31.8.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 288/100


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de Europese Investeringsbank „Tweede verslag over de staat van de energie-unie”

(COM(2017) 53 final)

en het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Voortgangsverslag hernieuwbare energie”

(COM(2017) 57 final)

(2017/C 288/14)

Rapporteur:

Tellervo KYLÄ-HARAKKA-RUONALA

Raadpleging

Europese Commissie, 17.2.2017

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

 

 

Bevoegde afdeling

Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij

Goedkeuring door de afdeling

16.5.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

31.5.2017

Zitting nr.

526

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

190/0/1

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het tweede verslag over de staat van de energie-unie als onderdeel van het proces van monitoring van de uitvoering en verdere ontwikkeling van de strategie voor de energie-unie. Het EESC herhaalt zijn oproep voor een intensieve energiedialoog met maatschappelijke organisaties op EU-, nationaal, regionaal en lokaal niveau om concrete maatregelen voor een sterke energie-unie te stimuleren en te vergemakkelijken.

1.2.

Het EESC heeft altijd al gevonden dat het idee van een energie-unie van het grootste belang is voor het succes van de Europese Unie. Daarom moeten de vorderingen worden geëvalueerd, maar niet alleen in termen van de onderdelen van de energie-unie op zich. Ook moet worden gelet op de voordelen voor burgers en ondernemingen, waaronder kleine en middelgrote ondernemingen.

1.3.

De Europese Commissie wordt dus verzocht om de voortgang vanuit verschillende invalshoeken te bekijken en wel: economische voordelen, meer banen, vooruitgang in het dagelijkse leven van de mensen, het energiesysteem zelf, politieke en maatschappelijke prikkels en het gebruik van beleidsinstrumenten.

1.4.

Het EESC dringt aan op snelle goedkeuring van de tot op heden genomen initiatieven en — in de eerste plaats — op tijdige uitvoering ervan op EU-niveau en in de lidstaten. De nationale plannen zijn cruciaal en de lidstaten moeten beseffen dat hun maatregelen gevolgen hebben voor andere landen.

1.5.

Het EESC wijst erop dat, ondanks de geboekte vooruitgang, de energie-infrastructuur en -markten nog altijd door aanzienlijke tekortkomingen worden gekenmerkt. Voldoende en betrouwbare energie-infrastructuur en -opwekkingscapaciteit, goed functionerende energiemarkten en energie-efficiëntie zijn de belangrijkste factoren voor energiezekerheid. Hiertoe moeten de regionale samenwerkingsinitiatieven worden voortgezet, evenals de ontwikkeling van eigen energiebronnen en de geografische diversificatie van ingevoerde energie.

1.6.

Het EESC benadrukt dat het van belang is te blijven zorgen voor een positieve ontwikkeling op het gebied van hernieuwbare energie. De significante veranderingen in het energiesysteem als gevolg van een snelle stijging van variabele en decentrale hernieuwbare energie vergen speciale aandacht en moeten goed worden beheerd.

1.7.

Het is ingenomen met de mogelijkheden van de tweede fase van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) voor de bevordering van publiek-private investeringen. Voor particuliere investeringen zijn er momenteel onvoldoende marktprikkels, vooral als gevolg van incoherent beleid. Ter aanmoediging van particuliere investeerders is het noodzakelijk om te zorgen voor een voorspelbaar investeringsklimaat, waarbij het langdurige en stabiele karakter van politieke besluiten en wetgeving van cruciaal belang is.

1.8.

Het EESC verzoekt de Commissie om een alomvattende evaluatie van de huidige koolstofarme beleidsinstrumenten te maken om zeker te weten dat de juiste instrumenten worden gebruikt om de doelstellingen op de meest efficiënte manier te verwezenlijken. Meer inspanningen moeten worden gericht op het aanpakken van problemen met betrekking tot belastingen en heffingen die de consumentenprijzen verhogen en subsidies die energiemarkten en investeringssignalen verstoren.

