nationale werknemers. Een inactieve mobiele EU-burger die voorheen rechtmatig verblijf had maar niet langer voldoet aan de voorwaarden van Richtlijn 2004/38/EG, moet kunnen vertrouwen op het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot op premie- of bijdragebetaling berustende socialezekerheidsprestaties, zolang het gastland zijn/haar recht van verblijf niet formeel heeft beëindigd.

Een tweede doelstelling van de herziening is een samenhangende regeling vast te stellen voor de coördinatie van de prestaties bij langdurige zorg (momenteel te vinden in het hoofdstuk over ziekte) door een afzonderlijk hoofdstuk over de coördinatie van deze prestaties toe te voegen aan Verordening (EG) nr. 883/2004, door een definitie te formuleren en een lijst van deze prestaties te verstrekken. In totaal komen naar schatting ongeveer 80 000 mobiele burgers in aanmerking voor prestaties bij langdurige zorg voor een totaalbedrag van 793 miljoen EUR (0,4 % van de totale uitgaven van de EU voor prestaties bij langdurige zorg).

Ook worden bij de herziening nieuwe regelingen voor de coördinatie van werkloosheidsuitkeringen in grensoverschrijdende gevallen voorgesteld. Deze hebben betrekking op de samentelling van tijdvakken van verzekering voor het verkrijgen of behouden van een recht op werkloosheidsuitkering, de export van werkloosheidsuitkeringen en de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen aan grensarbeiders en andere grensoverschrijdende werknemers. Er zijn ongeveer 25 000 gevallen van samentelling (gerapporteerd in 23 lidstaten) 4 , ongeveer 27 300 mensen in de EU exporteren hun werkloosheidsuitkering naar een andere lidstaat 5 en het aantal werkloze grensoverschrijdende werknemers wordt geschat op 91 700 per jaar, waaronder 53 500 grensarbeiders 6 . 

Ten vierde bevat het voorstel nieuwe bepalingen voor de coördinatie van gezinsuitkeringen ter vervanging van het inkomen gedurende tijdvakken van kinderopvoeding. Deze uitkeringen bestaan in 22 lidstaten 7 .

Bovendien verduidelijkt het voorstel de collisieregels voor de toepasselijke wetgeving en de relatie tussen de verordeningen en Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (hierna "Richtlijn 96/71/EG") 8 . Het versterkt de administratieve voorschriften voor de coördinatie van de sociale zekerheid op het gebied van informatie-uitwisseling en verificatie van de socialezekerheidsstatus van deze werknemers om mogelijke oneerlijke praktijken of misbruik te voorkomen. In het voorstel worden ook nieuwe uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie toegekend in overeenstemming met artikel 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ("het VWEU") om tot een nadere uniforme aanpak te komen van de afgifte, verificatie en intrekking van "Portable Document A1" (een verklaring over de socialezekerheidswetgeving die van toepassing is op de houder)

Daarnaast omvat het voorstel ook een aantal technische wijzigingen. Zij betreffen de prioritering van afgeleide rechten op prestaties bij ziekte, de vergoeding van de kosten voor geneeskundig onderzoek, de berekening van de gemiddelde jaarlijkse kosten op het gebied van prestaties bij ziekte en de invoering van maatregelen om fraude of fouten bij de toepassing van de verordeningen gemakkelijker op te sporen, met inbegrip van een grondslag voor lidstaten om op gezette tijden persoonsgegevens te mogen uitwisselen. Verder zijn de procedures voor terugvordering van ten onrechte uitbetaalde socialezekerheidsuitkeringen herzien zodat zij in overeenstemming zijn met de vergelijkbare procedures in Richtlijn 2010/24/EU betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen, met name om te voorzien in een uniform instrument dat zal worden gebruikt voor handhavingsmaatregelen alsmede standaardprocedures voor verzoeken om wederzijdse bijstand en notificaties van akten en beslissingen met betrekking tot een schuldvordering.  9  

Het voorstel omvat ook een aantal periodieke technische aanpassingen naar aanleiding van de ontwikkelingen in de nationale wetgeving die van invloed zijn op de toepassing van de EU-regels.

Tot slot wordt voorgesteld nieuwe bevoegdheden aan de Commissie toe te kennen om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen voor een vlot verloop van de wetgevingsprocedure voor de wijziging van de landenspecifieke bijlagen bij Verordening (EG) nr. 883/2004.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Dit initiatief vormt een aanvulling op andere initiatieven zoals verwoord in de politieke beleidslijnen: Een nieuwe start voor Europa 10 met betrekking tot prioriteit 4: een diepere en eerlijkere interne markt met een sterkere industriële basis, en met name van de geplande strategie voor de interne markt 11 . Arbeidsmobiliteit is een manier om de middelen efficiënter te verdelen tussen en binnen sectoren, de werkloosheid te bestrijden en de discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden te verkleinen.

Het vormt tevens een aanvulling op prioriteit 1 van de politieke beleidslijnen door stimulerende regelgeving te creëren die een klimaat van ondernemerschap en het scheppen van werkgelegenheid ondersteunt, en zorgt ervoor dat de verordeningen in overeenstemming zijn met het streven van de Commissie naar betere regelgeving. 12  

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Het voorstel is gebaseerd op artikel 48 VWEU.

Subsidiariteit

Het subsidiariteitsbeginsel is van toepassing aangezien het voorstel geen gebieden bestrijkt die onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen.

De doelstellingen van het voorstel kunnen niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt op nationaal, regionaal of lokaal niveau en kunnen om de volgende redenen beter op het niveau van de Unie worden verwezenlijkt:

De coördinatie van de sociale zekerheid betreft grensoverschrijdende gevallen waarin lidstaten niet alleen kunnen optreden. Coördinatiemaatregelen op Europees niveau zijn vereist op grond van artikel 48 VWEU en zijn nodig voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer. Zonder dergelijke coördinatie kan het vrije verkeer worden belemmerd: mensen zouden minder snel gaan verhuizen als zij daardoor rechten op sociale zekerheid verliezen die zij in een andere lidstaat hebben opgebouwd.

De EU-coördinatiewetgeving vervangt de vele bestaande bilaterale overeenkomsten. De totstandbrenging van een EU-kader op dit gebied zorgt voor een uniforme interpretatie en bescherming van de rechten van mobiele EU-burgers en hun gezinsleden die geen enkele lidstaat alleen op nationaal niveau kan verwezenlijken.

Het vereenvoudigt niet alleen de coördinatie van de sociale zekerheid voor de lidstaten, maar garandeert ook een gelijke behandeling van EU-burgers die verzekerd zijn op grond van de nationale socialezekerheidswetgeving.

In het voorstel worden de bestaande coördinatievoorschriften bijgewerkt om de wijzigingen door te voeren die noodzakelijk zijn geworden door de veranderende sociale realiteit en om rekening te houden met de wetswijzigingen die op nationaal niveau zijn doorgevoerd.

Het voorstel voldoet derhalve aan het subsidiariteitsbeginsel.

Evenredigheid

De voorgestelde verordening gaat niet verder dan hetgeen noodzakelijk is voor een doeltreffende coördinatie van de sociale zekerheid: zij zal niet leiden tot een uitbreiding van de materiële en personele werkingssfeer van de bestaande verordeningen en de gevolgen ervan zijn toegespitst op de vier bovenvermelde gebieden. De lidstaten blijven verantwoordelijk voor de organisatie en financiering van hun eigen socialezekerheidsstelsels.

Het voorstel maakt het de lidstaten makkelijker om de socialezekerheidsstelsels te coördineren en heeft tot doel de personen die zich binnen de EU verplaatsen te beschermen. Tegelijkertijd komen de bepalingen tegemoet aan de veranderende behoeften van de lidstaten.

Het voorstel is derhalve in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.

Keuze van het instrument

Het voorgestelde instrument is een verordening. Andere instrumenten, zoals een mededeling of andere niet juridisch bindende instrumenten, zouden niet de vereiste rechtszekerheid en duidelijkheid bieden.

3.RESULTATEN VAN EX-POSTEVALUATIES, RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

De Commissie heeft onderzocht in hoeverre het huidige rechtskader nog steeds garant staat voor een effectieve coördinatie. Dit onderzoek is een aanvulling op de formele evaluatieverplichtingen van de verordeningen, die van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna "de Administratieve Commissie") 13 en de Europese Commissie verlangen dat zij de uitvoering en doeltreffendheid van de specifieke bepalingen van de verordeningen evalueren en beoordelen 14 . Het vormt ook een aanvulling op de toezegging van de Commissie om de noodzaak van een herziening van de beginselen voor de coördinatie van werkloosheidsuitkeringen te beoordelen 15 .

Raadpleging van belanghebbenden

Bij diverse gelegenheden werden belanghebbenden geraadpleegd:

1.de lidstaten zijn geraadpleegd in het kader van de Administratieve Commissie.

2.De nationale overheden zijn via een online-enquête geraadpleegd over de coördinatie van prestaties bij langdurige zorg en werkloosheidsuitkeringen, de coördinatie van werkloosheidsuitkeringen voor grensarbeiders.

3.De sociale partners zijn in het kader van het Raadgevend Comité voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels geraadpleegd over de coördinatie van prestaties bij langdurige zorg, werkloosheidsuitkeringen voor grensarbeiders en de export van werkloosheidsuitkeringen. Tevens zijn zij in een speciale hoorzitting geraadpleegd over de coördinatie van gezinsuitkeringen, prestaties bij langdurige zorg en werkloosheidsuitkeringen.

4.Ngo’s zijn in een speciale workshop geraadpleegd over de coördinatie van gezinsuitkeringen, prestaties bij langdurige zorg en werkloosheidsuitkeringen.

5.Er zijn twee online raadplegingen gehouden: één in december 2012 over de coördinatie van prestaties bij langdurige zorg, de export van werkloosheidsuitkeringen en de coördinatie van werkloosheidsuitkeringen voor grensarbeiders; en één in juli 2015 over de coördinatie van werkloosheidsuitkeringen en gezinsuitkeringen.

Over de toegang voor economisch niet-actieve mobiele EU-burgers tot sociale uitkeringen waren de lidstaten verdeeld. Sommige zagen de status quo als eerste of tweede keuze; andere zagen wijziging van de bepalingen inzake gelijke behandeling van de verordening als eerste of tweede keuze, hoewel er geen consensus was over de veranderingen die nodig zouden zijn. Een klein aantal lidstaten toonde belangstelling voor administratieve richtsnoeren.

Met betrekking tot de coördinatie van de prestaties bij langdurige zorg was de meerderheid van de lidstaten voorstander van een specifieke definitie en/of een specifiek hoofdstuk en/of een lijst van uitkeringen, terwijl andere de status quo wilden behouden. Uit de openbare raadpleging van 2012 bleek dat de meningen over de vraag welke lidstaat bevoegd is voor het verlenen van prestaties bij langdurige zorg uiteenliepen.

Met betrekking tot werkloosheidsuitkeringen:

Over de samentelling van werkloosheidsuitkeringen hadden de lidstaten uiteenlopende standpunten: een kleine meerderheid was voorstander van behoud van de status quo, terwijl andere vonden dat samentelling pas na één of drie maanden werk moest plaatsvinden. De sociale partners leken voorstander te zijn van de status quo. In de openbare raadpleging van 2015 gaf een derde van de respondenten aan van mening te zijn dat de huidige regels moeten worden veranderd.

Met betrekking tot de export van werkloosheidsuitkeringen hadden de lidstaten uiteenlopende standpunten: sommigen waren voorstander van de huidige bepalingen, andere pleitten voor een recht van export gedurende ten minste zes maanden. De werkgeversorganisaties waren voorstander van de huidige bepalingen; de vakbonden en ngo’s steunden de optie van een recht van export gedurende ten minste zes maanden. In de openbare raadpleging van 2012 was de meerderheid van de respondenten voorstander van verlenging van de duur van de export van werkloosheidsuitkeringen.

Tot slot leken de lidstaten verdeeld over de coördinatie van werkloosheidsuitkeringen voor grensarbeiders en andere grensoverschrijdende werknemers: sommige wilden de status quo behouden, andere gaven de voorkeur aan werkloosheidsuitkeringen voor alle werknemers van de lidstaat waar zij het laatst werkzaam waren. Uit de openbare raadpleging van 2012 bleek dat op dit gebied ook de meningen onder de burgers en andere belanghebbenden uiteenliepen.

Met betrekking tot de export van gezinsuitkeringen pleitte een significante minderheid van de delegaties van de lidstaten voor een andere coördinatie van de uitkeringen ter vervanging van het inkomen gedurende tijdvakken van kinderopvoeding. De meeste ngo’s waren voorstander van de status quo. In de openbare raadpleging van 2015 gaf een kwart van de respondenten aan van mening te zijn dat de huidige regels moeten worden veranderd.

De uiteenlopende standpunten in de ontvangen antwoorden gaven de Commissie een breed overzicht van de werking van de coördinatie van de sociale zekerheid, waaronder de problemen, mogelijke oplossingen en de steun waarop deze oplossingen mochten rekenen. De resultaten van de openbare raadpleging zijn te vinden op het portaal "Uw stem in Europa" 16 . Alle bijzonderheden over de standpunten van de belanghebbenden zijn te vinden in het effectbeoordelingsverslag.

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

Bij de voorbereiding van dit voorstel is uitgebreid overleg gepleegd met zowel deskundigen binnen de Commissie als externe deskundigen. Er is rekening gehouden met studies en rapporten van het trESS-netwerk van juridische deskundigen 17 , het netwerk van juridische deskundigen inzake mobiliteit binnen de EU (FreSsco), het netwerk van statistische deskundigen inzake mobiliteit binnen de EU, een ondersteunende effectbeoordelingsstudie van Deloitte Consulting en aanvullende analyses door het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA) van de KU Leuven en door een consortium van de Fondazione Giacomo Brodolini, COWI en het Warwick Institute for Employment Research. Een uitvoerig overzicht van de raadpleging van deskundigen is te vinden in het effectbeoordelingsverslag. Daarnaast is het voorstel gebaseerd op de werkzaamheden van een ad-hocgroep van nationale deskundigen van de nationale autoriteiten van de lidstaten, die in het kader van de Administratieve Commissie een aantal aanbevelingen over de regels voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving hebben ontwikkeld, met name wat betreft ter beschikking gestelde werknemers en personen die in twee of meer lidstaten werken.

   Effectbeoordeling

In overeenstemming met haar beleid voor betere regelgeving heeft de Commissie een effectbeoordeling van de mogelijke beleidsopties gemaakt, waarbij de economische, sociale, regelgevende en algehele doelmatigheid en de samenhang met de bredere EU-doelstellingen is beoordeeld 18 . Deze werkzaamheden werden ondersteund door een gestructureerd overleg met de diensten van de Commissie via een interdepartementale stuurgroep 19 . 

De coördinatievoorschriften zijn rechtstreeks gericht tot de lidstaten en hun socialezekerheidsorganen. Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) worden niet rechtstreeks beïnvloed door dit voorstel. Er worden geen positieve of negatieve effecten op het milieu voorzien.

Met betrekking tot digitale effecten voldoet het voorstel volledig aan de vereisten van het internet. De elektronische gegevensuitwisseling tussen de nationale instanties op het gebied van de coördinatie van de sociale zekerheid zal plaatsvinden via het systeem voor de elektronische uitwisseling van socialezekerheidsgegevens (EESSI) (volledige toepassing voorzien voor medio 2019).

Met betrekking tot de toegang voor economisch niet-actieve mobiele EU-burgers tot sociale uitkeringen wordt de voorkeur gegeven aan de optie waarbij de huidige bepalingen inzake gelijke behandeling van Verordening (EG) nr. 883/2004 worden gewijzigd om te verwijzen naar de beperkingen in Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: Richtlijn 2004/38/EG) 20 , hetgeen overeenstemt met de rechtspraak van het Hof van Justitie. Dit krijgt de voorkeur boven de alternatieve wetgevingsopties (namelijk om deze afwijking toe te staan voor de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkeringen als bedoeld in artikel 70 van Verordening (EG) nr. 883/2004; of de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkeringen voor levensonderhoud uit deze verordening te schrappen) en niet-wetgevende opties (namelijk om de voorschriften te verduidelijken in een mededeling). In het voorstel wordt de stand van het EU-recht zoals uitgelegd door het Hof van Justitie gecodificeerd; derhalve is het economische effect of het effect op de sociale rechten gering in vergelijking met het basisscenario; het kan echter de regelgevingskosten verlagen door meer duidelijkheid te scheppen over de huidige stand van het EU-recht.

Het voorstel betreft een coherente regeling voor prestaties bij langdurige zorg door de introductie van een apart hoofdstuk over de coördinatie van deze uitkeringen die in overeenstemming worden gebracht met de bestaande bepalingen inzake prestaties bij ziekte, waarbij onder andere een definitie van prestaties bij langdurige zorg, en voorziet in een lijst van nationale uitkeringen wordt gegeven. Dit kreeg de voorkeur boven de alternatieve opties waarbij de lidstaat van de woonplaats zou voorzien in alle prestaties bij langdurige zorg met vergoeding door de bevoegde lidstaat (met of zonder aanvulling door de bevoegde lidstaat). De voorkeursoptie voorziet in een uitdrukkelijke rechtsgrondslag zodat de bestaande regels de regeling kunnen voorzien van transparantie en stabiliteit. Burgers en instellingen zullen baat hebben bij de verduidelijking en de sociale bescherming zal worden verhoogd. De voorkeursoptie zal geen economische gevolgen van betekenis hebben en geen hoge uitvoeringskosten met zich meebrengen in vergelijking met het basisscenario.

Met betrekking tot de coördinatie van werkloosheidsuitkeringen:

De voorkeursoptie voor de samentelling van werkloosheidsuitkeringen is om een minimumreferentieperiode te vereisen van ten minste drie maanden van verzekering in de lidstaat waar men het laatst heeft gewerkt in te stellen voordat een recht op samentelling van eerdere tijdvakken van verzekering ontstaat (waarbij de lidstaat waar men het laatst heeft gewerkt verplicht is een uitkering te verstrekken wanneer niet aan deze voorwaarde wordt voldaan). Dit is te verkiezen boven andere opties, zoals het toestaan van samentelling na slechts één dag of één maand van verzekering of de mogelijkheid het in de lidstaat waar men voorheen heeft gewerkt ontvangen referentieloon in aanmerking te nemen voor de berekening van werkloosheidsuitkeringen nadat men één of drie maanden in de bevoegde lidstaat heeft gewerkt. Naar verwachting zal de voorkeursoptie zorgen voor een sterkere band tussen de organen die bevoegd zijn voor werkloosheidsuitkeringen en mogelijk een besparing van 41 miljoen EUR opleveren, zij het met een andere kostenverdeling tussen de lidstaten. Er zouden geen significante gevolgen voor de regelgevingskosten zijn.

Met betrekking tot de export van werkloosheidsuitkeringen is de voorkeursoptie om de minimumtermijn voor de export van werkloosheidsuitkeringen te verlengen van drie tot zes maanden, met de mogelijkheid de uitkering voor de gehele periode waarvoor een recht op uitkering bestaat te exporteren. Deze optie zal worden gecombineerd met een mechanisme voor intensievere samenwerking om werkzoekenden te ondersteunen en zo hun kansen op re-integratie op de arbeidsmarkt te vergroten. Dit wordt verkozen boven het alternatief, waarbij het recht wordt toegekend om werkloosheidsuitkeringen voor de gehele periode waarvoor een recht op uitkering bestaat te exporteren. De voorkeursoptie zal geen economische gevolgen van betekenis hebben of hoge uitvoeringskosten met zich meebrengen in vergelijking met het basisscenario aangezien de bevoegde lidstaat alleen verplicht is uitkeringen te exporteren waarvoor al een recht bestaat.

