21.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 125/10


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Lancering van een raadpleging over een Europese pijler van sociale rechten

(COM(2016) 127 final)

(2017/C 125/02)

Rapporteurs:

Jacek KRAWCZYK

Gabriele BISCHOFF

Luca JAHIER

Raadpleging

Europese Commissie, 8.3.2016

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

10.1.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

25.1.2017

Zitting nr.

522

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

247/1/2

Woord vooraf

Artikel 3 VEU: „[De Unie] zet zich in voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een evenwichtige economische groei en van prijsstabiliteit, een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu.”

Met dit advies levert het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) een eerste bijdrage aan wat uiteindelijk zou kunnen uitgroeien tot een Europese pijler van sociale rechten. De tekst borduurt voort op de vruchtbare en veelzijdige discussies die werden gevoerd tijdens de 28 door het EESC georganiseerde nationale debatten; hierin ligt naar de mening van het EESC de meerwaarde van dit advies. Het EESC beklemtoont dat het maatschappelijk middenveld, inclusief de sociale partners, op alle niveaus nauw moet worden betrokken bij de uitwerking van de pijler. Het onderstreept dat er meer duidelijkheid moet komen over de vraag hoe de pijler er uiteindelijk dient uit te zien; ook moet het toepassingsgebied ervan beter worden afgebakend.

Het EESC is van oordeel dat de pijler een positief project voor iedereen moet worden en in alle lidstaten van toepassing moet zijn; daarnaast erkent het dat specifieke instrumenten/mechanismen nodig kunnen zijn voor de eurozone. Het EESC meent dat de toekomst van werk — met alle kansen en uitdagingen die daarmee gepaard gaan — centraal moet staan in de debatten over de pijler.

1.   Inleiding

1.1

De voorzitter van de Europese Commissie heeft het EESC verzocht om een bijdrage te leveren aan de raadpleging over de Europese pijler van sociale rechten (1); naar aanleiding daarvan heeft het EESC in de 28 lidstaten breed overleg gepleegd met het maatschappelijk middenveld (2). In totaal hebben circa 116 EESC-leden en nagenoeg 1 800 andere vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties deelgenomen aan deze nationale debatten.

1.2

De voornaamste conclusies en aanbevelingen van deze nationale debatten zijn verwerkt in het EESC-advies over de Europese pijler van sociale rechten. Het ligt in de bedoeling van de Commissie om met de Europese pijler van sociale rechten „een aantal essentiële beginselen voor de ondersteuning van goed werkende en eerlijke arbeidsmarkten en socialezekerheidsstelsels” (3) vast te stellen; het EESC is dan ook van mening dat dit initiatief van zeer groot belang is voor de duurzaamheid van de EU. In dit licht kan het advies van het EESC worden gezien als een eerste stap op weg naar de oprichting van een Europese pijler van sociale rechten. Het EESC is voornemens te blijven bijdragen aan de discussies over deze kwestie, met name na de goedkeuring van het witboek van de Commissie in 2017.

2.   Uitdagingen en prioriteiten

2.1

In 2017 is het zestig jaar geleden dat het Verdrag van Rome werd ondertekend. Deze mijlpaal in de geschiedenis van de EU zal worden aangegrepen om haar verwezenlijkingen te vieren, maar tegelijk moet ook worden gekeken naar de grote politieke, economische en sociale uitdagingen waar Europa mee te maken krijgt. Het vertrouwen van de burgers in Europa heeft in veel lidstaten een dieptepunt bereikt. Voor het eerst in de geschiedenis zal een lidstaat waarschijnlijk de EU verlaten.

2.2

In het kielzog van de financiële crisis van 2008 heeft Europa nog een aantal andere crisissen te verwerken gekregen. Hoewel de situatie van lidstaat tot lidstaat verschilt en ook de beleidsreacties uiteenlopen, kampt de EU vandaag met tal van problemen, waaronder een aanhoudende periode van hoge werkloosheid, onaanvaardbare niveaus van jeugdwerkloosheid, economische instabiliteit en verslechtering van de sociale situatie, inclusief een toename van de armoede en ongelijkheid. Daarbij komen dan nog de globalisering, de demografische ontwikkelingen en de digitalisering. Het onvermogen van de EU om de instroom van migranten en asielzoekers behoorlijk aan te pakken heeft bijgedragen aan de algemene indruk dat zij niet meer in staat is om politieke en praktische oplossingen in het belang van iedereen uit te werken. Eurosceptische, populistische en nationalistische partijen maken gebruik van die angsten en bieden simplistische oplossingen voor complexe problemen door bepaalde delen van onze gemeenschappen met de vinger te wijzen en gevaarlijke verdeeldheid in de samenleving te creëren.

2.3

Een aantal van de problemen en verschillen tussen en binnen de lidstaten werden door de crisis nog verergerd. Zij werden veroorzaakt of versterkt door onder meer een gebrek aan groei en de structurele tekortkomingen van onze arbeidsmarkten en socialezekerheidsstelsels, die al dateren van vóór de crisis. Wat telt is echter dat de EU en de lidstaten samen in staat zijn de voorwaarden te creëren voor duurzame groei en werkgelegenheid.

2.4

Het EESC is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een openbare raadpleging te lanceren over een Europese pijler van sociale rechten, die deel uitmaakt van het streven naar „een billijke en echte pan-Europese arbeidsmarkt” en een „triple A op sociaal gebied voor Europa”, en zou kunnen dienen als kompas voor hernieuwde convergentie in de eurozone. Hoe deze „pijler” er uiteindelijk zou moeten uitzien is echter lang niet duidelijk. Het EESC onderstreept dat de Europese pijler van sociale rechten op de eerste plaats een positief project voor iedereen moet worden, zodat het kan bijdragen aan een hernieuwd vertrouwen in het vermogen van de EU om de vooruitzichten van de huidige en toekomstige generaties te verbeteren.

2.5

Daartoe moet ook aandacht worden besteed aan de specifieke problemen van de arbeidsmarkt en de socialezekerheidsstelsels, zodat de gulden middenweg wordt bewandeld tussen de economische en de sociale dimensie en een bijdrage wordt geleverd aan de bestrijding van armoede, sociale uitsluiting en ongelijkheid.

2.6

Het Europees economisch en sociaal model is gebaseerd op de gedeelde overtuiging dat het bevorderen van werkgelegenheid, sociale vooruitgang en productiviteit van groot belang is; dit zijn immers de factoren die onmisbaar zijn voor duurzame en billijke economische groei waarvan iedereen profiteert. De voorbereiding van de pijler is een mooie gelegenheid om opnieuw aan te geven dat wij vasthouden aan het Europees sociaal model en er tegelijk op willen toezien dat de nationale socialezekerheidsstelsels en de arbeidsmarkten worden aangepast en gereed gemaakt voor de toekomst (4). Het EESC beklemtoont dat er in de hele EU behoefte is aan groei en concurrentiekracht. In dit verband wijst het er ook op dat het economisch, het sociaal en het werkgelegenheidsbeleid onderling verband moeten houden (5).

2.7

Het EESC is ervan overtuigd dat nationale en EU-beleidsmaatregelen voor economische bloei en sociale vooruitgang een meer centrale plaats moeten krijgen in de EU-beleidsdiscussies. Daarnaast is het belangrijk dat de nationale en de EU-beleidsvorming coherent zijn en elkaar versterken. Dat houdt ook in dat we ons moeten openstellen voor verandering.