1.9.

Sociale voordelen kunnen met de energie-unie worden gerealiseerd door banen te creëren en via het directe en indirecte energieverbruik van de burgers bij hun dagelijkse activiteiten. Echter, de verwezenlijking van een koolstofarm energiesysteem is een grote uitdaging die moet worden aangegaan op een manier die zorgt voor een rechtvaardige overgang.

1.10.

Met betrekking tot het mondiale leiderschap bij de omschakeling naar schone energie moet de EU ernaar streven om haar positieve wereldwijde „carbon handprint” te maximaliseren in plaats van zich alleen te richten op haar eigen emissies. Dit houdt in dat de nadruk op de rol van innovatie en handels- en investeringsbeleid moet liggen alsook op de noodzaak om tot een wereldwijde „koolstofprijs” te komen.

2.   Achtergrond

2.1.

In dit advies wordt ingegaan op het tweede verslag van de Commissie over de staat van de energie-unie en de bijbehorende bijlagen en op het voortgangsverslag van de Commissie over hernieuwbare energie. Deze documenten geven een beeld van de vooruitgang op de verschillende terreinen van de energie-unie en wijzen op kwesties en gebieden waar meer actie nodig is.

2.2.

Het belangrijkste verslag behandelt de staat van de energie-unie vanuit de volgende invalshoeken: de transitie naar een koolstofarme en energie- en hulpbronnenefficiënte economie, empowerment van de consument, toekomstbestendige infrastructuur, investeringsuitdagingen en de externe dimensie van een sterke energie-unie. Ook wordt de situatie betreffende de vijf pijlers van de energie-unie bekeken: energiezekerheid, interne energiemarkt, energie-efficiëntie, koolstofvrij maken van de economie en onderzoek, en innovatie en concurrentievermogen.

2.3.

Het verslag schetst verder de contouren van een mogelijke nieuwe promotietour voor de energie-unie door de Commissie in de lidstaten. Die tour houdt verband met de voorbereiding van de nationale energie- en klimaatplannen, en is ook tot de lokale actoren gericht.

2.4.

In het afzonderlijke voortgangsverslag over hernieuwbare energie wordt de situatie beschreven in de lidstaten en in verschillende sectoren, met name in de sectoren elektriciteit, verwarming en koeling en vervoer. Dit verslag besteedt ook aandacht aan de administratieve obstakels voor de invoering van hernieuwbare-energieprojecten en bespreekt de duurzaamheid van biobrandstoffen en bio-energie.

2.5.

In de toekomst zullen de verslagen betrekking hebben op de maatregelen die de Commissie heeft voorgesteld in haar pakket „Schone energie voor alle Europeanen” van november 2016. Het belangrijkste verslag bevat ook een bijgewerkt stappenplan voor de energie-unie, gebaseerd op het oorspronkelijke stappenplan van de kaderstrategie voor de energie-unie uit 2015.

3.   Opmerkingen over het concept van de energie-unie

3.1.

Het EESC heeft altijd al gevonden dat het idee van een energie-unie van het grootste belang is voor het succes van de Europese Unie. Daarom moet de energie-unie tegemoetkomen aan de behoeften van de Europese burgers en bedrijven.

3.2.

Een van de basisideeën achter de energie-unie is het maximaliseren van voordelen door samenwerking tussen de lidstaten. Politieke samenhang en eenheid zijn essentiële voorwaarden voor betekenisvolle vooruitgang. Dit geldt zowel voor de ontwikkeling van de interne energiemarkt als voor de externe betrekkingen op energiegebied.

3.3.

Dit is des te belangrijker nu de EU geconfronteerd wordt met een groot aantal onzekerheden, risico’s en dreigingen op mondiaal niveau. Tegelijkertijd hebben nationalisme en protectionisme op nationaal niveau de kop opgestoken en kunnen die een bedreiging vormen voor de vooruitgang van de interne energiemarkt. De energie-unie zou idealiter een belangrijke rol kunnen spelen bij het versterken van eenheid, en daarmee van een krachtige positie van de EU in de wereld.