Met betrekking tot de coördinatie van werkloosheidsuitkeringen voor grensarbeiders en andere grensoverschrijdende werknemers is de beste optie om de lidstaat waar men het laatst heeft gewerkt verantwoordelijk te stellen voor de betaling van de werkloosheidsuitkering wanneer de grensarbeider daar gedurende ten minste twaalf maanden heeft gewerkt, en voor het overige de verantwoordelijkheid toe te kennen aan de lidstaat waar hij/zij woont. Als gevolg daarvan wordt de huidige vergoedingsprocedure afgeschaft. Deze optie geniet de voorkeur boven de overwogen alternatieven, namelijk grensarbeiders zelf laten kiezen waar zij aanspraak willen maken op een werkloosheidsuitkering dan wel de lidstaat waar zij het laatst hebben gewerkt in alle gevallen verantwoordelijk te stellen voor de betaling van werkloosheidsuitkeringen. Geschat wordt dat deze optie de economische kosten van 416 miljoen EUR tot 442 miljoen EUR zal verhogen, maar ook de regelgevingskosten zal verlagen van 9,9 miljoen EUR tot 3,7 miljoen EUR.

Met betrekking tot de coördinatie van opvoedingstoelagen, bedoeld ter compensatie van gederfde inkomsten van ouders gedurende tijdvakken van kinderopvoeding, wordt er de voorkeur aan gegeven de huidige coördinatiebepalingen zodanig te wijzigen dat opvoedingstoelagen worden beschouwd als individuele en persoonsgebonden rechten, en een facultatief recht toe te kennen aan de secundair bevoegde lidstaat om de uitkering volledig te betalen. Dit biedt lidstaten die het delen van ouderlijke verantwoordelijkheden actief stimuleren de mogelijkheid eventuele negatieve financiële prikkels voor ouders om in dezelfde periode ouderschapsverlof te nemen weg te nemen. Deze optie kreeg de voorkeur boven de alternatieven waarbij de secundair bevoegde lidstaat verplicht is af te wijken van de overlappende regels, hetzij voor alle opvoedingstoelagen hetzij alleen voor salarisgerelateerde opvoedingstoelagen. De maximale economische impact van de voorkeursoptie zou een stijging van de economische kosten voor een secundair bevoegde lidstaat zijn binnen een marge van 58 % tot 84 %, hoewel deze in de praktijk waarschijnlijk lager uitvalt omdat niet alle lidstaten ervoor zullen kiezen deze afwijking toe te passen. De sociale rechten zullen naar verwachting slechts een minimaal effect van de verandering van individuele en persoonsgebonden rechten ondervinden, omdat het vereiste om afgeleide rechten op opvoedingstoelagen te erkennen slechts beperkt wordt nageleefd.

Dit voorstel gaat vergezeld van een effectbeoordelingsverslag (WDC (2016) 460) dat is gecontroleerd door de Raad voor regelgevingstoetsing, die op 21 januari 2016 een positief advies heeft uitgebracht. Alle aanbevelingen van de Raad voor regelgevingstoetsing zijn in aanmerking genomen in het definitieve effectbeoordelingsverslag.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Unie. De mogelijke gevolgen voor de nationale begrotingen zijn hierboven uiteengezet.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

De Commissie dient bij het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité binnen vijf jaar na de datum van toepassing van de gewijzigde verordeningen en vervolgens minstens om de vijf jaar een evaluatieverslag in over de toepassing van het nieuwe instrument in overeenstemming met de richtsnoeren voor betere regelgeving.

Artikelsgewijze toelichting

In dit deel wordt een meer gedetailleerde toelichting gegeven op de specifieke bepalingen van het voorstel voor Verordening (EG) nr. 883/2004 (hierna "de basisverordening" genoemd) en Verordening (EG) nr. 987/2009 (hierna "de toepassingsverordening" genoemd).

Artikel 1

Artikel 1 heeft betrekking op de wijzigingen in de basisverordening.

1.Overweging 2 wordt gewijzigd om te verwijzen naar het recht van vrij verkeer voor alle EU-burgers op grond van de EU-wetgeving.

2.Overweging 5 wordt gewijzigd om te verwijzen naar de beperkingen met betrekking tot de toegang tot sociale uitkeringen voor economisch niet-actieve mobiele EU-burgers die zijn opgenomen in Richtlijn 2004/38/EG.

3.Overweging 5 bis wordt ingevoegd om aan te geven dat de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG op de verordeningen is verduidelijkt door de rechtspraak van het Hof van Justitie in de zaken C-140/12, Brey, EU:C:2013:565, C-333/13, Dano, EU:C:2014:2358 en C-308/14, Commissie/Verenigd Koninkrijk, EU:C:2016:436.

4.Overweging 5 ter wordt ingevoegd om te verduidelijken dat bij het beoordelen van de vraag of wordt voldaan aan de eis in het bezit te zijn van een verzekering die de ziektekosten volledig dekt zoals vastgesteld in Richtlijn 2004/38/EG, de lidstaten ervoor moeten zorgen dat niet-actieve mobiele EU-burgers in staat zijn aan deze eis te voldoen.

5.Overweging 5 ter wordt ingevoegd om duidelijk te maken dat de beperkingen van het recht op gelijke behandeling van economisch niet-actieve mobiele EU-burgers die zijn opgenomen in Richtlijn 2004/38/EG, geen voorrang hebben boven de grondrechten van dergelijke personen zoals die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

6.Overweging 24 wordt gewijzigd door daarin een verwijzing op te nemen naar het nieuwe hoofdstuk over prestaties bij langdurige zorg.

7.Overweging 35 bis wordt ingevoegd om te verduidelijken dat gezinsuitkeringen ter vervanging van het inkomen gedurende tijdvakken van kinderopvoeding een specifieke categorie gezinsuitkeringen zijn en moeten worden behandeld als een individueel en persoonsgebonden recht, op voorwaarde dat de uitkering in kwestie is opgenomen in deel 1 van bijlage XIII bij de basisverordening. Dit betekent dat de bevoegde lidstaat niet verplicht is om afgeleide rechten ten aanzien van een dergelijke uitkering toe te kennen aan de gezinsleden van de verzekerde. Lidstaten met secundaire bevoegdheid kunnen afzien van de toepassing van de anti-samenloopvoorschriften van artikel 68, lid 2, van de basisverordening en deze uitkeringen geheel aan een rechthebbende persoon toekennen. Wanneer een lidstaat besluit tot afwijking, moet dit worden vermeld in deel 2 van bijlage XIII en moet de afwijking consistent worden toegepast op alle betrokken rechthebbenden.

8.Overweging 39 bis verwijst naar de desbetreffende EU-instrumenten inzake gegevensbescherming.

9.Overweging 46 wordt ingevoegd om te verwijzen naar de gedelegeerde bevoegdheid die aan de Commissie wordt toegekend om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van alle bijlagen bij de basis- en toepassingsverordening. Deze bijlagen bevatten landenspecifieke vermeldingen die de verschillen in de nationale stelsels van de lidstaten weerspiegelen.

10.Overweging 47 wordt ingevoegd om te benadrukken dat de basisverordening de grondrechten eerbiedigt en de beginselen in acht neemt die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en moet worden toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen.

11.Overweging 48 wordt ingevoegd om te verduidelijken dat niets in de basisverordening de autonome rechten en verplichtingen die zijn erkend in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens beperkt.

12.Artikel 1 wordt gewijzigd om rekening te houden met het voorgestelde nieuwe hoofdstuk 1 bis over prestaties bij langdurige zorg. Dit omvat een definitie van prestaties bij langdurige zorg onder punt d), waarin de bestanddelen van deze uitkeringen worden gespecificeerd. Bij deze definitie wordt rekening gehouden met de analyse van het trESS-netwerk 21 en is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie 22 en met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap.

13.Artikel 3, lid 1, wordt gewijzigd om prestaties bij langdurige zorg als een aparte tak van de sociale zekerheid op te nemen.

14.Artikel 4 bepaalt dat met betrekking tot de toegang tot socialezekerheidsprestaties voor economisch niet-actieve mobiele EU-burgers in het gastland het beginsel van gelijke behandeling kan worden onderworpen aan de verplichting legaal verblijf te hebben zoals vastgelegd in Richtlijn 2004/38/EG. Voor de toepassing van deze bepaling, met uitzondering van de toegang tot sociale bijstand in de zin van Richtlijn 2004/38/EG, wordt onder een economisch niet-actieve mobiele EU-burgers niet verstaan een mobiele werkzoekende die overeenkomstig artikel 45 VWEU 23 een verblijfsrecht geniet in het gastland terwijl hij/zij daar een baan zoekt.

15.Artikel 11, lid 2, wordt gewijzigd om rekening te houden met de nieuwe definitie van prestaties bij langdurige zorg. Lid 5 wordt eveneens geactualiseerd om de definitie van "thuisbasis" in overeenstemming te brengen met de nieuwe definitie in bijlage III, subdeel FTL, punt 14, bij Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 83/2014 van de Commissie van 29 januari 2014 24 .

16.Artikel 12 wordt gewijzigd om te verduidelijken dat aan de term "ter beschikking gestelde werknemer" de betekenis in de zin van Richtlijn 96/71/EG wordt toegekend. Deze verduidelijking is echter niet van invloed op de personele werkingssfeer van dit artikel, maar brengt alleen de begrippen die in deze juridische teksten worden gebruikt op één lijn. In de wijzigingen wordt ook bepaald dat het bestaande verbod op vervanging in artikel 12, lid 1, ook van toepassing moet zijn op zelfstandigen.

17.Artikel 13, lid 4 bis, wordt ingevoegd om te voorzien in duidelijke collisieregels voor gevallen waarin een persoon tegelijkertijd een werkloosheidsuitkering ontvangt in één lidstaat en in loondienst is in een andere lidstaat. Het biedt een rechtsgrondslag voor de beginselen van aanbeveling nr. U1 van de Administratieve Commissie 25 .

18.Artikel 32 wordt gewijzigd om te voorzien in duidelijke prioriteitsregels voor afgeleide rechten van een gezinslid in gevallen waarin er sprake is van een samenloop van rechten op verstrekkingen bij ziekte krachtens de wetgeving van meer dan één lidstaat.

19.Artikel 34 wordt geschrapt om rekening te houden met het voorgestelde nieuwe hoofdstuk 1 bis over prestaties bij langdurige zorg.

20.Hoofdstuk 1 bis wordt ingevoegd als een apart hoofdstuk over de coördinatie van prestaties bij langdurige zorg.

Artikel 35 bis bevat de algemene bepalingen voor de coördinatie van prestaties bij langdurige zorg in overeenstemming met de regels voor prestaties bij ziekte.

Lid 1 verwijst naar de toepasselijke bepalingen van titel III, hoofdstuk 1, van de basisverordening.

Lid 2 legt de Administratieve Commissie de verplichting op een lijst op te stellen van alle prestaties bij langdurige zorg die bestaan krachtens de nationale wetgeving.

Lid 3 voorziet in een afwijking van de coördinatie van uitkeringen bij langdurige zorg uit hoofde van het nieuwe hoofdstuk, waarbij de lidstaten de uitkeringen uit hoofde van andere hoofdstukken van titel III van de basisverordening mogen coördineren. In bijlage XII zal een lijst van dergelijke uitkeringen worden opgenomen.

De bestaande bepalingen betreffende de samenloop van prestaties bij langdurige zorg in het huidige artikel 34 worden opgenomen in het nieuwe artikel 35 ter, met uitzondering van lid 2, dat wordt opgenomen in het nieuwe artikel 35 bis, lid 2.

Artikel 35 quater bevat de vergoedingsregels voor prestaties bij langdurige zorg tussen instellingen. Lid 1 past artikel 35 toe op prestaties bij langdurige zorg. Lid 2 voorziet in een aanvullende bevoegdheid voor vergoeding door ziektekostenverzekeringsinstellingen wanneer er geen specifieke wetgeving over verstrekkingen bij langdurige zorg is. Dit is in overeenstemming met de logica van artikel 40, lid 2, betreffende prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten.

21.Artikel 50, lid 2, wordt gewijzigd door de overbodige verwijzing naar artikel 52, lid 1, onder a), te schrappen, aangezien in andere lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering niet in aanmerking worden genomen bij het berekenen van een autonoom pensioen in de zin van artikel 52, lid 1, onder a).

22.Artikel 61 wordt gewijzigd door de bijzondere bepalingen voor samentelling uit hoofde van het huidige lid 1 te schrappen. In plaats daarvan zullen de algemene bepalingen voor samentelling in artikel 6 worden toegepast, zodat in een eerstgenoemde lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst of van werkzaamheden anders dan in loondienst zo nodig in aanmerking zullen worden genomen door de lidstaat waar de betrokkene het laatst werkzaam was, mits de meest recente tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst of van werkzaamheden anders dan in loondienst in die lidstaat zijn vervuld en ten minste drie maanden hebben geduurd.

23.Artikel 64 wordt gewijzigd om de minimumtermijn waarbinnen werkloze werkzoekenden die werk zoeken in een andere lidstaat kunnen verzoeken om export van werkloosheidsuitkeringen, te verlengen van drie naar zes maanden (of het resterende gedeelte van de periode waarvoor een recht op uitkering bestaat indien korter dan zes maanden). De lidstaten kunnen deze periode van zes maanden verlengen tot de gehele duur van het recht op een werkloosheidsuitkering in de bevoegde lidstaat.

24.Het nieuwe artikel 64 bis is een aanvulling op artikel 61. Het bepaalt dat werklozen die in een andere lidstaat gaan wonen en na een periode van minder dan drie maanden van verzekerde werkzaamheden werkloos worden in die lidstaat, kunnen verzoeken om export van hun werkloosheidsuitkering van de lidstaat waar zij daarvoor verzekerd waren. In dit geval moeten zij zich inschrijven bij de diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaat waar zij het laatst werkzaam waren en voldoen aan de eisen voor aanvragers van een werkloosheidsuitkering uit hoofde van de wetgeving van die lidstaat.

25.Artikel 65 wordt gewijzigd om nieuwe bepalingen in te voeren voor de betaling van werkloosheidsuitkeringen aan grensarbeiders en andere grensoverschrijdende werknemers die tijdens het verrichten van hun laatste werkzaamheden in een andere dan de bevoegde lidstaat woonden.

Lid 1 bepaalt dat deze personen worden behandeld alsof zij in de bevoegde lidstaat zouden wonen.

Lid 2 bepaalt dat personen die gedurende minder dan twaalf maanden in de bevoegde lidstaat hebben gewerkt, een uitkering ontvangen van de lidstaat waar zij wonen. Daarentegen kan een werknemer die recht heeft op een werkloosheidsuitkering krachtens de wetgeving van de bevoegde lidstaat, zonder een beroep te doen op het beginsel van samentelling van artikel 6, ervoor kiezen de werkloosheidsuitkering van die lidstaat te ontvangen.

Lid 3 vormt een uitzondering op de normale verplichting krachtens artikel 64, lid 1, onder a), namelijk dat werklozen die hun werkloosheidsuitkering willen exporteren gedurende ten minste vier weken ingeschreven zijn geweest bij de diensten voor arbeidsvoorziening van de bevoegde lidstaat. Deze uitzondering geldt voor volledig werklozen die ervoor kiezen werk te zoeken in de lidstaat waar zij wonen en geldt voor de gehele duur van het recht op werkloosheidsuitkering. Lid 4 bepaalt dat deze personen mogen kiezen of zij zich inschrijven bij de diensten voor arbeidsvoorziening in de lidstaat waar zij wonen of de lidstaat waar zij voorheen werkzaam waren.

Lid 5 verduidelijkt dat de leden 2 tot en met 4 van dit artikel niet van toepassing zijn op iemand die gedeeltelijk of periodiek werkloos is. Deze personen kunnen alleen aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering in de lidstaat waar zij daarvoor werkzaam waren.

26.Artikel 68 ter wordt ingevoegd om te voorzien in speciale coördinatiebepalingen voor gezinsuitkeringen ter vervanging van het inkomen gedurende tijdvakken van kinderopvoeding die zijn opgenomen in deel I van de nieuwe bijlage XIII. Het bepaalt dat die uitkeringen moeten worden behandeld als een individueel en persoonsgebonden recht in plaats van een uitkering voor het gezin als geheel. Lidstaten met secundaire bevoegdheid kunnen afzien van de toepassing van de anti-samenloopvoorschriften van artikel 68, lid 2, van de basisverordening en deze uitkeringen geheel aan een rechthebbende persoon toekennen. Deze lidstaten zullen worden opgenomen in deel II van bijlage XIII.

27.Het nieuwe artikel 75 bis wordt ingevoegd om grotere nadruk te leggen op de bestaande verplichting in artikel 89, lid 3, van de toepassingsverordening, namelijk dat de bevoegde organen erop toezien dat hun organen op de hoogte zijn van alle coördinatieverplichtingen, met inbegrip van de besluiten van de Administratieve Commissie. Het introduceert ook een verplichting tot het bevorderen van samenwerking tussen de bevoegde organen en de arbeidsinspecties op nationaal niveau.

28.Artikel 76 bis wordt ingevoegd om de Europese Commissie te machtigen om overeenkomstig artikel 291 VWEU uitvoeringshandelingen vast te stellen waarin de procedures worden gespecificeerd die moeten worden gevolgd om uniforme voorwaarden te waarborgen voor de toepassing van de bijzondere regels in de artikelen 12 en 13 van de basisverordening voor ter beschikking gestelde of uitgezonden werknemers en zelfstandigen en voor personen die werkzaamheden in twee of meer lidstaten verrichten. Bij deze maatregelen zullen standaardprocedures worden vastgesteld voor de afgifte, betwisting en intrekking van "Portable document A1", waarin de wetgeving die van toepassing is op personen in de bovenbedoelde situaties wordt vastgelegd.

29.Artikel 87 ter wordt ingevoegd om de overgangsbepalingen vast te stellen voor de bij deze verordening ingevoerde wijzigingen. De overgangsbepalingen zijn standaard, maar lid 4 voorziet in bijzondere overgangsbepalingen voor de coördinatie van werkloosheidsuitkeringen voor voormalige grensarbeiders. Het bepaalt dat bestaande bepalingen van toepassing zullen blijven voor uitkeringen die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen aan personen zijn toegekend.

30.Artikel 88 wordt vervangen door een nieuw artikel 88 en artikel 88 bis met betrekking tot de procedure voor het bijwerken van de bijlagen bij de verordeningen. Deze bijlagen bevatten landenspecifieke vermeldingen die de verschillen in de nationale stelsels van de lidstaten weerspiegelen. Deze wijziging breidt de bestaande bevoegdheden in artikel 92 van de toepassingsverordening uit om de Europese Commissie in staat te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van alle bijlagen bij de basisverordening. Een snellere procedure voor het wijzigen van de bijlagen om rekening te houden met veranderingen op nationaal niveau zal voor meer transparantie en rechtszekerheid zorgen voor de belanghebbenden en burgers een betere bescherming bieden. In overeenstemming met het Interinstitutioneel Akkoord over betere wetgeving van 13 april 2016 26 zou de Commissie passende raadplegingen houden tijdens haar voorbereidende werkzaamheden op het niveau van deskundigen.

Artikel 2

Artikel 2 heeft betrekking op de wijzigingen in de toepassingsverordening.

1.Een nieuwe overweging 18 bis wordt ingevoegd om te verwijzen naar de speciale procedure die van toepassing is indien een lidstaat niet in staat is de gemiddelde jaarlijkse kosten per persoon voor elke leeftijdsgroep in een bepaald referentiejaar mee te delen voor de toepassing van de vergoeding van de uitgaven voor verstrekkingen op basis van vaste bedragen.

