Brussel, 2.3.2016

COM(2016) 110 final

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

Wat na Parijs? Een beoordeling van de implicaties van de Overeenkomst van Parijs naar aanleiding van het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, van de in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering gesloten Overeenkomst van Parijs


1.    Inleiding

De Overeenkomst van Parijs uit 2015 is een historische mijlpaal in de wereldwijde strijd tegen klimaatverandering. Het is de overeenkomst van de laatste kans als we een stabielere wereld, een gezondere planeet, rechtvaardigere samenlevingen en sterkere economieën aan de toekomstige generaties willen overdragen, ook in de context van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling. De overeenkomst zal leiden tot een wereldwijde omschakeling naar schone energie. Deze omschakeling vergt veranderingen inzake bedrijfsbeheer en investeringen en is afhankelijk van stimuleringsmaatregelen op alle beleidsgebieden. Ze biedt de EU belangrijke mogelijkheden, met name op het gebied van banen en groei. De omschakeling zal investeringen en innovatie op het gebied van hernieuwbare energie bevorderen en zo bijdragen aan de inspanningen van de EU om wereldleider op het gebied van hernieuwbare energie te worden. Bovendien zullen de markten voor in de EU geproduceerde goederen en diensten (bijvoorbeeld op het gebied van energie-efficiëntie) groeien.

De Overeenkomst van Parijs is de eerste multilaterale overeenkomst over klimaatverandering die bijna alle emissies wereldwijd dekt. De overeenkomst is een succes voor de hele wereld en bevestigt dat de EU streeft naar een koolstofarme economie. De onderhandelingsstrategie van de EU heeft een doorslaggevende rol gespeeld bij het bereiken van de overeenkomst. De EU heeft naar ambitieuze resultaten gestreefd en gebruikgemaakt van haar ervaring op het gebied van doeltreffend klimaatbeleid, onderhandelingen en op regels gebaseerde internationale samenwerking. De EU heeft als eerste grote economie op 6 maart 2015 een klimaatplan ingediend (de zogenaamde Intended Nationally Determined Contribution, INDC) in overeenstemming met het beleidskader voor het klimaat en energie 2030, dat is vastgesteld door de Europese Raad van oktober 2014 1 en de blauwdruk van de Europese Commissie om de wereldwijde klimaatverandering na 2020 tegen te gaan 2 . De EU heeft een ambitieus streefcijfer voor de hele economie van de EU geformuleerd: een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met ten minste 40% tegen 2030. Het streefcijfer is gebaseerd op wereldwijde projecties die overeenkomen met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs op middellange termijn.

Tijdens de Conferentie van Parijs heeft de EU blijk gegeven van een hoge mate van politieke eensgezindheid. Alle EU-ministers in Parijs waren bereid en vastberaden om de conferentie te doen slagen. De EU heeft het in de Raad Milieu overeengekomen standpunt van de EU eensgezind verdedigd. Zo kon de EU met één stem spreken tijdens alle fasen van de onderhandelingen, wat van cruciaal belang is geweest voor het succes van de Conferentie van Parijs. Het was in het kader van de klimaatdiplomatie van de EU bijzonder belangrijk dat de EU en haar partners een brede coalitie van ontwikkelde en ontwikkelingslanden hebben gesmeed ten gunste van zo ambitieus mogelijke doelstellingen. Deze coalitie heeft een positieve dynamiek tijdens de onderhandelingen gecreëerd en ertoe bijgedragen dat alle grote uitstoters zich achter de Overeenkomst van Parijs hebben geschaard.

Vergeleken met Kopenhagen 2009 was ook het algemene kader volledig anders: regeringen en niet-overheidsactoren (bijvoorbeeld het bedrijfsleven, investeerders, steden en de civiele samenleving) werden wereldwijd bottom-up gemobiliseerd. Het Franse voorzitterschap van de klimaatconferentie en de VN verdienen alle lof voor de positieve dynamiek in de aanloop naar en tijdens de Conferentie van Parijs.

De verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs kunnen alleen worden nageleefd als het elan en de sterke politieke wil om op een sociaal rechtvaardige manier naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale toekomst om te schakelen niet verslappen. De klimaatverandering moet op de politieke agenda blijven van internationale fora zoals de G20 en de G7. De EU zal in dit verband haar internationale voortrekkersrol blijven spelen en haar klimaatdiplomatie voortzetten 3 .

2.    De Overeenkomst van Parijs – Een allesomvattend akkoord

2.1. De belangrijkste elementen van de Overeenkomst van Parijs

De Overeenkomst van Parijs bevat een allesomvattend actieplan om een gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen. Erkend wordt dat het zaak is de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen zo spoedig mogelijk te laten pieken en tijdens de tweede helft van deze eeuw voor klimaatneutraliteit te zorgen. De overeenkomst omvat de volgende essentiële onderdelen:

De overeenkomst bevat een doelstelling op lange termijn: de opwarming van de aarde beperken tot ruim minder dan 2 °C vergeleken met de pre-industriële niveaus en inspanningen blijven leveren om de temperatuurstijging tot 1,5 °C te beperken. De ambitieuze doelstelling van 1,5 °C is overeengekomen om alle betrokkenen tot meer inspanningen te stimuleren en de aandacht te vestigen op de problemen van de meest kwetsbare landen, die nu al met de gevolgen van de klimaatverandering kampen.

De overeenkomst vormt ook een duidelijk signaal voor alle betrokken partijen, investeerders, bedrijven, maatschappelijke organisaties en beleidsmakers dat de wereldwijde omschakeling naar schone energie onomkeerbaar is en dat we andere hulpbronnen dan fossiele brandstoffen moeten gebruiken. Met 189 nationale klimaatplannen die ongeveer 98 % van alle emissies dekken, is de strijd tegen de klimaatverandering nu uitgegroeid tot een echte wereldwijde strijd. Dankzij de Overeenkomst van Parijs wordt de strijd van enkelen de strijd van allen.

De overeenkomst voorziet in een dynamisch mechanisme om geregeld de balans op te maken en de doelstellingen aan te scherpen. Vanaf 2023 zullen de partijen om de vijf jaar samenkomen om een algemene balans op te maken: nagegaan zal worden of vooruitgang bij de reductie van emissies is geboekt, aanpassingen zijn doorgevoerd en steun is verleend/ontvangen om de langetermijndoelstellingen van de overeenkomst te verwezenlijken.

De partijen zijn wettelijk verplicht nationale mitigatiemaatregelen te nemen om de doelstellingen van hun bijdragen te verwezenlijken.

De overeenkomst voorziet in een kader voor meer transparantie en verantwoordingsplicht, met onder meer de verplichting voor alle partijen om elke twee jaar broeikasgasinventarissen en informatie over de geboekte vooruitgang in te dienen; een technische beoordeling door deskundigen; een faciliterende, multilaterale denkoefening over de geboekte vooruitgang van de partijen; en een mechanisme om de uitvoering van de overeenkomst te vergemakkelijken en de naleving ervan te bevorderen.

De overeenkomst voorziet in een ambitieus solidariteitspakket met adequate bepalingen inzake klimaatfinanciering en bijstand bij aanpassingsprocessen en schade als gevolg van klimaatverandering. Om individuele en collectieve maatregelen op het gebied van aanpassing te bevorderen voorziet de Overeenkomst van Parijs voor het eerst in een allesomvattende doelstelling om de capaciteit en de klimaatbestendigheid te vergroten en de kwetsbaarheid voor klimaatverandering te verminderen. De overeenkomst spoort de partijen aan om internationaal nauwer samen te werken bij de uitwisseling van wetenschappelijke kennis over aanpassingsprocessen en informatie over goede praktijken en beleidsmaatregelen.