3.4.

Gezien de interne en externe ontwikkelingen wordt de energie-unie dus alsmaar belangrijker. Intern worden de onderlinge afhankelijkheid tussen de lidstaten en de gevolgen van hun beslissingen op elkaar duidelijk zichtbaar in het dagelijks leven, terwijl extern de zaken meer dan ooit onvoorspelbaar zijn.

3.5.

Het EESC is het eens met de opmerking van de Commissie dat de energie-unie om meer gaat dan alleen energie en klimaat. Die unie is een van de belangrijkste aspecten van de economische ontwikkeling, de werkgelegenheid en het welzijn van de burgers. Al met al betreft die unie de duurzaamheid van de EU in termen van economische, sociale en milieuvoordelen.

3.6.

De energie-unie kan economische voordelen opleveren door: economische activiteiten die meerwaarde opleveren door energieverbruik in productieprocessen, de energiesector zelf en door economische actoren die energie- en klimaatoplossingen bieden via onder meer technologie, diensten en nieuwe bedrijfsmodellen. Om dit alles mogelijk te maken moet de energie-unie zorgen voor een stabiel en gunstig klimaat voor Europese bedrijven, met inbegrip van goede randvoorwaarden voor het kostenconcurrentievermogen en innovatieve differentiatie. Dit moet worden gedaan met het oog op het stimuleren van investeringen en werkgelegenheid, waarbij speciale aandacht moet uitgaan naar het potentieel van kleine en middelgrote ondernemingen.

3.7.

Sociale voordelen komen er door het creëren van banen en via directe en indirecte vormen van energieverbruik door de burgers in een grote verscheidenheid van dagelijkse activiteiten. Echter, de verwezenlijking van een koolstofarm energiesysteem is een grote uitdaging die moet worden aangegaan op een manier die zorgt voor een rechtvaardige overgang en fatsoenlijke banen in met name de regio’s die afhankelijk waren van koolstofintensieve activiteiten. Het EESC wijst erop dat in de nationale plannen aanpassingsmaatregelen moeten worden opgenomen en verzoekt de Commissie daarbij te helpen.

3.8.

De beschikbaarheid van en de toegang tot betaalbare energie is essentieel om energiearmoede te voorkomen. Dit bemoeilijkt ook de overstap van de burgers op koolstofarme oplossingen. De waarnemingspost voor energiearmoede moet nu eindelijk uit de startblokken komen. Zoals opgemerkt in het advies van het EESC over het eerste verslag over de staat van de energie-unie zullen de Europeanen het succes van die unie aan de hand van zeer praktische criteria beoordelen, zoals prijzen, toegankelijkheid van netwerken, continuïteit van de energievoorziening en consumenteninformatie over apparaten.

3.9.

Met betrekking tot de voordelen voor het klimaat worden de energie- en klimaatdoelstellingen vaak als doel op zich beschouwd. Zij moeten evenwel worden gezien als middelen om de hoofddoelstelling te verwezenlijken: voldoen aan de behoeften van de burgers en creatie van welvaart op dusdanige wijze dat ook de klimaatverandering wordt tegengegaan, in lijn met de overeenkomst van Parijs. Daarnaast draagt de energie-unie bij tot vermindering van luchtverontreiniging en daarmee tot positieve effecten op de gezondheid.

3.10.

Het EESC is het met de Commissie eens wanneer zij stelt dat de energie-unie niet los kan worden gezien van ander belangrijk Europees beleid, onder meer op het gebied van digitalisering, kapitaalmarkten en investeringen, vaardigheden, de circulaire economie en veiligheid. Het wijst eveneens op het nauwe verband tussen de energie-unie en vervoersbeleid. De energie- en klimaataspecten van vervoer kunnen niet afzonderlijk worden behandeld, dat wil zeggen dat zij in combinatie met vervoersmarktvraagstukken moeten worden aangepakt.