2.Overweging 19 wordt gewijzigd om de verwijzing naar Richtlijn 2008/55/EG van 26 mei 2008 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten en belastingen, alsmede uit andere maatregelen, die inmiddels is vervangen door Richtlijn 2010/24/EU betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen 27 .

3.Nieuwe overwegingen 25 en 26 worden toegevoegd om te verwijzen naar nieuwe bepalingen ter bestrijding van fraude en fouten in overeenstemming met de EU-beginselen inzake gegevensbescherming.

4.Artikel 1 wordt gewijzigd door de opneming van een nieuwe definitie van "fraude" in het licht van de nieuwe bepaling in artikel 5, lid 2. Deze is gebaseerd op de definitie die wordt gebruikt in de mededeling: "Het recht van vrij verkeer van EU-burgers en hun gezinsleden: vijf stappen die een verschil maken" 28 .

5.Artikel 2 wordt gewijzigd om te voorzien in een grond voor lidstaten om op gezette tijden persoonsgegevens van personen op wie de verordeningen van toepassing zijn te mogen uitwisselen, om het gemakkelijker te maken fraude of fouten in de toepassing van de regelgeving op te sporen. Gegevensoverdrachten uit hoofde van deze bepaling zijn onderworpen aan de verplichtingen van artikel 77 van de basisverordening dat de verzending van gegevens moet gebeuren met inachtneming van de EU-voorschriften op het gebied van de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.

6.Artikel 3, lid 3, wordt gewijzigd om de rechten van de betrokkene op grond van de gegevensbeschermingswetgeving van de EU te specificeren en bepaalt ook dat een betrokkene erom kan verzoeken dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij/zij woont de verzoeken van de betrokkene over persoonsgegevens die op grond van deze verordeningen worden verwerkt coördineert.

7.Artikel 5 wordt in die zin gewijzigd dat een door een orgaan afgegeven verklaring slechts geldig is als alle verplichte informatie is ingevuld.

Het orgaan van afgifte is verplicht om desgevraagd de gronden voor de afgifte van het document te toetsen en, indien nodig, het document binnen 25 werkdagen te rectificeren of in te trekken. In geval van fraude door de aanvrager heeft de intrekking van een document terugwerkende kracht.

Het orgaan van afgifte zendt het verzoekende orgaan binnen een termijn van 25 werkdagen, of twee werkdagen in geval van aantoonbare noodzaak, alle beschikbare bewijsstukken door waarop het zijn besluit heeft gebaseerd.

8.Artikel 14, lid 1, wordt gewijzigd zodat het aansluit bij de wijzigingen in artikel 12, lid 1, van de basisverordening. Daarin wordt bovendien bepaald dat de eis dat een ter beschikking gestelde of uitgezonden werknemer voorheen was aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel van de uitzendende lidstaat, geen aansluiting verlangt in dezelfde lidstaat waar zijn/haar werkgever is gevestigd.

9.Artikel 14, lid 5, onder a), verduidelijkt dat artikel 13, lid 1, onder b), i), van de basisverordening, waarin wordt bepaald dat op een werknemer de wetgeving van toepassing is van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de werkgever of de onderneming zich bevindt, alleen van toepassing is indien de werkgever of de onderneming in kwestie normaliter substantiële werkzaamheden verricht in die lidstaat. Indien dit niet het geval is, is op de werknemer de wetgeving van toepassing van de lidstaat waar de werkgever of de onderneming haar voornaamste werkzaamheden heeft of het centrum van belangen is gevestigd. Deze vaststelling moet gebeuren in overeenstemming met de criteria die zijn vastgesteld in artikel 14, leden 9 en 10, van de toepassingsverordening. De tweede alinea van lid 5 bis wordt geschrapt, omdat deze overbodig is in het licht van de wijzigingen in artikel 11, lid 5, van de basisverordening.

10.Artikel 14, lid 12, wordt ingevoegd om te voorzien in collisieregels voor situaties waarin een persoon die in een derde land woont waar de verordening niet van toepassing is, zijn/haar werkzaamheden, al dan niet in loondienst, in twee of meer lidstaten verricht en die onder de socialezekerheidswetgeving van een van deze lidstaten vallen. De wijziging zorgt ervoor dat een dergelijke persoon alleen onderworpen zal zijn aan de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of zijn/haar werkgever of het centrum van belangen van zijn/haar werkzaamheden zich bevindt.

11.Artikel 15, lid 2, wordt gewijzigd om te voorzien in de afgifte van een "Portable document A1" ("PDA1") aan leden van het cockpit- en het cabinepersoneel, bedoeld in artikel 11, lid 5, van de basisverordening.

12.Artikel 16 wordt gewijzigd om de procedure voor het bepalen van de toepasselijke wetgeving in het geval van werkzaamheid in twee of meer lidstaten te stroomlijnen. De leden 1 en 5 bepalen dat een werkgever de procedure namens zijn werknemers in gang kan zetten en dat de werkgever in kennis wordt gesteld van het besluit over welke socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Wijzigingen in lid 2 bepalen dat het orgaan waar de werkgever is gevestigd, tevens in kennis wordt gesteld van het besluit. De wijziging van lid 3 bepaalt dat de huidige procedure, waarbij eerst een voorlopige vaststelling wordt gedaan die pas definitief wordt als geen ander betrokken orgaan deze beslissing binnen twee maanden betwist, wordt beperkt tot situaties waarin het orgaan van de woonplaats bepaalt dat de wetgeving van een andere lidstaat van toepassing is.

13.Artikel 19 wordt gewijzigd zodat wordt bepaald dat de bevoegde organen verplicht zijn de desbetreffende gegevens te verifiëren alvorens een PDA1 af te geven waarin het toepasselijke recht voor de houder ervan wordt vastgesteld. Dit is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie 29 . Het bepaalt ook dat socialezekerheidsorganen en arbeidsinspecties, belastingdiensten en immigratiediensten het recht hebben om rechtstreeks informatie uit te wisselen over de socialezekerheidsstatus van de betrokkenen met het oog op de handhaving van de wettelijke verplichtingen in verband met werkgelegenheid, gezondheid en veiligheid, immigratie en belastingen (details van dergelijke uitwisselingen moeten worden vastgesteld bij besluit van de Administratieve Commissie). De bevoegde autoriteit moet specifieke en adequate informatie aan de betrokkenen verstrekken over de doeleinden waarvoor persoonsgegevens worden verwerkt.

14.Hoofdstuk 1 van Titel III wordt gewijzigd om de toepassing ervan uit te breiden tot prestaties bij langdurige zorg.

15.Artikel 23, artikel 24, lid 3, artikel 28, lid 1, en de artikelen 31 en 32 worden gewijzigd zodat deze artikelen van toepassing zijn op prestaties bij langdurige zorg. In het geval van bijzondere stelsels voor ambtenaren, moeten zij worden vermeld in bijlage 2.

16.De tweede alinea van artikel 43, lid 3, die betrekking heeft op situaties waarin de nationale wetgeving verschillende waarden aan verzekeringstijdvakken van vrijwillige of vrijwillig voortgezette verzekering toekent en het bevoegde orgaan het voor het betrokken tijdvak verschuldigde bedrag niet kan bepalen, wordt geschrapt. Dit volgt op een beoordeling door de Administratieve Commissie, die concludeerde dat dit voorschrift niet langer nodig is.

17.Artikel 55, lid 4, wordt gewijzigd om de controleprocedure bedoeld in de derde alinea te versterken door de maandelijkse follow-upverslagen verplicht te stellen.

18.Artikel 55, lid 7, wordt gewijzigd zodat de huidige bepalingen over de export van werkloosheidsuitkeringen van overeenkomstige toepassing zijn in het geval van export op grond van het nieuwe artikel 64 bis van de basisverordening.

19.Het nieuwe artikel 55 bis wordt ingevoegd uit hoofde van artikel 64 bis van de basisverordening om ervoor te zorgen dat het bevoegde orgaan van de lidstaat waar de betrokkene vroeger verzekerd was, alle informatie krijgt die nodig is voor de beoordeling van het recht op werkloosheidsuitkering voor de betrokkene.

20.Artikel 56 wordt gewijzigd zodat het aansluit bij de wijzigingen in artikel lid 65 van de basisverordening.

21.De naam van hoofdstuk I van Titel IV wordt gewijzigd om duidelijk te maken dat dit hoofdstuk tevens van toepassing is op vergoeding van prestaties bij langdurige zorg op basis van werkelijke uitgaven of vaste bedragen.

22.Het eerste streepje van artikel 64, lid 1, wordt gewijzigd om de nauwkeurigheid te verbeteren van de methode voor de berekening van de op vaste bedragen gebaseerde vergoeding tussen lidstaten als bedoeld in artikel 24, lid 1, en de artikelen 25 en 26 van de basisverordening, aan de hand van drie verschillende leeftijdsgroepen in verband met personen van 65 jaar en ouder.

23.Artikel 65, lid 1, betreffende de vergoeding van verstrekkingen op basis van vaste bedragen wordt gewijzigd om te verduidelijken dat, indien een lidstaat niet in staat is binnen de voorgeschreven termijn kennisgeving te doen van de gemiddelde jaarlijkse kosten voor een bepaald jaar, de Administratieve Commissie er desgevraagd mee kan instemmen dat gebruik wordt gemaakt van de gemiddelde jaarlijkse kosten die voor het onmiddellijk daaraan voorafgaande jaar in het Publicatieblad worden bekendgemaakt. Deze afwijking mag niet worden verleend voor opeenvolgende jaren.

24.Artikel 70 wordt geschrapt als gevolg van de wijzigingen van artikel 65 van de basisverordening, waarmee de vergoedingsregels voor werkloosheidsuitkeringen aan voormalige grensarbeiders worden afgeschaft.

25.In artikel 73 worden de leden 1 en 2 gewijzigd en wordt lid 3 ingevoegd om de toepassing van de verrekeningsprocedure op de betaling van schuldvorderingen uit te breiden tot gevallen die voortvloeien uit een wijziging van de toepasselijke wetgeving met terugwerkende kracht. Bovendien wordt lid 4 ingevoegd om ervoor te zorgen dat de verrekeningsprocedure tussen de organen niet wordt belemmerd door in de nationale wetgeving vastgestelde termijnen. Rekening houdend met het feit dat in artikel 82, lid 1, onder b), van de toepassingsverordening reeds een termijn van vijf jaar is opgenomen voor de terugvorderingsprocedure, wordt lid 5 ingevoegd om ervoor te zorgen dat eveneens een verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing is op de verrekeningsprocedure op grond van dit artikel 73, terugrekenend vanaf de datum waarop de procedure voor de beslechting van geschillen tussen lidstaten als bedoeld in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 3, van de toepassingsverordening is begonnen.

26.De artikelen 75 tot en met 82 en artikel 84 worden gewijzigd en artikel 85 bis wordt ingevoegd om de terugvorderingsprocedures in hoofdstuk III van titel V van de toepassingsverordening bij te werken. De bestaande procedures zijn gebaseerd op die welke zijn opgenomen in Richtlijn 2008/55/EG, die inmiddels is vervangen door Richtlijn 2010/24/EU. De wijzigingen voorzien met name in een uniform instrument dat moet worden gebruikt voor handhavingsmaatregelen alsmede standaardprocedures voor verzoeken om wederzijdse bijstand en notificaties van akten en beslissingen met betrekking tot een schuldvordering.

27.Artikel 75 wordt gewijzigd om de lidstaten een rechtsgrondslag te bieden om gebruik te maken van de uitgewisselde informatie op het door deze verordening bestreken gebied, ook bij de beoordeling en handhaving van belastingen en rechten die onder Richtlijn 2010/24/EU vallen. Voorts wordt een rechtsgrondslag ingevoerd op grond waarvan autoriteiten zonder voorafgaand verzoek informatie mogen uitwisselen in geval van terugbetaling van de socialezekerheidspremies.

28.Artikel 76 wordt gewijzigd om de mogelijkheid van de lidstaten om te weigeren inlichtingen te verstrekken te beperken wanneer die van nut zouden zijn voor de invordering van een schuldvordering.

29.Artikel 77 wordt gewijzigd om een uniform notificatieformulier in te voeren. De wijziging verduidelijkt ook dat een verzoek om notificatie moet worden gedaan indien de lidstaat van de verzoekende partij de notificatie volgens zijn regels niet zelf kan doen, of indien een kennisgeving door die lidstaat buitensporige problemen zou veroorzaken.

30.Artikel 78 wordt gewijzigd door de invoering van uitzonderingen op de verplichting van de lidstaat om bijstand te bieden in een invorderingsprocedure voor gevallen waarin het duidelijk is dat er geen zicht is op volledige invordering of de procedure buitensporige problemen zou veroorzaken.

31.Artikel 79 wordt gewijzigd door de invoering van een uniforme executoriale titel van invorderingen, die rechtstreeks kan worden erkend in een andere lidstaat. De invoering van een uniforme executoriale titel werd sterk gesteund door de vertegenwoordigers van de lidstaten in de Administratieve Commissie 30 .

32.Artikel 80 wordt gewijzigd om de gevallen te verduidelijken waarin de aangezochte partij gemaakte kosten mag inhouden op de ingevorderde schuldvordering.

33.In artikel 81 worden de bepalingen betreffende betwisting aangepast om rekening te houden met de wijzigingen op het gebied van notificatie en de uniforme executoriale titel.

34.Artikel 82 wordt gewijzigd om de verjaringstermijnen te verduidelijken die gelden voor verzoeken om bijstand met betrekking tot schuldvorderingen ouder dan vijf jaar.

35.Artikel 84 wordt gewijzigd om te verduidelijken wanneer een lidstaat kan verzoeken om bijstand bij het toepassen van conservatoire maatregelen. Verder wordt bepaald dat in een document dat is opgesteld om conservatoire maatregelen in de lidstaat van de verzoekende partij toe te staan, geen erkenning, aanvulling of vervanging van dit document mag worden verlangd.

36.Artikel 85 wordt gewijzigd om een bepaling te introduceren die duidelijkheid verschaft over de verplichting van de verzoekende partij om de door de aangezochte partij gemaakte kosten in verband met de invordering te vergoeden, wanneer deze kosten niet kunnen worden ingevorderd van de debiteur of kunnen worden ingehouden op de vordering.

37.Artikel 85 bis wordt geïntroduceerd om ambtenaren van de verzoekende partij toe te staan deel te nemen aan de invorderingsprocedure in een andere lidstaat, wanneer dat is overeengekomen tussen de partijen en in overeenstemming is met de regelingen van de aangezochte partij.

38.Artikel 87, lid 6, wordt gewijzigd om de uitzondering op het in dat artikel neergelegde beginsel van kosteloze administratieve samenwerking door de verplichting tot terugbetaling van de kosten van geneeskundige onderzoeken en administratieve controles die zijn verricht door het orgaan van de woon- of verblijfplaats in gevallen waarin dat orgaan de bevindingen gebruikt om aan verplichtingen op grond van haar eigen wetgeving te voldoen.

39.Artikel 89, lid 3, wordt geschrapt omdat deze bepaling nu is opgenomen in artikel 75 bis van de basisverordening.

40.Artikel 92 wordt geschrapt als gevolg van de wijzigingen in artikel 88 van de basisverordening.

41.Artikel 93 wordt gewijzigd en artikel 94 bis wordt ingevoegd om te verwijzen naar de overgangsbepalingen in artikel 87 ter van de basisverordening en de bijzondere overgangsbepalingen voor de coördinatie van werkloosheidsuitkeringen voor voormalige grensarbeiders.

42.Artikel 96 wordt gewijzigd zodat wordt bepaald dat bevoegde organen bij het uitvoeren van valutaomrekening overeenkomstig artikel 107 van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen 31 , kunnen verwijzen naar de wisselkoersen die overeenkomstig artikel 90 van de toepassingsverordening bekend worden gemaakt.

Artikel 3

In dit artikel wordt de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen gespecificeerd.

Bijlage

1.De bijlage bevat wijzigingen in de huidige bijlagen bij de basisverordening. Deze bijlagen moeten periodiek worden bijgewerkt, met name om rekening te houden met wijzigingen in de nationale wetgeving.

2.Bijlage I bij de basisverordening betreffende de vrijstellingen van de coördinatie van gezinsuitkeringen wordt gewijzigd om rekening te houden met wijzigingen in de nationale wetgeving inzake voorschotten op onderhoudsverplichtingen voor Slowakije en Zweden en bijzondere uitkeringen bij geboorte of adoptie voor Hongarije, Roemenië en Zweden.

3.Bijlage II bij de basisverordening betreffende bilaterale verdragen wordt gewijzigd door de verwijzing naar "SPANJE-PORTUGAL", die is vervallen, te schrappen.

4.Bijlage III bij de basisverordening wordt gewijzigd overeenkomstig artikel 87 (10 bis): de vermeldingen voor Estland, Spanje, Italië, Litouwen, Hongarije en Nederland worden geschrapt nadat zij op 1 mei 2014 zijn komen te vervallen. Bovendien worden Kroatië, Finland en Zweden op eigen verzoek uit bijlage III geschrapt.

5.Bijlage IV bij de basisverordening bevat een lijst van lidstaten die meer rechten toekennen aan gepensioneerden die terugkeren naar de bevoegde lidstaat. Zij wordt gewijzigd zodat Estland, Litouwen, Malta, Portugal, Roemenië, Slowakije, Finland en het Verenigd Koninkrijk erin worden opgenomen, die gepensioneerden die terugkeren naar hun grondgebied volledige toegang tot verstrekkingen bij ziekte wensen te verlenen.

6.Bijlage X bij de basisverordening, die een lijst van de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties bevat, wordt gewijzigd om rekening te houden met wijzigingen in de nationale wetgevingen.

Sommige vermeldingen worden geschrapt omdat de desbetreffende uitkeringen die niet langer bestaan (de Tsjechische sociale uitkering, de Estse uitkering voor gehandicapte volwassenen, de Hongaarse vervoersuitkering, het Sloveense staatspensioen en de Sloveense onderhoudsuitkering) of omdat de uitkering is herzien en deel uitmaakt van de nationale socialebijstandswetgeving (de Sloveense inkomenssteun voor gepensioneerden).

Er moeten nieuwe uitkeringen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 70, lid 2, van de basisverordening worden toegevoegd (de Estse begrafenisuitkering, de Roemeense sociale uitkering voor gepensioneerden en de mobiliteitscomponent van de Britse onafhankelijkheidsbetaling).

Twee van de huidige vermeldingen voor Duitsland en Zweden moeten worden bijgewerkt omdat de nationale wetgeving is gewijzigd.

7.Bijlage XI bij de basisverordening, die bijzondere bepalingen bevat voor de toepassing van de wetgeving van de lidstaten, moet worden bijgewerkt.

De wijziging van de Duitse vermelding is bedoeld om ervoor te zorgen dat de gunstigste belastingregeling van toepassing is op personen die een uitkering bij ouderschapsverlof ontvangen.

De wijziging van de Estse vermelding voorziet in een methode voor de berekening van de invaliditeitsuitkering pro rata overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder b), van de basisverordening, waarbij wordt bepaald dat in Estland vervulde tijdvakken van wonen in aanmerking worden genomen vanaf de leeftijd van 16 jaar tot aan het tijdstip waarop de invaliditeit ontstond.

De wijziging van de Nederlandse vermelding bepaalt dat personen die overeenkomstig bijlage XI, punt 1, onder f), een "gelijkwaardig pensioen" ontvangen en hun gezinsleden, op basis van een gelijkwaardig pensioen en vervolgens van het wettelijke ouderdomspensioen, recht hebben op verstrekkingen bij ziekte ten laste van Nederland in de lidstaat waar zij wonen.

