Brussel, 30.11.2016

COM(2016) 765 final

2016/0381(COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen

(Voor de EER relevante tekst)

{SWD(2016) 408 final}
{SWD(2016) 409 final}
{SWD(2016) 414 final}
{SWD(2016) 415 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

   Motivering en doel van het voorstel

"Energie-efficiëntie eerst" is een essentieel element van de energie-unie – met dit voorstel wordt het in de praktijk toegepast.

Het enorme potentieel voor efficiëntiewinst in de bouwsector benutten is een van de manieren om de energie-efficiëntie te verhogen. 40 % van de eindenergie gaat naar de bouwsector, die daarmee de grootste energieverbruiker van Europa is. Ongeveer 75 % van de gebouwen is energie-inefficiënt en, afhankelijk van de lidstaat, wordt elk jaar slechts 0,4 tot 1,2 % van het gebouwenbestand gerenoveerd.

De belangrijkste doelstelling van dit voorstel is de kosteneffectieve renovatie van bestaande gebouwen te versnellen, wat een win-winsituatie voor de gehele EU-economie kan opleveren. In feite heeft de Europese bouwsector het potentieel om een antwoord te bieden op een aantal economische en maatschappelijke uitdagingen zoals werkgelegenheid en groei, verstedelijking, digitalisering, demografische veranderingen, en tegelijkertijd op uitdagingen op het gebied van energie en klimaat.

De bouwsector draagt ongeveer 9 % bij aan het Europese bbp en biedt rechtstreekse werkgelegenheid aan 18 miljoen mensen. Bouwwerkzaamheden die renovatiewerken en energiegerelateerde vernieuwingen omvatten, voegen bijna tweemaal zoveel waarde toe als de bouw van nieuwe gebouwen, en kmo’s dragen meer dan 70 % bij aan de toegevoegde waarde van de bouwsector in de EU 1 .

In overeenstemming met de bovengenoemde doelstellingen voorziet dit voorstel in de actualisering van de richtlijn energieprestatie van gebouwen (hierna "de REPG" 2 genoemd) door:

langetermijnstrategieën voor de renovatie van gebouwen te integreren (artikel 4 van de richtlijn energie-efficiëntie), de mobilisering van financiering te ondersteunen en een duidelijke visie te ontwikkelen voor een koolstofvrij gebouwenbestand tegen 2050;

het gebruik van ICT en slimme technologieën te stimuleren om ervoor te zorgen dat gebouwen efficiënt werken; en

bepalingen te stroomlijnen indien ze niet de verwachte resultaten hebben opgeleverd.

Dit voorstel voorziet concreet in systemen voor de automatisering en controle van gebouwen als alternatief voor fysieke keuringen, stimuleert de uitrol van de infrastructuur die nodig is voor
e-mobiliteit (waarbij de nadruk op grote commerciële gebouwen ligt en een uitzondering wordt gemaakt voor openbare gebouwen en kmo’s), en voorziet in een slimheidsindicator om na te gaan in welke mate het gebouw op technologisch vlak klaar is om te interageren met de bewoners en het net en om zichzelf efficiënt te beheren. Deze actualisering van de REPG zal het verband tussen publieke middelen voor de renovatie van gebouwen en energieprestatiecertificaten versterken, en stimulansen bieden voor de bestrijding van energiearmoede door middel van de renovatie van gebouwen.

Beter presterende gebouwen bieden meer comfort en welzijn aan de bewoners, en leiden tot een betere gezondheid door de sterfte- en ziektecijfers die worden veroorzaakt door een slecht binnenklimaat te verminderen. Voldoende verwarmde en geventileerde woningen verzachten de schadelijke effecten van vochtigheid op de gezondheid, met name bij kwetsbare groepen zoals kinderen, ouderen en mensen met vooraf bestaande ziekten.

De energieprestatie van gebouwen heeft ook een grote invloed op de betaalbaarheid van huisvesting en op energiearmoede. Door energiebesparingen en efficiëntieverbeteringen van het woningbestand zouden veel huishoudens aan energiearmoede kunnen ontsnappen. Door dit voorstel zouden 515 000 tot 3,2 miljoen huishoudens in de EU uit de energiearmoede gehaald kunnen worden (van de in totaal 23,3 miljoen huishoudens die in energiearmoede leven - Eurostat).

Om ervoor te zorgen dat dit voorstel zo veel mogelijk effect heeft, zal het initiatief "Slimme financiering voor slimme gebouwen" bijdragen tot het vrijmaken en aantrekken van particuliere investeringen op grotere schaal. In het kader van het investeringsplan voor Europa, met inbegrip van het Europees Fonds voor strategische investeringen en de Europese structuur- en investeringsfondsen, zal dit initiatief er mee voor zorgen dat openbare middelen doeltreffend worden besteed, en ontwikkelaars en investeerders worden ondersteund om goede ideeën volledig uit te werken door te voorzien in meer projectontwikkelingsbijstand en mechanismen voor de samenvoeging van projecten. Uiteindelijk zal het initiatief "Slimme financiering voor slimme gebouwen" vertrouwen wekken en meer investeerders in de markt voor energie-efficiëntie aantrekken.

In het voorstel wordt rekening gehouden met de resultaten van een herzieningsprocedure die is gebaseerd op een brede openbare raadpleging, studies en vergaderingen met belanghebbenden, en wordt ondersteund door een evaluatie en een effectbeoordeling.

Alleen de artikelen van de richtlijn die moeten worden geactualiseerd voor 2030 zijn in dit voorstel opgenomen.

   Samenhang met de huidige bepalingen op dit beleidsgebied

Bij de evaluatie die aan deze herziening voorafging, werd geconcludeerd dat de REPG in overeenstemming is met andere EU-wetgeving. Daarnaast is het voorstel in overeenstemming met de andere elementen van het pakket inzake schone energie voor alle Europeanen, zoals de nieuwe verordening betreffende governance en de actualisering van de wetgeving op het gebied van hernieuwbare energie. De REPG zal rechtstreeks bijdragen tot de voorgestelde doelstelling van de richtlijn energie-efficiëntie (hierna "de REE" genoemd) om de energie-efficiëntie met 30 % te verhogen tegen 2030. Zij vormt een aanvulling op maatregelen die de lidstaten moeten nemen op grond van de REE en de EU-wetgeving inzake de energie-efficiëntie van producten. In de wetgeving inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering zijn eisen vastgesteld voor de energie-efficiëntie van bouwgerelateerde producten zoals boilers, en de lidstaten stellen tevens minimumeisen inzake de energieprestatie van geïnstalleerde, vernieuwde of vervangen onderdelen van gebouwen vast in hun nationale bouwvoorschriften. Onderdelen van gebouwen bestaan meestal uit verschillende producten, bv. een verwarmingssysteem bestaat uit een boiler, pijpleidingen en regeleenheden. De samenhang wordt geval per geval gewaarborgd tijdens het ontwikkelingsproces van specifieke uitvoeringsmaatregelen voor ecologisch ontwerp en/of energie-etikettering, rekening houdend met de in de REPG vastgestelde eisen. Zo werd besloten om geen eisen inzake ecologisch ontwerp vast te stellen voor thermische isolatie, aangezien de nationale uitvoering van de REPG hierin reeds afdoende voorziet.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

   Rechtsgrondslag

De REPG is gebaseerd op artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat de rechtsgrondslag vormt voor een EU-beleid ter bevordering van energie-efficiëntie en energiebesparing. Aangezien het Verdrag een specifieke rechtsgrondslag voor maatregelen op energiegebied bevat, wordt het passend geacht om deze te gebruiken voor het onderhavige voorstel.

   Subsidiariteit (voor niet-exclusieve bevoegdheden)

Een collectieve EU-aanpak is voordelig om meerdere redenen.