3.11.

Al met al benadrukt het EESC dat bedrijven, werknemers, consumenten en burgers veranderingen in de praktijk brengen. Daarom herhaalt het zijn oproep voor een nauwe energiedialoog met het maatschappelijk middenveld. Die dialoog moet plaatsvinden op alle niveaus: met betrekking tot de beleidsvorming op EU-niveau, bij de voorbereiding van nationale energie- en klimaatplannen en ten slotte bij de facilitering van lokale maatregelen.

4.   Opmerkingen over de staat van de energie-unie en follow-up

4.1.   Uitvoering

4.1.1.

De Commissie heeft 2016 uitgeroepen tot het jaar van resultaten. De meeste van de geplande initiatieven voor de energie-unie heeft zij reeds gepubliceerd. De meeste van deze vele initiatieven moeten echter nog worden goedgekeurd en uitgevoerd. Het EESC dringt aan op snelle goedkeuring van die initiatieven en — in de eerste plaats — op tijdige uitvoering ervan op EU-niveau en in de lidstaten.

4.1.2.

De nationale energie- en klimaatplannen vormen een essentieel onderdeel van de uitvoering van de strategie voor de energie-unie. Rekening houdend met de verschillende nationale situaties moet de voorbereiding van de nationale plannen rationeel worden aangepakt. Dat moet gebeuren middels participatie en samenwerking. Tegelijkertijd is het belangrijk om een degelijk governancemechanisme in het leven te roepen om ervoor te zorgen dat de plannen niet alleen worden uitgevoerd, maar ook onderling coherent zijn en overeenkomen met de gemeenschappelijke doelstellingen. Men moet er ook voor zorgen dat de rol en de verantwoordelijkheden van de lidstaten, de EU en andere actoren duidelijk zijn aangegeven.

4.1.3.

De besluiten in het kader van de energie-unie zijn voor de lange termijn en deels onherroepelijk. Daarom moeten gedurende het gehele proces de langetermijndoelstellingen voor ogen worden gehouden. Daarbij moet voldoende flexibiliteit worden gewaarborgd, zowel op nationaal als op EU-niveau, aangezien praktische maatregelen niet lineair blijven van jaar tot jaar en veranderende omstandigheden flexibele reacties vereisen.

4.1.4.

De tenuitvoerlegging van beleidsdoelstellingen en wetgeving dient niet het enige onderwerp van de evaluatie van de staat van de energie-unie te zijn. De meeste aandacht moet juist uitgaan naar de werkelijke situatie op EU- en nationaal niveau. Dit is met name van belang gezien de complexiteit van de vele doelstellingen, pijlers en streefcijfers van de energie-unie. In het volgende verslag over de staat van de energie-unie verwacht het EESC van de Commissie een beschrijving van de praktische vooruitgang die is geboekt en voorbeelden van projecten die met succes zijn afgesloten, alsmede van de plannen voor de volgende stappen naar meer interconnectiviteit, beter functionerende markten en sociale aanpassing aan de transitie.

4.1.5.

Het EESC heeft onlangs adviezen opgesteld over de verschillende aspecten van het pakket „Schone energie voor alle Europeanen”. Het verwijst hier naar deze adviezen, die een meer gedetailleerd overzicht bieden van de governance en andere onderdelen van de energie-unie.

4.2.   Infrastructuur, investeringen en markten

4.2.1.

Het energiesysteem zelf, dat de kern van de energie-unie vormt, moet functioneren en adequaat worden uitgebouwd. Het moet het voldoen aan drie basisdoelstellingen: energiezekerheid, redelijke kosten en prijzen, en verzachting van de gevolgen van de klimaatverandering. Zulks vanuit het oogpunt van zowel de burgers als het bedrijfsleven.

4.2.2.