2.2. Ratificatie en inwerkingtreding van de Overeenkomst van Parijs

De Overeenkomst van Parijs is een belangrijke mijlpaal. De EU zal proactief blijven bij de internationale klimaatonderhandelingen om ervoor te zorgen dat de ambitieuze doelstellingen van de overeenkomst bij de uitvoering van alle onderdelen worden verwezenlijkt (bijvoorbeeld gedetailleerde bepalingen inzake transparantie en verantwoordingsplicht, mechanismen voor duurzame ontwikkeling en technologiemechanismen).

De eerstvolgende stap is de ondertekening van de Overeenkomst van Parijs. De overeenkomst wordt op 22 april 2016 in New York voor ondertekening opengesteld en treedt in werking wanneer ten minste 55 partijen die samen goed zijn voor ten minste 55 % van de wereldwijde emissies, de overeenkomst hebben geratificeerd. Het is wenselijk dat de overeenkomst snel wordt geratificeerd en in werking treedt om alle landen de rechtszekerheid te geven dat de overeenkomst snel van kracht wordt. De EU zou in staat moeten zijn de Overeenkomst van Parijs zo snel mogelijk te ratificeren.

2.3. Tussentijdse mijlpalen in het kader van de Overeenkomst van Parijs

De Overeenkomst van Parijs voorziet in een aantal tussentijdse mijlpalen. Er moet duidelijkheid komen over welke specifieke implicaties de doelstelling van 1,5 °C voor het beleid heeft. Het 5e evaluatieverslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) heeft over dit aspect geen definitieve conclusies opgeleverd bij gebrek aan een degelijke wetenschappelijke analyse. Om dit probleem te verhelpen is de IPCC verzocht om in 2018 een speciaal verslag op te stellen. De EU zal bijdragen aan het wetenschappelijk werk dat daartoe op internationaal niveau zal worden verricht. De EU zou moeten deelnemen aan de eerste "faciliterende dialoog", die in 2018 plaatsvindt om de balans op te maken van de collectieve doelstellingen en de vooruitgang bij de naleving van de verbintenissen. De EU zal in dit verband deelnemen aan de eerste allesomvattende evaluatie van de toestand in 2023, die kan worden aangegrepen om geleidelijk meer ambitieuze maatregelen voor de periode na 2030 te overwegen. De EU en de andere partijen worden in dit verband verzocht uiterlijk 2020 hun langetermijnstrategieën ter bevordering van lage broeikasgasemissies mee te delen. Om de ontwikkeling van deze strategieën te vergemakkelijken zal de Commissie een grondige analyse van de economische en sociale transformaties uitvoeren als input voor het politieke debat in het Europees Parlement en de Raad en met stakeholders.

3.    Hoe zal de EU de Overeenkomst van Parijs uitvoeren?

De omschakeling naar een koolstofarme en hulpbronnenefficiënte economie vergt ingrijpende veranderingen op het gebied van technologie, energie, economie, financiën en de samenleving als geheel. De Overeenkomst van Parijs biedt kansen op het gebied van economische transformatie, werkgelegenheid en groei. De overeenkomst is van cruciaal belang om ruimere doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling te verwezenlijken en de prioriteiten van de EU op het gebied van investeringen, concurrentievermogen, circulaire economie, onderzoek, innovatie en energietransitie concreet gestalte te geven. De Overeenkomst van Parijs biedt het bedrijfsleven in de EU kansen: de EU heeft immers wereldwijd een pioniersvoordeel op het gebied van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en de ontwikkeling van koolstofarme technologie. Om dit voordeel te kunnen genieten zal de EU een voortrekkersrol moeten blijven spelen bij de inspanningen om de emissies via regelgeving terug te dringen en bij initiatieven om publieke en particuliere investeringen in innovatie en modernisering in alle sleutelsectoren te stimuleren. Tegelijkertijd zal de EU ervoor moeten zorgen dat andere belangrijke economieën hun verbintenissen nakomen. De omschakeling naar een koolstofarme economie moet goed worden beheerd, rekening houdend met de verschillen op het punt van energiemix en economische structuur in de hele EU. Dat betekent ook dat de maatschappelijke gevolgen van de omschakeling voor specifieke regio’s en sociaaleconomische sectoren moeten worden voorzien en verzacht.

3.1. Een gunstig klimaat bevorderen voor de omschakeling naar een koolstofarme economie

De omschakeling naar een energie-unie

De verbintenis van de EU om naar schone energie om te schakelen is onomkeerbaar en niet voor onderhandelingen vatbaar. De energie-unie beoogt vooral "een door fossiele brandstoffen aangedreven economie waarin energie gebaseerd is op een gecentraliseerde, aanbodgestuurde aanpak die op oude technologieën en verouderde zakenmodellen steunt, achter zich te laten, de consumenten meer macht te geven en (...) afstand te nemen van een versnipperd systeem dat wordt gekenmerkt door ongecoördineerde nationale beleidsdoelstellingen, marktbelemmeringen en geïsoleerde energie-eilanden" 4 . De energie-unie biedt een breder kader waarbinnen de EU een gunstig klimaat voor de energietransitie kan creëren. Volgens het Internationaal Energieagentschap zal de volledige uitvoering van de klimaatplannen leiden tot 13,5 biljoen USD aan investeringen in energie-efficiëntie en koolstofarme technologieën tussen 2015 en 2030 (d.w.z. gemiddeld 840 miljard USD per jaar). Het belangrijkste effect van de klimaatplannen is niet alleen dat ze meer investeringen genereren maar ook dat ze de investeringen herschikken tussen brandstoffen en sectoren en tussen vraag en aanbod. Zo zal bijna drie keer meer worden geïnvesteerd in hernieuwbare energie dan in met fossiele brandstoffen aangedreven krachtcentrales, terwijl de investeringen in energie-efficiëntie (op de eerste plaats in de vervoer- en bouwsector) de investeringen in andere onderdelen van het energiesysteem naar verwachting zullen evenaren.

Innovatie en concurrentievermogen

De Overeenkomst van Parijs stippelt een duidelijke en ambitieuze koers uit voor koolstofarme innovatie. In de rand van de Conferentie van Parijs hebben twintig van ’s werelds grootste economieën "Mission Innovation" gelanceerd om aan publieke en particuliere innovatie op het gebied van schone energie een nieuwe impuls te geven, baanbrekende technologieën te ontwikkelen en toe te passen en de kosten te verminderen. De EU wil zich bij dit initiatief aansluiten gezien het feit dat de EU-begroting voor onderzoek naar koolstofarme technologieën in het kader van Horizon 2020 voor de periode 2014-2020 al is verdubbeld en de EU heeft toegezegd om minstens 35 % van Horizon 2020 in klimaatgerelateerde activiteiten te investeren. Bovendien zal de toekomstige onderzoeks-, innovatie- en concurrentiestrategie voor de energie-unie gebruikmaken van de synergieën tussen energie, vervoer, circulaire economie en industriële en digitale innovatie. Dit zou het concurrentievermogen van de huidige en toekomstige Europese koolstofarme en energie-efficiënte technologieën ten goede moeten komen.