De aanpak van de energieprestatie van gebouwen op EU-niveau biedt in de eerste plaats een meerwaarde omdat een interne markt wordt gecreëerd waarin het concurrentievermogen van de EU wordt ondersteund, de synergieën met het klimaatbeleid worden benut en de nationale regelgeving voor de bouwsector wordt gemoderniseerd in de hele EU.

Ten tweede heeft de financiële sector nood aan een betere vergelijkbaarheid van de energieprestatiemetingen in de hele EU. Financiële instellingen hebben duidelijk aangegeven dat er inspanningen op zowel nationaal/lokaal als EU-niveau nodig zijn om publieke en particuliere investeringen doeltreffender te maken, en om bij te dragen aan de ontwikkeling van aantrekkelijke financieringsproducten op de markt.

Ten derde verschillen de in de bouwvoorschriften vastgestelde eisen, de bouwtypologieën, en de lokale en klimatologische omstandigheden weliswaar van land tot land, maar er zijn ook multinationale gebruikers. Eigenaars van ketens in de dienstverlening (zoals supermarkten of hotels) hebben verzocht om meer eenvormige en vergelijkbare certificeringsmethoden voor de energieprestatie van gebouwen.

Ten slotte leiden maatregelen op EU-niveau tot een modernisering van de nationale regelgeving voor de bouwsector, waardoor bredere markten worden opengesteld voor innovatieve producten en de kosten worden beperkt. Voordat de REPG van 2002 werd vastgesteld, hadden veel lidstaten geen eisen inzake energie-efficiëntie of steunregelingen opgenomen in hun regelgeving en bouwvoorschriften. Als gevolg van de richtlijnen van 2002 en 2010 hebben alle lidstaten nu eisen inzake energie-efficiëntie voor bestaande en nieuwe gebouwen vastgesteld in hun bouwvoorschriften. Als gevolg van de REPG van 2010 zijn de nationale bouwvoorschriften aanzienlijk gemoderniseerd doordat het concept van kostenoptimaliteit werd geïntroduceerd, en vervolgens eisen inzake bijna-energieneutraliteit werden vastgesteld.

De voorgestelde wijzigingen zijn in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, en de lidstaten zullen evenveel flexibiliteit behouden als nu het geval is, waardoor aanpassing aan de nationale en lokale omstandigheden mogelijk is (bv. type gebouw, klimaat, kosten voor vergelijkbare technologieën op het gebied van hernieuwbare energie en toegankelijkheid, waarborgen van een optimale combinatie met maatregelen aan de vraagzijde, bebouwingsdichtheid enz.)

   Evenredigheid

Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaan de voorgestelde wijzigingen niet verder dan nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken.

Zoals hierboven uiteengezet, is het EU-beleid inzake energie-efficiëntie behoedzaam uitgebreid, waarbij de werkingssfeer wordt beperkt tot de gebieden waar dit beleid noodzakelijk is om de energie-efficiëntiedoelstellingen te verwezenlijken. Dit wordt behandeld in deel 3 van de effectbeoordeling. Het toepassingsgebied van de wijzigingen blijft beperkt tot de aspecten die een optreden van de Unie vereisen.

   Keuze van het instrument

Een richtlijn is het geschikte instrument om naleving door de lidstaten te waarborgen, waarbij ze de ruimte krijgen om aanpassingen door te voeren naargelang de verschillende nationale en regionale kenmerken. Bij een verordening zou dit element van flexibiliteit niet mogelijk zijn. Tijdens de raadpleging hebben verschillende lidstaten en belanghebbenden er nadrukkelijk op gewezen dat deze combinatie van handhaving en flexibiliteit de beste optie en het juiste instrument is voor het beleid op dit gebied.

Aangezien dit voorstel een bestaande richtlijn wijzigt, is een wijzigingsrichtlijn bovendien het enige geschikte instrument.

3.RESULTATEN VAN EX-POSTEVALUATIES, RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN

   Ex-postevaluaties van bestaande wetgeving

Uit de evaluatie blijkt dat de richtlijn doeltreffend is en dat de algemene en specifieke doelstellingen worden verwezenlijkt. De uitvoering tot dusver toont aan dat er in het algemeen goed werk is geleverd wat betreft de vier andere onderzochte criteria: efficiëntie, relevantie, coherentie en meerwaarde van de EU.

De evaluatie resulteerde in de onderstaande belangrijkste bevindingen en lessen in verband met de uitvoering, de ruimte om de werking van sommige bepalingen te verbeteren en de technologische vooruitgang te benutten teneinde het koolstofvrij maken van gebouwen te versnellen.

Belangrijkste bevindingen

Er zijn bewijzen dat ongeveer 48,9 Mtoe extra werd bespaard op eindenergie in 2014 in vergelijking met het in de REPG vastgestelde referentiejaar 2007. Deze besparingen zijn voornamelijk gerealiseerd binnen het toepassingsgebied van de REPG – ruimteverwarming, koeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden – en een aanzienlijk deel kan worden toegeschreven aan factoren die worden beïnvloed door beleidsmaatregelen.

De besparing van 48,9 Mtoe in 2014 lijkt bijgevolg in overeenstemming te zijn met de effectbeoordeling van 2008 ter ondersteuning van de REPG, waarin werd geraamd dat de REPG een besparing van 60 tot 80 Mtoe op eindenergie zou opleveren tegen 2020.

Uit de evaluatie blijkt dat de algemene opzet van de richtlijn, namelijk een combinatie van minimumeisen en certificering, functioneert, met name voor nieuwe gebouwen. De toepassing van de kostenoptimale methodologie bleek een doeltreffende aanpak te zijn om de huidige nationale eisen inzake energieprestatie naar een kostenefficiënt niveau te tillen.

De doelstelling om alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutraal te maken tegen 2020 heeft gezorgd voor een toekomstbestendige visie voor de sector, en de belanghebbenden hebben dienovereenkomstig actie ondernomen. Voor bestaande gebouwen is er echter niet evenveel ambitie.

Bijgevolg bestaat er nog steeds een aanzienlijk potentieel voor kosteneffectieve energiebesparing in de bouwsector. De grootste uitdaging voor de komende decennia bestaat erin het tempo, de kwaliteit en de doeltreffendheid van de renovatie van gebouwen te verhogen. De door de lidstaten ontwikkelde langetermijnstrategieën inzake renovatie uit hoofde van artikel 4 van de REE moeten tot hogere renovatiepercentages leiden doordat financiering wordt vrijgemaakt en de renovatie van gebouwen wordt gestimuleerd. Deze strategieën moeten een duidelijke toekomstgerichte visie omvatten voor 2030 en 2050, waarbij voldoende marktsignalen uitgaan naar huishoudens, eigenaars/beheerders van gebouwen, ondernemingen en investeerders.

De certificering van de energieprestatie van gebouwen levert een vraaggestuurd marktsignaal voor energie-efficiënte gebouwen op, waarmee het beoogde doel wordt verwezenlijkt om consumenten aan te moedigen energie-efficiëntere gebouwen te kopen of te huren. Uit de evaluatie blijkt evenwel dat de nationale certificeringsregelingen en onafhankelijke controlesystemen in verschillende lidstaten nog in de beginfase zitten, en hun nut kan worden verbeterd.

Door de diversiteit en uitsplitsing van de waardeketen in de bouwsector blijft het moeilijk om betrouwbare gegevens te verkrijgen over de kenmerken van gebouwen, het energieverbruik en de financiële gevolgen van renovatie wat kostenbesparingen of de waarde van activa betreft. Dit algemeen gebrek aan gegevens heeft negatieve gevolgen op de marktperceptie van het kosteneffectief energiebesparingspotentieel van het gebouwenbestand in de EU, en op de handhaving, controle en evaluatie van de Richtlijn. Bestaande registers/databanken voor energieprestatiecertificaten ("EPC's") kunnen een essentieel instrument vormen om de naleving te versterken, de kennis over het gebouwenbestand te vergroten, beleidsmakers beter te informeren en besluiten van marktdeelnemers te ondersteunen.

Ruimte voor verbetering

Uit de evaluatie blijkt dat tekortkomingen op het gebied van regelgeving relatief beperkt zijn gebleven. Er is evenwel ruimte om achterhaalde eisen te vereenvoudigen en te stroomlijnen, en om de naleving te versterken door de bestaande bepalingen af te stemmen en ze beter te koppelen aan financiële steun. Daarnaast is het noodzakelijk om de richtlijn te moderniseren in het licht van de technologische ontwikkelingen, om het renovatietempo van gebouwen te verhogen en tevens het koolstofvrij maken van gebouwen op lange termijn te ondersteunen.

In de evaluatie wordt vermeld welke aspecten van de nationale omzetting en uitvoering verder kunnen worden uitgewerkt door betere handhaving, nalevingscontrole en evaluatie. Daarnaast werd gewezen op mogelijkheden om achterhaalde bepalingen te vereenvoudigen of te moderniseren, en bestaande bepalingen te stroomlijnen in het licht van de technologische vooruitgang, met name:

de eis om een beoordeling te maken van de technische, milieugerelateerde en economische haalbaarheid van alternatieve systemen met een hoog rendement als bedoeld in artikel 6, lid 1, van de REPG is in feite overbodig, omdat de verplichting om alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutraal te maken impliciet inhoudt dat de lokaal beschikbare alternatieve systemen met een hoog rendement beoordeeld moeten worden. Deze in artikel 6, lid 1, vastgestelde eis wordt een overbodige last en wordt bijgevolg geschrapt;

de regelmatige keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen als bedoeld in de artikelen 14 en 15 van de REPG zorgt ervoor dat de gebouwen in de loop der tijd efficiënt werken. De optie om te kiezen voor alternatieve maatregelen wordt geschrapt, omdat dergelijke maatregelen niet doeltreffend zijn gebleken. Deze optie wordt vervangen door de mogelijkheid om gebruik te maken van elektronisch toezicht- en controlesystemen, die een kosteneffectief alternatief voor keuringen blijken te zijn.

De technologische vooruitgang naar "slimmere" bouwsystemen biedt namelijk mogelijkheden voor een efficiëntere uitvoering van de REPG en schept ook gunstige voorwaarden om: consumenten en investeerders te informeren over operationeel energieverbruik; aanpassingen door te voeren naargelang de behoeften van de gebruiker; de efficiënte en comfortabele werking van gebouwen te leiden; oplaadpunten voor elektrische voertuigen te integreren; te voorzien in energieopslag, en de vraagrespons te ondersteunen in een gemoderniseerde elektriciteitsmarkt.

   Raadplegingen van belanghebbenden

De evaluatie is in juni 2015 van start gegaan. Er werd gekeken naar de vroegere en huidige prestatie op basis van de beoordeling van de uitkomsten, resultaten en effecten van de REPG met het oog op doeltreffendheid, doelmatigheid, relevantie, samenhang en toegevoegde waarde van maatregelen op EU-niveau. Tot de belangrijkste informatiebronnen behoorden een literatuuronderzoek, informatie over de uitvoering van het huidige beleid, analyses van eerdere controle- en evaluatieactiviteiten, input van belanghebbenden en specifieke studies en projecten.

De belanghebbenden zijn geraadpleegd via:

een online openbare raadpleging, die van 30 juni 2015 tot 31 oktober 2015 is gehouden;

overeenkomstig de in artikel 19 van de richtlijn vastgestelde voorwaarden werd een specifiekere raadpleging van de lidstaten georganiseerd, met name tijdens de vergadering over de gezamenlijke actie in het kader van de REPG op 26 en 27 november 2015, en een vergadering van het comité Energieprestatie in gebouwen op 1 februari 2016;

thematische technische workshops over specifieke onderwerpen, die van juni 2015 tot januari 2016 hebben plaatsgevonden;

een bijeenkomst van belanghebbenden op 14 maart 2016.

De online raadpleging werd afgesloten op 31 oktober 2015, en een samenvatting van de resultaten van de 308 antwoorden is beschikbaar op het internet 3 . Meer dan de helft (58 %) van de respondenten waren organisaties, die voornamelijk de bouwsector vertegenwoordigden, gevolgd door ondernemingen (20 %) die actief zijn in de lidstaten. Particulieren, overheidsinstanties en anderen vormen 7-8 % van de respondenten.

Over het algemeen zijn de meeste respondenten van mening dat de REPG voorziet in een goed kader voor het verbeteren van de energieprestatie van gebouwen, en dat ze heeft gezorgd voor bewustwording over het energieverbruik van gebouwen, waardoor het een grotere rol speelt in het energiebeleid. De respondenten erkenden dat de richtlijn heeft bijgedragen tot de energie- en klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050. De meerderheid van de respondenten meent dat de REPG succesvol is geweest, terwijl dat volgens een derde niet het geval is. Verschillende respondenten gaven aan dat het te vroeg is om te bepalen hoe succesvol de REPG is geweest, aangezien het moeilijk is om het effect ervan te isoleren. Anderen zijn van mening dat de REPG niet zo doeltreffend is als deze richtlijn zou kunnen zijn, aangezien er in de bouwsector nog steeds een enorm potentieel bestaat om het energieverbruik te verminderen.

Tot de negatieve antwoorden die werden opgegeven als redenen voor de beperkte doeltreffendheid behoorden de vertraagde en inconsistente uitvoering in de lidstaten, de slechte kwaliteit van de EPC's, de trage toepassing van maatregelen en een laag renovatietempo, alsook het ontbreken van een definitie van bijna-energieneutrale gebouwen en de noodzaak om beter gebruik te maken van financieringsinstrumenten. Verschillende respondenten wijzen ook op de slechte naleving en handhaving van maatregelen, terwijl anderen erkennen dat de verbeteringen werden vertraagd door de economische crisis in de bouwsector. Meerdere respondenten hebben aangegeven dat de REPG er weliswaar in geslaagd is de energieprestatie van nieuwe gebouwen te verbeteren, maar op energie-efficiëntie gerichte renovaties niet voldoende stimuleert.

   Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

Informatie over de uitvoering van de REPG is ook beschikbaar via de werkzaamheden van de gezamenlijke actie in het kader van de REPG 4 , de regelmatige dialoog met de lidstaten en de werkzaamheden van het comité Energieprestatie in gebouwen.

De resultaten van projecten die worden gefinancierd in het kader van het hoofdstuk "Energie-efficiëntie" van de uitdaging "Veilige, schone en efficiënte energie" van het Horizon 2020-programma, en zijn voorganger, het programma "Intelligente energie – Europa", werden geanalyseerd 5 en in voorkomend geval vermeld.

Naast de raadplegingsactiviteiten van de Europese Commissie werd bij de evaluatie gebruikgemaakt van andere informatiebronnen, zoals onderzoeksdocumenten die naar voren kwamen tijdens een literatuuronderzoek.

   Effectbeoordeling

De effectbeoordeling is tweemaal voorgelegd aan de Raad voor regelgevingstoetsing van de Commissie. Een ontwerp van 1 juli 2016 heeft een positief advies gekregen op 26 juli. De samenvatting van de effectbeoordeling en de twee adviezen van de Raad voor regelgevingstoetsing zijn beschikbaar op de website van de Commissie 6 .

In de effectbeoordeling zijn de volgende opties overwogen:

Status quo

De handhaving van de status quo van de REPG betekent dat er geen bijkomende maatregelen worden genomen die verder gaan dan de bestaande. Dit houdt in dat de uitvoering van de huidige REPG en de daarmee samenhangende regelgevende en niet-regelgevende instrumenten op dezelfde manier wordt voortgezet. Deze aanpak kan worden aangevuld met maatregelen om het effect van de REPG te maximaliseren. De uitwisseling van goede praktijken, die wordt bevorderd door uitwisselingsplatforms (bv. gezamenlijke actie), kan bijdragen tot een betere naleving. Er wordt aangenomen dat deze praktijk zal worden voortgezet bij status quo.

Beleidsopties

De meeste van de voorgestelde maatregelen kunnen worden uitgevoerd door middel van zachte wetgeving (optie I) en/of gerichte wijzigingen (optie II). Sommige maatregelen gaan verder dan het huidige rechtskader en zouden een grondige wijziging van de huidige richtlijn vergen (optie III).

Optie I: Betere uitvoering en verdere richtsnoeren

Deze optie bestaat uit een reeks voorstellen om de uitvoering van het bestaande regelgevingskader te versterken zonder de richtlijn te wijzigen. Het bouwt voort op de werkzaamheden op EU-, nationaal en regionaal niveau om de richtlijn actief uit te voeren. Het gaat een stap verder dan de status quo en houdt in dat er zachte wetgeving en richtsnoeren worden voorgesteld waarmee de uitvoering en handhaving van de wetgeving kan worden verbeterd en de lidstaten kunnen worden aangezet tot het nemen van vrijwillige maatregelen die nog niet zijn onderzocht.

Optie II: Betere uitvoering met gerichte wijzigingen om de huidige bepalingen te versterken

Deze optie omvat de voorstellen van optie I, maar gaat verder en vergt gerichte wijzigingen van de huidige REPG om de probleemfactoren grondiger aan te pakken. In tegenstelling tot optie III blijft deze optie evenwel in overeenstemming met het kader van de huidige REPG, met betere informatie voor de eindgebruikers en toereikende minimumeisen inzake prestatie waarmee wordt vermeden dat gebouwen suboptimaal worden aangepast.

Optie III: Betere uitvoering met verdere harmonisatie en grotere ambitie

Deze beleidsoptie is de meest ambitieuze, en gaat verder dan de huidige aanpak van de REPG doordat eigenaars van gebouwen worden verplicht om hun gebouwen te renoveren.

Na vergelijking van de drie opties zijn de volgende conclusies getrokken:

Optie I is gericht op de voortgezette handhaving van de huidige REPG, waarbij de lidstaten richtsnoeren en steun krijgen. Het zal niet mogelijk zijn om gebruik te maken van de potentiële verbeteringen die werden vermeld in het evaluatieverslag en de openbare raadpleging om belemmeringen voor de energie-efficiëntie van gebouwen verder weg te nemen.

Optie III omvat ambitieuze maatregelen om het renovatietempo te verhogen, en het daaruit voortvloeiende effect is bijgevolg zeer groot. Het voorziet in een ingrijpende verandering van de bouwsector, met name doordat duizenden gebouwen verplicht gerenoveerd zouden moeten worden. Aan deze maatregel zijn evenwel enkele problemen verbonden, zoals verplichte investeringen, wat vanuit een financieel oogpunt wellicht niet als kostenefficiënt kan worden beschouwd. Het levert ook praktische problemen op (bv. verdere harmonisering van de berekeningsmethoden voor de energieprestatie, of EPC's) en er kan worden gesteld dat de maatregel niet volledig in overeenstemming is met het subsidiariteitsbeginsel (bv. verplichtingen voor de nieuwe eigenaar of huurder om gebouwen te renoveren, financiële overheidssteun voor verplichte thermische renovatie van gebouwen en verplichte opleiding voor aannemers en installateurs).

Optie II is de voorkeursoptie omdat deze het beste is afgestemd op het resultaat en de bevindingen van de evaluatie van de REPG en het bestaande kader. Deze optie zorgt voor aanzienlijke verbeteringen en vereenvoudigingen van de REPG en het algemene regelgevingskader, en zal de energieprestatie van gebouwen verbeteren door middel van gerichte wijzigingen, waarbij een grote mate van flexibiliteit bij de uitvoering op nationaal niveau mogelijk blijft, zoals hieronder uiteengezet:

Deze optie maakt het mogelijk om het bestaande behoedzame toepassingsgebied van het EU-optreden inzake de energie-efficiëntie van gebouwen te behouden, waarbij subsidiariteit, evenredigheid, kosteneffectiviteit en een grote flexibiliteit voor de lidstaten wordt gewaarborgd.

Deze optie behoudt de belangrijkste doelstellingen, beginselen en algemene opzet van de richtlijn, die goed functioneert en wordt gesteund door de belanghebbenden, waaronder de lidstaten.

Deze optie omvat alleen gerichte wijzigingen, wat het mogelijk maakt de belangrijkste bepalingen in de huidige richtlijn die reeds doeltreffend en kosteneffectief zijn, te blijven uitvoeren.

Deze optie schept een evenwicht tussen richtsnoeren en beperkte wetgevingsherzieningen met het oog op nieuwe gerichte bepalingen om met name bestaande gebouwen en de koppeling aan financiering aan te pakken.

Naar aanleiding van de Europese strategie voor emissiearme mobiliteit en naar het goede voorbeeld van een aantal lidstaten houdt de voorkeursoptie ook een maatregel in om de ontwikkeling van elektromobiliteit te ondersteunen en verder bij te dragen tot het koolstofvrij maken van de economie.

De verwachte effecten zijn de volgende:

Economische effecten: een licht positief effect op het gebied van groei door de extra investeringen in energie-efficiëntie en de vermindering van energie-invoer, een stimulans voor de bouw- en engineeringsector, die nauw verband houden met bijkomende investeringen, een positief effect op de sectoren isolatie en vlakglas, en investeringen in de renovatie van gebouwen die voornamelijk aan kmo's ten goede komen.

Sociale effecten: het effect op de werkgelegenheid zal een vergelijkbaar patroon volgen als het bbp, zij het kleinschaliger. Door verbeteringen van het binnenklimaat zullen de kosten voor overlijden, ziekte en gezondheidszorg aanzienlijk dalen. Er wordt een gematigd positief effect op energiearmoede verwacht.

Milieueffecten: broeikasgasemissies dalen lichtjes in alle lidstaten.

   Gezonde regelgeving en vereenvoudiging

Al de maatregelen van de voorkeursbeleidsoptie samen zouden ervoor zorgen dat de administratieve lasten van de REPG met 98,1 miljoen EUR per jaar dalen. De berekening van het effect van de voorkeursoptie op de administratieve lasten is opgenomen in bijlage 9 bij de effectbeoordeling.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de EU-begroting.

5.OVERIGE ELEMENTEN

   Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende monitoring, evaluatie en rapportage

Dit voorstel brengt geen verandering in de huidige rapporteringsverplichtingen van de lidstaten. Het wetgevingsvoorstel over de governance van de energie-unie zal ervoor zorgen dat een transparant en betrouwbaar systeem voor planning, rapportering en monitoring wordt opgezet, op basis van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en gestroomlijnde voortgangsverslagen van de lidstaten die regelmatig de uitvoering van de nationale plannen beoordelen volgens de vijf dimensies van de energie-unie. Dit zal leiden tot een verlichting van de administratieve lasten voor de lidstaten, maar de Commissie zal nog steeds toezicht kunnen houden op de vooruitgang van de lidstaten bij de verwezenlijking van hun doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie en de algemene doelstelling van de EU.

Het voorstel bevat nieuwe verplichtingen die gemonitord zullen worden in het kader van het koolstofvrij maken van gebouwen, de renovatie van gebouwen, technische bouwsystemen, financiële stimulansen en marktbelemmeringen, en zal tevens de verplichtingen voor nieuwe gebouwen inzake keuringen en verslagen voor verwarmings- en airconditioningsystemen vereenvoudigen.

   Toelichting bij de specifieke bepalingen van het voorstel

Het voorstel voor een verordening inzake de governance van de energie-unie strekt ertoe de rapporterings- en planningsverplichtingen van de lidstaten en de monitoringverplichtingen van de Commissie te beperken en te stroomlijnen. Met het voorstel inzake governance wordt ook een iteratief proces opgezet tussen de lidstaten en de Commissie om de doelstellingen van de energie-unie collectief te verwezenlijken. De plannen en verslagen die zijn vereist op grond van het voorstel inzake governance moeten de Commissie in staat stellen om de vooruitgang van de lidstaten bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de richtlijn te beoordelen en te monitoren.

De richtlijn wordt als volgt gewijzigd:

de definitie van technische bouwsystemen uit hoofde van artikel 2, lid 3, wordt uitgebreid tot elektriciteitsopwekking ter plaatse en infrastructuur ter plaatse voor elektromobiliteit;

het huidige artikel 4 van de REE inzake de renovatie van gebouwen wordt verplaatst naar deze richtlijn met het oog op meer consistentie, en zal ook betrekking hebben op energiearmoede , steun voor slimme financiering van de renovatie van gebouwen en een visie voor het koolstofvrij maken van gebouwen tegen 2050, met specifieke mijlpalen voor 2030. De langetermijnstrategieën voor de renovatie van gebouwen worden opgenomen in (en als bijlage gevoegd bij) de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, en worden op uiterlijk 1 januari 2019 door de lidstaten aan de Commissie meegedeeld voor de periode na 2020, volgens de in de verordening inzake de governance van de energie-unie vastgestelde procedure. De strategie zal betrekking hebben op de renovatie van het nationale bestand van al dan niet voor bewoning bestemde gebouwen;

artikel 6 inzake nieuwe gebouwen wordt vereenvoudigd door het te beperken tot de bepaling die in de effectbeoordeling als de meest nuttige wordt aangemerkt, namelijk de algemene verplichting om nieuwe gebouwen te laten voldoen aan de minimumeisen inzake energieprestatie. Andere, omslachtiger bepalingen worden geschrapt;

artikel 8 wordt geactualiseerd om rekening te houden met de herziene definitie van technische bouwsystemen. In een nieuw lid worden eisen vastgesteld met betrekking tot:

(a)de infrastructuur voor elektromobiliteit; één op de tien parkeerplaatsen van nieuwe niet voor bewoning bestemde gebouwen met meer dan tien parkeerplaatsen, en van niet voor bewoning bestemde gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd en meer dan tien parkeerplaatsen hebben, moet zijn uitgerust met infrastructuur voor elektromobiliteit. Dit is vanaf 2025 van toepassing op alle niet voor bewoning bestemde gebouwen met meer dan tien parkeerplaatsen, met inbegrip van de gebouwen waarvoor de installatie van oplaadpunten via een openbare aanbesteding geschiedt. Nieuwe residentiële gebouwen met meer dan tien parkeerplaatsen en residentiële gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, moeten worden uitgerust met de bekabeling voor elektrisch opladen. De lidstaten kunnen ervoor kiezen een vrijstelling te verlenen voor gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door kmo's, alsook voor openbare gebouwen die onder de richtlijn betreffende infrastructuur voor alternatieve brandstoffen 7 vallen;

(b)de versterking van het gebruik van elektronisch toezicht, automatisering en controle om keuringen te stroomlijnen; en

(c)de invoering van een "slimheidsindicator", waarmee wordt aangegeven in welke mate het gebouw klaar is om de werking ervan aan te passen aan de behoeften van de bewoner en het net, en om de prestatie ervan te verbeteren.

artikel 10 wordt geactualiseerd en uitgebreid met twee nieuwe bepalingen inzake het gebruik van EPC's om de besparingen die zijn gerealiseerd door met overheidssteun gefinancierde renovaties te beoordelen door de EPC's voor en na de renovatie te vergelijken; en de energieprestatie van openbare gebouwen met een oppervlakte boven een bepaalde drempel moet worden bekendgemaakt.

De artikelen 14 en 15 inzake keuringen worden gestroomlijnd, en krachtens de geactualiseerde artikelen 14 en 15 worden tevens doeltreffender benaderingen voor regelmatige keuringen toegepast, die in plaats daarvan gebruikt kunnen worden om ervoor te zorgen dat de prestatie van gebouwen wordt gehandhaafd en/of verbeterd; en

bijlage I wordt geactualiseerd ter verbetering van de transparantie en consistentie van de manier waarop de energieprestatie wordt bepaald op nationaal of regionaal niveau en om rekening te houden met het belang van het binnenklimaat.

2016/0381 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 8 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 9 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De Unie verbindt zich ertoe te komen tot een duurzaam, concurrerend, betrouwbaar en koolstofvrij energiesysteem. Met de energie-unie en het beleidskader voor klimaat en energie voor 2030 worden ambitieuze verbintenissen van de Unie vastgesteld om broeikasgasemissies verder te verminderen (met ten minste 40 % tegen 2030 in vergelijking met 1990), het aandeel van hernieuwbare energie te vergroten (met ten minste 27 %), energiebesparingen van ten minste 27 % te realiseren, waarbij dit percentage opnieuw moet worden bekeken met een Unieniveau van 30 % in het achterhoofd 10 , en om de energiezekerheid, het concurrentievermogen en de duurzaamheid van Europa te verbeteren.

(2)Om deze doelstellingen te verwezenlijken, is de herziening van 2016 van de wetgeving inzake energie-efficiëntie een combinatie van: i) de herbeoordeling van de energie-efficiëntiedoelstelling van de EU voor 2030 zoals gevraagd door de Europese Raad in 2014; ii) de herziening van de kernartikelen van de richtlijn energie-efficiëntie en de richtlijn energieprestatie van gebouwen; iii) de versterking van het gunstige financieringsklimaat, waaronder de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), waardoor de financiële voorwaarden voor investeringen in energie-efficiëntie op de markt uiteindelijk zullen verbeteren.

(3)Op grond van artikel 19 van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad 11 moet de Commissie uiterlijk vóór 1 januari 2017 een evaluatie uitvoeren in het licht van de ervaring die is opgedaan en de vooruitgang die is geboekt met de toepassing ervan, en zo nodig voorstellen doen.

(4)Ter voorbereiding van deze evaluatie heeft de Commissie verschillende maatregelen genomen om bewijzen te vergaren over de manier waarop Richtlijn 2010/31/EU is uitgevoerd in de lidstaten, waarbij de nadruk ligt op wat werkt en wat er beter kan.

(5)Uit de resultaten van de evaluatie en de effectbeoordeling is gebleken dat een aantal wijzigingen nodig zijn om de huidige bepalingen van Richtlijn 2010/31/EU te versterken en bepaalde aspecten te vereenvoudigen.

(6)De Unie verbindt zich ertoe te komen tot een betrouwbaar, concurrerend en koolstofvrij energiesysteem tegen 2050 12 . Om deze doelstelling te verwezenlijken, hebben de lidstaten en investeerders mijlpalen nodig om ervoor te zorgen dat gebouwen koolstofvrij zijn tegen 2050. Teneinde dit koolstofvrije gebouwenbestand te waarborgen tegen 2050 moeten de lidstaten de tussenstappen bepalen om de doelstellingen voor de middellange (2030) en lange (2050) termijn te verwezenlijken.

(7)De bepalingen met betrekking tot langetermijnstrategieën inzake renovatie zoals bedoeld in Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad 13 moeten worden verplaatst naar Richtlijn 2010/31/EU, waar ze beter op hun plaats zijn.

(8)De agenda’s van de digitale interne markt en de energie-unie moeten op elkaar worden afgestemd en op gemeenschappelijke doelstellingen gericht zijn. Door de digitalisering van het energiesysteem evolueert het energielandschap snel, van de integratie van hernieuwbare energiebronnen tot slimme netten en gebouwen die klaar zijn voor slimme toepassingen. Teneinde de bouwsector te digitaliseren, moeten gerichte stimulansen worden geboden om systemen die klaar zijn voor slimme toepassingen, alsook digitale oplossingen in de gebouwde omgeving te bevorderen.

(9)Teneinde deze richtlijn aan te passen aan de technische vooruitgang, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om de richtlijn aan te vullen door de slimheidsindicator te definiëren en de uitvoering ervan mogelijk te maken. De slimheidsindicator moet worden gebruikt als maatstaf van de capaciteit om ICT en elektronische systemen te gebruiken in gebouwen voor optimale werking en interactie met het net. De slimheidsindicator zal ervoor zorgen dat de eigenaars en huurders van gebouwen zich bewust worden van de waarde van de automatisering van gebouwen en het elektronisch toezicht op technische bouwsystemen, en dat bewoners meer zekerheid krijgen over de feitelijke besparingen die deze nieuwe geavanceerde functies opleveren.

(10)Door innovatie en nieuwe technologie kunnen gebouwen een bijdrage leveren aan het volledig koolstofvrij maken van de economie. Zo kunnen gebouwen bijvoorbeeld fungeren als hefboom voor de ontwikkeling van de infrastructuur die nodig is voor het slim opladen van elektrische voertuigen, en ook de basis vormen voor de lidstaten om, indien zij dat wensen, autoaccu’s als een energiebron te gebruiken. In het licht van dit doel moet de definitie van technische bouwsystemen worden uitgebreid.

(11)In de effectbeoordeling werden twee bestaande reeksen bepalingen aangewezen waarvan het doel efficiënter kan worden bereikt in vergelijking met de huidige situatie. Ten eerste wordt de verplichting om de haalbaarheid van alternatieve systemen met een hoog rendement te onderzoeken alvorens met de bouw wordt begonnen, een overbodige last. Ten tweede bleken de bepalingen inzake de keuring van verwarmings- en airconditioningssystemen de aanvankelijke en gehandhaafde prestatie van deze technische systemen niet voldoende te waarborgen op een efficiënte manier. Zelfs goedkope technische oplossingen met een zeer korte terugverdientijd, zoals de hydraulische balancering van het verwarmingssysteem en de installatie/vervanging van thermostatische regelkleppen, worden momenteel onvoldoende in overweging genomen. De bepalingen inzake keuring worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat keuringen betere resultaten opleveren.

(12)De automatisering van gebouwen en het elektronisch toezicht op technische bouwsystemen bleken keuringen doeltreffend te vervangen, met name voor grote installaties. De installatie van dergelijke apparatuur moet worden beschouwd als het meest kosteneffectieve alternatief voor keuringen in grote niet voor bewoning bestemde gebouwen en meergezinswoningen met een omvang die het mogelijk maakt om dergelijke apparaten in minder dan drie jaar terug te verdienen. De huidige mogelijkheid om te kiezen voor alternatieve maatregelen wordt bijgevolg geschrapt. Wat kleinschalige installaties betreft, wordt de controle op de inachtneming van de minimumeisen die gelden voor alle technische bouwsystemen ondersteund door de documentatie van de installateurs over de prestaties van deze systemen en door de registratie van deze informatie in de databanken voor energieprestatiecertificering, die de rol van de energieprestatiecertificaten ook zullen versterken. Daarnaast blijven de bestaande regelmatige veiligheidscontroles en geplande onderhoudswerkzaamheden een gelegenheid om rechtstreeks advies te verlenen over verbeteringen van de energie-efficiëntie.

(13)Om ervoor te zorgen dat financiële maatregelen in verband met energie-efficiëntie optimaal worden benut voor de renovatie van gebouwen, moeten ze gekoppeld worden aan de omvang van de renovatiewerken, die moet worden beoordeeld door de energieprestatiecertificaten (EPC's) voor en na de renovatie te vergelijken.

(14)De toegang tot financiering is makkelijker als er informatie van goede kwaliteit beschikbaar is. Bijgevolg moet het feitelijke energieverbruik van openbare gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m² bekendgemaakt worden.

(15)De huidige onafhankelijke controlesystemen voor EPC's moeten worden versterkt om ervoor te zorgen dat de certificaten van goede kwaliteit zijn, gebruikt kunnen worden voor de nalevingscontrole en voor het opstellen van statistieken over de regionale/nationale gebouwenbestanden. Gegevens van hoge kwaliteit over het gebouwenbestand zijn noodzakelijk, en kunnen gedeeltelijk worden gegenereerd door de registers en databanken voor EPC's die momenteel worden ontwikkeld en beheerd door bijna alle lidstaten.

(16)Om de doelstellingen in het kader van het energie-efficiëntiebeleid voor gebouwen te verwezenlijken, moet de transparantie van EPC's worden verbeterd door ervoor te zorgen dat alle nodige parameters voor berekeningen, certificering en minimumeisen inzake energieprestatie worden vastgesteld en consistent worden toegepast. De lidstaten moeten voorzien in passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de prestatie van geïnstalleerde, vervangen of bijgewerkte technische bouwsystemen wordt gedocumenteerd met het oog op gebouwencertificering en nalevingscontrole.

(17)In Aanbeveling (EU) 2016/1318 van de Commissie van 29 juli 2016 betreffende bijna-energieneutrale gebouwen wordt toegelicht hoe de uitvoering van de richtlijn tegelijkertijd kan zorgen voor de transformatie van het gebouwenbestand en de omschakeling naar een duurzamere energievoorziening, die ook de strategie betreffende verwarming en koeling 14 ondersteunt. Om een correcte uitvoering te waarborgen, moet het algemene kader voor de berekening van de energieprestatie van gebouwen worden bijgewerkt, onderbouwd door de werkzaamheden van het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) krachtens het door de Europese Commissie verleende mandaat M/480.

(18)De bepalingen in deze richtlijn mogen de lidstaten er niet van weerhouden ambitieuzere eisen inzake energieprestatie vast te stellen op het niveau van het gebouw en voor onderdelen van gebouwen, zolang dergelijke maatregelen niet in strijd zijn met het recht van de Unie. Wanneer deze eisen, in bepaalde omstandigheden, de installatie of het gebruik beperken van producten die onder andere harmonisatiewetgeving van de Unie vallen, is dit in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn en van Richtlijn 2012/27/EG mits de eisen geen ongerechtvaardigde marktbelemmering vormen.

(19)De doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de vermindering van de hoeveelheid energie die nodig is om te voldoen aan de vraag naar energie die verband houdt met een normaal gebruik van gebouwen, kunnen door de lidstaten afzonderlijk niet naar behoren worden behaald. De doelstellingen van de richtlijn kunnen beter worden verwezenlijkt door maatregelen op Europees niveau, omdat met deze aanpak de samenhang, de gemeenschappelijke doelstellingen, het inzicht en de politieke wil worden gewaarborgd. De EU treft derhalve maatregelen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(20)Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken 15 hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in verantwoorde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(21)Richtlijn 2010/31/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2010/31/EU wordt als volgt gewijzigd:

(1)in artikel 2 wordt punt 3 vervangen door:

"3.    "technisch bouwsysteem": technische uitrusting voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, ventilatie, warm water voor huishoudelijke doeleinden, ingebouwde verlichting, automatisering en controle van gebouwen, elektriciteitsopwekking ter plaatse, infrastructuur ter plaatse voor elektromobiliteit, of een combinatie van dergelijke systemen, met inbegrip van systemen die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen, van een gebouw of gebouwunit;";

(2)na artikel 2 wordt een artikel 2 bis getiteld "Langetermijnrenovatiestrategie" ingevoegd, dat moet worden ingediend overeenkomstig de in Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie] vastgestelde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen:

a)het eerste lid bestaat uit artikel 4 van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie 16 , behalve de laatste alinea daarvan;

b)de volgende leden 2 en 3 worden ingevoegd:

"2.    In hun langetermijnrenovatiestrategie waarnaar wordt verwezen in lid 1 stellen de lidstaten een stappenplan op met duidelijke mijlpalen en maatregelen ter verwezenlijking van de langetermijndoelstelling voor 2050 om hun nationale gebouwenbestand koolstofvrij te maken, met specifieke mijlpalen voor 2030.

Daarnaast draagt de langetermijnrenovatiestrategie bij tot de terugdringing van energiearmoede.

3.    Teneinde de in punt d) bedoelde investeringsbesluiten aan te sturen, voeren de lidstaten mechanismen in om:

a)projecten samen te voegen zodat het makkelijker wordt voor investeerders om de in lid 1, onder b) en c) bedoelde renovaties te financieren;

b)de risico's in verband met werkzaamheden ter verbetering van de energie-efficiëntie te verkleinen voor investeerders en de particuliere sector; en

c)publieke middelen als hefboom te gebruiken voor aanvullende particuliere investeringen of specifieke tekortkomingen van de markt aan te pakken.";

(3)artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

(a)in lid 1 wordt de tweede alinea geschrapt;

(b)de leden 2 en 3 worden geschrapt;

(4)in artikel 7 wordt de vijfde alinea geschrapt;

(5)artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

(a)in lid 1 wordt de derde alinea geschrapt;

(b)lid 2 wordt vervangen door:

"2. De lidstaten zorgen ervoor dat minstens één op de tien parkeerplaatsen van alle niet voor bewoning bestemde gebouwen die meer dan tien parkeerplaatsen hebben en recent zijn gebouwd of ingrijpend worden gerenoveerd, is uitgerust met een oplaadpunt in de zin van Richtlijn 2014/94/EU betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen 17 , waarmee het mogelijk is om het opladen in en uit te schakelen op basis van prijssignalen. Deze eis is vanaf 1 januari 2025 van toepassing op alle niet voor bewoning bestemde gebouwen met meer dan tien parkeerplaatsen.

De lidstaten kunnen beslissen de in de vorige alinea bedoelde eisen niet vast te stellen of ze niet toe te passen op gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door kleine en middelgrote ondernemingen als omschreven in titel I van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat residentiële gebouwen die meer dan tien parkeerplaatsen hebben en recent zijn gebouwd of ingrijpend worden gerenoveerd, zijn uitgerust met de bekabeling waarmee oplaadpunten voor elektrische voertuigen kunnen worden geïnstalleerd op elke parkeerplaats.

4. De lidstaten kunnen beslissen de in de leden 2 en 3 bedoelde eisen niet vast te stellen of niet toe te passen op openbare gebouwen die reeds onder Richtlijn 2014/94/EU vallen.";

(c)de volgende leden 5 tot en met 6 worden toegevoegd:

"5.    De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een technisch bouwsysteem wordt geïnstalleerd, vervangen of verbeterd, de totale energieprestatie van het gehele gewijzigde systeem wordt beoordeeld, gedocumenteerd en doorgegeven aan de eigenaar van het gebouw, zodat deze gegevens beschikbaar blijven voor de controle op de inachtneming van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde minimumeisen en de afgifte van energieprestatiecertificaten. De lidstaten zorgen ervoor dat deze informatie wordt opgenomen in de in artikel 18, lid 3, bedoelde nationale databank voor energieprestatiecertificaten.

6.    De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn, met een definitie van een "slimheidsindicator" en met de voorwaarden voor het verstrekken van de slimheidsindicator als aanvullende informatie aan potentiële nieuwe huurders of kopers.

De slimheidsindicator heeft betrekking op flexibiliteitskenmerken, geavanceerde functies en capaciteiten die voortvloeien uit meer onderling verbonden en ingebouwde slimme toestellen die worden geïntegreerd in de conventionele technische bouwsystemen. Door deze kenmerken zullen de bewoners en het gebouw zelf beter in staat zijn om te reageren op behoeften inzake comfort of functionaliteit, deel te nemen aan vraagrespons en een bijdrage te leveren aan de optimale, vlotte en veilige werking van de verschillende energiesystemen en stadsinfrastructuren waarop het gebouw is aangesloten.";

(6)artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

(a)lid 6 wordt vervangen door:

"6.    De lidstaten koppelen hun financiële maatregelen voor verbeteringen van de energie-efficiëntie in het kader van de renovatie van gebouwen aan de energiebesparingen die door dergelijke renovaties werden gerealiseerd. Deze besparingen worden bepaald door de energieprestatiecertificaten die zijn afgegeven voor en na renovatie met elkaar te vergelijken.";

(b)de volgende leden 6 bis en 6 ter worden ingevoegd:

"6 bis. Met de databank voor de registratie van EPC's, die de lidstaten zullen opzetten, zal het feitelijke energieverbruik van de daarin opgenomen gebouwen gevolgd kunnen worden, ongeacht hun omvang of categorie. De databank bevat de gegevens over het feitelijke energieverbruik, dat regelmatig wordt geactualiseerd, van gebouwen die veelvuldig door het publiek worden bezocht en een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m² hebben.

6 ter. Geaggregeerde geanonimiseerde gegevens die voldoen aan de Europese eisen inzake gegevensbescherming worden ten minste aan overheidsinstanties ter beschikking gesteld op verzoek, voor statistische en onderzoeksdoeleinden.";

(7)artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

a)    lid 1 wordt vervangen door:

"1. De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen voor het instellen van een regelmatige keuring van de toegankelijke delen van systemen die worden gebruikt voor het verwarmen van gebouwen, zoals de warmtegenerator, het controlesysteem en de circulatiepomp(en), van niet voor bewoning bestemde gebouwen met een totaal primair energiegebruik van meer dan 250 MWh en van residentiële gebouwen met een gecentraliseerd technisch bouwsysteem met een gecumuleerd nominaal vermogen van meer dan 100 kW. Die keuring omvat een beoordeling van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte vergeleken met de verwarmingsbehoeften van het gebouw. De beoordeling van de ketelgrootte hoeft niet te worden herhaald zolang er tussentijds niets wordt veranderd aan het verwarmingssysteem of de verwarmingsbehoeften van het gebouw.";

(b) de leden 2, 3, 4 en 5 worden geschrapt en vervangen door:

"2. Als alternatief voor lid 1 kunnen de lidstaten eisen vaststellen om ervoor te zorgen dat niet voor bewoning bestemde gebouwen met een totaal primair energiegebruik van meer dan 250 MWh per jaar zijn uitgerust met systemen voor de automatisering en controle van gebouwen. Deze systemen kunnen:

a)het energieverbruik permanent controleren, analyseren en bijsturen;

b)de energie-efficiëntie van het gebouw toetsen, efficiëntieverliezen van technische bouwsystemen opsporen, en de persoon die verantwoordelijk is voor het beheer van de voorzieningen of technische installaties informeren over mogelijkheden om de energie-efficiëntie te verbeteren;

c)communicatie met verbonden technische bouwsystemen en andere apparaten in het gebouw mogelijk maken, en interoperabel zijn met technische bouwsystemen van verschillende soorten propriëtaire technologieën, toestellen en fabrikanten.

3. Als alternatief voor lid 1 kunnen de lidstaten eisen vaststellen om ervoor te zorgen dat residentiële gebouwen met gecentraliseerde technische bouwsystemen met een gecumuleerd nominaal vermogen van meer dan 100 kW zijn voorzien van:

a)permanent elektronisch toezicht waarmee de efficiëntie van de systemen wordt gemeten en de eigenaars of beheerders van het gebouw worden verwittigd wanneer de efficiëntie aanzienlijk is gedaald en wanneer onderhoud aan het systeem noodzakelijk is, en

b)doeltreffende controlefuncties om optimale energieopwekking, -distributie en -verbruik te waarborgen.";

(8)artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a)    lid 1 wordt vervangen door:

"1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen voor het instellen van een regelmatige keuring van de toegankelijke delen van airconditioningsystemen van niet voor bewoning bestemde gebouwen met een totaal primair energiegebruik van meer dan 250 MWh en van residentiële gebouwen met een gecentraliseerd technisch bouwsysteem met een gecumuleerd nominaal vermogen van meer dan 100 kW. De keuring omvat een beoordeling van het rendement van de airconditioning en van de dimensionering ervan gelet op de koelingsbehoeften van het gebouw. De beoordeling van de dimensionering hoeft niet te worden herhaald zolang er tussentijds niets wordt veranderd aan het verwarmingssysteem of de koelingsbehoeften van het gebouw.";

(b) de leden 2, 3, 4 en 5 worden geschrapt en vervangen door:

"2. Als alternatief voor lid 1 kunnen de lidstaten eisen vaststellen om ervoor te zorgen dat niet voor bewoning bestemde gebouwen met een totaal primair energiegebruik van meer dan 250 MWh per jaar zijn uitgerust met systemen voor de automatisering en controle van gebouwen. Deze systemen kunnen:

(a)het energieverbruik permanent controleren, analyseren en bijsturen;

(b)de energie-efficiëntie van het gebouw toetsen, efficiëntieverliezen van technische bouwsystemen opsporen, en de persoon die verantwoordelijk is voor het beheer van de voorzieningen of technische installaties informeren over mogelijkheden om de energie-efficiëntie te verbeteren;

(c)communicatie met verbonden technische bouwsystemen en andere apparaten in het gebouw mogelijk maken, en interoperabel zijn met technische bouwsystemen van verschillende soorten propriëtaire technologieën, toestellen en fabrikanten.

3. Als alternatief voor lid 1 kunnen de lidstaten eisen vaststellen om ervoor te zorgen dat residentiële gebouwen met gecentraliseerde technische bouwsystemen met een gecumuleerd nominaal vermogen van meer dan 100 kW zijn voorzien van:

(a)permanent elektronisch toezicht waarmee de efficiëntie van de systemen wordt gemeten en de eigenaars of beheerders van het gebouw worden verwittigd wanneer de efficiëntie aanzienlijk is gedaald en wanneer onderhoud aan het systeem noodzakelijk is, en

(b)doeltreffende controlefuncties om optimale energieopwekking, -distributie en -verbruik te waarborgen.";

(9)in artikel 19 wordt "2017" vervangen door "2028";

(10)in artikel 20, lid 2, wordt de eerste alinea vervangen door:

In het bijzonder verstrekken de lidstaten de eigenaars of huurders van gebouwen informatie over de energieprestatiecertificaten en het doel ervan, over kostenefficiënte manieren om de energieprestatie van het gebouw te verbeteren en, waar dat passend is, over de beschikbare financiële instrumenten voor het verbeteren van de energieprestatie van het gebouw.";

(11)Artikel 23 wordt vervangen door:

"Artikel 23

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1. De in de artikelen 5, 8 en 22 bedoelde bevoegdheid tot vaststelling van de gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend overeenkomstig de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in de artikelen 5, 8 en 22 bedoelde bevoegdheid tot vaststelling van de gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend voor onbepaalde tijd met ingang van [de datum van inwerkingtreding…].

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 5, 8 en 22 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4. Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over betere wetgeving van 13 april 2016 18 .

5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

6. Een overeenkomstig de artikelen 5, 8 en 22 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.";

(12)de artikelen 24 en 25 worden geschrapt;

(13)De bijlagen worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige richtlijn.

Artikel 2

Met uitzondering van de laatste alinea worden de bepalingen van artikel 4 van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie 19 geschrapt.

Artikel 3

1.De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op XXXX [12 maanden na de inwerkingtreding] aan deze richtlijn te voldoen. Zij doen de Commissie onverwijld de tekst van die bepalingen toekomen.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1) Energy Renovation: The Trump Card for the New Start for Europe, 2015, JRC.
(2) PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13.
(3) Public Consultation on the Evaluation of the EPBD – Final summary report, 2015, European Commission (opgesteld door Ecofys) https://ec.europa.eu/energy/sites/ener/files/documents/MJ-02-15-954-EN-N.pdf  
(4) Implementing the Energy Performance of Buildings Directives, 2016, Concerted Action EPBD.
(5) Good practice in energy efficiency, SWD(2016) 404.
(6) http://ec.europa.eu/smart-regulation/impact/ia_carried_out/cia_2016_en.htm#ener
(7) PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1.
(8) PB C , , blz. .
(9) PB C , , blz. .
(10) EUCO 169/14, CO EUR 13, CONCL 5, Brussel, 24 oktober 2014.
(11) Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).
(12) Mededeling over het Stappenplan Energie 2050, (COM(2011) 885 final).
(13) Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
(14) COM(2016) 51 final.
(15) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(16) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 13.
(17) PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1.
(18) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(19) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 13.

Brussel, 30.11.2016

COM(2016) 765 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen

{SWD(2016) 408 final}
{SWD(2016) 409 final}
{SWD(2016) 414 final}
{SWD(2016) 415 final}


BIJLAGE

De bijlagen bij de Richtlijn worden als volgt gewijzigd:

1.Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

(a)punt 1 wordt vervangen door:

"1.    De energieprestatie van een gebouw geeft het normaal energieverbruik voor verwarming, koeling, warm water voor huishoudelijke doeleinden, ventilatie en verlichting weer.

De energieprestatie van een gebouw wordt aangegeven met een numerieke indicator van het primaire energieverbruik in kWh/(m² per jaar), geharmoniseerd ten behoeve van de energieprestatiecertificering en de naleving van de minimumeisen inzake energieprestatie. De energieprestatie en de methodologie voor de berekening ervan zijn transparant en staan open voor innovatie.

De lidstaten beschrijven hun nationale berekeningsmethodologie volgens het kader van de nationale bijlage bij verwante Europese normen die werden ontwikkeld krachtens het door de Europese Commissie verleende mandaat M/480 van het Europees Comité voor Normalisatie (CEN).";

(b)punt 2 wordt vervangen door:

"2.    De energiebehoeften voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, warm water voor huishoudelijke doeleinden en passende ventilatie worden berekend om de door de lidstaten bepaalde minimale gezondheids- en comfortniveaus te waarborgen.

Primaire energie wordt berekend op basis van primaire energiefactoren per energiedrager, die op hun beurt gebaseerd kunnen worden op nationale of regionale jaarlijkse gewogen gemiddelden of op specifiekere informatie die beschikbaar wordt gesteld voor afzonderlijke stadssystemen.

Bij primaire energiefactoren wordt het aandeel van hernieuwbare energie in energiedragers buiten beschouwing gelaten, zodat bij de berekeningen in gelijke mate rekening wordt gehouden met: a) de energie uit hernieuwbare bronnen die ter plaatse wordt opgewekt (achter de individuele meter, d.w.z. niet aangemerkt als geleverd), en b) de energie uit hernieuwbare energiebronnen die via de energiedrager wordt geleverd.";

(c)in punt 4 wordt de inleidende zin vervangen door:

"4.    Er wordt rekening gehouden met de positieve invloed van de volgende aspecten:";

2.Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

(a)de eerste alinea van punt 1 wordt vervangen door:

"1. De bevoegde autoriteiten of organen waaraan de tenuitvoerlegging van het onafhankelijke controlesysteem door de bevoegde autoriteiten is gedelegeerd, maken een willekeurige selectie uit alle energieprestatiecertificaten die jaarlijks worden verstrekt, en onderwerpen ze aan een controle. De omvang van de steekproef moet groot genoeg zijn om statistisch relevante nalevingsresultaten te waarborgen.";

(b)het volgende punt 3 wordt toegevoegd:

"3. Wanneer informatie wordt toegevoegd aan een databank kunnen de nationale autoriteiten de identiteit van de auteur van de bijdrage vaststellen met het oog op toezicht en verificatie.".