Energiezekerheid blijft een cruciale doelstelling, omdat de moderne economie en de moderne samenleving niet zonder energie kunnen functioneren, zelfs niet voor even. Voldoende en betrouwbare energie-infrastructuur en -opwekkingscapaciteit, goed functionerende energiemarkten en energie-efficiëntie zijn de belangrijkste factoren voor energiezekerheid. Energiezekerheid mag niet worden beschouwd als een synoniem van zelfvoorziening. Zoals het geval is met andere grondstoffen, bevorderen grensoverschrijdende transacties, zowel intern als extern, de continuïteit van de aanvoer en houden deze de prijzen op een competitief niveau. Dat sluit niet uit dat er politieke redenen zijn om een te hoge afhankelijkheid van ingevoerde energie te voorkomen. De ontwikkeling van Europese energiebronnen is ook belangrijk vanuit het oogpunt van de werkgelegenheid.

4.2.3.

Volgens de Commissie is de afhankelijkheid van ingevoerde energie in verschillende lidstaten afgenomen, terwijl deze in sommige andere staten is toegenomen als gevolg van de teruggelopen productie van fossiele brandstoffen. De meeste lidstaten kunnen nu voldoen aan de vraag naar gas. Zij beschikken over alternatieven dankzij nieuwe interconnectoren en LNG-terminals. Er bestaat echter nog steeds behoefte aan investeringen in infrastructuur, alsook aan energiediplomatie, een van de traditionele instrumenten ter versterking van de samenwerking op het gebied van energie. Het EESC verwijst naar zijn eerdere adviezen over deze kwesties.

4.2.4.

Wat de interne energiemarkt betreft, bestaan er nog altijd wettelijke en infrastructurele knelpunten die een belemmering vormen voor gezonde mededinging en vrij verkeer van met name elektriciteit. Het elektriciteitssysteem ondergaat fundamentele veranderingen, met name vanwege de snel toenemende invoering van variabele en decentrale hernieuwbare energiebronnen. Om de groeiende uitdagingen het hoofd te bieden, zijn regionale samenwerking en een goed gemeenschappelijk regelgevingskader noodzakelijk, omdat maatregelen uitgevoerd in één lidstaat tastbare gevolgen voor ten minste de buurlanden hebben. Initiatieven voor regionale samenwerking, zoals BEMIT (Baltic Energy Market Interconnection Plan) en CESEC (connectiviteitgroep voor gas in Centraal- en Zuidoost-Europa), zijn cruciaal voor het aanpakken van wettelijke en infrastructurele knelpunten.

4.2.5.

Ook heeft de opkomst van de digitale economie een fundamentele impact op de energiesystemen. Naast energie-infrastructuur moet geavanceerde digitale infrastructuur worden opgebouwd, waaronder de invoering van slimme meters ten behoeve van slimme energienetten. De digitalisering van energiesystemen moet ook worden geflankeerd met maatregelen ter verbetering van de cyberbeveiliging, voor een adequate bescherming van persoonsgegevens en privacy en ter bevordering van de digitale geletterdheid.

4.2.6.

Met betrekking tot investeringen in het energiesysteem is er een grote behoefte aan investeringen in energie-infrastructuur en energie-efficiëntie, met name bij renovatie van gebouwen. Het EESC heeft oog voor de mogelijkheden van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en is ermee ingenomen dat de tweede fase daarvan is gericht op de bevordering van publiek-private samenwerking. Dienovereenkomstig moeten de lidstaten ook openbare financiering bieden voor energiegerelateerde investeringen.

4.2.7.

Voor particuliere investeringen zijn er momenteel onvoldoende marktprikkels, vooral als gevolg van incoherent beleid. Ter aanmoediging van particuliere investeerders is het noodzakelijk om te zorgen voor een stabiel en voorspelbaar investeringsklimaat. Het EESC benadrukt daarom het cruciale belang van een langdurig en stabiel karakter van politieke besluiten en wetgeving.

4.2.8.