2.8

Het Europees semester wordt voortgezet, maar de Europa 2020-strategie voor „slimme, duurzame en inclusieve groei” lijkt aan de kant te zijn geschoven, en de hoop dat de sociale doelstellingen zullen worden bereikt, vervliegt; dat geldt met name voor de streefdoelen om een arbeidsparticipatiegraad van 75 % te bereiken en 20 miljoen mensen uit de armoede te halen. Ook de impact van de Aanbeveling inzake actieve inclusie uit 2008 (6) is teleurstellend.

2.9

Om te beginnen moet de pijler ertoe bijdragen dat de sociale verworvenheden van de EU worden bevorderd en volledig en correct worden toegepast. Bij de eventuele invoering van bindende wetgevingsinitiatieven en -instrumenten moeten de bestaande rechtsgrondslagen en juridische procedures worden nageleefd. De juridische status van de pijler moet nog worden bepaald, evenals zijn verhouding tot het fundamentele internationale instrument inzake mensenrechten (7). Het EESC wil erop wijzen dat de sociale rechten van toepassing moeten zijn op iedereen die in de EU leeft en in alle EU-lidstaten, hoewel bijzondere instrumenten/mechanismen nodig kunnen blijken voor de eurozone.

2.10

Investeren in de toekomst is cruciaal, maar waar het gaat om publieke en productieve private investeringen schiet Europa nog steeds te kort. Het EESC erkent de inspanningen in het kader van het „plan-Juncker” voor investeringen (8), en is ingenomen met de uitbreiding ervan. In de tweede fase moeten meer inspanningen worden geleverd voor de landen en regio’s waar investeringen het hardst nodig zijn, zodat hun economie en groei een nieuwe impuls krijgen en de kloof tussen en binnen lidstaten zich niet nog verder verdiept. Ook projecten voor investeringen in sociale infrastructuur zouden voldoende steun moeten krijgen uit het plan-Juncker.

2.11

De discussies over de pijler vinden tegelijk plaats met andere cruciale debatten op internationaal en EU-niveau, met name over de toekomst van Europa en de toekomst van werk. Tijdens de discussies over de toekomst van Europa op de Top van Rome in 2017 moet rekening worden gehouden met de debatten over de Europese pijler van sociale rechten. Het EESC beklemtoont dat er bij deze discussies, die bepalend zijn voor onze gemeenschappelijke toekomst, oog moet zijn voor synergie en samenhang. Bij de uitwerking van de pijler moet worden gekeken naar de Europa 2020-strategie en moeten lessen worden getrokken uit de problemen met de tenuitvoerlegging daarvan. Ook moet het verband worden gelegd met een brede EU-strategie (9) voor de uitvoering van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de agenda voor duurzame ontwikkeling 2030, die in 2015 door de VN werd goedgekeurd. Hiermee wordt aangegeven hoe op internationaal niveau veranderingen in gang kunnen worden gezet om een einde te maken aan armoede, de planeet te beschermen, de mensenrechten te doen naleven — inclusief de rechten van gehandicapten zoals vastgelegd in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD), dat door de EU en de lidstaten moet worden nageleefd — en om welvaart voor iedereen te creëren (10). Op EU-niveau moet er ook voor worden geijverd dat EU-wetgeving tegen discriminatie en voor gendergelijkheid (11) wordt geïmplementeerd.

2.12

Parallel aan de openbare raadpleging van de Commissie heeft het EESC in de 28 lidstaten een reeks nationale debatten georganiseerd om het initiatief ook buiten Brussel bekendheid te geven, de discussie aan te zwengelen en in alle openheid te bespreken hoe de pijler eruit moet komen te zien. Veel van de bevindingen van deze nationale debatten zijn in dit advies verwerkt.

2.13

Het is cruciaal dat de reikwijdte van de pijler duidelijker wordt vastgelegd. Volgens het EESC zou het initiatief gericht moeten zijn op alle burgers, in elke levensfase. Voorts baart het het EESC zorgen dat de Commissie in haar mededeling niet verwijst naar asielzoekers en migranten.

2.14

De rol van het maatschappelijk middenveld moet meer erkenning krijgen en worden versterkt. Er moet meer worden ingezet op de burgerdialoog, zodat met name jonge mensen (12) en mensen in kwetsbare situaties of slachtoffers van discriminatie het gevoel krijgen dat zij kunnen meewerken aan de uitwerking, uitvoering en herziening van het beleid. Voor de sociale partners is een specifieke rol weggelegd in de uitwerking en uitvoering van beleidsmaatregelen die al dan niet rechtstreeks van invloed zijn op de werkgelegenheid en de arbeidsmarkten. De sociale dialoog moet worden bevorderd en ondersteund, zonder te raken aan de autonomie van de sociale partners en de collectieve onderhandelingen; de mogelijkheden van de sociale partners om actief deel te nemen aan de sociale dialoog moeten worden verruimd. In veel van de nationale debatten werd beklemtoond dat de sociale partners en de maatschappelijke organisaties nauw moeten worden betrokken bij de discussies over de pijler (13). In drie debatten werd gewezen op het belang van een op consensus gebaseerde aanpak en betrokkenheid (14).

3.   De toekomst van werk

3.1

Het EESC is ervan overtuigd dat de toekomst van werk centraal moet staan in de debatten over de pijler, zodat de grote uitdagingen op het gebied van werk kunnen worden aangepakt. Er is een meer samenhangende en geïntegreerde benadering nodig; het EESC pleit daarom voor de uitwerking van een coherente Europese werkgelegenheidsstrategie die onder meer betrekking heeft op het werk van de toekomst, en waarin de volgende punten aan de orde zouden komen:

investering en innovatie;

werkgelegenheid en het scheppen van kwaliteitsbanen;

billijke arbeidsvoorwaarden voor iedereen;

eerlijke en vlotte transities ondersteund door een actief arbeidsmarktbeleid;

betrokkenheid van alle partijen, met name de sociale partners (15).

3.2

Diverse institutionele actoren nemen deel aan het vormgeven en in goede banen leiden van de veranderingen op arbeidsgebied. Alle betrokkenen moeten de handen ineenslaan om te zorgen voor een eerlijke en inclusieve arbeidsmarkt van de toekomst, die iedereen werkgelegenheidskansen biedt en leidt tot sociale vooruitgang. Goed opgeleide en gemotiveerde werknemers die over de nodige vaardigheden beschikken, een behoorlijk salaris krijgen en toegang hebben tot kwaliteitsbanen zijn in ieders belang, daar is het EESC van overtuigd. Of een en ander zal slagen, hangt af van de vraag of de nodige middelen zullen worden uitgetrokken om mensen de handvatten te geven om zich aan te passen aan deze veranderingen, in de nodige vangnetten te voorzien, en innovatie, en dan met name sociale innovatie, te bevorderen.

3.3

De veranderingen op arbeidsvlak moeten worden aangegrepen om „inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen” (16) te bevorderen. Zowel de EU als de lidstaten en de sociale partners moeten aan deze doelstelling werken, binnen de grenzen van hun bevoegdheden. Ook maatschappelijke organisaties die mensen vertegenwoordigen die vervreemd zijn van de arbeidsmarkt, moeten hierbij worden betrokken. Niet alle lidstaten en regio’s beschikken over de nodige voorwaarden om meer en betere banen te kunnen scheppen. Het EESC verzoekt de institutionele actoren van de lidstaten dringend om snel over te stappen op een highroadstrategie, in combinatie met een actief arbeidsmarktbeleid. Hierbij moet worden uitgegaan van een vernieuwde en inclusieve Europese werkgelegenheidsstrategie en een samenhangende en ambitieuze Europese industriële strategie.