Er worden twee nieuwe vermeldingen ingevoegd voor Tsjechië en Slowakije in verband met de toepassing van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van 29 oktober 1992, dat is gesloten na het uiteenvallen van de Tsjechische en Slowaakse Federale Republiek (reeds opgenomen in bijlage II). De bedoeling is rekening te houden met de bijzonderheden van hun nieuwe aanvullende pensioenen die verband houden met deze bijzondere historische omstandigheden.

De eerste twee leden van de Zweedse vermelding moeten worden geschrapt als gevolg van de uitspraak van het Hof van Justitie in zaak C-257/10, Bergström, EU:C:2011:839.

De leden 1, 2 en 4 van het Verenigd Koninkrijk worden gewijzigd om rekening te houden met wijzigingen in de nationale wetgeving.

8.Er wordt een nieuwe bijlage toegevoegd aan de basisverordening, bijlage XII, die een lijst bevat van prestaties bij langdurige zorg die worden gecoördineerd op grond van hoofdstuk 1 bis, als bedoeld in artikel 35 bis, lid 3.

9.Een nieuwe bijlage wordt toegevoegd aan de basisverordening, bijlage XIII, die een lijst bevat van de uitkeringen ter vervanging van inkomen gedurende tijdvakken van kinderopvoeding, zoals bedoeld in artikel 68 ter.

2016/0397 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004

(Voor de EER en Zwitserland relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 48,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 32 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Met ingang van 1 mei 2010 is bij de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 een gemoderniseerd systeem voor de coördinatie van de sociale zekerheid van toepassing geworden.

(2)Deze verordeningen zijn bijgewerkt bij Verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 om een aantal bepalingen van de verordeningen aan te vullen, te verduidelijken en te actualiseren, met name op het gebied van de vaststelling van de toepasselijke wetgeving en werkloosheidsuitkeringen, en om technische aanpassingen van de verwijzingen naar nationale wetgeving in de bijlagen door te voeren.

(3)Uit evaluaties en discussies in de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels is naar voren gekomen dat het moderniseringsproces op het gebied van prestaties bij langdurige zorg, werkloosheidsuitkeringen en gezinsuitkeringen moet worden voortgezet.

(4)Het blijft van essentieel belang dat de coördinatieregels gelijke tred houden met de veranderende juridische en maatschappelijke context waarin zij functioneren door het burgers gemakkelijker te maken hun rechten uit te oefenen en tegelijkertijd te zorgen voor juridische duidelijkheid, een eerlijke en rechtvaardige verdeling van de financiële lasten tussen de organen van de lidstaten en administratieve eenvoud en uitvoerbaarheid van de regels.

(5)Het is noodzakelijk de rechtszekerheid te garanderen door te verduidelijken dat de toegang tot sociale voorzieningen voor economisch niet-actieve mobiele EU-burgers in het gastland afhankelijk kan worden gesteld van het recht van die burger op legaal verblijf in die lidstaat in overeenstemming met Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun gezinsleden op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten 33 . Daartoe moet een economisch niet-actieve burger duidelijk worden onderscheiden van een werkzoekende aan wie het verblijfsrecht rechtstreeks wordt verleend uit hoofde van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(6)Uitkeringen bij langdurige zorg zijn tot dusver niet expliciet opgenomen in de materiële werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 maar gecoördineerd als prestaties bij ziekte, wat heeft geleid tot rechtsonzekerheid voor zowel de organen als de personen die aanspraak maken op prestaties bij langdurige zorg. Er moet een stabiel rechtskader worden ontwikkeld dat is afgestemd op prestaties bij langdurige zorg binnen de verordening zodat deze uitkeringen duidelijk worden gedefinieerd.

(7)Om duidelijkheid te geven over de terminologie in het EU-recht moet de term "terbeschikkingstelling" alleen worden gebruikt voor de terbeschikkingstelling van werknemers in de zin van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten 34 . Om te zorgen voor consistentie in de behandeling tussen werknemers en zelfstandigen is het bovendien noodzakelijk dat de bijzondere regels voor de vaststelling van het toepasselijke recht in het geval van werknemers die tijdelijk ter beschikking zijn gesteld of zijn uitgezonden naar een andere lidstaat consequent worden toegepast op zowel werknemers als zelfstandigen.

(8)Op het gebied van werkloosheidsuitkeringen moeten de regels voor de samentelling van verzekeringstijdvakken door alle lidstaten op dezelfde wijze worden toegepast. Met uitzondering van grensoverschrijdende arbeiders als bedoeld in artikel 65, lid 2, moeten de regels voor de samentelling van tijdvakken met het oog op de toekenning van het recht op werkloosheidsuitkering worden onderworpen aan de voorwaarde dat een verzekerde laatstelijk ten minste drie maanden in die lidstaat verzekerd is geweest. De voorheen bevoegde lidstaat moet bevoegd worden voor alle verzekerden die niet aan deze voorwaarde voldoen. In dit geval moet inschrijving bij de diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaat van laatste verzekering hetzelfde effect hebben als inschrijving bij de diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaat waar de werkloze werknemer voorheen verzekerd was.

(9)Naar aanleiding van de aanbevelingen in het verslag over het EU-burgerschap 2013 35 moet de minimumduur van de export van werkloosheidsuitkeringen worden verlengd van drie tot zes maanden, zodat werklozen die naar een andere lidstaat verhuizen meer mogelijkheden krijgen om naar werk te zoeken, betere kansen hebben om te integreren op de arbeidsmarkt en discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden kunnen worden aangepakt, ook over de grenzen heen.

(10)Er moet worden gezorgd voor een grotere gelijkheid van behandeling voor grensarbeiders en grensoverschrijdende werknemers door ervoor te zorgen dat grensarbeiders een werkloosheidsuitkering ontvangen van de lidstaat waar zij het laatst werkzaam waren, mits zij ten minste gedurende de laatste twaalf maanden in die lidstaat hebben gewerkt.

(11)Gezinsuitkeringen ter vervanging van het inkomen gedurende tijdvakken van kinderopvoeding, zijn erop gericht te voldoen aan de individuele en persoonlijke behoeften van de ouder die onderworpen is aan de wetgeving van de bevoegde lidstaat; zij onderscheiden zich in die zin van andere gezinstoelagen dat zij ten doel hebben de ouder te compenseren voor inkomsten- of loonderving tijdens een periode die is besteed aan het opvoeden van een kind, en niet alleen tegemoet te komen in de algemene gezinslasten.

(12)Om deze verordening tijdig aan de ontwikkelingen op nationaal niveau te kunnen aanpassen, moet de bevoegdheid om handelingen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vast te stellen aan de Europese Commissie worden overgedragen voor wijzigingen van de bijlagen bij deze verordening en Verordening (EG) nr. 987/2009. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt – onder meer op deskundigenniveau – en dat die raadplegingen worden gehouden in overeenstemming met de beginselen van het Interinstitutioneel Akkoord over betere wetgeving van 13 april 2016 36 . Om ervoor te zorgen dat alle partijen gelijkelijk bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen worden betrokken, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die de gedelegeerde handelingen voorbereiden. 

(13)Om de lidstaten te ondersteunen in de bestrijding van fraude en fouten bij de toepassing van de coördinatieregels, moet aanvullende bepalingen worden vastgesteld die het mogelijk maken de verwerking van persoonsgegevens van personen op wie de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 van toepassing zijn, te vergemakkelijken. Dit zou een lidstaat in staat stellen de gegevens die in het bezit zijn van zijn bevoegde organen periodiek te vergelijken met die in het bezit van een andere lidstaat om vast te stellen welke fouten of inconsistenties nader onderzoek vereisen. 

(14)Om de rechten van de betrokkenen te beschermen en tegelijkertijd het legitieme belang van de lidstaten om samen te werken bij de handhaving van de wettelijke verplichtingen te bevorderen, moeten de gevallen waarin uit hoofde van deze voorschriften uitgewisselde persoonsgegevens voor andere doelstellingen dan sociale zekerheid mogen worden gebruikt, duidelijk worden gespecificeerd en moeten de verplichtingen van de lidstaten om specifieke en adequate informatie aan betrokkenen te verstrekken, worden verduidelijkt.

(15)Ter bespoediging van de procedure voor de verificatie en de intrekking van documenten (met name betreffende de op de houder toepasselijke socialezekerheidswetgeving) in geval van fraude en fouten moeten de samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen het orgaan dat een document afgeeft, en het orgaan dat om de intrekking ervan verzoekt, worden versterkt. Bij twijfel over de geldigheid van een document of over de juistheid van het ondersteunend bewijsmateriaal of bij een meningsverschil tussen lidstaten met betrekking tot de vaststelling van de toepasselijke wetgeving is het in het belang van de lidstaten en de betrokken personen dat de betrokken organen binnen een redelijke termijn een akkoord bereiken.

(16)De coördinatieregels kunnen alleen doeltreffend en efficiënt functioneren, als de regels voor het vaststellen van de toepasselijke wetgeving voor werknemers die hun economische werkzaamheden in twee of meer lidstaten verrichten, worden verduidelijkt met het oog op meer analogie met de voorwaarden die van toepassing zijn op personen die ter beschikking gesteld of uitgezonden worden om in één lidstaat economisch actief te zijn. Bovendien mogen de terbeschikkingstellingsregels die in de voortzetting van de toepasselijke wetgeving voorzien, alleen worden toegepast op personen die reeds eerder een band hadden met het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat van herkomst.

(17)Er moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Europese Commissie worden verleend om uniforme voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de artikelen 12 en 13 van Verordening (EG) nr. 883/2004. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren 37 .

(18)Als een lidstaat niet in staat is binnen de termijn de gemiddelde jaarlijkse kosten per persoon voor elke leeftijdsklasse in een bepaald referentiejaar mee te delen, moet in een alternatief worden voorzien waarbij de lidstaat aanvragen voor dat jaar kan indienen op basis van de in het Publicatieblad bekendgemaakte gemiddelde jaarlijkse kosten in het onmiddellijk voorafgaande jaar. De vergoeding van de kosten van verstrekkingen op basis van vaste bedragen moet de werkelijke kosten zo dicht mogelijk benaderen. Daarom moet elke afwijking van de kennisgevingsplicht door de Administratieve Commissie worden goedgekeurd en mag een afwijking niet in een opeenvolgend jaar worden verleend. 

(19)Rekening houdend met de jurisprudentie van het Hof van Justitie in de zaak C-345/09, van Delft e.a., EU:C:2010:610 en de zaak C-543/13, Fischer-Lintjens, EU:C:2015:359 moet het eenvoudiger worden gemaakt om de toepasselijke wetgeving retroactief te wijzigen. Daarom moet de verrekeningsmethode die van toepassing is wanneer de wetgeving van een lidstaat voorlopig is toegepast overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 987/2009, worden uitgebreid tot andere gevallen die het gevolg zijn van een retroactieve wijziging van de toepasselijke wetgeving. Bovendien is het in deze context zaak divergente nationale bepalingen inzake verjaringstermijnen niet toe te passen, zodat een retroactieve schikking tussen de organen niet wordt gehinderd door incompatibele termijnen in de nationale wetgeving. Tegelijkertijd moet een uniforme verjaringstermijn van vijf jaar worden vastgesteld, waarbij wordt teruggerekend vanaf het begin van de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 3, van deze verordening bedoelde dialoogprocedure om ervoor te zorgen dat deze procedure voor het beslechten van dergelijke geschillen niet wordt doorkruist.

(20)Een effectieve invordering is een middel om fraude en misbruik te voorkomen en te bestrijden en om het vlot functioneren van de socialezekerheidsstelsels te waarborgen. De invorderingsprocedures van titel IV, hoofdstuk III, van Verordening 987/2009 zijn gebaseerd op de procedures en regels van Richtlijn 2008/55/EG van 26 mei 2008 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten en belastingen, alsmede uit andere maatregelen 38 . Deze richtlijn is vervangen door Richtlijn 2010/24/EU betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen 39 , waarbij een uniforme titel voor executiemaatregelen is geïntroduceerd, evenals een standaardformulier voor de notificatie van akten en maatregelen met betrekking tot schuldvorderingen. Bij de evaluatie door de Administratieve Commissie overeenkomstig artikel 86, lid 3, van Verordening 987/2009 vonden de meeste lidstaten het nuttig een uniforme titel voor executiemaatregelen te gebruiken die vergelijkbaar is met de titel waarin Richtlijn 2010/24/EU voorziet. Het is daarom zaak dat de regels inzake wederzijdse bijstand bij de invordering van schuldvorderingen op het gebied van de sociale zekerheid de nieuwe maatregelen van Richtlijn 2010/24/EU weerspiegelen met het oog op een effectievere invordering en een vlotter functioneren van de coördinatieregels.

(21)Naar aanleiding van wijzigingen in de wetgeving van bepaalde lidstaten en ter waarborging van de rechtszekerheid voor de belanghebbenden moeten de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 883/2004 worden aangepast,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt als volgt gewijzigd:

1.Aan overweging 2 wordt de volgende zin toegevoegd:

"Artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie waarborgt iedere burger van de Unie het recht op vrij verkeer, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld."

2.In overweging 5 wordt na "wordt gegarandeerd dat alle betrokkenen binnen de Gemeenschap krachtens de verschillende nationale wetgevingen gelijke behandeling genieten" de volgende tekst ingevoegd:

40 ", onder de in Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden vastgestelde voorwaarden met betrekking tot de toegang van economisch niet-actieve mobiele EU-burgers tot bepaalde socialezekerheidsuitkeringen in het gastland."

3.Na overweging 5 wordt de volgende tekst ingevoegd:

"(5 bis) Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de lidstaten het recht hebben om de toegang van economisch niet-actieve burgers in het gastland tot socialezekerheidsuitkeringen die geen sociale bijstand in de zin van Richtlijn 2004/38/EG vormen, afhankelijk te maken van een wettelijk verblijfsrecht in de zin van die richtlijn. De verificatie van het wettelijk verblijfsrecht moet worden uitgevoerd in overeenstemming met het vereiste van Richtlijn 2004/38/EG. Daartoe moet een economisch niet-actieve burger duidelijk worden onderscheiden van een werkzoekende aan wie het verblijfsrecht rechtstreeks wordt verleend uit hoofde van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Met het oog op meer juridische duidelijkheid voor burgers en instellingen is een codificatie van deze jurisprudentie noodzakelijk.

(5 ter) De lidstaten moeten ervoor zorgen dat economisch niet-actieve mobiele EU-burgers niet worden verhinderd te voldoen aan de voorwaarde over een verzekering te beschikken die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, zoals vastgesteld in Richtlijn 2004/38/EG. Dit kan inhouden dat het dergelijke burgers wordt toegestaan evenredig bij te dragen aan een stelsel voor ziekteverzekering in de lidstaat waar zij gewoonlijk wonen.

(5 quater) Ondanks de uit Richtlijn 2004/38/EG of anderszins uit het recht van de Unie voortvloeiende beperkingen van het recht op gelijke behandeling voor economisch niet-actieve personen, mag niets in deze verordening afbreuk doen aan de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende grondrechten, met name het recht op menselijke waardigheid (artikel 1), het recht op leven (artikel 2) en het recht op gezondheidszorg (artikel 35)."

4.De eerste zin van overweging 18 ter wordt vervangen door:

41 "In subdeel FTL van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 83/2014/EU van de Commissie van 29 januari 2014 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 965/2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad wordt het begrip "thuisbasis" voor leden van het cockpit- en het cabinepersoneel gedefinieerd als de locatie die door de exploitant aan het bemanningslid is aangewezen en waar het bemanningslid in de regel een dienstperiode of een reeks dienstperioden aanvangt en beëindigt, en waar, onder normale omstandigheden, de exploitant niet verantwoordelijk is voor de accommodatie van het bemanningslid in kwestie."

5.Overweging 24 wordt vervangen door:

"(24) Prestaties bij langdurige zorg voor verzekerden en hun gezinsleden moeten worden gecoördineerd volgens specifieke regels die in beginsel de regels voor prestaties bij ziekte volgen overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Er moet ook in specifieke bepalingen worden voorzien ingeval verstrekkingen en uitkeringen bij langdurige zorg elkaar overlappen."

6.Na overweging 35 wordt de volgende tekst ingevoegd:

"(35 bis) Gezinsuitkeringen ter vervanging van het inkomen tijdens een periode waarin een kind wordt opgevoed, zijn individuele rechten die de ouder persoonlijk toekomen onder de voorwaarden van de wetgeving van de bevoegde lidstaat. Gezien de specifieke aard van deze gezinsuitkeringen moeten zij in deel I van bijlage XIII bij deze verordening worden opgenomen en uitsluitend voor de betrokken ouder worden voorbehouden. De lidstaat met secundaire bevoegdheid kan ervoor kiezen dat de prioriteitsregels niet op gezinsuitkeringen van toepassing zijn, als de rechten op gezinsuitkeringen op grond van de wetgeving van de bevoegde lidstaat en op grond van de wetgeving van de lidstaat waar de gezinsleden wonen, elkaar overlappen. Een lidstaat die ervoor kiest de prioriteitsregels niet toe te passen, moet dat consequent doen ten aanzien van alle rechthebbende personen in een analoge situatie en moet in deel II van bijlage XIII worden opgenomen."

7.Na overweging 39 wordt de volgende overweging ingevoegd:

42 "(39 bis) Het relevante EU-acquis inzake gegevensbescherming – en met name Verordening (EU) nr. 679/2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) – is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening."

8.Na overweging 45 worden de volgende overwegingen ingevoegd:

43 "(46) Om deze verordening tijdig aan de ontwikkelingen op nationaal niveau te kunnen aanpassen moet de bevoegdheid om handelingen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vast te stellen aan de Europese Commissie worden overgedragen voor wijzigingen van de bijlagen bij deze verordening en Verordening (EG) nr. 987/2009. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt – onder meer op deskundigenniveau – en dat die raadplegingen worden gehouden in overeenstemming met de beginselen van het Interinstitutioneel Akkoord over betere wetgeving van 13 april 2016. Om er met name voor te zorgen dat alle partijen in gelijke mate bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen worden betrokken, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die de gedelegeerde handelingen voorbereiden.

(47) Deze verordening eerbiedigt de grondrechten, neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht – met name de bescherming van persoonsgegevens (artikel 8), de vrijheid van beroep en het recht om te werken (artikel 15), het recht op eigendom (artikel 17), het recht op non-discriminatie (artikel 21), de rechten van het kind (artikel 24), de rechten van ouderen (artikel 25), de integratie van personen met een handicap (artikel 26), het recht op gezins- en beroepsleven (artikel 33), het recht op sociale zekerheid en sociale bijstand (artikel 34), het recht op gezondheidszorg (artikel 35) en het recht op vrijheid van verkeer en van verblijf (artikel 45) – en moet in overeenstemming met die rechten en beginselen worden uitgevoerd.

(48) Niets in deze verordening mag de in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens erkende autonome rechten en plichten – en met name het recht op leven (artikel 2), het recht op bescherming tegen onmenselijke of vernederende behandelingen (artikel 3), het recht op eigendom (artikel 1 van het eerste aanvullende protocol) en het recht op non-discriminatie (artikel 14) – beperken en deze verordening moet in overeenstemming met die rechten en plichten worden uitgevoerd."