Het EESC wijst op de groeiende rol van burgers op de energiemarkten, alsook op de toename van prosumentisme en lokale samenwerking. Maatregelen om consumenten in staat te stellen zich bewuster te gedragen en prosumenten te worden, moeten worden aangemoedigd en opgevoerd. Het EESC heeft zulke maatregelen in verschillende eerdere adviezen behandeld.

4.2.9.

Te dien einde moet adequate en gemakkelijk te begrijpen informatie over energievraagstukken (bijv. over energie-efficiëntie-etikettering) worden verschaft aan burgers van alle leeftijden. Bovendien moet er meer werk worden gemaakt van eerlijke toegang tot de energiemarkt en financiering van kleine projecten. Vereenvoudiging van de energiewetgeving in het kader van het Refit-initiatief zou concrete voordelen voor de consumenten moeten opleveren. Ook zijn er meer inspanningen nodig voor het aanpakken van problemen in verband met belastingen en heffingen, die — ondanks het niveau van de groothandelsprijzen voor energie — de consumptieprijzen verhogen en aldus bijdragen tot energiearmoede.

4.3.   Hernieuwbare energie en het koolstofvrij maken van de economie

4.3.1.

Het EESC is ermee ingenomen dat de Commissie een afzonderlijk voortgangsverslag over hernieuwbare energie heeft uitgebracht en is het grotendeels eens met de gepresenteerde analyse en uitdagingen. Wat aanbevelingen betreft, verwijst het naar zijn eerdere adviezen over verschillende aspecten van hernieuwbare energie.

4.3.2.

Volgens het verslag is de EU als geheel op de goede weg om de 2020-doelstellingen te bereiken, maar zijn extra inspanningen nog altijd vereist. Het EESC wijst nogmaals op het belang van verdere positieve ontwikkeling op dit gebied. Het vestigt ook de aandacht op het feit dat verwarming en koeling de grootste sector vormen in termen van absoluut verbruik van hernieuwbare energie. Het wijst verder op de doorslaggevende rol van het vervoer bij het bereiken van de emissiedoelstellingen voor de lange termijn en steunt de ontwikkeling van duurzame elektriciteit en geavanceerde biobrandstoffen om de vervoersemissies te reduceren.

4.3.3.

De Commissie wijst er in haar verslag op dat er nog altijd aanzienlijke administratieve belemmeringen bestaan voor het opzetten van projecten op het gebied van hernieuwbare energie. Zij hebben betrekking op onestopshops, online procedures, procedurele termijnen, vergemakkelijking van kleinschalige projecten en het in kaart brengen van goede locaties. Er moeten spoedig maatregelen worden genomen om deze obstakels, die zich overigens ook op andere gebieden voordoen, uit de weg te ruimen.

4.3.4.

Het EESC is ingenomen met de conclusie van de Commissie dat de EU ook op schema ligt om de 2020-doelstellingen voor energie-efficiëntie en uitstoot van broeikasgassen te halen. Wat de beleidsinstrumenten voor het vergemakkelijken van de overgang naar een koolstofarme economie betreft, heeft het onjuiste gebruik van subsidies (waaronder groene certificaten), emissiehandelsregelingen en belastingen geleid tot inefficiënte maatregelen en ontoereikende resultaten, vanwege een gebrek aan marktsignalen ter aanmoediging van investeringen in koolstofarme energie.

4.3.5.

Het EESC verzoekt de Commissie derhalve om een alomvattende evaluatie van de huidige koolstofarme beleidsinstrumenten, teneinde ervoor te zorgen dat de juiste instrumenten worden gebruikt om de doelstellingen op de meest efficiënte manier te verwezenlijken, en dat zonder onnodige lasten voor de verbruikers.

4.3.6.

Het EESC onderschrijft de doelstelling van het waarborgen van mondiaal leiderschap bij de omschakeling naar schone energie en het daarbij creëren van ondernemingskansen en banen. Hier moet de EU ernaar streven om haar positieve wereldwijde „carbon handprint” te maximaliseren in plaats van zich alleen te richten op haar eigen emissies. Dit kan worden bereikt door de ontwikkeling en export van klimaatoplossingen en van producten die worden gemaakt met minder emissie dan die van concurrenten uit derde landen. Daarbij moet worden beseft dat de mondiale concurrentiestrijd hevig is.