3.4

Het EESC heeft eerder al zijn waardering uitgesproken voor het feit dat de EU-agenda voor nieuwe vaardigheden en banen (17) is gebaseerd op het concept van flexizekerheid; het heeft daarbij onderstreept dat het juiste evenwicht moet worden gevonden tussen interne en externe flexizekerheid, in het belang van een efficiëntere werking van de arbeidsmarkten en een betere bescherming van de werknemers. Ook heeft het onderstreept dat de sociale partners actief moeten worden betrokken bij de monitoring en evaluatie van de uitvoering van het flexizekerheidsbeleid (18). Wil flexizekerheid slagen, dan zijn de volgende voorwaarden belangrijk: een gezond macro-economisch beleid dat de werkgelegenheid bevordert en een gunstig ondernemingsklimaat dat ervoor zorgt dat de groeimogelijkheden volledig worden benut. Voorts heeft het EESC de lidstaten en de EU verzocht te zorgen voor een eenvoudig, transparant en voorspelbaar rechtskader dat bevorderlijk is voor het aanpassingsvermogen, en er bij de uitvoering van het flexizekerheidsbeleid op toe te zien dat de rechten van werknemers versterkt en beter gerespecteerd worden en afdwingbaar zijn; bovendien zouden zij in de hele EU moeten zorgen voor een stabiel rechtskader voor collectieve onderhandelingen en de sociale dialoog. Ook heeft het erop gewezen dat de sociale partners actief bij de discussie en de besluitvorming op het vlak van flexizekerheid moeten worden betrokken (19). Ten slotte werd tijdens de nationale debatten in een aantal lidstaten ingegaan op het belang van het evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid (20) en het vermogen van de arbeidsmarkt om zich aan te passen aan nieuwe uitdagingen (21).

3.5

De kadervoorwaarden op de arbeidsmarkten moeten gericht zijn op nieuwe en meer gevarieerde loopbanen. Er moeten nieuwe manieren worden gevonden om arbeidskrachten aan te trekken, alsook nieuwe vormen van arbeid. Dit houdt in dat een passend wetgevingskader inzake arbeidsbescherming moet worden geboden, zodat er sprake is van eerlijke arbeidsomstandigheden en de aanwerving van personeel wordt gestimuleerd, ongeacht het soort arbeidsovereenkomst.

3.6

De arbeidswereld ondergaat een groot aantal veranderingen van uiteenlopende aard. We moeten manieren vinden om de overstap naar een andere baan of status en de overgang van werkloosheid naar werk en van school naar de arbeidsmarkt voor de hele beroepsbevolking in goede banen te leiden. De mate waarin mensen in staat zijn in de verschillende fasen van hun leven om te schakelen als dat nodig is en de beschikbaarheid van kaders en steunmechanismen die hen daarbij moeten helpen, zijn bepalend voor de toekomstige samenleving en onze economische welvaart. Het EESC stelt voor om de kaders en steunmechanismen ter ondersteuning van deze transities op een holistische manier te bespreken.

3.7

Onze manier van leven en werken wordt bepaald door de snelle technologische vooruitgang. Proactieve beleidsvorming op EU- en op nationaal niveau kan en moet ervoor zorgen dat de kansen die de digitalisering biedt worden benut, terwijl tegelijkertijd de valkuilen worden vermeden (22). In de nationale EESC-debatten, waarin ook veelvuldig werd verwezen naar de noodzaak van investeringen in opleiding en infrastructuur (23), werd digitalisering over het algemeen gezien als een van de grootste uitdagingen waaraan in het kader van de pijler aandacht moet worden besteed (24). Er moet dan ook zorgvuldig worden nagegaan welke impact deze ontwikkelingen hebben op de arbeidsmarkt en -normen, de economie, de belasting- en socialezekerheidsstelsels en een fatsoenlijk salaris (25).

3.8

De digitale agenda en het initiatief voor de digitale interne markt moeten worden gekoppeld aan een nieuwe totaalaanpak van de toekomst van werk. Daarbij moet het gaan om de uitdagingen op economisch, sociaal en werkgelegenheidsgebied, inclusief het streven naar de noodzakelijke vaardigheden en een gelijk speelveld. Een en ander kan het best worden bereikt met inachtneming van de verdragen en door middel van een op rechten gebaseerde aanpak op het passende niveau, waarbij wordt gestreefd naar betere toegang tot onder meer onderwijs en sociale bescherming en naar betere coördinatie op gebieden waar de EU niet over wetgevende bevoegdheden beschikt.

3.9

Het EESC heeft al eerder onderstreept dat samenwerking van het allergrootste belang (26) is om de problemen in verband met digitalisering aan te pakken. Het wil dan ook met name de Commissie en alle Europese bestuursorganen, de nationale regeringen, de sociale partners en het hele maatschappelijk middenveld oproepen zich hiervoor in te zetten. Het is niet voor het eerst dat het EESC ervoor pleit dat de Commissie, de OESO en de IAO samen met de sociale partners en alle maatschappelijke organisaties de nodige bepalingen gaan uitwerken inzake fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en de bescherming die nodig is in het licht van nieuwe vormen van arbeid (zoals onlinewerk, de deeleconomie en de „gig-economie”) (27).

3.10

In het bijzonder moet worden bekeken hoe we meer jongeren aan werk kunnen helpen. Zoals al in vorige EESC-adviezen te lezen staat moeten specifieke maatregelen ter bestrijding van jeugdwerkloosheid worden genomen in het kader van de nationale hervormingsprogramma’s (28). Met goed functionerende leerlingstelsels en andere beproefde vormen van leren op de werkplek kan de overgang van school naar werk versoepeld worden (29). Het EESC was voorstander van het idee om jongerengarantieregelingen in de lidstaten te financieren via een specifiek fonds voor het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, dat deel zou moeten uitmaken van het Meerjarig Financieel Kader, en is dan ook ingenomen met de oprichting hiervan (30).

3.11

In veel van de nationale debatten werd de nadruk gelegd op de rol van de sociale dialoog (31). Het EESC vindt het zorgwekkend dat er in een aantal landen geen sprake is van een behoorlijke sociale dialoog (32) en dat er landen/sectoren zijn waar werknemers en werkgevers niet vertegenwoordigd zijn in de sociale dialoog en niet deelnemen aan collectieve onderhandelingen. Hiermee dient rekening te worden gehouden (33), net als met de noodzaak om een oplossingsgerichte sociale dialoog te bevorderen die een positieve bijdrage levert aan de bescherming van werknemers en het concurrentievermogen van ondernemingen. Collectieve onderhandelingen moeten op alle niveaus worden aangemoedigd; in het kader van het toezicht hierop beveelt het EESC aan om gegevens in te zamelen over de stand van zaken op dit gebied in Europa, via indicatoren in het Europees semester en met volledige inachtneming van de nationale praktijken en de stelsels voor arbeidsverhoudingen.

3.12

De technologische vooruitgang biedt nieuwe kansen op het gebied van werkgelegenheid, maar er zullen ook banen verdwijnen. Niet iedereen is het eens over de omvang die deze fenomenen zullen aannemen, en de voorspellingen in recente studies lopen uiteen (34).