9.Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)In punt c) worden de woorden "titel III, hoofdstukken 1 en 3" vervangen door de woorden "titel III, hoofdstukken 1, 1 bis en 3".

b)In punt i), onder 1, ii), worden na de woorden "titel III, hoofdstuk 1 inzake prestaties bij ziekte, en moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen" de woorden "en hoofdstuk 1 bis inzake prestaties bij langdurige zorg" ingevoegd.

c)In punt v bis), i), worden na de woorden "titel III, hoofdstuk 1 (prestaties bij ziekte en moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen)" de woorden "en hoofdstuk 1 bis (prestaties bij langdurige zorg)" ingevoegd en wordt de laatste zin geschrapt.

d)Het volgende punt wordt na punt v bis) ingevoegd:

"v ter) "prestatie bij langdurige zorg": alle verstrekkingen, uitkeringen of combinaties van beide voor personen die wegens ouderdom, invaliditeit, ziekte of gebrekkige gezondheid gedurende langere tijd aanzienlijke bijstand van een of meer andere personen nodig hebben om essentiële dagelijkse activiteiten uit te voeren, onder meer om hun persoonlijke autonomie te bevorderen; inbegrepen zijn uitkeringen die worden toegekend aan of bestemd zijn voor de persoon die dergelijke bijstand verleent;"

10.In artikel 3, lid 1, wordt na punt b) het volgende punt ingevoegd:

"b bis) prestaties bij langdurige zorg;"

11.Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt vervangen door:

"Artikel 4

Gelijke behandeling

1. Tenzij in deze verordening anders bepaald, hebben personen op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, dezelfde rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.

44 2. Een lidstaat mag eisen dat de toegang van een economisch niet-actieve in die lidstaat wonende persoon tot socialezekerheidsuitkeringen in die lidstaat afhankelijk wordt gemaakt van de in Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden vastgestelde voorwaarden inzake het recht op wettelijk verblijf.".

12.Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

a)In lid 2 worden de woorden "prestaties bij ziekte voor behandeling voor onbepaalde tijd" vervangen door de woorden "uitkeringen bij langdurige zorg".

b)Lid 5 wordt vervangen door:

45 "5. Werkzaamheden van een lid van het cockpit- of het cabinepersoneel dat met betrekking tot luchtpassagiers of luchtvrachtvervoer diensten verricht, worden beschouwd als werkzaamheden die uitsluitend worden verricht in de lidstaat waar het lid zijn thuisbasis heeft, zoals gedefinieerd in subdeel FTL van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 83/2014 van de Commissie van 29 januari 2014."

13.Artikel 12 wordt vervangen door:

"Artikel 12

Bijzondere regels

46 1. Degene die werkzaamheden in loondienst verricht in een lidstaat voor rekening van een werkgever die daar zijn werkzaamheden normaliter verricht, en die door die werkgever wordt gedetacheerd in de zin van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten of uitgezonden om voor zijn rekening werkzaamheden in een andere lidstaat te verrichten, blijft onderworpen aan de wetgeving van de eerste lidstaat, mits de te verwachten duur van die werkzaamheden niet meer dan 24 maanden bedraagt en de betrokkene niet ter beschikking wordt gesteld of wordt uitgezonden om een eerder in de zin van dit artikel ter beschikking gestelde of uitgezonden persoon – al dan niet in loondienst – te vervangen.

2. Op degene die in een lidstaat werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten en werkzaamheden van gelijke aard in een andere lidstaat gaat verrichten, blijft de wetgeving van de eerste lidstaat van toepassing, mits de te verwachten duur van die werkzaamheden niet meer dan 24 maanden bedraagt en de betrokkene geen andere ter beschikking gestelde persoon – al dan niet in loondienst – vervangt.".

14.In Artikel 13 wordt het volgende lid 4 bis ingevoegd na lid 4:

"4 bis. Op degene die een werkloosheidsuitkering in de ene lidstaat ontvangt en tegelijkertijd werkzaamheden – al dan niet in loondienst – in een andere lidstaat verricht, is de wetgeving van toepassing van de lidstaat die de werkloosheidsuitkering betaalt.".

15.Aan artikel 32 wordt het volgende lid 3 toegevoegd:

"3. Wanneer een gezinslid een afgeleid recht op prestaties heeft op grond van de wetgeving van meer dan een lidstaat, zijn de volgende prioriteitsregels van toepassing:

a)indien het gaat om rechten die verkregen zijn op verschillende gronden, is de volgorde van prioriteit als volgt:

i) rechten die verkregen zijn op grond van werkzaamheden – al dan niet in loondienst – van de verzekerde;

ii) rechten die verkregen zijn op grond van het feit dat de verzekerde een pensioen ontvangt;

iii) rechten die verkregen zijn op grond van de woonplaats van de verzekerde;

b)indien het gaat om afgeleide rechten die verkregen zijn op dezelfde grond, wordt de volgorde van prioriteit vastgesteld op basis van de woonplaats van het gezinslid als subsidiair criterium;

c)wanneer het onmogelijk is de volgorde van prioriteit op basis van de voorgaande criteria vast te stellen, is als laatste criterium het langste tijdvak van verzekering van de verzekerde uit hoofde van een nationaal pensioenstelsel van toepassing.".

16.Artikel 34 wordt geschrapt.

17.Na artikel 35 wordt het volgende hoofdstuk ingevoegd:

"HOOFDSTUK 1 bis

Prestaties bij langdurige zorg

Artikel 35 bis

Algemene bepalingen

1. Onverminderd de specifieke bepalingen van dit hoofdstuk zijn de artikelen 17 tot en met 32 van overeenkomstige toepassing op prestaties bij langdurige zorg.

2. De Administratieve Commissie stelt een gedetailleerde lijst op van prestaties bij langdurige zorg die aan de criteria van artikel 1, punt v ter), van deze verordening voldoen, en specificeert welke prestaties verstrekkingen en welke uitkeringen zijn.

3. In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten uitkeringen bij langdurige zorg verlenen in overeenstemming met de andere hoofdstukken van titel III, als de uitkering en de specifieke voorwaarden met betrekking tot de uitkering in bijlage XII worden vermeld en het resultaat van een dergelijke coördinatie voor de begunstigden ten minste even gunstig is als wanneer de uitkering krachtens dit hoofdstuk werd gecoördineerd.

Artikel 35 ter

Samenloop van prestaties bij langdurige zorg

1. Als een begunstigde van uit hoofde van de wetgeving van de bevoegde lidstaat verleende uitkeringen bij langdurige zorg tegelijkertijd en krachtens dit hoofdstuk verstrekkingen bij langdurige zorg ontvangt van het orgaan van de woon- of verblijfplaats in een andere lidstaat en als een orgaan in de eerste lidstaat de kosten van die verstrekkingen ook moet terugbetalen krachtens artikel 35 quater, is de algemene bepaling van artikel 10 ter voorkoming van de samenloop van prestaties van toepassing, met alleen de volgende beperking: het bedrag van de uitkering wordt verminderd met het terugvorderbare bedrag voor de verstrekking, dat krachtens artikel 35 quater kan worden gevorderd van het orgaan van de eerste lidstaat.

2. Twee of meer lidstaten of de bevoegde autoriteiten van die lidstaten kunnen besluiten tot andere of aanvullende maatregelen, die voor de betrokkenen niet minder gunstig mogen zijn dan de beginselen van lid 1.

Artikel 35 quater

Vergoedingen tussen organen onderling

1. Artikel 35 is van overeenkomstige toepassing op prestaties bij langdurige zorg.

2. Als de wetgeving van een lidstaat waar het uit hoofde van dit hoofdstuk bevoegde orgaan zich bevindt, niet voorziet in verstrekkingen bij langdurige zorg, wordt het orgaan dat in die lidstaat uit hoofde van hoofdstuk 1 bevoegd is of zou zijn voor de vergoeding van in een andere lidstaat verleende verstrekkingen bij ziekte, ook als het bevoegde orgaan beschouwd uit hoofde van hoofdstuk 1 bis.".

18.In artikel 50, lid 2, worden de woorden "artikel 52, lid 1, onder a) of b)" vervangen door "artikel 52, lid 1, onder b)".

19.Artikel 61 wordt vervangen door:

"Artikel 61

Specifieke regels voor de samentelling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst of van werkzaamheden anders dan in loondienst

1. Behoudens in de in artikel 65, lid 2, bedoelde gevallen wordt de toepassing van artikel 6 afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene laatstelijk, overeenkomstig de wetgeving op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd, een tijdvak van verzekering, van werkzaamheden in loondienst of van werkzaamheden anders dan in loondienst van ten minste drie maanden heeft vervuld.

2. Als een werkloze niet voldoet aan de voorwaarden voor de samentelling van tijdvakken overeenkomstig lid 1 omdat de totale duur van zijn/haar meest recent vervulde tijdvakken van verzekering of van werkzaamheden – al dan niet in loondienst – in die lidstaat minder dan drie maanden bedraagt, heeft die persoon recht op werkloosheidsuitkeringen volgens de wetgeving van de lidstaat waar hij/zij eerder dergelijke tijdvakken heeft vervuld onder de voorwaarden en met de beperkingen die zijn vastgesteld in artikel 64 bis.".

20.Artikel 64 wordt als volgt gewijzigd:

a)In lid 1, onder c), wordt het woord "drie" vervangen door "zes" en de woorden "van drie maanden tot maximaal zes maanden" door "van zes maanden tot het einde van de periode waarin de betrokkene recht heeft op uitkeringen";

b)In lid 3 wordt het woord "drie" vervangen door "zes" en de woorden "maximaal zes maanden" door "het einde van de periode waarin de betrokkene recht heeft op uitkeringen".

21.Na artikel 64 wordt het volgende artikel 64 bis ingevoegd:

"Artikel 64 bis

Bijzondere regels voor werklozen die naar een andere lidstaat zijn verhuisd zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel 61, lid 1, en artikel 64

In de in artikel 61, lid 2, bedoelde situaties wordt de lidstaat waarvan de wetgeving eerder op de werkloze van toepassing was, bevoegd voor het verlenen van werkloosheidsuitkeringen. Zij worden op kosten van het bevoegde orgaan verleend gedurende de in artikel 64, lid 1, onder c), vastgestelde periode, als de werkloze zich ter beschikking stelt van de diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaat van de meest recente verzekering en zich aan de in de wetgeving van die lidstaat vastgestelde voorwaarden houdt. Artikel 64, leden 2 tot en met 4, is van overeenkomstige toepassing."

22.Artikel 65 wordt vervangen door:

"Artikel 65

Werklozen die tijdens het verrichten van hun laatste werkzaamheden in een andere dan de bevoegde lidstaat woonden

1. Een werkloze die tijdens het verrichten van zijn/haar laatste werkzaamheden – al dan niet in loondienst – in een andere dan de bevoegde lidstaat woonde, stelt zich ter beschikking van de vroegere werkgever of van de diensten voor arbeidsvoorziening van de bevoegde lidstaat. Hij/zij ontvangt uitkeringen overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde lidstaat, alsof hij/zij in die lidstaat woonde. Deze uitkeringen worden door het orgaan van de bevoegde lidstaat verleend.

2. In afwijking van lid 1 stelt een volledig werkloze die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden – al dan niet in loondienst – in een andere dan de bevoegde lidstaat woonde en niet ten minste twaalf maanden werkloosheidsverzekering uitsluitend onder de wetgeving van de bevoegde lidstaat had vervuld, zich ter beschikking van de diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaat van zijn/haar woonplaats. Hij/zij ontvangt uitkeringen overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van zijn/haar woonplaats, alsof hij/zij alle tijdvakken van verzekering onder de wetgeving van die lidstaat had vervuld. Die uitkeringen worden door het orgaan van de lidstaat van zijn/haar woonplaats verleend. Bij wijze van alternatief kan een in dit lid bedoelde volledig werkloze die alleen recht zou hebben op een werkloosheidsuitkering uit hoofde van de nationale wetgeving van de bevoegde lidstaat als hij/zij daar woonde, in plaats daarvan verkiezen zich ter beschikking van de diensten voor arbeidsvoorziening van die lidstaat te stellen en uitkeringen overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat te ontvangen, alsof hij/zij daar woonde.

3. Als een in lid 1 of 2 bedoelde volledig werkloze zich niet of niet langer ter beschikking wenst te stellen van de diensten voor arbeidsvoorziening van de bevoegde lidstaat – na zich daar eerder te hebben ingeschreven – en werk wenst te zoeken in de lidstaat van zijn/haar woonplaats of de lidstaat waar hij/zij het laatst werkzaam was, is artikel 64 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 64, lid 1, onder a). Het bevoegde orgaan kan het in de eerste zin van artikel 64, lid 1, onder c), bedoelde tijdvak verlengen tot het einde van de periode waarin een recht op uitkering bestaat.

4. Een in dit artikel bedoelde volledig werkloze kan zich niet alleen ter beschikking stellen van de diensten voor arbeidsvoorziening van de bevoegde lidstaat maar ook van de diensten voor arbeidsvoorziening van de andere lidstaat.

5. De leden 2 tot en met 4 van dit artikel zijn niet van toepassing op iemand die gedeeltelijk of periodiek werkloos is."

23.Na artikel 68 bis wordt het volgende artikel ingevoegd:

"Artikel 68 ter

Bijzondere bepalingen voor gezinsuitkeringen ter vervanging van het inkomen gedurende tijdvakken van kinderopvoeding

1. In deel 1 van bijlage XIII vermelde gezinsuitkeringen ter vervanging van het inkomen gedurende tijdvakken van kinderopvoeding worden alleen verleend aan de persoon op wie de wetgeving van de bevoegde lidstaat van toepassing is, en er bestaat geen afgeleid recht voor zijn/haar gezinsleden op dergelijke uitkeringen. Artikel 68 bis van deze verordening is niet van toepassing op dergelijke uitkeringen en het bevoegde orgaan is niet verplicht rekening te houden met een uit hoofde van artikel 60, lid 1, van de toepassingsverordening ingediende aanvraag door de andere ouder, een als ouder beschouwde persoon of een instelling die de voogdij over het kind of de kinderen uitoefent.

2. In afwijking van artikel 68, lid 2, kan een lidstaat bij samenloop van rechten onder tegenstrijdige wetgeving of wetgevingen een in lid 1 bedoelde gezinsuitkering volledig aan een begunstigde toekennen, ongeacht het bij de eerste wetgeving vastgestelde bedrag. Lidstaten die ervoor kiezen een dergelijke afwijking toe te passen, worden in deel 2 van bijlage XIII vermeld met een verwijzing naar de gezinsuitkering waarop de afwijking van toepassing is.".

24.Na artikel 75 wordt het volgende artikel 75 bis ingevoegd in "Titel V DIVERSE BEPALINGEN":

"Artikel 75 bis

Verplichting van de bevoegde autoriteiten

1. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat hun organen alle wettelijke en andere bepalingen – met inbegrip van de besluiten van de Administratieve Commissie – op de gebieden en onder de voorwaarden van deze verordening en de toepassingsverordening kennen en toepassen.

2. Met het oog op de correcte vaststelling van de toepasselijke wetgeving bevorderen de bevoegde autoriteiten de samenwerking tussen organen en arbeidsinspecties in hun lidstaten.".

25.Na artikel 76 wordt het volgende artikel 76 bis ingevoegd:

"Artikel 76 bis

Bevoegdheid om uitvoeringshandelingen vast te stellen

1. De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen tot nadere bepaling van de procedure die moet worden gevolgd om te zorgen voor uniforme voorwaarden voor de toepassing van de artikelen 12 en 13 van deze verordening. Die handelingen stellen een standaardprocedure inclusief termijnen vast voor

de afgifte, de vorm en de inhoud van een draagbaar document waarin officieel wordt vermeld welke socialezekerheidswetgeving op de houder van toepassing is,

de vaststelling van de omstandigheden waarin het document wordt afgegeven,

de elementen die gecontroleerd moeten worden voordat het document kan worden afgegeven,

de intrekking van het document wanneer de juistheid en de geldigheid ervan worden betwist door het bevoegde orgaan in de lidstaat van de werkzaamheden.

47 2. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 bedoelde onderzoeksprocedure.

3. De Commissie wordt bijgestaan door de Administratieve Commissie, die een comité is in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011."

26.Het volgende artikel 87 ter wordt ingevoegd:

"Artikel 87 ter

48 Overgangsbepaling voor de toepassing van Verordening (EU) xxxx

1. Aan Verordening (EU) xxxx worden geen rechten ontleend voor het tijdvak dat aan de datum van haar toepassing voorafgaat.

2. Voor de vaststelling van de aan deze verordening ontleende rechten wordt rekening gehouden met alle tijdvakken van verzekering en, in voorkomend geval, alle tijdvakken van werkzaamheden – al dan niet in loondienst – of van wonen die krachtens de wetgeving van een lidstaat vóór [de datum van toepassing van Verordening (EU) xxxx] in de betrokken lidstaat zijn vervuld.

3. Onverminderd lid 1 ontstaat krachtens Verordening (EU) xxxx ook dan een recht, als dit recht in verband staat met een gebeurtenis die vóór de datum van haar toepassing in de betrokken lidstaat heeft plaatsgevonden.

4. De artikelen 61, 64 en 65 van deze verordening, die vóór [de datum van toepassing van Verordening (EU) xxxx] in werking zijn getreden, blijven van toepassing op werkloosheidsuitkeringen die zijn toegekend aan personen die vóór die datum werkloos zijn geworden.".

27.Artikel 88 wordt vervangen door:

"Artikel 88

Delegeren van de bevoegdheid om de bijlagen bij te werken

De Europese Commissie is bevoegd om gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 88 bis vast te stellen om de bijlagen bij deze verordening en de toepassingsverordening periodiek op verzoek van de Administratieve Commissie te wijzigen.

Artikel 88 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in artikel 88 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Europese Commissie voor onbepaalde tijd toegekend met ingang van de [datum van inwerkingtreding van Verordening (EU) xxxx].

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 88 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4. Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5. Zodra de Europese Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6. Een overeenkomstig artikel 88 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement en de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar hebben gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Europese Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.".

28.De bijlagen I, II, III, IV, X en XI worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

29.De bijlagen XII en XIII worden ingevoegd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 987/2009 wordt als volgt gewijzigd:

1.Na overweging 18 wordt de volgende overweging ingevoegd:

"(18 bis) Er zijn bepaalde specifieke regels en procedures nodig voor de vergoeding van de door de lidstaat van de woonplaats gemaakte kosten van prestaties, wanneer de betrokkenen in een andere lidstaat verzekerd zijn. Lidstaten die op basis van vaste uitgaven vergoed moeten worden, moeten de gemiddelde jaarlijkse kosten per persoon binnen een bepaalde termijn meedelen, zodat de kosten zo snel mogelijk kunnen worden vergoed. Als een lidstaat niet in staat is binnen de termijn de gemiddelde jaarlijkse kosten per persoon voor elke leeftijdsklasse in een bepaald referentiejaar mee te delen, moet in een alternatief worden voorzien waarbij de lidstaat aanvragen voor dat jaar kan indienen op basis van de eerder in het Publicatieblad bekendgemaakte gemiddelde jaarlijkse kosten. De vergoeding van de kosten van verstrekkingen op basis van vaste bedragen moet de werkelijke kosten zo dicht mogelijk benaderen. Daarom moet elke afwijking van de kennisgevingsplicht door de Administratieve Commissie worden goedgekeurd en mag een afwijking niet in een opeenvolgend jaar worden verleend.".

2.Overweging 19 wordt vervangen door:

49 "(19) Met het oog op een effectievere invordering en een vlotter functioneren van de socialezekerheidsstelsels moeten de procedures inzake de wederzijdse bijstand tussen organen bij de invordering van schuldvorderingen op het gebied van de sociale zekerheid worden versterkt. Een effectieve invordering is ook een middel om misbruik en fraude te voorkomen en te bestrijden en de duurzaamheid van de socialezekerheidsstelsels te waarborgen. Dit houdt in dat op basis van een aantal bestaande bepalingen van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen nieuwe procedures worden vastgesteld, met name door de vaststelling van een uniforme titel voor executiemaatregelen en standaardprocedures voor verzoeken om wederzijdse bijstand en de notificatie van akten en maatregelen met betrekking tot de invordering van schuldvorderingen op het gebied van de sociale zekerheid."