Investeringen en kapitaalmarkten

Het is van essentieel belang de particuliere investeringen te herschikken en snel te doen toenemen om de omschakeling naar een emissiearme en klimaatbestendige economie te ondersteunen en de "lock-in" van emissierijke infrastructuur en activa te voorkomen. De EU-fondsen zullen een belangrijke rol spelen bij het mobiliseren van de markten 5 . Investeringssteun in het kader van het investeringsplan voor Europa – waarbij de nadruk ligt op maatregelen om obstakels voor investeringen in de Europese Unie uit de weg te ruimen – en mogelijke financiering door het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) zouden investeringen ter vermindering van de emissies en ter bevordering van de energie-efficiëntie op de eengemaakte markt moeten bevorderen. Het investeringsplan voor Europa heeft reeds veelbelovende resultaten op dit terrein opgeleverd 6 en het volledige potentieel van het plan moet verder worden onderzocht. De Commissie heeft onlangs het Europees investeringsprojectenportaal (EIPP) opgestart, dat binnenkort volledig operationeel zal zijn. Doel van het portaal is investeerders aan te trekken voor levensvatbare en solide investeringsprojecten in Europa. Stakeholders in de energiesector worden aangemoedigd hun projecten naar het EIPP te sturen zodat potentiële investeerders een algemeen overzicht van de projecten krijgen. De Commissie zal prioriteit verlenen aan versnelde technische bijstand voor stakeholders, zodat in 2016 plannen kunnen worden gemaakt om kleinere projecten op het gebied van energie-efficiëntie te bundelen en zo een kritieke massa op te bouwen. Dankzij deze plannen krijgen investeerders betere investeringsmogelijkheden in energie-efficiëntie en wordt kapitaal voor nationale, regionale of lokale platforms en programma's op het gebied van energie-efficiëntie beter toegankelijk. De plannen voorzien in versterkte technische bijstand en bijstand voor projectontwikkeling in het kader van de Europese investeringsadvieshub (EIAH), die door de Commissie en de Europese Investeringsbank is opgericht om projectontwikkelaars bij de structurering van hun projecten te helpen en financieringsregelingen met standaardvoorwaarden te bevorderen, met name op het gebied van gebouwen 7 .

Financiële instellingen zijn cruciale partners bij dit omschakelingsproces. Ook goed functionerende grensoverschrijdende kapitaalstromen en geïntegreerde en duurzame kapitaalmarkten zijn belangrijk om de omschakeling tot een goed einde te brengen. De maatregelen die in het kader van de oprichting van een kapitaalmarktunie 8 zijn genomen of worden voorbereid, zijn in dit verband van essentieel belang. Niet alleen de Europese Centrale Bank, de nationale centrale banken, de Europese Investeringsbank, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, het Groen Klimaatfonds en andere internationale financiële instellingen (bijvoorbeeld de Wereldbank) maar ook nationale ontwikkelingsbanken kunnen bij de omschakeling – binnen de eengemaakte markt maar ook daarbuiten – een nuttige rol spelen. Als reactie op het verzoek van de G20 in april 2015 om na te gaan hoe de financiële sector rekening kan houden met klimaatgerelateerde kwesties heeft de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) een taskforce voor de openbaarmaking van klimaatgerelateerde financiële informatie opgericht om marktdeelnemers beter over klimaatgerelateerde risico’s voor te lichten en te helpen die risico’s beter te beheren. De G20 heeft onlangs een studiegroep opgericht om kwesties in verband met groene financiering te analyseren. Op Europees niveau heeft het Europees Comité voor systeemrisico’s een verslag gepubliceerd over de omschakeling naar een koolstofarme economie en de potentiële risico’s voor de financiële sector 9 .

Koolstofbeprijzing en subsidies voor fossiele brandstoffen

Koolstofbeprijzing is van essentieel belang om een billijk evenwicht tussen alle actoren bij de omschakeling te bevorderen – via emissiehandel (bijvoorbeeld in de EU), belastingen of andere economische en/of fiscale instrumenten. De EU moet meer inspanningen leveren om haar ervaringen op dit gebied te delen met alle landen die nog met koolstofbeprijzing moeten beginnen. Hiertoe behoren landen als China en Zuid-Korea, die momenteel systemen voor emissiehandel ontwikkelen, evenals een grote groep landen (waaronder alle grote economieën) die technologieën voor hernieuwbare energie inzetten en hun beleid op het gebied van energie-efficiëntie verbeteren. Hoewel de Overeenkomst van Parijs een keerpunt betekent omdat het een globale overeenkomst is, leveren niet alle landen in dezelfde mate inspanningen om hun emissies terug te dringen, zodat voor sommige industrieën een concurrentienadeel dreigt te ontstaan. Het strategisch besluit van de Europese Raad om ook na 2020 aan de gratis toewijzing van emissierechten vast te houden en de voorgestelde bepalingen inzake koolstoflekkage voor de EU-emissiehandel zorgen momenteel voor het juiste evenwicht, maar moeten de volgende tien jaar in het oog worden gehouden.

De koolstof- en energiebeprijzing wordt verder gecompliceerd door de huidige lage olieprijs. Er doet zich nu een goede gelegenheid voor om niet alleen tot koolstofbeprijzing over te gaan, maar ook om de subsidies voor fossiele brandstoffen te schrappen, die volgens het Internationaal Energieagentschap in 2013 wereldwijd 548 miljard USD bedroegen. De subsidies voor fossiele brandstoffen vormen het grootste obstakel voor innovatie op het gebied van schone technologieën, wat de G20 en de G7 ertoe hebben aangezet te pleiten voor de afschaffing van deze subsidies. Het aangekondigde verslag over de energieprijzen en -kosten in de EU zal ingaan op de laatste stand van zaken op dit gebied.

De rol van steden, de civiele samenleving en de sociale partners

De omschakeling kan alleen succesvol zijn als activiteiten van tal van stakeholders uit de civiele samenleving – burgers, consumenten, sociale partners, kleine en middelgrote ondernemingen, innovatieve startende bedrijven en wereldwijd concurrerende bedrijfstakken – als katalysator fungeren. De Conferentie van Parijs en de actieagenda Lima-Parijs – een initiatief van de Peruaanse en Franse voorzitterschappen van de COP – beoogden een ongekend aantal niet-overheidsactoren voor het oog van de wereld samen te brengen om de samenwerking op het gebied van het klimaat te intensiveren ter ondersteuning van de nieuwe overeenkomst. De EU bevindt zich in een unieke positie om de omschakeling naar een koolstofarme economie via alle sectoren en bestuursniveaus in het beleid te integreren.

De toekomstige transformatie zal zich voor een groot deel voltrekken in slimme steden en stedelijke gemeenschappen. De werkzaamheden en beleidsmaatregelen in steden zullen daarom in 2016 worden geïntensiveerd. Er zal onder meer steun aan de maatregelen van het geïntegreerde en wereldwijde burgemeestersconvenant (Covenant of Mayors) worden verleend en een "one-stop-shop" voor lokale overheden worden opgezet. Lokale overheden zouden zo beter moeten kunnen bijdragen aan de omschakeling van de EU naar een koolstofarme economie. Bovendien krijgen Europese bedrijven wereldwijd kansen om hun concurrentievoordeel op het gebied van innovatieve technologieën voor slimme steden te benutten.

Klimaatdiplomatie en wereldwijde maatregelen

De strijd tegen klimaatverandering is een belangrijke strategische uitdaging met gevolgen voor het extern beleid van de EU op het gebied van onder meer ontwikkelingshulp en -samenwerking, het nabuurschaps- en uitbreidingsbeleid, de internationale samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie, handel, economische diplomatie en veiligheid. Alleen een wereldwijd en volgehouden politiek en diplomatiek engagement kan voorkomen dat het elan van Parijs verloren gaat.

De Raad is overeengekomen 10 dat de klimaatdiplomatie zich in 2016 zal moeten focussen op i) de voortzetting van de bewustmaking inzake klimaatverandering als een strategische prioriteit, ii) steun voor de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de klimaatplannen, en iii) de vergroting van de inspanningen om de samenhang tussen klimaatverandering, natuurlijke hulpbronnen (waaronder water), welvaart, stabiliteit en migratie aan te pakken.

De EU en de lidstaten hechten veel belang aan een intensievere mobilisering van klimaatfinanciering in het kader van zinvolle en transparante mitigatiemaatregelen, zodat ze hun aandeel kunnen leveren aan de doelstelling van de ontwikkelde landen om uiterlijk 2020 samen jaarlijks 100 miljard USD te mobiliseren uit een groot aantal financieringsbronnen (publieke en particuliere bronnen, bilaterale en multilaterale bronnen, alternatieve bronnen). De bestaande programma's voor ontwikkelingshulp van de EU zullen er in aanzienlijke mate toe bijdragen dat de EU haar aandeel in de 100 miljard USD zal kunnen leveren. In het kader van het meerjarig financieel kader 2014-2020 heeft de EU zich ertoe verbonden 20 % van haar totale begroting voor klimaatrelevante projecten en beleidsmaatregelen te gebruiken. In het kader van de externe uitgaven betekent dit meer dan een verdubbeling van de klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden en mogelijk maar liefst 14 miljard EUR voor klimaatgerelateerde uitgaven. Een steeds groter deel van deze middelen zal worden geïnvesteerd in aanpassingsmaatregelen, steun voor innovatie en capaciteitsopbouw.

Om de ontwikkelingslanden te helpen hun klimaatplannen vanaf 2020 uit te voeren zullen de steunprogramma’s (bijvoorbeeld het wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering+) moeten worden versterkt. In dit verband moeten de synergieën tussen de maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering, de actieagenda van Addis Abeba en de Agenda 2030 met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling ten volle worden benut. De EU moet ook deelnemen aan het Africa Renewable Energy Initiative. In het kader van uitbreidingen en het nabuurschapsbeleid zal de EU de politieke dialoog met en de steun voor partnerlanden voortzetten. Er zal bijzondere aandacht aan capaciteitsopbouw worden geschonken.

De lopende bilaterale en multilaterale onderhandelingen over de liberalisering van de handel in groene goederen en diensten moeten worden geïntensiveerd om wereldwijde maatregelen ter mitigatie van de klimaatverandering te vergemakkelijken en commerciële mogelijkheden voor Europese ondernemingen te creëren. De EU moet ook haar voortrekkersrol blijven spelen bij het streven naar ambitieuze resultaten bij de onderhandelingen binnen de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) over de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, evenals bij de onderhandelingen in het kader van het Protocol van Montreal.

3.2. Het regelgevingskader voor energie en klimaat 2030

Na de klimaatconferentie van Parijs moeten alle landen hun toezeggingen in concrete beleidsmaatregelen omzetten. In oktober 2014 heeft de Europese Raad het beleidskader voor klimaat en energie 2030 voor de EU vastgesteld met een ambitieus streefcijfer voor de hele economie van de EU (een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met ten minste 40% tegen 2030) en streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie (ten minste 27 %) 11 . De Overeenkomst van Parijs bewijst dat de EU de zaken juist heeft aangepakt. De uitvoering van het door de Europese Raad overeengekomen beleidskader voor energie en klimaat 2030 is een prioriteit in het kader van de follow-up van de Overeenkomst van Parijs.

De Commissie heeft de aanzet al gegeven door voor te stellen het emissiehandelssysteem (ETS), dat 45 % van de emissies van broeikasgassen in de EU dekt, te herzien. De Commissie zal de komende 12 maanden de belangrijkste resterende wetgevingsvoorstellen indienen om het overeengekomen regelgevingskader 2030 fair en kosteneffectief in de EU uit te voeren met maximale flexibiliteit voor de lidstaten en een juist evenwicht tussen nationale en EU-maatregelen. Als volgende stap werkt de Commissie aan een voorstel voor een besluit inzake de verdeling van de inspanningen en een voorstel inzake landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF). De Commissie zal ook wetgeving voorstellen om een betrouwbaar en transparant governancemechanisme op te zetten en de planning- en rapportagevereisten met betrekking tot klimaat en energie voor de periode na 2020 te stroomlijnen.

Bovendien zal de Commissie de nodige beleidsvoorstellen om het regelgevingskader van de EU aan te passen, zodat aan energie-efficiëntie absolute prioriteit kan worden verleend en de rol van de EU als wereldleider op het gebied van hernieuwbare energie kan worden bevorderd overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van oktober 2014. Er wordt onder meer voorzien in een nieuw ontwerp voor de energiemarkt om de consumenten in het centrum van het energiesysteem te plaatsen, zodat het mogelijk wordt op de vraag in te spelen en de flexibiliteit toeneemt. Bovendien heeft de Commissie dit jaar al de aanzet gegeven tot het pakket energiezekerheid om de nieuwe uitdagingen voor de energiezekerheid als gevolg van de internationale ontwikkelingen op het gebied van energie zonder uitstel het hoofd te kunnen bieden.

4.    Conclusie

Op weg naar Parijs en in Parijs heeft de EU een vooraanstaande rol gespeeld in de coalitie van ontwikkelde en ontwikkelingslanden die grote ambities koesterden. Om de omschakeling naar een koolstofarme economie niet in gevaar te brengen mag de EU intern en internationaal niet versagen:

De Overeenkomst van Parijs moet zo snel mogelijk worden ondertekend en geratificeerd. Het voorstel tot ondertekening van de overeenkomst is bij deze mededeling gevoegd.

De EU moet het gunstig klimaat voor de omschakeling naar een koolstofarme economie consolideren met behulp van een breed scala interactieve beleidsmaatregelen, strategische kaders en instrumenten die onder de tien prioriteiten van de Commissie Juncker vallen (en met name de schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering).

Het regelgevingskader van de EU voor energie en klimaatverandering 2030 moet snel worden voltooid overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van oktober 2014. De aangekondigde wetgevingsvoorstellen moeten door het Europees Parlement en de Raad snel worden behandeld.

Alle partijen moeten klaar zijn om ten volle te kunnen deelnemen aan de evaluatieprocessen in het kader van de Overeenkomst van Parijs, die bedoeld zijn om de verwezenlijking van de doelstelling – namelijk een klimaatverandering van ruim minder dan 2 °C en liefst slechts 1,5 °C – te waarborgen.

(1)

Conclusies van de Europese Raad van 24 oktober 2014.

(2)

Het Protocol van Parijs – Een blauwdruk om de wereldwijde klimaatverandering na 2020 tegen te gaan, COM(2015) 81 final.

(3)

Europese klimaatdiplomatie na de COP21 – Conclusies van de Raad van 15 februari 2016.

(4)

Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering – COM(2015) 80 van 25 februari 2015.

(5)

Er is 114 miljard euro van de hervormde Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) geprogrammeerd voor klimaatgerelateerde maatregelen in de periode 2014-2020. De programmering is tot stand gekomen in het kader van een breed partnerschap met de stakeholders. Het bedrag is goed voor 25 % van de ESIF – wat bewijst dat veel belang wordt gehecht aan klimaatgerelateerde maatregelen – en bedraagt meer dan de nagestreefde 20 % van de totale EU-begroting. De steun is niet beperkt tot financieringsmogelijkheden maar ook bestemd voor regionale samenwerking, capaciteitsopbouw en technische bijstand.

(6)

Overzicht van projecten in het kader van het investeringsplan op het gebied van koolstofarme technologieën en energie-efficiëntie: http://ec.europa.eu/priorities/sites/beta-political/files/sector-factsheet-energy_en.pdf

(7)

Staat van de energie-unie 2015.

(8)

Actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktunie, COM(2015) 468 final.

(9)

  https://www.esrb.europa.eu/pub/pdf/asc/Reports_ASC_6_1602.pdf

(10)

Conclusies van de Raad over de Europese klimaatdiplomatie na de COP 21.

(11)

Het streefcijfer voor energie-efficiëntie zal uiterlijk 2020 worden verhoogd tot 30 % voor de hele EU.