3.13

Investeren in mensen moet hoe dan ook centraal staan in alle strategieën voor de toekomst van werk. Om burgers en werknemers klaar te stomen voor de toekomst is het niveau van competenties en met name digitale vaardigheden van groot belang. De invoering van een vaardighedengarantie (35), die gepaard moet gaan met de nodige investeringen, kan helpen om mensen in staat te stellen in de loop van hun leven de nodige vaardigheden te verwerven. De toegang tot inclusief kwaliteitsonderwijs voor alle EU-burgers, met inbegrip van beroepsopleiding, permanente educatie, herscholing en bijscholing vormen hiervoor de basis.

3.14

Technologische veranderingen kunnen de ontwikkeling van vaardigheden bevorderen maar dreigen er ook toe te leiden dat de specifieke vaardigheden voor heel wat beroepsgroepen snel verouderd raken. Naast de onderwijssector moeten ook het bedrijfsleven, de vakbonden, Cedefop en overheden een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van competenties en vaardigheden zodat kan worden ingespeeld op de behoeften van een veranderende arbeidswereld (36), onder meer door de nationale onderwijs- en opleidingsstelsels beter af te stemmen op de veranderende behoeften aan vaardigheden. Een en ander vereist een coherente aanpak. De ontwikkeling van vaardigheden vereist tijd, maar daarnaast moeten ook de nodige middelen worden ingezet en moet dringend meer en efficiënter worden geïnvesteerd in onderwijs en opleiding. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat de impact/resultaten van het onderwijs en de socialezekerheidsstelsels in de verschillende Europese landen en regio’s uiteenlopen.

3.15

Er duiken zo snel nieuwe vormen van arbeid op dat contractuele regelingen die ontwikkeling niet kunnen bijbenen. De juridische status ervan moet dan ook onder de loep worden genomen. Het EESC heeft erop aangedrongen dat de status van tussenschakels op de arbeidsmarkt en onlineplatforms zo snel mogelijk wordt verduidelijkt, en dat onderzoek wordt verricht naar de contractuele status van opdrachtnemers van crowdsourcingplatforms en andere nieuwe vormen van werk en arbeidsverhoudingen. Ook zijn er richtsnoeren nodig ter verduidelijking van eventuele grijze zones in de arbeidsstatus in verband met belastingen en sociale verzekeringen (37). Algemeen moet worden gestreefd naar eerlijke arbeidsvoorwaarden voor iedereen, en moet ervoor worden gezorgd dat de fundamentele arbeidsnormen van toepassing zijn op alle werknemers en dat zij adequate sociale bescherming genieten.

3.16

Het is op de eerste plaats aan de sociale partners om onderhandelingen over flexibiliteit en stabiele werkgelegenheid op alle niveaus te stimuleren, maar ook de overheden en de Europese bestuursorganen moeten zich hiervoor inzetten; daarnaast moeten EU-instellingen, overheden en sociale partners nauwer gaan samenwerken. Het EESC heeft er al op gewezen dat de EU en de lidstaten in overleg met de sociale partners strategieën moeten uitdenken om de werkingssfeer van sociale en arbeidsnormen zo aan te passen dat zij ook de eisen van een gedigitaliseerde werkomgeving weerspiegelen (38).

3.17

De „deeleconomie” en andere nieuwe arbeidsmodellen mogen niet worden gebruikt om geen fatsoenlijk loon te hoeven betalen of de fiscale en socialezekerheidsverplichtingen te kunnen ontlopen (39). Het EESC heeft al geopperd dat de EU zou moeten nagaan hoe de ontwikkeling van Europese platforms zo kan worden gestimuleerd dat de gecreëerde waarde in de lokale economieën blijft (40).

3.18

Tijdens een aantal nationale debatten werden ook de loonconvergentie en de vaststelling van minimumlonen in de lidstaten aangekaart (41). Het EESC is van mening dat er verdere stappen in deze richting nodig zijn. De IAO-studie Building a Social Pillar for European convergence  (42) zou hierbij goed als uitgangspunt kunnen dienen. In deze studie wordt beklemtoond dat er, rekening houdend met de nationale omstandigheden, een reeks indicatoren kan worden gebruikt om de minimumlonen te vergelijken. De meest gebruikte indicator is echter de verhouding van het minimumloon tot het mediane (of gemiddelde) loon. Voorts wordt erin opgemerkt dat een gemeenschappelijke aanpak van minimumloonbeleid op EU-niveau zou kunnen helpen om de armoede in de uitgebreide Unie te beperken en om het percentage mensen dat binnen de nationale context laag betaald wordt te reduceren. In de studie wordt als uitgangspunt voorgesteld om een tripartiete analyse te maken van de mate waarin er op nationaal niveau een recht op een minimuminkomen bestaat, van de hoogte daarvan en van de naleving, zoals aangegeven in IAO-instrumenten. In de IAO-studie staat ook dat in de bevindingen van een aantal studies de nadruk wordt gelegd op het belang van een evenwichtige benadering — zoals onderstreept in Verdrag nr. 131 — met inachtneming van de elementen die bij het bepalen van de minimumloonhoogte in overweging moeten worden genomen. Voor zover dat gezien de nationale praktijken en omstandigheden mogelijk en gepast is, gaat het hierbij om: (a) de behoeften van werknemers en hun gezinnen, rekening houdend met het algemene loonpeil in het land, de kosten van levensonderhoud, socialezekerheidsuitkeringen en de relatieve levensstandaard van andere bevolkingsgroepen; en (b) economische factoren, met inbegrip van economische-ontwikkelingsvereisten, productiviteitsniveaus en de wens om een hoog niveau van werkgelegenheid te bereiken en vast te houden. Deze kwesties moeten bij de ontwikkeling van de sociale pijler nader worden besproken. Het EESC onderstreept dat niet mag worden geraakt aan de cruciale bevoegdheden en de autonomie van de nationale sociale partners op het vlak van loonvorming, overeenkomstig de nationale gebruiken. Ook werd tijdens sommige nationale debatten naar voren gebracht dat de verdeling van bevoegdheden en het subsidiariteitsbeginsel moeten worden geëerbiedigd, evenals de rol van de sociale partners bij de vaststelling van het minimumloon (43). In algemene zin heeft het EESC er al op gewezen dat er tussen de lidstaten van de eurozone geen convergentie heeft plaatsgevonden, ofschoon er een endogeen optimaal valutagebied werd verwacht (44).

3.19

Tijdens een aantal nationale debatten werd erkend dat ook demografische veranderingen (45) en veranderende maatschappelijke patronen factoren zijn die de arbeidswereld ingrijpend kunnen beïnvloeden. Goede resultaten op het gebied van werkgelegenheid zijn alleen mogelijk met een efficiënt en gericht actief arbeidsmarktbeleid. Eén land ging in op de mogelijkheid om particuliere organen in te schakelen om zo werkzoekenden beter te begeleiden (46). Het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid in Europa moet gericht blijven op concrete maatregelen om het non-discriminatiebeginsel toe te passen op de werkplek en gelijke kansen voor alle groepen werkenden te garanderen (47).