3.Na overweging 24 worden de volgende overwegingen ingevoegd:

50 "(25) De Administratieve Commissie heeft Besluit nr. H5 van 18 maart 2010 betreffende de samenwerking bij de bestrijding van fraude en onjuistheden in het kader van de Verordening (EG) nr. 883/2004 van de Raad en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels vastgesteld, waarin wordt beklemtoond dat het ondernemen van actie ter bestrijding van fraude en fouten deel uitmaakt van de correcte uitvoering van Verordening (EG) nr. 883/2004 en deze verordening. Het is daarom in het belang van de rechtszekerheid dat deze verordening een duidelijke rechtsgrondslag bevat op basis waarvan de bevoegde organen persoonsgegevens met betrekking tot personen van wie de rechten en plichten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 en deze verordening reeds zijn vastgesteld, met de relevante autoriteiten in de lidstaat van de verblijf- of woonplaats kunnen uitwisselen om fraude en fouten op te sporen in het kader van de correcte uitvoering van deze verordeningen. Ook moet worden gepreciseerd wanneer persoonsgegevens verwerkt mogen worden voor andere doeleinden dan sociale zekerheid, zoals het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen op het niveau van de Unie of op nationaal niveau inzake arbeid, gezondheid en veiligheid, immigratie en fiscaal recht.

(26) Ter bescherming van de rechten van de betrokkenen moeten de lidstaten ervoor zorgen dat alle verzoeken om gegevens en alle antwoorden noodzakelijk en evenredig zijn voor de correcte uitvoering van Verordening (EG) nr. 883/2004 en deze verordening overeenkomstig de Europese wetgeving inzake gegevensbescherming. Het recht op een uitkering mag niet automatisch worden ingetrokken als gevolg van de uitwisseling van gegevens en alle besluiten op basis van de uitwisseling van gegevens moeten de grondrechten en de vrijheden van de betrokkene eerbiedigen door op voldoende bewijs gebaseerd te zijn en via een faire beroepsprocedure aangevochten te kunnen worden.".

4.In artikel 1, lid 2, wordt na punt e) het volgende punt ingevoegd:

"e bis) "fraude": elk opzettelijk handelen of elk opzettelijk nalaten te handelen dat tot doel heeft socialezekerheidsuitkeringen te verwerven of te ontvangen of de betaling van socialezekerheidsbijdragen te vermijden en dat in strijd is met de wetgeving van een lidstaat;".

5.In artikel 2 worden de volgende leden 5 tot en met 7 na lid 4 toegevoegd:

"5. Wanneer iemands rechten of verplichtingen waarop de basis- en de toepassingsverordening van toepassing zijn, zijn vastgesteld of bepaald, kan het bevoegde orgaan het orgaan in de lidstaat van woonplaats of verblijf verzoeken om persoonsgegevens over de betrokkene. Het verzoek en het eventuele antwoord betreffen informatie die de bevoegde lidstaat in staat stelt fouten op te sporen in de feiten waarop een document of een besluit tot vaststelling van iemands rechten en plichten uit hoofde van de basis- of de toepassingsverordening is gebaseerd. Het verzoek kan ook worden ingediend als er geen twijfel bestaat over de geldigheid of de juistheid van de informatie die in het document is vermeld of waarop het besluit is gebaseerd in een specifiek geval. Het verzoek om informatie en het eventuele antwoord moeten noodzakelijk en evenredig zijn.

6. De Administratieve Commissie stelt een gedetailleerde lijst op van de soorten verzoeken om gegevens en antwoorden uit hoofde van lid 5 en de Europese Commissie geeft de nodige bekendheid aan die lijst. Alleen in die lijst opgenomen verzoeken om gegevens en antwoorden zijn toegestaan.

51 7. Het verzoek en het eventuele antwoord voldoen aan de voorschriften van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (algemene verordening gegevensbescherming), zoals ook is vastgesteld in artikel 77 van de basisverordening.".

6.Artikel 3, lid 3, wordt vervangen door:

"3. Bij het overeenkomstig hun eigen wetgeving verzamelen, doorgeven en verwerken van persoonsgegevens voor de uitvoering van de basisverordening zorgen de lidstaten ervoor dat de betrokkenen hun rechten ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens ten volle kunnen uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van de Unie betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens – en met name het recht om toegang te hebben, correcties aan te brengen en bezwaar te maken tegen de verwerking van die persoonsgegevens – en ten volle worden geïnformeerd over de beschermingsmaatregelen met betrekking tot geautomatiseerde individuele beslissingen. De betrokkene kan het recht op toegang tot zijn of haar uit hoofde van deze verordening verwerkte persoonsgegevens niet alleen uitoefenen door zich te wenden tot de autoriteit die de gegevens controleert, maar ook via het bevoegde orgaan van de lidstaat waar hij of zij woont.".

7.In artikel 5 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

"1. De door het orgaan van een lidstaat voor de toepassing van de basisverordening en de toepassingsverordening afgegeven documenten over iemands situatie en de ondersteunende bewijsstukken op grond waarvan de documenten zijn afgegeven, zijn voor de organen van de andere lidstaten bindend zolang zij niet door de lidstaat waar zij zijn afgegeven, zijn ingetrokken of ongeldig zijn verklaard. Dergelijke documenten zijn alleen geldig als alle verplichte delen zijn ingevuld.

2. Bij twijfel aan de geldigheid van documenten of de juistheid van de feiten waarop zij gebaseerd zijn, verzoekt het orgaan van de lidstaat dat het document ontvangt, het orgaan van afgifte om opheldering en eventueel om intrekking van het document.

a)Het orgaan van afgifte dat een dergelijk verzoek ontvangt, heroverweegt de gronden voor de afgifte van het document en gaat – indien nodig – over tot de intrekking of de correctie ervan binnen 25 werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van het verzoek. Als onweerlegbaar wordt vastgesteld dat de aanvrager van het document fraude heeft begaan, gaat het orgaan van afgifte onmiddellijk en met terugwerkende kracht over tot de intrekking of de correctie van het document.

b)Als het orgaan van afgifte – na de gronden voor de afgifte van het document te hebben heroverwogen – geen enkele fout kan vaststellen, stuurt het alle ondersteunende bewijsstukken binnen 25 werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van het verzoek naar het orgaan dat het verzoek heeft ingediend. In dringende gevallen – waarbij de redenen voor de urgentie duidelijk in het verzoek worden vermeld – gebeurt dit binnen twee werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van het verzoek, ook al is het mogelijk dat het orgaan van afgifte zijn beraadslagingen uit hoofde van lid 2, onder a), nog niet heeft afgerond.

c)Als het orgaan dat het verzoek heeft ingediend, na ontvangst van de ondersteunende bewijsstukken blijft twijfelen aan de geldigheid van documenten of aan de juistheid van de feiten of gegevens waarop zij gebaseerd zijn, kan het daarvoor bewijsmateriaal voorleggen, een nieuw verzoek om opheldering indienen en – in voorkomend geval – om de intrekking van dat document door het orgaan van afgifte verzoeken overeenkomstig de bovenvermelde procedure en termijnen.".

8.Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

a) Lid 1 wordt vervangen door:

52 "1. Voor de toepassing van artikel 12, lid 1, van de basisverordening slaat degene "die werkzaamheden in loondienst verricht in een lidstaat voor rekening van een werkgever die daar zijn werkzaamheden normaliter verricht en die door die werkgever naar een andere lidstaat wordt uitgezonden of gedetacheerd in de zin van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten" ook op wie is aangeworven om naar een andere lidstaat te worden uitgezonden of ter beschikking te worden gesteld, op voorwaarde dat de wetgeving van de uitzendende lidstaat onmiddellijk voor het begin van zijn/haar werkzaamheden in loondienst al op de betrokkene van toepassing is overeenkomstig titel II van de basisverordening.".

b) Lid 5 bis wordt vervangen door:

"5 bis. Voor de toepassing van titel II van de basisverordening wordt onder "zetel of domicilie" de zetel of het domicilie verstaan waar de voornaamste beslissingen betreffende de onderneming worden genomen en waar de centrale bestuurstaken ervan worden uitgeoefend, op voorwaarde dat de onderneming aanzienlijke werkzaamheden in die lidstaat verricht. Zo niet, wordt de zetel of het domicilie geacht zich te bevinden in de lidstaat waar zich het overeenkomstig de criteria van de leden 9 en 10 vastgestelde centrum van belangen van de werkzaamheden van de onderneming bevindt.".

c) Na lid 11 wordt een nieuw lid 12 ingevoegd:

"12. Als iemand die buiten het grondgebied van de Unie woont, zijn/haar werkzaamheden – al dan niet in loondienst – in twee of meer lidstaten verricht en uit hoofde van de nationale wetgeving van een van die lidstaten aan de wetgeving van die staat onderworpen is, zijn de bepalingen van de basisverordening en de toepassingsverordening inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving van overeenkomstige toepassing, op voorwaarde dat zijn/haar woonplaats geacht wordt zich te bevinden in de lidstaat waar zich de zetel of het domicilie van de onderneming of zijn/haar werkgever of het centrum van belangen van zijn/haar werkzaamheden bevindt.".

9.Artikel 15, lid 2, wordt vervangen door:

"2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op personen die onder artikel 11, lid 3, onder d), en artikel 11, lid 5, van de basisverordening vallen.

10.De leden 1, 2, 3 en 5 van artikel 16 worden vervangen door:

"1. Degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden verricht, of zijn/haar werkgever stelt het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats aangewezen orgaan daarvan in kennis.

2. Het aangewezen orgaan van de woonplaats stelt onverwijld de op de betrokkene toepasselijke wetgeving vast, met inachtneming van artikel 13 van de basisverordening en artikel 14 van de toepassingsverordening. Het orgaan brengt de aangewezen organen van elke lidstaat waar werkzaamheden worden verricht of de werkgever zich bevindt, op de hoogte.

3. Als dat orgaan bepaalt dat de wetgeving van een andere lidstaat van toepassing is, doet het dat voorlopig en brengt het het orgaan van de lidstaat dat het als bevoegd voor deze voorlopige beslissing beschouwt, onverwijld op de hoogte. De beslissing wordt definitief uiterlijk twee maanden nadat het door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat aangewezen orgaan ervan op de hoogte is gebracht, tenzij het laatstgenoemde orgaan het eerste orgaan en de betrokkenen meedeelt dat het de voorlopige vaststelling nog niet kan aanvaarden of er een ander standpunt over inneemt.

5. Het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving voorlopig of definitief van toepassing is verklaard, brengt de betrokkene en/of zijn/haar werkgever onverwijld op de hoogte. "

11.Na artikel 19, lid 2, worden de volgende leden ingevoegd:

"3. Wanneer een orgaan verzocht wordt om de hierboven bedoelde verklaring te verstrekken, voert het een passende beoordeling van de relevante feiten uit en waarborgt het dat de informatie op basis waarvan de verklaring wordt verstrekt, juist is.

4. Indien zulks nodig is voor de uitoefening van wetgevende bevoegdheden op nationaal of EU-niveau, wordt relevante informatie over de socialezekerheidsrechten en -plichten van de betrokkenen rechtstreeks uitgewisseld tussen de bevoegde organen en de arbeidsinspecties, de immigratiediensten of de belastingdiensten van de betrokken lidstaten. Daarbij kunnen ook persoonsgegevens worden verwerkt voor andere doeleinden dan de uitoefening of handhaving van rechten en plichten uit hoofde van de basisverordening en deze verordening, met name om de naleving van relevante wettelijke verplichtingen inzake arbeid, gezondheid en veiligheid, immigratie en fiscaal recht te waarborgen. Nadere bijzonderheden worden bij besluit van de Administratieve Commissie vastgesteld.

53 5. De bevoegde autoriteiten zijn verplicht de betrokkenen specifieke en adequate informatie over de verwerking van hun persoonsgegevens te verstrekken overeenkomstig de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (algemene verordening gegevensbescherming), zoals ook is vastgesteld in artikel 77 van de basisverordening, en zij leven de vereisten van artikel 3, lid 3, van deze verordening na.".

12.Na artikel 20 wordt het volgende artikel 20 bis ingevoegd:

"Artikel 20 bis

Bevoegdheid om uitvoeringshandelingen vast te stellen

1. De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen tot nadere bepaling van de procedure die moet worden gevolgd om te zorgen voor uniforme voorwaarden voor de toepassing van de artikelen 12 en 13 van de basisverordening. Die handelingen stellen een standaardprocedure inclusief termijnen vast voor:

de afgifte, de vorm en de inhoud van een draagbaar document waarin officieel wordt vermeld welke socialezekerheidswetgeving op de houder van toepassing is,

de vaststelling van de omstandigheden waarin het document wordt afgegeven,

de elementen die gecontroleerd moeten worden voordat het document kan worden afgegeven,

de intrekking van het document wanneer de juistheid en de geldigheid ervan worden betwist door het bevoegde orgaan in de lidstaat van de werkzaamheden.

54 2. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 bedoelde onderzoeksprocedure.

3. De Commissie wordt bijgestaan door de Administratieve Commissie, die een comité is in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011."

13.In titel III, hoofdstuk 1, wordt de titel vervangen door:

"Prestaties bij ziekte, moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen en prestaties bij langdurige zorg".

14.Aan het eind van artikel 23 wordt de volgende zin toegevoegd:

"Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op prestaties bij langdurige zorg."

15.In artikel 24, lid 3, worden de woorden "en 26" vervangen door ", 26 en 35 bis".

16.In artikel 28, lid 1, worden de woorden "overeenkomstig artikel 35 bis daarvan" toegevoegd na de woorden "op grond van artikel 21, lid 1, van de basisverordening".

17.Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

(a) De titel wordt vervangen door:

"Toepassing van artikel 35 ter van de basisverordening";

(b)In lid 1 worden de woorden "artikel 34" vervangen door "artikel 35 ter";

(c)In lid 2 worden de woorden "artikel 34, lid 2" vervangen door "artikel 35 bis, lid 2".

18.Aan artikel 32 wordt na lid 3 het volgende lid 4 toegevoegd:

"4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op prestaties bij langdurige zorg."

19.In artikel 43, lid 3, wordt de tweede alinea geschrapt.

20.In de derde alinea van artikel 55, lid 4, worden de woorden "Op verzoek van het bevoegde orgaan" geschrapt.

21.In artikel 55, lid 7, worden de woorden "artikel 65 bis, lid 3" vervangen door "artikel 64 bis en artikel 65 bis, lid 3".

22.Na artikel 55 wordt het volgende artikel 55 bis ingevoegd:

"Artikel 55 bis

Verplichting van de dienst voor arbeidsvoorziening van de lidstaat van de meest recente verzekering

In de in artikel 61, lid 2, van de basisverordening bedoelde situatie stuurt het orgaan van de lidstaat van de meest recente verzekering onmiddellijk een document naar het bevoegde orgaan van de lidstaat van de vorige verzekering waarin het volgende wordt vermeld: de datum waarop de betrokkene werkloos is geworden; het overeenkomstig zijn/haar wetgeving vervulde tijdvak van verzekering, van werkzaamheden in loondienst of van werkzaamheden anders dan in loondienst; de relevante omstandigheden van de werkloosheid die op het recht op uitkeringen van invloed kunnen zijn; de datum van registratie als werkloze en het adres van de werkloze.".

23.Artikel 56 wordt als volgt gewijzigd:

a)In lid 1 worden de woorden "artikel 65, lid 2" vervangen door "artikel 65, lid 4";

b)Lid 3 wordt geschrapt.

24.De benaming van titel IV, hoofdstuk 1, wordt als volgt gewijzigd:

"HOOFDSTUK I

Vergoeding van de kosten voor prestaties op grond van de artikelen 35, 35 quater en 41 van de basisverordening"

25.In artikel 64, lid 1, wordt het eerste streepje vervangen door:

" - de index (i = 1, 2, 3 en 4) staat voor de vier leeftijdsklassen die voor de berekening van de vaste bedragen worden gebruikt:

i = 1: personen jonger dan 65 jaar,

i = 2: personen tussen 65 en 74 jaar,

i = 3: personen tussen 75 en 84 jaar,

i = 4: personen van 85 jaar en ouder,"

26.Artikel 65 wordt vervangen door:

"Artikel 65

Kennisgeving van de gemiddelde jaarlijkse kosten

1. De gemiddelde jaarlijkse kosten per persoon voor elke leeftijdsklasse in een bepaald jaar worden uiterlijk aan het eind van het tweede jaar na het jaar in kwestie aan de Rekencommissie meegedeeld.

2. De overeenkomstig lid 1 meegedeelde gemiddelde jaarlijkse kosten worden elk jaar – na door de Administratieve Commissie te zijn goedgekeurd – in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

3. Als een lidstaat de gemiddelde kosten in een bepaald jaar niet binnen de in lid 1 bedoelde termijn kan meedelen, vraagt die lidstaat binnen dezelfde termijn de toestemming van de Administratieve Commissie en de Rekencommissie om gebruik te maken van de in het Publicatieblad bekendgemaakte gemiddelde jaarlijkse kosten voor die lidstaat in het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor nog geen gegevens kunnen worden meegedeeld. De lidstaat die om een dergelijke toestemming verzoekt, moet toelichten waarom de gemiddelde jaarlijkse kosten voor het jaar in kwestie niet kunnen worden meegedeeld. Als de Administratieve Commissie – na het advies van de Rekencommissie in overweging te hebben genomen – met het verzoek van de lidstaat instemt, worden de bovengenoemde gemiddelde jaarlijkse kosten opnieuw in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

4. De afwijking in lid 3 wordt niet voor opeenvolgende jaren verleend.".

27.Artikel 70 wordt geschrapt.

28.Artikel 73 wordt vervangen door:

"Artikel 73

Vereffening van onrechtmatig toegekende of betaalde uitkeringen en premies in het geval van voorlopige toekenning van uitkeringen of bij wijziging van de toepasselijke wetgeving met terugwerkende kracht

1. Bij een wijziging van de toepasselijke wetgeving met terugwerkende kracht – met inbegrip van de in artikel 6, leden 4 en 5, van de toepassingsverordening bedoelde situaties – stelt het orgaan dat onrechtmatig uitkeringen heeft betaald, uiterlijk drie maanden nadat de toepasselijke wetgeving of het voor de betaling van de uitkeringen verantwoordelijke orgaan is vastgesteld, een verklaring op van het betaalde bedrag en stuurt het die verklaring naar het als bevoegd aangemerkte orgaan met het oog op de terugbetaling van de uitkeringen.

Hetzelfde geldt voor verstrekkingen, die door het als bevoegd aangemerkte orgaan worden vergoed overeenkomstig titel IV van de toepassingsverordening.

2. Het orgaan dat als bevoegd voor de betaling van de uitkeringen is aangemerkt, brengt het bedrag dat het aan het niet-bevoegde of slechts voorlopig bevoegde orgaan moet vergoeden, in mindering op de achterstallige betalingen van de overeenkomstige uitkeringen die het aan de betrokkene verschuldigd is, en maakt het in mindering gebrachte bedrag onmiddellijk over aan het laatstgenoemde orgaan.

Als de onrechtmatig betaalde uitkeringen meer bedragen dan de door het als bevoegd aangemerkte orgaan te betalen achterstallige betalingen of als er geen achterstallige betalingen zijn, brengt het als bevoegd aangemerkte orgaan dit bedrag in mindering op de lopende betalingen onder de voorwaarden en binnen de grenzen die voor dit soort verrekeningsprocedure gelden krachtens de wetgeving die het toegepast, en maakt het het in mindering gebrachte bedrag onmiddellijk over aan het orgaan dat de uitkeringen onrechtmatig heeft betaald, met het oog op de terugbetaling ervan.

3. Het orgaan dat onrechtmatig premies heeft ontvangen van een rechtspersoon en/of een natuurlijke persoon, gaat pas over tot vergoeding van de bedragen in kwestie aan de persoon die ze heeft betaald, nadat het bij het als bevoegd aangemerkte orgaan navraag heeft gedaan naar de bedragen die de betrokkene aan dit orgaan verschuldigd is.

Op verzoek van het als bevoegd aangemerkte orgaan – een verzoek dat uiterlijk drie maanden na de vaststelling van de toepasselijke wetgeving wordt ingediend – maakt het orgaan dat onrechtmatig premies heeft ontvangen, deze premies aan het als bevoegd aangemerkte orgaan over, opdat deze worden verrekend met de over dezelfde periode door de betrokken rechtspersoon en/of natuurlijke persoon aan het voor de betrokken periode als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigde premies. De overgemaakte premies worden met terugwerkende kracht geacht betaald te zijn aan het als bevoegd aangemerkte orgaan.

Als de onrechtmatig betaalde premies meer bedragen dan de betrokken natuurlijke en/of rechtspersoon aan het als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigd is, betaalt het orgaan dat de premies onrechtmatig heeft ontvangen, het teveel betaalde bedrag terug aan de betrokken natuurlijke en/of rechtspersoon.

4. Het bestaan van termijnen krachtens nationale wetgeving vormt geen geldige reden om de vereffening van schuldvorderingen tussen organen uit hoofde van dit artikel te weigeren.

5. Dit artikel is niet van toepassing op schuldvorderingen met betrekking tot tijdvakken die ouder dan 60 maanden zijn op de datum waarop een procedure overeenkomstig artikel 5, lid 2, of artikel 6, lid 3, van deze verordening is ingeleid."

29.Aan artikel 75 wordt het volgende lid 4 toegevoegd:

55 "4. Overeenkomstig deze afdeling uitgewisselde informatie kan voor beoordeling en handhaving – onder meer de toepassing van conservatoire maatregelen met betrekking tot een schuldvordering – worden gebruikt en ook voor de beoordeling en de handhaving van belastingen en rechten die vallen onder artikel 2 van Richtlijn 2010/24/EU betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen. Wanneer de terugbetaling van socialezekerheidspremies betrekking heeft op een persoon die in een andere lidstaat woont of verblijft, kan de lidstaat vanwaar de premies moeten worden terugbetaald, de lidstaat van woonplaats of verblijf zonder voorafgaand verzoek in kennis stellen van de aanstaande terugbetaling. "

30.In Artikel 76 wordt het volgende lid 3 bis ingevoegd na lid 3:

"3 bis. In geen geval wordt lid 3 zo uitgelegd dat een aangezochte partij in een lidstaat mag weigeren inlichtingen te verstrekken louter omdat de inlichtingen bij een bank, een andere financiële instelling, een gevolmachtigde of een als agent of zaakwaarnemer optredende persoon berusten, of omdat de inlichtingen betrekking hebben op eigendomsbelangen in een persoon."

31.Artikel 77 wordt als volgt gewijzigd:

a) Lid 2 wordt vervangen door:

"2. Het verzoek tot notificatie gaat vergezeld van een standaardformulier dat ten minste de volgende gegevens bevat:

a) naam, adres en andere voor de identificatie van de geadresseerde relevante gegevens;

b) het doel van de notificatie en de termijn waarbinnen de notificatie moet gebeuren;

c) een beschrijving van het aangehechte document en de aard en het bedrag van de schuldvordering;

d) naam, adres en andere contactgegevens van:

i) het kantoor dat voor het aangehechte document verantwoordelijk is, en, als dat een ander kantoor is,

ii) het kantoor waar nadere inlichtingen kunnen worden verkregen over het genotificeerde document of over de mogelijkheden om de betalingsverplichting aan te vechten."

b) Na lid 3 worden de volgende leden 4, 5 en 6 ingevoegd:

"4. De verzoekende partij dient alleen een verzoek tot notificatie uit hoofde van dit artikel in wanneer zij niet kan notificeren volgens de regels voor de notificatie van het betrokken document in haar lidstaat of wanneer een dergelijke notificatie onevenredige moeilijkheden zou veroorzaken.

5. De aangezochte partij zorgt ervoor dat de notificatie in de lidstaat van de aangezochte partij gebeurt volgens de in de lidstaat van de aangezochte partij geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve gebruiken.

6. Lid 5 doet geen afbreuk aan enige andere vorm van notificatie door een autoriteit in de lidstaat van de verzoekende partij volgens de in die lidstaat geldende regels.

Een autoriteit in de lidstaat van de verzoekende partij kan een document rechtstreeks per aangetekende brief of langs elektronische weg notificeren aan een persoon op het grondgebied van een andere lidstaat."

32.Artikel 78 wordt als volgt gewijzigd:

a) Lid 1 wordt vervangen door:

"1. Op verzoek van de verzoekende partij vordert de aangezochte partij de schuldvorderingen in waarvoor een executoriale titel in de lidstaat van de verzoekende partij bestaat. Elk verzoek tot invordering gaat vergezeld van een uniforme titel voor het nemen van executiemaatregelen door de lidstaat van de aangezochte partij."

b) In lid 2 wordt punt b) geschrapt.

c) Lid 3 wordt vervangen door:

"3. Voordat de verzoekende partij een verzoek tot invordering indient, worden de in de lidstaat van de verzoekende partij beschikbare passende invorderingsprocedures toegepast, behalve wanneer:

a) duidelijk is dat er in de lidstaat van de verzoekende partij geen voor invordering vatbare vermogensbestanddelen zijn of dat die procedures niet tot een volledige betaling van de schuldvordering zullen leiden, en de verzoekende partij over specifieke inlichtingen beschikt dat de betrokkene in de lidstaat van de aangezochte lidstaat over vermogensbestanddelen beschikt;

b) de toepassing van die procedures in de lidstaat van de verzoekende partij onevenredige moeilijkheden zou veroorzaken.".

d) Het volgende lid 6 wordt ingevoegd:

"6. Het verzoek tot invordering van een schuldvordering kan vergezeld gaan van andere documenten met betrekking tot de schuldvordering, die in de lidstaat van de verzoekende partij zijn afgegeven."

33.Artikel 79 wordt vervangen door:

"Artikel 79

Executoriale titel van de schuldvordering

1. De uniforme titel die het nemen van executiemaatregelen in de aangezochte lidstaat mogelijk maakt, weerspiegelt de wezenlijke inhoud van de initiële executoriale titel en vormt de enige basis voor de invorderingsmaatregelen en de conservatoire maatregelen die in de lidstaat van de aangezochte partij worden genomen. In die lidstaat wordt geen erkenning, aanvulling of vervanging van de uniforme titel verlangd.

2. De uniforme executoriale titel bevat onder meer:

a) de naam, het adres en eventuele andere gegevens die relevant zijn voor de identificatie van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon en/of de derde partij die houder is van zijn/haar vermogensbestanddelen;

b) de naam, het adres en eventuele andere relevante gegevens met betrekking tot het voor de beoordeling van de schuldvordering verantwoordelijke kantoor en, als dat een ander kantoor is, het kantoor waar nadere inlichtingen kunnen worden verkregen over de schuldvordering of over de mogelijkheden om de betalingsverplichtingen aan te vechten;

c) gegevens die relevant zijn voor de identificatie van de executoriale titel die in de lidstaat van de verzoekende partij is afgegeven;

d) een beschrijving van de schuldvordering, met inbegrip van de aard van de schuldvordering, het tijdvak waarop de schuldvordering betrekking heeft, eventuele voor de executie relevante data en het bedrag van de schuldvordering, inclusief hoofdsom, interesten, boetes, administratieve sancties en alle overige lasten en kosten, uitgedrukt in de valuta van de lidstaat van de verzoekende en van de aangezochte partij;

e) de datum waarop de titel aan de geadresseerde is genotificeerd door de verzoekende partij en/of de aangezochte partij;

f) de datum met ingang waarvan en de periode gedurende welke de executie mogelijk is volgens het geldende recht van de lidstaat van de verzoekende partij;

g) eventuele andere relevante gegevens.".

34.Artikel 80 wordt als volgt gewijzigd:

a) In lid 1 wordt de tweede zin vervangen door:

"Behoudens artikel 85, lid 1 bis, maakt de aangezochte partij het volledige door haar ingevorderde bedrag van de schuldvordering aan de verzoekende partij over."

b) In lid 2 wordt de tweede alinea vervangen door:

"Vanaf de datum van ontvangst van het verzoek tot invordering brengt de aangezochte partij interesten wegens laattijdige betaling in rekening overeenkomstig de in de lidstaat van de aangezochte partij geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen."

35.Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:

a) Lid 1 wordt vervangen door:

"1. Als tijdens de invorderingsprocedure de schuldvordering, de initiële titel voor het nemen van executiemaatregelen in de lidstaat van de verzoekende partij, de uniforme titel voor het nemen van executiemaatregelen in de lidstaat van de aangezochte partij of de geldigheid van een notificatie door een autoriteit in de lidstaat van de verzoekende partij wordt betwist door een belanghebbende partij, wordt de rechtsvordering door deze partij voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de verzoekende partij gebracht overeenkomstig de in die lidstaat geldende wetten. De verzoekende partij stelt de aangezochte partij onmiddellijk in kennis van deze rechtsvordering. Ook de belanghebbende partij kan de aangezochte partij over de rechtsvordering inlichten."

b) Lid 3 wordt vervangen door:

Wanneer de betwisting betrekking heeft op uitvoeringsmaatregelen die in de lidstaat van de aangezochte partij zijn genomen, of op de geldigheid van de notificatie door een autoriteit in de lidstaat van de aangezochte partij, wordt de rechtsvordering voor de bevoegde autoriteit van die lidstaat gebracht overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat."

c) Lid 4 wordt vervangen door:

"4. De verzoekende partij licht de aangezochte partij onmiddellijk in over een eventuele latere wijziging van het verzoek tot invordering of over de intrekking van het verzoek, met opgave van de redenen voor die wijziging of intrekking."

d) Het volgende lid 5 wordt toegevoegd:

"5. Als de wijziging van het verzoek het gevolg is van een beslissing van de in artikel 81, lid 1, bedoelde bevoegde autoriteit, deelt de verzoekende partij deze beslissing mee samen met een herziene uniforme titel voor het nemen van executiemaatregelen in de lidstaat van de aangezochte partij. De aangezochte partij gaat dan voort met verdere invorderingsmaatregelen op basis van de herziene titel.

De invorderingsmaatregelen of conservatoire maatregelen die reeds zijn genomen op grond van de oorspronkelijke uniforme titel voor het nemen van executiemaatregelen in de lidstaat van de aangezochte partij, kunnen op grond van de herziene titel worden voortgezet, tenzij de wijziging van het verzoek te wijten is aan de ongeldigheid van de initiële titel voor het nemen van executiemaatregelen in de lidstaat van de verzoekende lidstaat of van de oorspronkelijke uniforme titel voor het nemen van executiemaatregelen in de lidstaat van de aangezochte partij.

De artikelen 79 en 81 zijn van toepassing op de herziene titel."

36.Artikel 82, lid 1, onder b), wordt vervangen door:

"b) de in de artikelen 76 tot en met 81 van de toepassingsverordening bedoelde bijstand te verlenen, als het initiële verzoek op grond van de artikelen 76 tot en met 78 van de toepassingsverordening betrekking heeft op schuldvorderingen die meer dan vijf jaar oud zijn, te rekenen vanaf de vervaldatum van de schuldvordering in de lidstaat van de verzoekende partij tot de datum van het initiële verzoek om bijstand. Als de schuldvordering of de initiële titel voor het nemen van executiemaatregelen in de lidstaat van de verzoekende partij echter wordt betwist, wordt de periode van vijf jaar geacht te beginnen vanaf het ogenblik dat is vastgesteld dat de schuldvordering of de executoriale titel van de schuldvordering niet langer kan worden betwist.

Bovendien wordt – wanneer de autoriteiten in de lidstaat van de verzoekende partij uitstel van betaling hebben verleend of betaling in termijnen hebben toegestaan – de periode van vijf jaar geacht te beginnen vanaf het ogenblik waarop de volledige betalingsperiode is verstreken.

In die gevallen is de aangezochte partij echter niet verplicht bijstand te verlenen met betrekking tot schuldvorderingen die meer dan tien jaar oud zijn, te rekenen vanaf de vervaldatum van de schuldvordering in de lidstaat van de verzoekende partij."

37.Artikel 84 wordt vervangen door:

"Artikel 84

Conservatoire maatregelen

1. Op met redenen omkleed verzoek van de verzoekende partij neemt de aangezochte partij, voor zover haar nationale recht dit toelaat en overeenkomstig haar administratieve gebruiken, conservatoire maatregelen om de invordering te waarborgen wanneer een schuldvordering of de titel voor het nemen van executiemaatregelen in de lidstaat van de verzoekende partij bij de indiening van het verzoek wordt betwist, of wanneer de schuldvordering nog niet het voorwerp vormt van een titel voor het nemen van executiemaatregelen in de lidstaat van de verzoekende lidstaat, voor zover conservatoire maatregelen in een soortgelijke situatie ook op grond van het nationale recht en de administratieve gebruiken van de lidstaat van de verzoekende partij mogelijk zijn.

Het document dat in voorkomend geval is opgesteld om conservatoire maatregelen in de lidstaat van de verzoekende partij mogelijk te maken en dat betrekking heeft op de schuldvordering waarvoor om wederzijdse bijstand is verzocht, wordt aan het verzoek om conservatoire maatregelen in de lidstaat van de aangezochte partij gehecht. In de lidstaat van de aangezochte partij wordt geen erkenning, aanvulling of vervanging van dit document verlangd.

2. Het verzoek om conservatoire maatregelen kan vergezeld gaan van andere documenten met betrekking tot de schuldvordering, die in de lidstaat van de verzoekende partij zijn afgegeven.

3. Voor de uitvoering van het eerste lid zijn de bepalingen en de procedures van de artikelen 78, 79, 81 en 82 van de toepassingsverordening van overeenkomstige toepassing.".

38. Aan artikel 85 wordt na lid 1 het volgende lid 1 bis toegevoegd:

"1 bis Wanneer de kosten met betrekking tot de invordering niet op de debiteur kunnen worden verhaald bovenop het bedrag van de schuldvordering, worden zij in mindering gebracht op het bedrag dat kon worden ingevorderd, of, indien dit niet mogelijk is, door de verzoekende partij vergoed. De verzoekende partij en de aangezochte partij kunnen een specifieke vergoedingsregeling overeenkomen of afzien van de vergoeding van dergelijke kosten."

39.Na artikel 85 wordt het volgende artikel 85 bis toegevoegd:

"Artikel 85 bis

Aanwezigheid in administratieve kantoren en deelname aan administratief onderzoek

1. In onderlinge overeenstemming tussen de verzoekende partij en de aangezochte partij en overeenkomstig de door de aangezochte partij vastgestelde regeling kunnen door de verzoekende partij gemachtigde ambtenaren, met het oog op de bevordering van de in deze afdeling bedoelde wederzijdse bijstand, :

a) aanwezig zijn in de kantoren waar de administratieve autoriteiten van de lidstaat van de aangezochte partij hun taken uitvoeren;

b) aanwezig zijn bij administratief onderzoek op het grondgebied van de lidstaat van de aangezochte partij;

c) de bevoegde ambtenaren van de lidstaat van de aangezochte lidstaat bijstaan bij rechtszaken in die lidstaat.

2. Als de in de lidstaat van de aangezochte partij geldende wetgeving zulks toestaat, kan in de in lid 1, onder b), bedoelde overeenkomst worden bepaald dat ambtenaren van de lidstaat van de verzoekende partij personen mogen ondervragen en dossiers mogen onderzoeken.

3. Door de verzoekende partij gemachtigde ambtenaren die gebruikmaken van de bij de leden 1 en 2 geboden mogelijkheden, moeten te allen tijde een schriftelijke machtiging kunnen voorleggen waarin hun identiteit en hun officiële hoedanigheid zijn vermeld.".

40.Artikel 87 wordt als volgt gewijzigd:

a) In lid 4 wordt de verwijzing naar "artikel 34" geschrapt en vervangen door "artikel 1, punt v ter)",

b) Aan het eind van lid 6 wordt de volgende zin toegevoegd:

"Als het orgaan dat verzocht is de controle uit te voeren, echter ook gebruikmaakt van de bevindingen voor de toekenning van uitkeringen aan de betrokkene volgens de wetgeving die het toepast, vordert het de in de vorige zin bedoelde uitgaven niet terug.".

41.Artikel 89; lid 3, wordt geschrapt.

42.Artikel 92 wordt geschrapt.

43.In artikel 93 wordt "Artikel 87 van de basisverordening is" vervangen door "De artikelen 87 tot en met 87 ter van de basisverordening zijn".

44.Het volgende artikel 94 bis wordt ingevoegd:

"Artikel 94 bis

Overgangsbepaling met betrekking tot werkloosheidsuitkeringen

Tot de inwerkingtreding van Verordening (EU) XXX blijven de artikelen 56 en 70 van de vóór [de datum van inwerkingtreding van Verordening (EU) XXXX] geldende versie van de toepassingsverordening van toepassing op werkloosheidsuitkeringen die zijn toegekend aan personen die vóór die datum werkloos zijn geworden.".

45.Artikel 96 wordt als volgt gewijzigd:

a) De tweede zin van lid 1 wordt vervangen door:

"Met uitzondering van artikel 107 blijft Verordening (EEG) nr. 574/72 evenwel van kracht en behoudt zij haar rechtsgevolgen voor de toepassing van:"

b) Na lid 1 wordt een nieuw lid 1 bis toegevoegd

"1 bis. Voor de toepassing van de in lid 1 bedoelde wetgeving zijn de regels inzake de omrekening van valuta onderworpen aan artikel 90 van deze verordening.".