4.3.7.

Mondiaal leiderschap noopt tot meer investeringen in innovatie, met name door de publieke sector, waarvan het aandeel is afgenomen. Het EESC wijst ook op de rol van het handels- en investeringsbeleid bij het leveren van oplossingen op het gebied van energie en klimaat. Een wereldwijd koolstofprijsstelsel is nodig om een impuls te geven aan de invoering van koolstofarme oplossingen, en dat op een onpartijdige en efficiënte wijze. Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om actief te streven naar een dergelijk mechanisme. Dat zou zorgen voor een gelijk speelveld voor de Europese ondernemingen op de exportmarkten en ook met betrekking tot ingevoerde goederen.

5.   Opmerkingen over het monitoringmechanisme en indicatoren

5.1.

Het tweede verslag over de staat van de energie-unie is gebaseerd op bepaalde sleutelindicatoren. Die moeten dan wel de meest relevante zijn! Het EESC verwelkomt de plannen van de Commissie om de indicatoren te verfijnen, bijvoorbeeld met indicatoren voor het meten van de empowerment van de consument. In zijn advies over het eerste verslag over de staat van de energie-unie verzocht het EESC de Commissie rekening te houden met sociale aspecten bij de criteria voor het evalueren van de energie-unie en de gevolgen van de energietransitie.

5.2.

Momenteel is de monitoring hoofdzakelijk gebaseerd op de vijf pijlers van de energie-unie en de bijbehorende politieke en regelgevende doelstellingen. Met in het achterhoofd „Je krijgt wat je meet” vindt het EESC het ook belangrijk om toe te zien op de vooruitgang die wordt geboekt met de verwezenlijking van de fundamentele doelstellingen van de energie-unie, namelijk de voordelen voor burgers en bedrijven, en dus voor de toekomst van de EU.

5.3.

Daarom wordt de Commissie verzocht om te kijken naar de ontwikkeling van energiegerelateerde economische activiteiten, om zo de economische waarde van de energie-unie in kaart te brengen. Bijgevolg moet ook de vooruitgang op het vlak van energiegerelateerde werkgelegenheid worden gevolgd. Daartoe behoort eveneens een beoordeling van mogelijke investeringen en het weglekken van banen.

5.4.

Om de energie-unie dichter bij de burgers te brengen, is het essentieel om te kijken naar en te communiceren over de vooruitgang in het dagelijks leven van consumenten. Dat betekent aandacht voor energierekeningen, energiegerelateerde productinformatie, lokale, decentrale opwekking van energie, slimme meters, laadstations voor elektrische voertuigen, financiële steun voor prosumenten, prikkels voor de energie-efficiënte renovatie van woningen enz.

5.5.

Om maatschappelijke trends op het spoor te komen, zou kunnen worden gekeken naar veranderingen in de houding ten aanzien van energievraagstukken, zoals de toenemende bezorgdheid over luchtverontreiniging en de groeiende aandacht voor energiegerelateerde werkgelegenheidskansen, de implicaties van technologische ontwikkelingen en de opkomst van nieuwe spelers.

5.6.

Het zou ook nuttig zijn om te bezien of de maatregelen van de lidstaten coherentie of divergentie op de interne markt en in de buitenlandse betrekkingen in de hand werken. Het belangrijkst in dit verband is het beoordelen van de gevolgen van de brexit voor de energie-unie.

5.7.

Ten slotte is de kwaliteit van de gegevens essentieel voor het verbeteren van de monitoring. De gegevens moeten actueel, accuraat, vergelijkbaar en betrouwbaar zijn. Dat vergt verdere ontwikkeling van methoden voor gegevensverzameling en -verwerking.

Brussel, 31 mei 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS