Brussel, 7.12.2016

COM(2016) 940 final

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

INVESTEREN IN DE JONGEREN VAN EUROPA


INVESTEREN IN DE JONGEREN VAN EUROPA

"Er is momenteel binnen de grenzen van de Europese Unie een 29e staat aan het ontstaan. Een staat waarin werklozen wonen. Een staat waarin jongeren werkloos worden: een staat waarin we zien dat mensen worden uitgesloten, op zichzelf
worden teruggeworpen en aan de zijlijn blijven staan. Ik wil dat deze 29e lidstaat weer een normale lidstaat wordt." 

Jean-Claude Juncker,

Openingstoespraak in de plenaire zitting van het Europees parlement, 15 juli 2014

"We moeten niet alleen investeren in betere omstandigheden elders in de wereld maar ook investeren om humanitaire crises op ons eigen continent het hoofd te kunnen bieden. En meer dan ooit moeten we investeren in onze jeugd. Ik kan en wil niet accepteren dat Europa een continent van jeugdwerkloosheid is en blijft. Ik kan en wil niet accepteren dat de millennials, generatie Y, misschien wel de eerste generatie in 70 jaar wordt die het slechter heeft dan de generatie ervoor. Uiteraard is hier voornamelijk een taak weggelegd voor de nationale regeringen. Maar de Europese Unie kan hun inspanningen wel ondersteunen."

Jean-Claude Juncker,

Staat van de Unie, 14 september 2016

Het Europees project heeft als doel een betere toekomst voor de Europese burgers te bouwen. Dit betekent ook investeren in jongeren, hen nieuwe kansen bieden en hen helpen die kansen te benutten. Het gaat erom jongeren de best mogelijke start in het leven te geven door in hun kennis, vaardigheden en ervaring te investeren, door hen te helpen met het vinden van een eerste baan of de opleiding daarvoor, en door hen de kans te geven hun stem te laten horen. Deze investering in jongeren vormt de basis voor een billijke, open en democratische samenleving, voor sociale mobiliteit en integratie, en voor duurzame groei en werkgelegenheid.

1. Een dringende noodzaak om te investeren in de jongeren van Europa



In veel opzichten is de situatie voor jongeren de afgelopen jaren verbeterd: de jeugdwerkloosheid is van een piek van 23,9 % in 2013 gedaald tot 18,5 % in 2016, met alleen al in het afgelopen jaar een afname van meer dan 10 %. Het percentage voortijdige schoolverlaters van onderwijs en opleiding daalde van 17 % in 2002 tot 11 % in 2015. In 2015 bedroeg het percentage afgestudeerden met een tertiair opleidingsniveau in de leeftijdsgroep van 32 tot 34 jaar 38,7 %, tegenover 23,6 % in 2002.

De jongeren zijn door de crisis echter zwaar getroffen en de bestrijding van jeugdwerkloosheid blijft een prioriteit. Jonge Europeanen, waarvan er meer dan 4 miljoen werkloos zijn, zijn het zwaarst door de economische crisis getroffen en voor velen blijft de situatie moeilijk. De jeugdwerkloosheid in de EU is nog steeds dubbel zo hoog als de algemene werkloosheid en bedraagt in sommige lidstaten zelfs meer dan 40 %. Deze cijfers geven echter geen volledig beeld, aangezien veel jongeren om uiteenlopende redenen niet als werkloos zijn geregistreerd en niet op zoek zijn naar een baan, onder meer door gezinsverantwoordelijkheden of gezondheidsproblemen, maar ook ontmoediging en een gebrek aan motivatie om zich als werkloze te registreren. In totaal zijn er ongeveer 6,6 miljoen jongeren die geen onderwijs of opleiding volgen en geen werk hebben (NEET's) en voor sommigen duurt deze situatie al vele jaren.

Een andere reden tot bezorgdheid is dat hoogwaardig onderwijs nog niet voor alle studenten een realiteit is en dat een groot aantal leerlingen over lage basisvaardigheden beschikt. 11 % van de jongeren hebben de school voortijdig en zonder formele kwalificatie verlaten. Door dit gebrek aan formele kwalificatie hebben zij minder kans op een baan. Ongeveer 60 % van deze voortijdige schoolverlaters is werkloos of economisch niet-actief. Jongeren met een migratieachtergrond (in de meeste Europese lidstaten een groeiend percentage van de jongeren 1 ) lopen gemiddeld meer risico de school voortijdig te verlaten en volgen vaker geen onderwijs of opleiding en hebben vaker geen werk 2 . Volgens de meest recente gegevens uit het PISA-onderzoek neemt het percentage leerlingen met zeer zwakke vaardigheden op het vlak van wetenschappen en lezen toe: op het vlak van wetenschappen nam het percentage slecht presterende leerlingen met vier procentpunten toe (van 16,6 % in 2012 tot 20,6 % in 2015) en op het vlak van lezen met bijna twee procentpunten (van 17,8 % in 2012 tot 19,7 % in 2015). Het percentage slecht presterende leerlingen voor wiskunde bleef nog hoger (22,2 % in 2015, een lichte stijging ten opzichte van de 22,1 % in 2012). Dit is een grote stap achteruit die de dringende noodzaak onderstreept om de prestaties van de Europese onderwijsstelsels te herzien. Meer dan 20 % van de scholieren heeft moeite met het oplossen van eenvoudige rekensommen. Meer dan 16 % heeft moeite met wetenschappen en meer dan 17 % heeft problemen met lezen 3 . Slechts één op de vier jongeren meldt dat hij of zij in het formele onderwijs enige digitale vaardigheden heeft verworven. Leerlingen met een lage sociaaleconomische achtergrond zijn oververtegenwoordigd in de groep zwak presterende leerlingen, met het risico dat armoede en sociale uitsluiting van generatie op generatie worden overgedragen. 4

Onder deze omstandigheden hebben veel jongeren weinig vertrouwen in hun toekomst. 57 % van de jongere generatie heeft het gevoel dat jongeren worden uitgesloten van het economische, sociale en democratische leven 5 . Tegelijkertijd willen jongeren graag bij het maatschappelijk leven betrokken worden en eraan deelnemen. De situatie en vooruitzichten van jongeren zijn niet verenigbaar met de sociale markteconomie van Europa en de prioriteit van de Commissie om banen, groei en investeringen te stimuleren. Zoals voorzitter Juncker heeft benadrukt in zijn Staat van de Unie, is er een risico dat millennials, generatie Y, misschien wel de eerste generatie in 70 jaar wordt die het slechter heeft dan de generatie ervoor. Dit heeft ook te maken met de bredere economische en demografische verschuivingen in de Europese samenleving en de manier waarop rijkdom en kansen over de generaties zijn verdeeld, waarbij de crisis van de afgelopen jaren de tendensen heeft versterkt.

Dit is een strijd die Europa moet winnen. Wanneer mensen op jonge leeftijd te maken krijgen met werkloosheid, brengt dat persoonlijke problemen met zich mee en kan dat de rest van hun leven negatief beïnvloeden. De strijd tegen jeugdwerkloosheid winnen houdt in dat we meer jongeren aan goede banen moeten helpen. Dat is voor Europa een voorwaarde om duurzame groei en welvaart te realiseren. De situatie van jongeren op de arbeidsmarkt aanpakken, is ook een kwestie van sociale rechtvaardigheid en uiteindelijk van geloofwaardigheid van het Europees sociaal en economisch model.

De Commissie stelt nieuwe inspanningen voor om jongeren te ondersteunen. Na de Staat van de Unie bereikten de EU-leiders van de 27 lidstaten overeenstemming over het stappenplan van Bratislava; daarin wordt uiteengezet dat betere kansen moeten worden geboden aan jongeren door middel van meer EU-steun voor lidstaten bij de bestrijding van jongerenwerkloosheid en versterkte EU-programma's voor jongeren. In deze mededeling worden, als antwoord daarop, stappen voorgesteld om effectiever in jonge mensen te investeren, met als doel hen te helpen kansen te benutten, goed in de maatschappij te integreren, actieve burgers te worden en een geslaagde carrière op te bouwen. Dit initiatief zet uiteen hoe de EU en de lidstaten hun inspanningen kunnen intensiveren om jongeren de steun, het onderwijs, de opleiding en de werkgelegenheidskansen te bieden die zij verdienen. De mededeling maakt deel uit van een breder pakket maatregelen om jongeren betere kansen te bieden. Als onderdeel van dit pakket lanceert de Commissie het Europees solidariteitskorps 6 en stelt zij een mededeling voor inzake de verbetering en modernisering van het onderwijs 7 .

2. EU-maatregelen voor jongeren

De verantwoordelijkheid voor jongerenbeleid en maatregelen voor jongeren ligt voornamelijk bij de lidstaten, ook wat betreft het geven van voorlichting over de voordelen en de steun van EU-maatregelen. De lidstaten zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor hun beleid inzake werkgelegenheid, onderwijs, opleiding en jongeren, maar de rol van de Europese Unie is de inspanningen van de lidstaten te ondersteunen, en dat doet zij al vele jaren. Dit geldt in het bijzonder voor deze Commissie, die zich sterk richt op de bestrijding van de jeugdwerkloosheid en met name op de uitrol van de jongerengarantie door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in 2015 naar voren te halen, en, recentelijk in 2016, met een nieuwe vaardighedenagenda voor Europa. Voor wie van deze EU-maatregelen profiteert, is het te vaak niet duidelijk waar de steun vandaan komt: beleid en maatregelen die op EU-niveau zijn geïnitieerd of financieel door de EU worden ondersteund, bereiken vaak opmerkelijke resultaten, maar aangezien zij door nationale, regionale of plaatselijke autoriteiten worden uitgevoerd, weten veel mensen niet welke rol de EU hierin speelt.

2.1. De jeugdwerkloosheid aanpakken

De bestrijding van de jeugdwerkloosheid blijft voor de EU een topprioriteit. De werkgelegenheid bevorderen is een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang voor alle lidstaten. De Europese Unie ondersteunt lidstaten met een breed scala aan beleidsmaatregelen en acties, en door middel van specifieke financiële middelen.

In het kader van het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid biedt de EU de lidstaten beleidsadvies en -richtsnoeren 8 om structurele hervormingen te stimuleren die de integratie van jongeren in het beroepsleven vergemakkelijken. Belangrijke aandachtsgebieden in het kader van het Europees semester 2016 waren een actief arbeidsmarktbeleid, de aanpak van voortijdige schooluitval, betere toegang tot onderwijs en opleiding voor kwetsbare groepen, de relevantie van onderwijs voor de behoeften van de arbeidsmarkt, werkplekleren en leerlingplaatsen, en gerichte ondersteuning van jongeren die geen onderwijs of opleiding volgen en geen werk hebben. De financiële steun van de structuur- en investeringsfondsen van de EU is op deze beleidsrichtsnoeren afgestemd (zie kader).

Voorbeelden van EU-maatregelen voor jongeren op het gebied van werkgelegenheid:

- Sinds januari 2014 zijn meer dan 14 miljoen jongeren geregistreerd in het kader van een van de nationale jongerengarantieregelingen, waartoe in 2013 werd besloten. Sinds dan hebben ongeveer 9 miljoen jongeren een aanbod aanvaard voor een baan, voortgezet onderwijs of een leerling- of stageplaats. Het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, een belangrijk financieel financieringsprogramma waarmee de EU de uitrol van de jongerengarantie steunt, is in 2013 in het leven geroepen en kreeg een totaalbudget van 6,4 miljard EUR.

- Het Europees Sociaal Fonds investeert al 60 jaar in de vaardigheden, het onderwijs en de opleiding van jonge mensen. Tussen 2007 en 2013 steunde het Europees Sociaal Fonds (ESF) meer dan 30 miljoen jongeren. Voor de periode van 2014 tot 2020 is er meer dan 6 miljard EUR van het ESF bestemd voor maatregelen ter verbetering van de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt en 27 miljard EUR voor maatregelen op het gebied van onderwijs en opleiding.

- Over dezelfde periode kunnen 6,8 miljoen jongeren in 15 lidstaten gebruikmaken van nieuwe of verbeterde onderwijsvoorzieningen dankzij financiële steun van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling.

- Nog over dezelfde periode wordt 2 miljard EUR uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling geïnvesteerd in opleidingen en adviesdiensten om de vaardigheden en inzetbaarheid van jongeren te vergroten. Daarnaast wordt 7 miljard EUR uitgetrokken voor start-ups op het platteland, met sterke nadruk op jongeren. 

- De Europese Investeringsbank steunt via het programma "Vaardigheden en banen – Investeren in de jeugd" investeringen in menselijk kapitaal (bv. beroepsopleidingen, studentenleningen en mobiliteitsprogramma's ter waarde van 7 miljard EUR in 2013-15) en verschaft toegang tot financiering in verband met de werkgelegenheid voor jongeren in kmo's (26 miljard EUR is toegewezen aan begunstigde kmo's in de periode 2013-2015). 9

De uitrol van de jongerengarantie heeft de afgelopen jaren in de praktijk bijgedragen tot een verbetering van de situatie. De jongerengarantie werd door de Commissie voorgesteld en in 2013 via een aanbeveling van de Raad 10 door de lidstaten goedgekeurd. Het is een politieke verbintenis om alle jongeren onder de 25 jaar binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten, een deugdelijk aanbod te doen voor een baan, voortgezet onderwijs, een plaats in het leerlingstelsel of een stageplaats. Naast andere belangrijke EU-instrumenten, zoals het Europees Sociaal Fonds, is een specifiek EUfinancieringsinstrument gelanceerd, namelijk het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, om de uitvoering van de jongerengarantie te ondersteunen in gebieden in Europa waar de jeugdwerkloosheid het hoogst is. Om de uitvoering van maatregelen voor de jongerengarantie in de praktijk te versnellen, heeft de Commissie begin 2015 1 miljard EUR vroegtijdig beschikbaar gesteld. Bovendien stelde de Commissie in september 2016, ook op basis van de eerste resultaten, voor om het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te stimuleren en meer financiële middelen beschikbaar te stellen tot 2020.

Praktische voorbeelden van de concrete effecten van de jongerengarantie/het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief:

- Het Franse programma Emplois d'avenir, dat in 2012 van start ging en gedeeltelijk door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief wordt gefinancierd, heeft tot doel gesubsidieerde banen te scheppen voor laaggeschoolde jongeren in kansarme gebieden. Er zijn zowel bij ngo's als particuliere bedrijven arbeidsovereenkomsten voor één tot drie jaar beschikbaar. In 2016 werden 150 000 jongeren gesteund.

- Het project Know and Do in Letland, dat in 2015 van start ging en door het Europees Sociaal Fonds wordt gesteund, steunt activering op gemeentelijk niveau. Het heeft tot doel nietingeschreven jongeren van 15 tot en met 29 jaar op het spoor te komen, te motiveren en te activeren om terug te keren naar onderwijs, opleiding of werk.

- In Kroatië zijn er nu dankzij financiële steun van het Europees Sociaal Fonds elf centra voor een leven lang loopbaanbegeleiding in gebruik. Deze centra bieden alle burgers gratis (persoonlijk of online) diensten voor een leven lang loopbaanbegeleiding aan, waarbij extra aandacht aandacht wordt besteed aan jongeren.

2.2. Investeren in vaardigheden, competenties en de integratie op de arbeidsmarkt

Vaardigheden en competenties vormen een essentiële investering. In de kenniseconomie is het onontbeerlijk te beschikken over een breed scala aan vaardigheden en competenties 11 . Investeringen op dat gebied helpen de overgang naar werk te vergemakkelijken, jeugdwerkloosheid te voorkomen en innovatie, concurrentievermogen en sociale rechtvaardigheid te bevorderen. Onderwijsstelsels moeten betere resultaten bereiken, d.w.z. goede leerresultaten voor alle leerlingen, met name die uit kansarme milieus. Er moet vooral bijzondere nadruk worden gelegd op de kwaliteit van het onderwijs en de verbetering van de prestaties door de efficiëntie te vergroten. Beter onderwijs is een essentiële factor voor de verbetering van zowel kwaliteit als efficiëntie.

Beroepsonderwijsstelsels van hoge kwaliteit vergemakkelijken de overstap van jongeren naar de arbeidsmarkt. Vooral tijdens de crisis is gebleken dat een goed ontwikkeld beroepsonderwijs en -leerlingstelsel een van de meest doeltreffende manieren is om de jeugdwerkloosheid onder controle te houden of te voorkomen. Beroepsonderwijs en opleiding, werkplekleren en vooral leerlingplaatsen zijn namelijk bijzonder effectief in het aanleren van vaardigheden die relevant zijn voor de arbeidsmarkt. Hiertoe heeft de Commissie de actieve betrokkenheid van sociale partners bij het verbeteren van de kwaliteit van het aanbod aan beroepsonderwijs en -opleiding ondersteund en de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden tussen het onderwijs en het bedrijfsleven gestimuleerd. Bovendien steunt de Commissie de lidstaten bij het verbeteren van hun onderwijs- en opleidingsstelsels door empirische gegevens aan te reiken en wederzijds leren op basis van gemeenschappelijke prioriteiten te bevorderen.

Voorbeelden van EU-maatregelen op het gebied van vaardigheden, onderwijs en opleiding:

- In juni 2016 heeft de Commissie een nieuwe vaardighedenagenda 12 voor Europa gelanceerd. Deze omvat een pakket maatregelen die ervoor moeten zorgen dat meer jongeren betere vaardigheden verwerven, dat bestaande vaardigheden beter worden benut en dat vraag en aanbod van vaardigheden beter op elkaar worden afgestemd.

- Sinds 2013 brengt de Europese Alliantie voor leerlingplaatsen de lidstaten, de sociale partners, bedrijven, het beroepsonderwijs en andere belanghebbenden samen om het aanbod, de kwaliteit, het imago en de mobiliteit van leerlingplaatsen te verbeteren. Bovendien werkt de Commissie aan de hand van het Europees pact voor de jeugd, dat in 2015 samen met toonaangevende Europese bedrijven is opgestart om samen ten minste 100 000 nieuwe leerlingplaatsen, stageplaatsen of instroombanen van goede kwaliteit te creëren, samen met het bedrijfsleven om de samenwerking tussen het bedrijfsleven en het onderwijs te normaliseren. Het pact voor de jeugd en de Alliantie voor leerlingplaatsen hebben al meer dan 500 000 opleidings- en arbeidsmogelijkheden voor jongeren opgeleverd in de vorm van verbintenissen van bedrijven en organisaties. Naast de maatregelen voor meer en kwalitatief betere leerlingplaatsen en opleidingsmogelijkheden, werkt de Commissie ook nauw samen met de lidstaten, de sociale partners en aanbieders van beroepsonderwijs -opleiding om hun stelsels voor beroepsonderwijs- en -opleiding te versterken.

- Tijdens de eerste Europese week van beroepsvaardigheden (5-9 december 2016) worden voor meer dan 500 000 jongeren, ouders, vakmensen, werkgevers en sociale partners excellentie en kwaliteit in beroepsonderwijs en -opleiding in de verf gezet.

2.3. Aanbieden van grensoverschrijdende mogelijkheden en bevorderen van de participatie van jongeren

Leren, studeren en een opleiding volgen in het buitenland zijn unieke ervaringen en openen nieuwe perspectieven. De Europese economieën zijn sterk met elkaar verbonden. Als jongeren de mogelijkheid krijgen hun horizon te verbreden, draagt dat bij aan hun autonomie en zelfvertrouwen. Zij kunnen nieuwe vaardigheden, kennis en een unieke ervaring opdoen, aangezien zij met diversiteit leren omgaan en zich in een andere omgeving leren handhaven.

Het Erasmus+-programma biedt ondersteuning aan een brede groep jongeren, waaronder universiteitsstudenten, cursisten en leerlingen in het kader van beroepsonderwijs en opleiding, vrijwilligerswerk en uitwisselingsprogramma's voor jongeren. Voor Erasmus+ is tussen 2014 en 2020 een totaalbudget van 14,8 miljard EUR toegewezen. Hiermee zal het programma naar verwachting meer dan 4 miljoen jongeren ondersteunen. In recente studies is de concrete invloed van het programma, met name op inzetbaarheid 13 benadrukt. Studenten die mobiel zijn geweest, lopen na afstuderen de helft minder risico om te maken te krijgen met langdurige werkloosheid dan degenen die geen studie of opleiding in het buitenland hebben gevolgd. Eén op de drie studenten die met steun van Erasmus+ stage lopen in het buitenland, krijgt van het bedrijf waar zij hebben gewerkt een baan aangeboden. Daarnaast leggen stagiair(e)s met een Erasmusbeurs ook meer ondernemingszin aan de dag dan stagiair(e)s die in eigen land blijven: één op de tien is een eigen bedrijf begonnen en meer dan drie van de vier zijn van plan voor zichzelf te beginnen of kunnen zich dat voorstellen. Ten slotte beschikken Erasmus-studenten over betere probleemoplossende vaardigheden, aanpassingsvermogen, verdraagzaamheid en zelfvertrouwen dan degenen die niet naar het buitenland zijn gegaan. Deze vaardigheden worden door werkgevers zeer gewaardeerd maar zijn ook in sociaal en maatschappelijk opzicht van essentieel belang.

In een open en democratische samenleving is het essentieel dat mensen reeds op jonge leeftijd verantwoordelijkheid nemen als actieve burgers. Dit soort actief burgerschap vereist dat jongeren de kans krijgen om deel te nemen en hun stem te laten horen. Om actief aan de samenleving deel te nemen, moeten jongeren ervaren dat wat zij doen ertoe doet en dat zij invloed kunnen uitoefenen op beslissingen die voor hen belangrijk zijn. In samenwerking met de lidstaten en belanghebbenden steunt de Commissie de uitvoering van de EU-strategie voor jongeren 14 . Deze strategie heeft twee hoofddoelstellingen: jongeren meer en gelijke kansen bieden in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, en jongeren stimuleren om actief aan de samenleving deel te nemen. Het adviserende, participatieve element is een essentieel onderdeel van deze strategie: dankzij de "gestructureerde dialoog" zijn 170 000 jongeren uit heel Europa gemobiliseerd om met beleidsmakers mee te praten over beleid dat voor hen belangrijk is.

Voorbeelden van EU-maatregelen op het gebied van mobiliteit en vrijwilligerswerk:

- Het Erasmus-programma viert volgend jaar zijn 30-jarig bestaan; in de loop der jaren hebben ongeveer 5 miljoen jongeren van het programma gebruikgemaakt. In de periode 2014-2020 zullen naar verwachting nog eens 4 miljoen jongeren van het programma profiteren dankzij de hogere financiering en de diversificatie van de programma's.

- Het Europees vrijwilligerswerk (EVS), al 20 jaar een drijvende kracht voor transnationaal vrijwilligerswerk, is een instrument voor jongeren om zich actief in te zetten. Het EVS ondersteunt elk jaar ongeveer 10 000 jonge vrijwilligers die naar het buitenland gaan om zich in te zetten voor uiteenlopende doelen, zoals jongerenactiviteiten, sociale hulp aan mensen in nood of de bescherming van het milieu.

3. Een hernieuwde impuls om te investeren in jongeren

Hoewel de economie blijft groeien en er meer banen worden gecreëerd, is er geen reden tot zelfgenoegzaamheid. De crisis heeft ingrijpende gevolgen gehad, en de uitdaging die jarenlange massale werkloosheid met zich meebrengt, is in vele delen van Europa enorm. De EU heeft zeer veel ervaring met het initiëren en bevorderen van beleid en activiteiten ter ondersteuning van jongeren. De sleutel voor het succes is gezamenlijke actie, waarbij actoren op alle niveaus, met name de bevoegde overheidsniveaus en de sociale partners, worden betrokken. De Commissie benadrukt dat er op basis van de volgende drie actiepunten vooruitgang moet worden geboekt:

3.1. Betere kansen voor het vinden van een baan

Het Europees semester stuurt hervormingen op nationaal niveau en verscheidene lidstaten hebben nauwkeurige richtsnoeren gekregen. In de laatste jaarlijkse groeianalyse, waarmee het Europees semester 2017 wordt ingeluid, benadrukt de Commissie de prioritering van de investering in menselijk kapitaal; dit houdt in de inzetbaarheid van jongeren te verbeteren en te investeren in hun vaardigheden en onderwijs.

De jongerengarantie moet in alle lidstaten duurzaam en integraal in de praktijk worden uitgevoerd. De onverminderde politieke inzet en financiële steun voor de jongerengarantie maken het verschil, en het is van essentieel belang om de vruchten te plukken van het werk dat tot nu toe is verricht. In een aantal lidstaten is de jongerengarantie nog niet zo lang volledig uitgevoerd omdat voor vele maatregelen aanzienlijke hervormingen en brede partnerschappen nodig waren; deze bieden op zich al nieuwe, veelbelovende mogelijkheden om steun te verlenen. 15 Nu de situatie in verschillende delen van Europa verbetert, wordt het in veel lidstaten een topprioriteit om te verzekeren dat laaggeschoolde jongeren adequate steun krijgen. Hiervoor moet de jongerengarantie beter toegankelijk zijn en moeten jongeren die geen onderwijs of opleiding volgen, geen werk hebben en ook niet bij openbare diensten voor arbeidsvoorziening zijn ingeschreven, doeltreffender worden geactiveerd. Daarnaast moet de samenwerking tussen openbare instellingen en met belanghebbenden worden versterkt en moet de capaciteit van partners – met name openbare diensten voor arbeidsvoorziening – worden verbeterd om met de jongerengarantie resultaten te boeken. Door normen vast te stellen voor kwaliteitseisen moeten betere mechanismen worden ingevoerd om te verzekeren dat jongeren kwalitatief hoogstaande vacatures aangeboden krijgen. Het aanbod van leerlingplaatsen in het kader van de jongerengarantie moet worden versterkt, aangezien dit slechts 4,1 % vertegenwoordigt van de kansen waarvan jongeren tot nu toe gebruik hebben gemaakt.

Om de uitrol van de jongerengarantie te vergemakkelijken in gebieden waar dat het meest noodzakelijk is, moeten meer middelen beschikbaar worden gesteld voor de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief. In het kader van de tussentijdse evaluatie van het meerjarig financieel kader heeft de Commissie voorgesteld om het oorspronkelijke bedrag dat aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief is toegewezen, voor de periode 2017-2020 aan te vullen met 1 miljard EUR. Ook het Europees Sociaal Fonds draagt een bedrag van 1 miljard EUR bij. Als hierover overeenstemming wordt bereikt, kunnen dankzij deze aanvullende financiële steun naar verwachting ongeveer 1 miljoen extra jongeren profiteren van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief.

3.2. Betere kansen dankzij onderwijs en opleiding

De Commissie is vastbesloten om de samenwerking tussen lidstaten te vergemakkelijken en hun inspanningen voor de hervorming van de onderwijs- en opleidingsstelsels te steunen. De Commissie zal haar steun aan de lidstaten verhogen en in de loop van 2017 concrete moderniseringsmaatregelen voor scholen en hoger onderwijs voorstellen, waaronder een bijgewerkte agenda voor de modernisering van het hoger onderwijs, een specifiek initiatief voor het volgen van afgestudeerden, een agenda ter ondersteuning van de ontwikkeling van scholen en docenten, een herziening van de aanbeveling inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren, en verdere begeleidende maatregelen ter ondersteuning van de digitale transformatie in het onderwijs en betere toegang tot digitale vaardigheden en digitaal leren.

Om de kwaliteit, het aanbod, de aantrekkelijkheid en de inclusiviteit van leerlingplaatsen en werkplekleren in beroepsonderwijs en –opleiding te verbeteren, zal de Commissie een kwaliteitskader voor leerlingplaatsen 16 voorstellen, met basisbeginselen voor de opzet en het aanbod van leerlingplaatsen op alle niveaus en met voldoende flexibiliteit voor de toepassing ervan in de zeer uiteenlopende stelsels van de lidstaten. Het kwaliteitskader kan een bijdrage leveren aan de kwaliteit van leerlingplaatsen die door EU-programma's worden gesteund (jongerengarantie, jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, Europees solidariteitskorps, Erasmus+ en het Europees Sociaal Fonds).

Voortbouwend op het geslaagde benchlearning-model van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, zal in 2017 een vraaggestuurde ondersteuningsdienst voor leerlingplaatsen worden opgericht voor landen die leerlingstelsels invoeren of hervormen. Deze ondersteuningsdienst zal ook bijdragen tot betere kennisuitwisseling, samenwerking en collegiaal leren op het gebied van leerlingstelsels door goede praktijken in kaart te brengen en wederzijds leren te versterken. Daarbij zal extra aandacht worden geschonken aan het mobiliseren van actoren voor concrete acties op nationaal, regionaal en lokaal niveau.

De leermobiliteit bij beroepsonderwijs en –opleiding biedt voordelen voor zowel deelnemers als werkgevers. Studies 17  tonen aan dat verblijven van meer dan zes maanden de hoogste toegevoegde waarde hebben voor het verbeteren van de professionele, persoonlijke en sociale vaardigheden. Op dit moment zijn de meeste leerlingplaatsen in een andere lidstaat echter voor een korte periode (72 % voor minder dan 1 maand en 21 % voor 1 tot 3 maanden). Als antwoord op de oproepen van het Europees Parlement om de kwaliteit en aantrekkelijkheid van mobiliteit van leerlingen te vergroten, zal de Commissie "ErasmusPro" voorstellen, een nieuwe specifieke mobiliteitsactiviteit die specifiek is gericht op mobiliteit van lange duur (612 maanden) binnen het bestaande Erasmus+programma om stages in het buitenland te ondersteunen. Dankzij een sterk ondersteunend kader met onder andere grondige voorbereiding, gestructureerde uitvoering en gepaste follow-up zullen het effect en de kwaliteit van de mobiliteitservaring worden verzekerd. Nauwe samenwerking met werkgevers en andere belanghebbenden in het kader van de Europese Alliantie voor leerlingplaatsen en het pact voor de jeugd 18 , en sterke samenwerkingsverbanden met aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding, de sociale partners, intermediaire instanties en openbare diensten voor arbeidsvoorziening om plaatselijke werkgevers te bereiken, zullen ervoor zorgen dat meer bedrijven klaar zullen zijn om leerlingen van mobiel beroepsonderwijs en beroepsopleidingen te ontvangen.

3.3. Betere kansen voor solidariteit, leermobiliteit en participatie

In het kader van de tussentijdse evaluatie van het meerjarig financieel kader
heeft de Commissie voorgesteld om de leermobiliteit een verdere impuls te geven door het
budget voor Erasmus+ aanzienlijk te verhogen met een bedrag van 200 miljoen EUR tot 2020.

De Commissie richt een Europees solidariteitskorps op dat de fundamenten van het solidariteitswerk in Europa zal versterken. Enthousiaste, geëngageerde jongeren die aan een gemeenschappelijk solidariteitsproject werken komen op deze manier met elkaar in contact. Het korps zal een inspirerende en emanciperende ervaring bieden voor jongeren die willen helpen, leren en groeien en tegelijkertijd waardevolle ervaring willen opdoen. Het zal een bredere basis bieden voor steun aan organisaties in heel Europa die jongeren de kans geven om solidariteitswerk te doen. Het korps zal zal inspelen op de behoeften van kwetsbare gemeenschappen en van nationale en lokale structuren op allerlei gebieden, zoals voedsel verstrekken en huisvesting bieden aan daklozen, bossen schoonmaken, steun bieden in gebieden die door een ramp zijn getroffen of hulp bieden bij de integratie van vluchtelingen.

Om de burgerparticipatie van jongeren te versterken, zal de Commissie de herziening van de Europese jeugdstrategie voor de periode na 2018 voorbereiden. In de loop van 2017 zal breed overleg worden gepleegd met jongeren en belangrijke belanghebbenden over de focus van de strategie in de toekomst. Een belangrijke vraag is hoe jongeren meer en betere kansen kunnen krijgen om actief deel te nemen aan het politieke leven en de democratische processen. De Commissie zal haar instrumenten voor dialoog en uitwisseling met jongeren verder ontwikkelen en versterken (bv. het "One Million"-initiatief, het project "Een nieuw verhaal voor Europa" en de gestructureerde dialoog).

De mobiliteit van jongeren is van essentieel belang om het Europees bewustzijn en de Europese identiteit te vergroten. In overeenstemming met het voorstel van het Europees Parlement en ter gelegenheid van het 30-jarig bestaan van Erasmus in 2017, zal de Commissie steun verlenen aan multimodale mobiliteit voor jongeren die aan een educatief project deelnemen. Hierdoor krijgen jongere generaties nieuwe kansen om Europa te ontdekken en zelf ervaringen op te doen.

4. Conclusie

In deze mededeling "Investeren in de jongeren van Europa" worden concrete EU-maatregelen uiteengezet om jonge mensen te helpen de baan, het onderwijs en de opleidingskansen te krijgen die zij verdienen. De uitdagingen zijn enorm en alle lidstaten krijgen ermee te maken.

Alleen een breed samenwerkingsverband tussen en de gezamenlijke inzet van de EU en de lidstaten zullen ons in staat stellen de doorbraak te verwezenlijken die in het kader van de huidige situatie nodig is. Dit is ook de geest van de oproep die in de verklaring van Bratislava is gedaan, die door de EU-leiders van de 27 lidstaten is overeengekomen.

Voortbouwend op wat de afgelopen jaren is bereikt, zet de Commissie zich in om nauw samen te werken met het Europees Parlement en de Raad om de steun voor investeringen in jongeren in heel Europa te vergroten. Zij zal nauw samenwerken met de lidstaten en belanghebbenden op alle niveaus om hun inspanningen te ondersteunen. De Commissie kijkt ook uit naar het elan en de vastberadenheid van de Europese Raad op 15-16 december 2016 om overeenstemming te bereiken over een reeks ambitieuze initiatieven op basis van de drie hierboven beschreven actiepunten.

(1)

Jongeren die in het buitenland zijn geboren en jongeren uit het land zelf met een in het buitenland geboren ouder vertegenwoordigden in 2014 20 % van de leeftijdsgroep 15-29 in de EU (Eurostat, 2014). In 2015 waren meer dan vier op de vijf nieuwe asielzoekers (83 %) in de EU-28 jonger dan 35 jaar.

(2)

Bijna een kwart van de onderdanen van een derde land in de leeftijdscategorie 18-24 jaar heeft de school voortijdig verlaten, vergeleken met ongeveer 10 % van de jongeren die in hun land van nationaliteit wonen. Het percentage jongeren dat geen onderwijs of opleiding volgt en geen werk heeft, is hoger onder onderdanen van een derde land in de leeftijdscategorie 20-34 jaar (32,7 %) dan onder EU-onderdanen (18,0 %), en de situatie is bijzonder ongunstig voor vrouwen (43,0 %).

(3)

Het PISA-onderzoek van de OESO meet regelmatig de basisvaardigheden van leerlingen van 15 jaar oud.

(4)

Raadpleeg voor meer informatie over het verband tussen zwakke onderwijsprestaties en sociaaleconomische status de Onderwijs- en opleidingsmonitor 2015.

(5)

Eurobarometer-enquête "European Youth in 2016", zie: http://www.europarl.europa.eu/atyourservice/en/20160504PVL00110/European-youth-in-2016

(6)

COM(2016) 942 final.

(7)

COM(2016) 941 final.

(8)

Deze richtsnoeren worden gegeven in de vorm van landspecifieke aanbevelingen. Zij worden vastgesteld in de context van de beleidscoördinatie op EU-niveau op het gebied van het fiscaal, economisch en werkgelegenheidsbeleid, het "Europees semester".

(9)

  http://www.eib.org/projects/priorities/investing-for-youth/index.htm

(10)

Aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie (PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1).

(11)

Dit geldt voor basisvaardigheden (zoals lezen en rekenen), sleutelcompetenties (zoals digitale vaardigheden, ondernemerschap en vreemde talen) en niet-cognitieve vaardigheden (zoals teamwork en kritisch denken).

(12)

COM(2016) 381 final.

(13)

Het aspect inzetbaarheid is in verschillende studies behandeld, bijvoorbeeld:

http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/repository/education/library/study/2014/erasmus-impact_en.pdf

https://www.agence-erasmus.fr/docs/2431_observatoire-n2.pdf

https://www.agence-erasmus.fr/docs/20140425_rapport-final_etude-impact-de-web.pdf

(14)

Resolutie van de Raad van 27 november 2009 over een nieuw kader voor Europese samenwerking in jeugdzaken (2010-2018), (PB C 311 van 19.12.2009, blz. 1).

(15)

COM(2016)646 final.

(16)

Hiervoor zal worden voortgebouwd op het advies van het Raadgevend Comité voor de beroepsopleiding "A Shared Vision for Quality and Effective Apprenticeships and Work-based Learning", goedgekeurd op 2 december 2016

(17)

  http://www.pedz.uni-mannheim.de/daten/edz-b/gdbk/07/analysis_leonardo_study_en.pdf

(18)

  http://ec.europa.eu/social/main.jsp?langId=nl&catId=89&newsId=2387