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1) Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1, rectificatie PB L 200 van 7.6.2004.
(2) Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, PB L 284 van 30.10.2009.
(3) Arbeidskrachtenenquête, 2014.
(4) Pacolet, J. en De Wispelaere, F. Aggregation of periods or salaries for unemployment benefits: Report on U1 portable documents for migrant workers (Network Statistics FMSSFE: 2015) tabel 1 (bijlage XII bij het effectbeoordelingsverslag).
(5) Pacolet, J. en De Wispelaere, F., Export of unemployment benefits – PD U2 Questionnaire, Network Statistics FMSSFE, Europese Commissie, juni 2014.
(6) Dit is een schatting op basis van het jaarverslag over arbeidsmobiliteit van 2015, Europese Commissie (2015), omdat er geen cijfers beschikbaar zijn over het aantal grensarbeiders in de zin van de juridische definitie die is opgenomen in Verordening (EG) nr. 883/2004.
(7) De Coninck, J.: Reply to an ad hoc request for comparative analysis: salary-related child raising benefits, FreSsco - Freemovement of workers and Social security coordination, Europese Commissie, 2015 blz. 9 (bijlage XXV bij het effectbeoordelingsverslag)
(8) PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.
(9) PB L 84 van 31.3.2010, blz.1
(10) http://ec.europa.eu/priorities/publications/president-junckers-political-guidelines_nl
(11) http://ec.europa.eu/priorities/internal-market_en
(12) http://ec.europa.eu/info/law/law-making-process/better-regulation-why-and-how_nl
(13) De Administratieve Commissie bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten. Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland nemen als waarnemer deel. De Administratieve Commissie is verantwoordelijk voor vraagstukken van administratieve of interpretatieve aard die voortvloeien uit de bepalingen van verordeningen over de coördinatie van de sociale zekerheid, en voor het bevorderen en ontwikkelen van de samenwerking tussen EU-landen. De Europese Commissie neemt ook deel aan de vergaderingen voor en verzorgt het secretariaat.
(14) Zie Verordening (EG) nr. 883/2004, artikel 87, lid 10 ter, en artikel 87 bis, lid 2, en Verordening (EG) nr. 987/2009, artikel 86, leden 1, 2 en 3.
(15) De Raad nam in december 2011 het besluit om het effect van de toevoeging van een nieuwe bepaling over werkloosheidsuitkeringen voor zelfstandige grensarbeiders binnen twee jaar na de toepassing ervan te evalueren. Na deze bijeenkomst heeft de Commissie op verzoek van een meerderheid van de lidstaten een verklaring uitgebracht dat de evaluatie een gelegenheid zou zijn om een bredere discussie aan te gaan over de huidige coördinatiebepalingen op het gebied van werkloosheidsuitkeringen en de noodzaak van herziening van de beginselen daarvan te beoordelen.
(16) http://ec.europa.eu/yourvoice/consultations/index_nl.htm
(17) Verslag van de trESS-denktank van 2010, Analysis of selected concepts of the regulatory framework and practical consequences on the social security coordination; Verslag van de trESS-denktank van 2011, Coordination of long-term care benefits-current situation and future prospects; 2012 Analytical Study on the Legal impact assessment for the revision of Regulation 883/2004 with regard to the coordination of long-term care benefits, en Verslag van de trESS-denktank van 2012, Coordination of unemployment benefits (alle verslagen zijn beschikbaar op www.tress-network.org).
(18) WDC (2016) 460.
(19) Hieraan hebben de volgende diensten deelgenomen: DG CNECT; DG ECFIN; DG ENER; DG ESTAT; DG FISMA; DG GROW; DG HOME; DG JUST; de Juridische dienst; DG MOVE; DG NEAR; DG REGIO, DG RTD; DG SANTE, SEC GEN; DG TAXUD, DG TRADE.
(20) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(21) Rapport van de trESS-denktank van 2011, Coordination of long-term care benefits-current situation and future prospects ( http://www.tress-network.org/tress2012/EUROPEAN%20RESOURCES/EUROPEANREPORT/trESSIII_ThinkTankReport-LTC_20111026FINAL_amendmentsEC-FINAL.pdf ).
(22) Zaak C-160/96, Molenaar EU:C:1998:84, zaak C-215/99, Jauch EU:C:2001:139; Zaken C-502/01 en C-31/02, Gaumain-Cerri en Barth, EU:C:2004:413.
(23) Zaak C-282/89, Antonissen, EU:C:1991:80. Zie ook zaak C-67/14, Alimanovic, EU:C:2015:597, punt 57.
(24) PB L 28 van 31.1.2014, blz. 17.
(25) Aanbeveling nr. U1 van 12 juni 2009 betreffende de wetgeving welke van toepassing is op werklozen die in deeltijd beroeps- of handelsactiviteiten verrichten op het grondgebied van een andere lidstaat dan die op het grondgebied waarvan zij wonen, PB C 106 van 24.4.2010, blz. 49.
(26) COM(2015) 216 final.
(27) PB L 84 van 31.3.2010.
(28) COM(2013) 837 final.
(29) Bijvoorbeeld arrest FTS, zaak C-202/97, punt 51, EU:C:2000:75, zaak C-2/05 Herbosch Kiere, punt 22, EU:C:2006:69.
(30) Pacolet J and De Wispelaere F Recovery Procedures Report (Network Statistics FMSSFE: 2015), opgesteld overeenkomstig de evaluatieverplichtingen van artikel 86, lid 3, van Verordening (EG) nr. 987/2009.
(31) PB L 74 van 27.3.1972, blz. 1-83. (bijzondere uitgave in het Engels: serie I, volume 1972(I), blz. 160-233).
(32) PB C , blz. .
(33) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(34) PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.
(35) COM(2013) 269 final.
(36) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1-14.
(37) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(38) PB L 150 van 10.6.2008, blz. 28.
(39) PB L 84 van 31.3.2010, blz. 1.
(40) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(41) PB L 28 van 31.1.2014, blz. 17.
(42) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1-88.
(43) COM(2015) 216 final.
(44) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(45) PB L 28 van 31.1.2014, blz. 17.
(46) PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.
(47) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13-18.
(48) [To be inserted].
(49) PB L 84 van 31.3.2010, blz. 1.
(50) PB 2010/C 149/5.
(51) [To be inserted].
(52) PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.
(53) [To be inserted].
(54) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13-18.
(55) PB L 84 van 31.3.2010, blz. 4.

Straatsburg, 13.12.2016

COM(2016) 815 final

BIJLAGE

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004

(Voor de EER en Zwitserland relevante tekst)

{SWD(2016) 460 final}
{SWD(2016) 461 final}


1.Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a) Deel I wordt als volgt gewijzigd:

I.de rubriek "SLOWAKIJE" wordt vervangen door:

"SLOWAKIJE

De vervangende uitkering voor onderhoudsverplichtingen voor kinderen (betaling van onderhoudsverplichtingen voor kinderen) ingevolge Wet nr. 452/2004 Coll. betreffende de vervangende uitkering voor onderhoudsverplichtingen voor kinderen, zoals gewijzigd en aangevuld bij de gezinswet nr. 36/2005 Coll., zoals gewijzigd en aangevuld bij latere verordeningen";

II.De rubriek "ZWEDEN" wordt vervangen door:

"ZWEDEN

Onderhoudssteun (hoofdstuk 17 tot en met 19 van het Wetboek voor sociale verzekeringen)".

b)Deel II wordt als volgt gewijzigd:

I.de rubriek "HONGARIJE" wordt geschrapt;

II.de rubriek "ROEMENIË" wordt geschrapt;

III.er wordt een nieuwe rubriek toegevoegd na de rubriek "FINLAND" met de volgende inhoud:

"ZWEDEN

Uitkering bij adoptie (hoofdstuk 21 van het Wetboek voor sociale verzekeringen (2001: 110))."

2.In bijlage II wordt de rubriek "SPANJE-PORTUGAL" geschrapt.

3.In bijlage III worden de rubrieken "ESTLAND", "SPANJE", "KROATIË", "ITALIË", "LITOUWEN", "HONGARIJE", "NEDERLAND", "FINLAND" en "ZWEDEN" geschrapt.

4.Bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

a)de rubriek "ESTLAND" wordt ingevoegd na "DUITSLAND";

b)de rubriek "LITOUWEN" wordt ingevoegd na "CYPRUS ";

c)de rubriek "MALTA" wordt ingevoegd na "HONGARIJE";

d)de rubriek "PORTUGAL" wordt ingevoegd na "POLEN";

e)de rubriek "ROEMENIË" wordt ingevoegd na "PORTUGAL";

f)de rubriek "SLOWAKIJE" wordt ingevoegd na "SLOVENIË";

f)de rubriek "FINLAND" wordt ingevoegd na "SLOWAKIJE";

h)de rubriek "VERENIGD KONINKRIJK" wordt ingevoegd na "ZWEDEN".

5.Bijlage X wordt als volgt gewijzigd:

a) de rubriek "TSJECHIË" wordt geschrapt;

b) in de rubriek "DUITSLAND" wordt punt b) vervangen door:

"b) Uitkeringen ter dekking van eerste levensbehoeften in het kader van de basisvoorziening voor werkzoekenden overeenkomstig deel II van het Sociaal Wetboek).";

c) in de rubriek "ESTLAND":

I.wordt punt a) geschrapt;

II.wordt in punt b) "." vervangen door ";" en wordt een nieuw punt toegevoegd:

"c) Begrafenisuitkering (Wet uitkeringen door de overheid betaalde uitvaart van 8 november 2000).";

d) in de rubriek "HONGARIJE" wordt in punt b) ";" vervangen door "." en wordt punt c) geschrapt;

e) de volgende rubriek "ROEMENIË" wordt ingevoegd na de rubriek "PORTUGAL":

"ROEMENIË

Sociale toelage voor gepensioneerden (noodverordening nr. 6/2009 van de regering tot vaststelling van een gegarandeerd sociaal minimumpensioen, bekrachtigd bij Wet nr. 196/2009).";

f) de rubriek "SLOVENIË" wordt geschrapt;

g) de rubriek "ZWEDEN" wordt vervangen door:

"ZWEDEN

a) Huisvestingstoeslag voor gepensioneerden (hoofdstuk 99 tot en met 103 van het Wetboek voor sociale verzekeringen);

b) Onderhoudssteun voor ouderen (hoofdstuk 74 van het Wetboek voor sociale verzekeringen).";

h) in de rubriek "VERENIGD KONINKRIJK" wordt "." aan het einde van punt e) vervangen door ";" en wordt het volgende punt toegevoegd:

"f) Persoonlijke onafhankelijkheidsuitkering (personal independence payment), mobiliteitscomponent (in Britse wetgeving, deel 4 van de Bijstandsherzieningswet (Welfare Reform Act) 2012 en in de Noord-Ierse wetgeving, deel 5 van de Bijstandsherzieningswet (Welfare Reform (Northern Ireland) Order) 2015 (S.I. 2015/2006 (N.I. 1).".

6.Bijlage XI wordt als volgt gewijzigd:

a)In de rubriek "TSJECHIË" wordt het huidige punt genummerd als punt "1." en wordt daarna een nieuw punt toegevoegd met de volgende inhoud:

"2. Niettegenstaande de artikelen 5 en 6 van deze verordening kunnen voor de toekenning van de aanvullende uitkering voor de tijdvakken van verzekering die zijn vervuld krachtens de wetgeving van de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federale Republiek, uitsluitend de op grond van de Tsjechische wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking worden genomen om te voldoen aan de voorwaarde van minstens één jaar Tsjechische pensioenverzekering binnen de vastgestelde termijn na de datum van ontbinding van de Federatie (artikel 106a, lid 1, onder b), van Wet nr. 155/1995 Verz. inzake pensioenverzekering).";

b)In de rubriek "DUITSLAND" wordt punt 3 vervangen door:

"3.Voor de toekenning van uitkeringen uit hoofde van artikel 47, lid 1, van Sozialgesetzbuch V, artikel 47, lid 1, van het Sozialgesetzbuch VII en artikel 24i van het Sozialgesetzbuch V aan in een andere lidstaat wonende verzekerden wordt het netto-inkomen dat de grondslag vormt voor de uitkering, door de Duitse verzekeringsstelsels berekend alsof de verzekerde in Duitsland woonde, tenzij de verzekerde verzoekt om een berekening op basis van het werkelijk ontvangen nettoloon. Voor de toekenning van een uitkering bij ouderschapsverlof uit hoofde van de federale wet op de ouderschapstoelage en het ouderschapsverlof (BEEG) aan in een andere lidstaat wonende personen berekent het bevoegde orgaan voor de Duitse uitkering bij ouderschapsverlof het gemiddelde maandelijkse inkomen overeenkomstig artikel 2c tot en met 2f van de wet, dat wordt gebruikt om uitkeringen te beoordelen, alsof de betrokkene in Duitsland woonde. Daarbij kan zij/hij, indien belastingschijf IV van toepassing is uit hoofde van de tweede zin van artikel 2e, lid 3, van de BEEG omdat de begunstigde tijdens de beoordelingsperiode niet in een Duitse belastingschijf was ingedeeld, erom verzoeken dat de uitkering bij ouderschapsverlof wordt beoordeeld op basis van haar/zijn werkelijke netto-inkomsten als belast in de lidstaat waar hij/zij woont.";

c)In de rubriek "ESTLAND" wordt het huidige punt genummerd als punt 1 en wordt een nieuw punt 2 ingevoegd:

"2. Voor de berekening van de arbeidsgeschiktheidstoelage pro rata overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening worden in Estland vervulde tijdvakken van wonen in aanmerking genomen vanaf de leeftijd van 16 jaar tot aan het tijdstip waarop de gebeurtenis plaatsvond.";

d)In de rubriek "NEDERLAND" wordt het volgende punt ingevoegd na punt 1, onder f):

"f bis). Elke persoon als bedoeld in artikel 69, lid 1, van de Zorgverzekeringswet die, op de laatste dag van de maand voorafgaand aan die waarin zij/hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, een pensioen of een uitkering ontvangt dat/die op grond van punt f) van deze rubriek wordt behandeld als een op grond van de Nederlandse wetgeving verschuldigd pensioen, wordt beschouwd als een aanvrager van een pensioen voor de toepassing van artikel 22 van deze verordening tot zij/hij de in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet bedoelde pensioenleeftijd bereikt.";

e)De volgende rubriek "SLOWAKIJE" wordt ingevoegd na de rubriek "OOSTENRIJK":

"SLOWAKIJE

Niettegenstaande de artikelen 5 en 6 van deze verordening kunnen voor de toekenning van de aanvullende uitkering voor de tijdvakken van verzekering die zijn vervuld krachtens de wetgeving van de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federale Republiek, uitsluitend de op grond van de Slowaakse wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking worden genomen om te voldoen aan de voorwaarde van minstens één jaar Slowaakse pensioenverzekering binnen de vastgestelde termijn na de datum van ontbinding van de Federatie (artikel 69b, lid 1, onder b), van Wet nr. 461/2003 Verz. inzake sociale verzekering).";

f)In de rubriek "ZWEDEN":

I.worden de punten 1 en 2 geschrapt;

II.wordt in punt 3 "(Wet 2000:798)" vervangen door:

"(hoofdstuk 6 van de Wet betreffende de toepassing van het Wetboek voor sociale verzekeringen betreffende hoofdstuk 53 tot en met 74)";

III.wordt:

in de titel van punt 4 de verwijzing naar "hoofdstuk 8 van Lag (1962:381) om allmän försäkring (de Volksverzekeringswet)" vervangen door "hoofdstuk 34 van het Wetboek voor sociale verzekeringen";

wordt in punt 4, onder b), de verwijzing naar "hoofdstuk 8, rubrieken 2 en 8, van bovengenoemde wet" vervangen door "hoofdstuk 34, secties 3, 10 en 11 van bovengenoemde wet" en de verwijzing naar "de Wet op inkomensgerelateerde ouderdomspensioenen (1998:674)" vervangen door "hoofdstuk 59 van het Wetboek voor sociale verzekeringen";

IV.wordt in punt 5, onder a), de verwijzing naar "(Wet 2000:461)" vervangen door "(hoofdstuk 82 van het Wetboek voor sociale verzekeringen)".

g)In de rubriek "VERENIGD KONINKRIJK":

I.worden de punten 1 en 2 vervangen door:

"1. Wanneer een persoon die vóór 6 april 2016 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, overeenkomstig de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk recht op ouderdomspensioen heeft:

a) indien de premies van een voormalige echtgenoot of geregistreerde partner als eigen premies van de betrokkene worden aangemerkt, of

b) indien de relevante premievoorwaarden door de echtgenoot, geregistreerde partner, voormalige echtgenoot of voormalige geregistreerde partner van de betrokkene vervuld zijn, dan zijn voor de vaststelling van rechten onder de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk de bepalingen van titel III, hoofdstuk 5, van deze verordening van toepassing, mits de echtgenoot, geregistreerde partner, voormalige echtgenoot of voormalige geregistreerde partner in beide gevallen werkzaamheden, al dan niet in loondienst, uitoefent of uitgeoefend heeft, en onderworpen is of was aan de wetgeving van twee of meer lidstaten. In dat geval worden verwijzingen in genoemd hoofdstuk 5 naar "tijdvakken van verzekering" opgevat als tijdvakken van verzekering vervuld door:

i) een echtgenoot, geregistreerde partner, voormalige echtgenoot of voormalige geregistreerde partner, indien de aanvraag wordt ingediend door:

een gehuwde persoon of geregistreerde partner, of

een persoon van wie het huwelijk of het geregistreerde partnerschap op andere wijze is beëindigd dan door het overlijden van de echtgenoot of de geregistreerde partner, of

ii) een voormalige echtgenoot of geregistreerde partner, indien de aanvraag wordt ingediend door:

een weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner die onmiddellijk vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geen recht had op een uitkering voor een ouder die weduwe/weduwnaar is (widowed parent’s allowance), of

een weduwe wier echtgenoot vóór 9 april 2001 overleden is, die onmiddellijk vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geen recht had op een uitkering voor een moeder-weduwe (widowed mother’s allowance), een uitkering voor een ouder die weduwe/weduwnaar is (widowed parent’s allowance) of een weduwepensioen, of die alleen recht heeft op een leeftijdsgebonden weduwepensioen berekend overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder b), van deze verordening, waarbij "leeftijdsgebonden weduwepensioen" betekent dat voor het weduwepensioen overeenkomstig Section 39(4), Social Security Contributions and Benefits Act 1992, een verminderd tarief geldt.

Dit punt is niet van toepassing op de personen die op of na 6 april 2016 de pensioengerechtigde leeftijd bereiken.

2. Voor de toepassing van artikel 6 van deze verordening op de bepalingen inzake het recht op de verzorgingstoelage (attendance allowance), de toelage voor de verzorging van invaliden (carer’s allowance) de uitkering voor levensonderhoud bij arbeidsongeschiktheid (disability living allowance) en de persoonlijke onafhankelijkheidsuitkering (personal independence payment) wordt een tijdvak van al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheden of van wonen op het grondgebied van een andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk in aanmerking genomen voor zover dit noodzakelijk is om te voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot de vereiste tijdvakken van aanwezigheid in het Verenigd Koninkrijk voorafgaand aan de datum waarop het recht op de betreffende toelage of uitkering ontstaat."

II.wordt punt 4 vervangen door:

"4.Wanneer artikel 46 van deze verordening van toepassing is, neemt het Verenigd Koninkrijk, indien de betrokkene arbeidsongeschikt en vervolgens invalide wordt terwijl hij onder de wetgeving van een andere lidstaat valt, voor de toepassing van Section 30A(5) van de Social Security Contributions and Benefits Act 1992, deel 1 van de Bijstandsherzieningswet (Welfare Reform Act) 2007 of de overeenkomstige bepalingen voor Noord-Ierland elk tijdvak in aanmerking waarin de betrokkene wegens deze arbeidsongeschiktheid overeenkomstig de wetgeving van die andere lidstaat:

i)uitkeringen wegens ziekte of loon of salaris in plaats daarvan, of

ii)uitkeringen in de zin van hoofdstuk 4 en 5 van titel III van deze verordening die zijn toegekend wegens de invaliditeit die op die arbeidsongeschiktheid gevolgd is, op grond van de wetgeving van de andere lidstaat,

alsof het, naar gelang van het geval, uitkeringen bij tijdvakken van arbeidsongeschiktheid van korte duur betrof overeenkomstig Sections 30A(1)-(4) van de Social Security Contributions and Benefits Act 1992, werk- en inkomensgerelateerde steun (evaluatiefase) betaald in overeenstemming met deel 1 van de Bijstandsherzieningswet (Welfare Reform Act) 2007 of de overeenkomstige bepalingen voor Noord-Ierland.

Voor de toepassing van deze bepaling wordt uitsluitend rekening gehouden met tijdvakken gedurende welke de betrokkene arbeidsongeschikt zou zijn geweest in de zin van de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk.".

7.Na bijlage XI worden de volgende bijlagen ingevoegd:

"BIJLAGE XII

UITKERINGEN BIJ LANGDURIGE ZORG VERSTREKT IN AFWIJKING VAN ARTIKEL 35 BIS, LID 1, VAN HOOFDSTUK I BIS

(artikel 35 bis, lid 3)";

"BIJLAGE XIII

GEZINSUITKERINGEN DIE BEDOELD ZIJN TER VERVANGING VAN INKOMEN GEDURENDE TIJDVAKKEN VAN KINDEROPVOEDING

(artikel 68 ter)".

Deel I Gezinsuitkeringen die bedoeld zijn ter vervanging van inkomen gedurende tijdvakken van kinderopvoeding

(artikel 68 ter, lid 1)

Deel II Lidstaten die de in artikel 65 ter, lid 1, bedoelde gezinsuitkeringen volledig toekennen

(artikel 68 ter, lid 2)."