3.20

In het kader van het streven naar gelijke arbeidsvoorwaarden voor iedereen staat gendergelijkheid centraal. Naast het feit dat het aantal vrouwen op de arbeidsmarkt toeneemt, zullen de vergrijzing en de verlenging van het beroepsleven ertoe leiden dat mensen in de loop van hun leven steeds meer zorgtaken op zich zullen moeten nemen. Flexibiliteit met betrekking tot beroepsleven en arbeidstijden en een leefbaar evenwicht tussen werk en privéleven zullen voor alle werknemers aan belang winnen. Het EESC heeft eerder al opgemerkt dat het combineren van werk en privéleven coördinatie vereist op tal van terreinen zoals kinderopvang, ouderschapsverlof en gezinsvriendelijke werkplekken (48). Het pleit voor een geïntegreerde benadering, waarbij op het juiste niveau zowel wetgevende als niet-wetgevende maatregelen worden genomen om werk en privéleven in de lidstaten met elkaar in evenwicht te brengen. Belangrijk is dat voldoende wordt geïnvesteerd in toegankelijke en betaalbare zorgvoorzieningen. Een en ander zal bijdragen tot een algemene toename van de arbeidsparticipatie, met name van vrouwen en mensen die voltijds werken.

3.21

Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de integratie op de arbeidsmarkt van kwetsbare groepen en minderheden. De economische, sociale en culturele situatie van Roma gaat er in de meeste lidstaten niet op vooruit; zoals te lezen staat in een rapport van het EESC zou de Romastrategie consequent in aanmerking moeten worden genomen in het Europees semester (49).

3.22

Houdbare pensioenstelsels zijn van cruciaal belang in het licht van de vergrijzing van de Europese samenlevingen. Volgens de Commissie kunnen de pensioenuitgaven aanzienlijk worden teruggebracht en zal het bovendien mogelijk worden meer pensioenrechten op te bouwen dankzij de verhoging van de pensioenleeftijd, die mee stijgt met de levensverwachting, en de inspanningen in het kader van actief ouder worden. Het EESC echter heeft eerder al kritiek geuit op het voorstel van de Commissie om de pensioenleeftijd aan de stijgende levensverwachting te koppelen; als alternatief stelt het maatregelen voor om het moment waarop feitelijk met pensioen wordt gegaan dichter bij de wettelijke pensioenleeftijd te brengen (50). Volgens het Comité voor sociale bescherming is het voor de toekomstige houdbaarheid en toereikendheid van pensioenuitkeringen van essentieel belang dat de werkloosheid wordt teruggedrongen en langdurigere activiteit op de arbeidsmarkt wordt aangemoedigd, ook door de arbeidsparticipatie van vrouwen te vergroten (51). Zo zou een vergelijkende Europese index voor de houdbaarheid en toereikendheid van pensioenen een nuttige benchmark kunnen zijn om de lidstaten te helpen hun pensioenstelsels te hervormen en armoede terug te dringen.

3.23

Het streven om mensen langer aan het werk te houden moet gepaard gaan met een benadering die de hele levensloop bestrijkt en gericht is op goede arbeidsomstandigheden, met inbegrip van beleidsmaatregelen inzake veiligheid, gezondheid en de arbeidstijd, en het promoten van een leven lang leren. Een langere loopbaan met een fatsoenlijk inkomen gevolgd door een fatsoenlijk pensioen en beleidsmaatregelen om de overgang naar het pensioen voor oudere werknemers te vergemakkelijken zijn ook een vereiste: de evolutie van de manier waarop we werken is in dit verband een cruciale factor.

3.24

De normen op het gebied van sociale zekerheid lopen enorm uiteen in de EU, afhankelijk van de verschillende regelingen en tradities. Het EESC heeft ervoor gepleit om de strategische prioriteiten van de EU in het sociaal beleid te verduidelijken en algemene beginselen van sociaal beleid uit te werken als onderdeel van een degelijk werkprogramma. Ook heeft het verwezen naar de noodzaak om een bindende sociale basisbescherming vast te leggen (52) en stelt het voor om op de juiste niveaus strenge normen vast te leggen, rekening houdend met zowel duurzaamheid als adequaatheidsvereisten. Om tot een inclusiever socialezekerheidsnet te komen voor iedereen die legaal in de EU verblijft, moet de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden worden verbeterd. In de context van de uitdagingen op het gebied van werk 4.0 en het opduiken van nieuwe vormen van (semi-)werkgelegenheid is het van cruciaal belang na te denken over de vraag hoe de lidstaten hun socialezekerheidsstelsels kunnen hervormen zodat werkloosheidsverzekeringen uitgroeien tot inclusieve werkgelegenheidsverzekeringen die kunnen fungeren als een toekomstig vangnet, en ook de werkgelegenheid en fatsoenlijk werk kunnen bevorderen. Door de juiste stimulansen moeten we ervoor zorgen dat het aantrekkelijker is te werken dan een uitkering te ontvangen, terwijl mensen die geen werk vinden wel moeten kunnen rekenen op een inkomen. Benchmarking op dit gebied kan een meerwaarde betekenen voor de lidstaten, zodat zij waar nodig de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering en de duur en het niveau ervan kunnen verbeteren.

3.25

Al in 2009 heeft het EESC erop gehamerd dat Europa opnieuw een voortrekkersrol moet gaan spelen op het gebied van onderzoek en innovatie. Het heeft beklemtoond dat goede resultaten op wetenschappelijk en technisch vlak en de toepassing ervan in een geglobaliseerde en concurrentiegevoelige economie de toekomst van Europa op het mondiale industriële toneel kunnen veiligstellen. Voorts heeft het EESC eraan herinnerd dat een sociaal klimaat dat openstaat voor vooruitgang een conditio sine qua non is voor innovatie (53). Ook voor creatief ondernemerschap dat arbeidskansen creëert is een sleutelrol weggelegd bij de totstandbrenging van een gunstig innovatieklimaat. De maatschappelijke organisaties moeten hierbij een centrale rol spelen.

3.26

Volgens het EESC is er een verband tussen het vermogen tot innovatie op het werk en de participatie van werknemers. „Goede” en „duurzame” bedrijfsvoering dient bovendien te stoelen op de juridische structuren en praktijken betreffende de betrokkenheid van de werknemers (informatie, consultatie en waar mogelijk medezeggenschap) die op de interne markt hun waarde hebben bewezen (54). Bepalingen aangaande de verplichte werknemersparticipatie op basis van gerealiseerde normen moeten in het EU-recht worden geconsolideerd en universeel worden toegepast (55).

3.27

De klimaatverandering brengt voor Europa en de rest van de wereld enorme uitdagingen mee op sociaal en milieuvlak. Ook de dringende noodzaak om onze economie, industrie en banen om te vormen om zo de planeet te beschermen, zal bepalend zijn voor de toekomst van werk. Het EESC is ingenomen met de ratificatie van de Overeenkomst van Parijs en heeft opgeroepen tot de vorming van een coalitie van het maatschappelijk middenveld en subnationale overheden om de COP21-toezeggingen na te komen (56). Maatregelen in dit verband moeten stroken met de EU-verbintenissen inzake het terugdringen van armoede. Met het oog op een eerlijke overgang, fatsoenlijk werk en inzetbaarheid zijn investeringen nodig ter ondersteuning van gemeenschappen en werknemers in sectoren die nu al de gevolgen van die overgang ondervinden; ook moet worden geanticipeerd op toekomstige herstructureringen en de overgang naar een groenere en duurzamere economie, en moet een en ander worden vergemakkelijkt. Met het investeringsplan voor Europa moet steun worden geboden aan projecten die in de lijn liggen van de COP21-toezeggingen.

4.   De noodzaak van sociale investeringen

4.1

Zowel sociale als economische onevenwichtigheden vormen een bedreiging voor de EU. Zij ondermijnen de sociale samenhang en de politieke geloofwaardigheid, en belemmeren de economische vooruitgang. Het EESC heeft in een eerder advies al betoogd dat het aanpakken van armoede prioriteit moet krijgen, en dat de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting een van de belangrijkste componenten van de pijler moet worden (57).

4.2

Het EESC erkent dat armoedebestrijding in eerste instantie een bevoegdheid van de lidstaten is, maar dringt er tevens bij de Raad van de EU op aan zich opnieuw te scharen achter de armoedebestrijdingsdoelstelling van de Europa 2020-strategie en een meer geïntegreerde benadering te volgen. Dit betekent dat de armoedebestrijding stelselmatig dient te worden aangepakt via het Europees semester en dat de Europa 2020-strategie moet worden gekoppeld aan de Agenda 2030 (58). Economische groei en concurrentievermogen zijn van essentieel belang, dus een macro-economisch beleid dat bijdraagt tot het scheppen van fatsoenlijke banen is belangrijk om ongelijkheid en armoede terug te dringen.

4.3

Het EESC heeft reeds eerder verklaard dat hoe langer het bezuinigingsbeleid aanhoudt — dat in de eerste plaats op lagere uitgaven is gericht, zonder passende maatregelen voor het genereren van groei, sociale cohesie en solidariteit — hoe duidelijker zich groeiende sociale ongelijkheid aftekent die de economische integratie en de welvaart van Europa in gevaar brengt (59). Het roept op tot hernieuwde inspanningen om het concept sociale investeringen op alle relevante beleidsterreinen te promoten (60). Het EESC vindt dat verder moet worden onderzocht hoe het „plan-Juncker 2” kan worden gekoppeld aan de doelstellingen van het pakket sociale-investeringsmaatregelen. Daarnaast heeft het aangedrongen op een Europees Pact voor sociale investeringen (61) om sociale hervormingen en sociale investeringen te ondersteunen en bij te dragen aan hernieuwde economische, sociale en territoriale convergentie.

4.4

Het EESC was ingenomen met het pakket sociale-investeringsmaatregelen van de Commissie, waarmee zich een paradigmatische verschuiving leek te voltrekken in de richting van een sterkere nadruk op sociale investeringen, die niet langer werden beschouwd als een kostenpost maar als een investering in het groei- en werkgelegenheidspotentieel van Europa (62). Het EESC betreurt het dat er niet meer is gedaan om daadwerkelijk uitvoering te geven aan deze doelstellingen. Sociale investeringen bieden op termijn ook een economisch en sociaal rendement, in termen van een toename van de werkgelegenheid en het inkomen uit arbeid, een betere gezondheid, minder werkloosheid, beter onderwijs, minder armoede en sociale uitsluiting enz. Ook de individuele welvaart en het welzijn verbeteren, terwijl de economie wordt gestimuleerd dankzij beter opgeleide werkkrachten, een hogere productiviteit en meer werkgelegenheid. Zulke investeringen (vooral groeibevorderende investeringen) zouden de vaardigheden en kwalificaties van de burgers naar een hoger plan helpen tillen, hun kansen op de arbeidsmarkt en in de samenleving vergroten en de economie stimuleren, wat de EU zou helpen om sterker en concurrerender uit de crisis te komen. Bovendien zouden de overheidsuitgaven hierdoor doeltreffender en doelmatiger worden, wat op middellange tot lange termijn tot besparingen in de overheidsbegrotingen leidt.

4.5

Het EESC heeft al eerder met voldoening vastgesteld dat de Europese Commissie uitdrukkelijk de belangrijke rol erkent die de sociale economie, sociale ondernemingen, het maatschappelijk middenveld en de sociale partners spelen bij de omzetting van het pakket sociale-investeringsmaatregelen (63).

4.6

Het EESC heeft er in een eerder advies al op gewezen dat de invoering van een Europees minimuminkomen op basis van een kaderrichtlijn zal bijdragen tot de bestrijding van sociale uitsluiting en tot economische, sociale en territoriale cohesie, bescherming van de grondrechten, waarborging van het evenwicht tussen economische en sociale doelstellingen en een rechtvaardige verdeling van welvaart en inkomen. Het herhaalt zijn oproep aan de Commissie om onderzoek te doen naar financieringsmogelijkheden voor een Europees minimuminkomen en de vaststelling van een toereikend fonds (64).

4.7

Het EESC herhaalt zijn standpunt dat duurzame, doeltreffende en doelmatige socialezekerheidsstelsels van het grootste belang zijn voor alle samenlevingen in de EU. Ze zijn essentieel voor het behoud van de sociale en territoriale samenhang, de solidariteit, de maatschappelijke stabiliteit en het ondersteunen van de economische groei. Socialezekerheidsstelsels vervullen tevens een belangrijke rol als automatische stabilisatoren, zoals tijdens de crisis is gebleken. In het besef dat het besluit over structuur en inhoud van sociaal beleid primair tot de bevoegdheden van de lidstaten behoort, zou met nationale en EU-initiatieven beoogd moeten worden om socialebeschermingsstelsels efficiënter en breder te maken wat betreft sociale zekerheid, sociale bijstand en sociale voorzieningen, gezondheidszorg en huisvesting (65). Zoals de Raad en het Comité voor sociale bescherming hebben aangegeven, zouden de lidstaten ervoor moeten blijven ijveren dat socialebeschermingsstelsels beter gaan presteren en tot betere sociale resultaten leiden, met een zo groot mogelijk positief effect op groei en werkgelegenheid (66).

4.8

Nationale socialezekerheidsinstellingen en overheden zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van een universele, kwaliteitsvolle, betaalbare en toegankelijke sociale dienstverlening. De staat moet deze diensten erkennen, erin investeren en de toegankelijkheid ervan controleren, of ze nu verleend worden door overheden, non-profitorganisaties of actoren met een winstoogmerk, zoals in diverse EU-landen reeds het geval is. Representatieve maatschappelijke organisaties, met name de sociale partners, sociale ondernemingen en onderlinge waarborgmaatschappijen spelen een belangrijke rol. Bij deze rol gaat het om het vaststellen, implementeren, garanderen en controleren van de stelsels voor sociale zekerheid, gezondheidszorg en sociale bijstand. Nauwere samenwerking tussen alle betrokkenen kan er ook toe bijdragen dat de openbare middelen voor sociaal beleid doeltreffender en beter worden gebruikt. Hierbij zou tevens gebruik kunnen worden gemaakt van partnerschappen tussen overheden en particuliere actoren, waarbij wel de specifieke kenmerken van de nationale systemen in acht moeten worden genomen.

4.9

Het EESC vindt dat er tussen de betrokken actoren een sterkere en transparantere dialoog moet worden gevoerd teneinde de socialezekerheidsstelsels om te vormen en duurzamer te maken door de middelen prioritair te richten op doeltreffende, doelmatige en relevante publieke investeringen, waarbij het zaak is om de sociale rechten en met name de grondbeginselen van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten ten volle in acht te nemen en te bevorderen.

4.10

De overgang naar Werk 4.0 moet gelijk opgaan met de overgang naar Welzijn 4.0. De crisis, trage groei, hoge werkloosheid en een combinatie van de toenemende vergrijzing en een krimpende beroepsbevolking vormen een uitdaging voor de houdbaarheid en toereikendheid van de socialebeschermingsstelsels. Tegelijkertijd is er steeds meer vraag naar sociale dienstverlening, met name als gevolg van de vergrijzing, maar de middelen om aan deze vraag te voldoen zijn beperkt. Hervormingen zijn dan ook essentieel om ervoor te zorgen dat socialebeschermingsstelsels en sociale beleidsmaatregelen en diensten zoden aan de dijk zetten en economisch efficiënt zijn. De pijler van sociale rechten moet niet alleen inspelen op de veranderingen die zich op de arbeidsmarkt voltrekken, maar zou de lidstaten ook moeten helpen om met passende oplossingen te komen voor de belangrijke veranderingen op het vlak van socialezekerheidsstelsels, sociale beleidsmaatregelen en diensten. Er zou vooral moeten worden beoogd om hun kwaliteit, duurzaamheid, toegankelijkheid, betaalbaarheid en toereikendheid voor al diegenen die ervan afhankelijk zijn, via passende regelgevingskaders en maatregelen te beschermen.

4.11

Het EESC erkent ook dat de aanhoudende druk op overheidsbegrotingen, demografische en maatschappelijke veranderingen en nieuwe sociale uitdagingen, in veel lidstaten nieuwe en innovatieve organisatievormen hebben opgeleverd voor de financiering en verstrekking van uitkeringen en diensten. Dit verschijnsel, de zgn. sociale innovatie, wordt ingegeven door de noodzaak om in te spelen op onvervulde sociale behoeften. De traditionele verstrekking van sociale voorzieningen door de staat wordt hierbij aangevuld doordat in samenwerking met lokale overheden een beroep wordt gedaan op diverse sociale en economische actoren en financiële bronnen. Het is echter niet de bedoeling dat deze actoren de rol overnemen van de staat en de diverse overheidsinstanties, die in overeenstemming met de nationale praktijken verantwoordelijk blijven voor het waarborgen van universele toegang tot hoogwaardige, duurzame, betaalbare en toegankelijke diensten voor inwoners van de EU. Sociale innovatie schept sociaal kapitaal en versterkt de rol van lokale gemeenschappen. De Europese Commissie en de lidstaten zouden ervoor moeten zorgen dat belangrijke instrumenten zoals overheidsopdrachten en de Europese structuur- en investeringsfondsen doeltreffend worden gebruikt om sociale innovatie en ondernemingen in de sociale economie te ondersteunen.

4.12

Het EESC heeft er herhaaldelijk op gewezen dat er bij het aandragen van economische en sociale oplossingen een bijzondere en belangrijke rol is weggelegd voor de sociale economie, met inbegrip van sociale ondernemingen (67). Deze sector vormt een wezenlijk onderdeel van het Europees sociaal model en draagt rechtstreeks bij tot sociale en economische cohesie en verandering, een eerlijkere inkomens- en welvaartsverdeling en actief burgerschap. Meer recentelijk heeft het EESC aangedrongen op een EU-actieplan voor de sociale economie (68).

4.13

In het algemeen, en in het kader van de bevoegdheden van de EU, zou met de pijler van sociale rechten beoogd moeten worden een gemeenschappelijk referentiekader te bieden voor het benchmarken en in de gaten houden van het noodzakelijke nationale juridische en beleidskader om het recht op kwalitatief goede voorzieningen, met name sociale uitkeringen, veilig te stellen (69), waarbij het gaat om de beschikbaarheid, betaalbaarheid en toegankelijkheid van sociale diensten, alsook om duurzaamheid en doeltreffendheid. Dit moet gelden voor alle takken van de sociale zekerheid (70) en alle andere sociale (beschermings)diensten.

4.14

In dezelfde geest zou de pijler de nodige prikkels voor de lidstaten moeten creëren om de meeneembaarheid van (overeenkomstig de geldende nationale criteria verworven) rechten te garanderen, zodat het vrije verkeer wordt gewaarborgd. Met een dergelijke erkenning kunnen individuen beter afgestemde steun krijgen om hun beroeps- en privéleven te organiseren. Op deze manier kan er gezorgd worden voor een meer respectvolle en flexibele aanpassing aan de levenscyclus van iedere EU-burger, met name om een soepele transitie mogelijk te maken op het moment waarop burgers de arbeidsmarkt betreden of verlaten of van baan veranderen.

4.15

Voorts moet de pijler worden gebruikt om benchmarks vast te stellen betreffende de verstrekking van essentiële diensten. Er zouden strategieën voor de tenuitvoerlegging door de lidstaten moeten worden ontwikkeld waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke sociaaleconomische en begrotingssituatie van elk land. Benchmarks mogen niet beperkt blijven tot de beschikbaarheid van diensten, maar zouden de toepassing van de in Protocol 26 vastgelegde kernbeginselen (universele toegang, kwaliteit, veiligheid, betaalbaarheid, gelijke behandeling en de bevordering van gebruikersrechten) moeten stimuleren. Bij het opstellen van benchmarks zou moeten worden uitgegaan van het facultatieve Europees kwaliteitskader voor sociale diensten en het Europees kwaliteitskader voor opvang en onderwijs voor jonge kinderen.

4.16

Het beginsel „gelijke kansen voor iedereen” is in de Europese verdragen verankerd en moet in een inclusieve sociale pijler volledig en adequaat worden weerspiegeld. De EU-wetgeving voorziet al in een gemeenschappelijke reeks minimumnormen voor werknemers overal in Europa. Het gaat erom dat deze normen gerespecteerd worden. De beginselen van gelijkheid en non-discriminatie moeten worden gewaarborgd voor zowel mannen als vrouwen en alle groepen in de samenleving, met inbegrip van personen met een handicap, LGBTI’s, mensen die tot etnische minderheden behoren en anderen die met discriminatie te maken hebben.

4.17

Het bereiken van hogere niveaus van arbeidsparticipatie van verschillende groepen in Europa is van essentieel belang om het hoofd te bieden aan de vergrijzing en een krimpende beroepsbevolking. Ook ten aanzien van andere, buiten de werkomgeving gelegen aspecten van het leven, zoals de toegang tot goederen en diensten, onderwijs, huisvesting en gezondheidszorg, moet vooruitgang worden geboekt bij de bevordering van gelijkheid en non-discriminatie. In dit verband valt te hopen dat de besprekingen over een EU-richtlijn inzake gelijke behandeling bij de toegang tot goederen en diensten snel worden hervat.

5.   Uitkomsten van de discussies met maatschappelijke organisaties

5.1

Het EESC heeft tussen 2 september en 2 november 2016 debatten met maatschappelijke organisaties georganiseerd in alle lidstaten. De debatten werden gecoördineerd door drie EESC-leden afkomstig uit het betrokken land, veelal in samenwerking met de Europese Commissie (15 debatten) of de nationale sociaaleconomische raad (7 debatten). De deelnemers waren afkomstig uit een brede waaier van werkgeversorganisaties, vakbonden en andere maatschappelijke organisaties alsmede, minder vaak, uit de academische wereld. In totaal namen bijna 1 800 vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties deel aan de 28 debatten.

5.2

In de meeste gevallen werden de discussies gevoerd aan de hand van een aantal centrale vragen. Tijdens de debatten kwam een brede waaier van kwesties aan de orde, die de verschillen in nationale stelsels, prioriteiten en situaties weerspiegelen. Na afloop van de debatten hebben de drie voor de coördinatie verantwoordelijke leden nationale verslagen opgesteld, die vaak conclusies en/of aanbevelingen bevatten. De vragen die dienst deden als leidraad voor de debatten luidden als volgt:

1)

Wat zijn volgens u de meest urgente economische en sociale uitdagingen in Europa en in uw land? Wat is nodig om deze kwesties aan te pakken?

2)

Denkt u dat een pijler van sociale rechten nodig is en, zo ja, hoe moet die zijn opgezet om de belangrijkste sociale en economische uitdagingen in Europa en in uw land aan te gaan?

3)

Hoe kan een vernieuwde arbeidsmarktstrategie van de Unie voldoen aan de behoeften van ondernemingen, werknemers en werkzoekenden op het vlak van flexibiliteit en zekerheid? Hoe kan hierbij rekening worden gehouden met belangrijke zaken als de steeds meer gedigitaliseerde economieën en arbeidsmarkten, de vergrijzing en de noodzaak om transities op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken?

4)

Hoe kan worden gegarandeerd dat de socialezekerheidsstelsels houdbaar blijven en dat de beschikbare middelen worden bestemd voor doeltreffende, relevante en vereiste sociale investeringen en diensten? Wat is de rol van de verschillende partijen?

5)

Hoe kan de Europese pijler van sociale rechten een positieve impact hebben op de economische en sociale convergentie in Europa?

6)

Wat moeten we doen voor de bevordering en ondersteuning van hechte samenlevingen in Europa?

5.3

Uit de conclusies/aanbevelingen van de door drie leden opgestelde landenverslagen blijkt dat er tijdens de verschillende debatten een aantal gemeenschappelijke thema’s/onderwerpen ter sprake zijn gebracht. Deze worden in dit deel van het advies samengevat.

5.3.1

Wat het bereik en de opzet van de Europese pijler van sociale rechten betreft:

In 18 lidstaten (CY, DE, EE, EL, ES, FI, FR, IE, IT, LT, LV, MT, PL, PT, RO, SE, SI, SK) laten de conclusies/aanbevelingen zien dat het maatschappelijk middenveld, of een deel daarvan, instemt met het initiatief om de pijler te lanceren. In twaalf lidstaten (DE, EE, ES, FI, HR, HU, IE, IT, LU, MT, PT, SK) wordt naar voren gebracht dat de doelstellingen, het bereik en/of de inhoud van de pijler verduidelijkt moeten worden.

In 13 lidstaten (BG, CY, CZ, DE, ES, FI, HR, IE, IT, RO, SE, SI, UK) wordt in de conclusies benadrukt dat economisch beleid en sociaal beleid onderling afhankelijk zijn. Voorts beklemtonen negen lidstaten (DE, DK, EE, EL, ES, FI, MT, RO, SE) het belang van groei, en zes lidstaten (EE, ES, FI, DK, MT, SE) het belang van concurrentievermogen.

In twaalf lidstaten (BG, DE, CZ, EE, ES, FI, HR, HU, IT, PL, SK, SE) staat in de conclusies dat de pijler van toepassing moet zijn op de gehele EU.

In negen lidstaten (BG, DK, EE, HR, IE, LV, LT, PL, SE) wordt in de conclusies aandacht gevraagd voor de implementatie/naleving van de pijler, dan wel de implementatie/naleving van het bestaande acquis en beleid. In vijf daarvan (BG, HR, IE, LV, LT) wordt specifiek opgemerkt dat de pijler onderdeel zou moeten vormen van het Europees semester.

In de conclusies van acht landen (DE, EL, ES, FI, HU, PT, SK, RO) wordt erop gewezen dat de sociale samenhang moet worden bevorderd en dat armoede, ongelijkheid en uitsluiting moeten worden bestreden.

Zeven lidstaten (BE, CZ, DE, DK, FI, HR, SE) benadrukken dat het subsidiariteitsbeginsel in acht moet worden genomen. In dit verband onderstrepen drie noordelijke lidstaten (FI, SE, DK) dat het voeren van collectieve onderhandelingen een nationale bevoegdheid is. Ook zijn er drie lidstaten (FI, SE, BE) die voor de scheiding van bevoegdheden opkomen.

Acht lidstaten (BG, DE, FR, HR, HU, IT, PT, SK) brengen het thema convergentie ter sprake (met inbegrip van opwaartse convergentie, convergentie van sociaal beleid en/of convergentie tussen lidstaten in het algemeen).

In de conclusies/aanbevelingen van zes lidstaten (CZ, EL, ES, HR, IE, SL) wordt opgemerkt dat er behoefte is aan publieke, particuliere en/of sociale investeringen.

5.3.2

Belangrijke thema’s die in de conclusies/aanbevelingen aan de orde komen en die verband houden met de door de Europese Commissie gemaakte eerste voorlopige schets van de pijler:

De cruciale rol van de sociale dialoog wordt genoemd in de conclusies/aanbevelingen van elf lidstaten (CY, EE, ES, FI, HU, HR, IE, LV, RO, SI, SK).

In zeven lidstaten (CY, EE, FI, IE, LV, RO, SI) wordt het belang van de burgerdialoog benadrukt (ook al noemt de Commissie dit thema niet in haar eerste schets van de pijler).

In zes lidstaten (CY, DK, HR, HU, PL, SI) wordt in de conclusies onderstreept dat aanpassing aan veranderingen, met name als gevolg van de digitalisering, noodzakelijk is.

De noodzaak om rekening te houden met de uitdagingen en veranderingen die voortvloeien uit demografische ontwikkelingen, staat in de conclusies van drie landen (BG, CY, SI) vermeld.

Tot de kwesties die in de conclusies/aanbevelingen het meest worden genoemd, behoren geïntegreerde sociale uitkeringen en diensten, gezondheidszorg en ziekte-uitkeringen, pensioenen, werkloosheidsuitkeringen, minimuminkomen en toegang tot essentiële diensten (die onder de twintig beginselen vallen die de Commissie in haar eerste schets van de pijler noemt), alsmede sociale zekerheid, sociale normen en de houdbaarheid van de sociale bescherming. Een of meer van deze kwesties worden genoemd in de conclusies van 22 lidstaten (BE, BG, CY, CZ, DE, DK, EL, FI, FR, HR, HU, IT, LT, LU, LV, MT, PT, RO, SE, SI, SK, UK).

Werkgelegenheid, het creëren van arbeidsplaatsen en de bestrijding van werkloosheid (inclusief jeugdwerkloosheid) worden genoemd in de conclusies/aanbevelingen van zeven landen (BE, CZ, EL, ES, FI, HR, RO).

In elf lidstaten (BE, BG, CY, CZ, DE, DK, FI, FR, HR, HU, SI) ligt er in de conclusies nadruk op onderwijs en vaardigheden (ook in de context van de digitalisering van de arbeidsmarkt).

In tien lidstaten (BE, CY, CZ, DK, FI, HR, HU, MT, RO, UK) wordt in de conclusies onderstreept dat er gezorgd moet worden voor arbeidsparticipatie van ondervertegenwoordigde of gemarginaliseerde groepen, en in zeven daarvan (BE, DE, DK, FI, HU, MT, UK) wordt in dit verband ook gendergelijkheid genoemd.

In acht lidstaten (CZ, CY, DK, FI, FR, HR, RO, SE) wordt gewezen op een of meer van de volgende kwesties: de noodzaak van stabiele banen, transities, fatsoenlijk werk en/of sociale zekerheid, soms ook in verband met de digitalisering van de arbeidsmarkt.

In drie lidstaten (DK, FI, SI) werd in de conclusies resp. opgemerkt dat het concept flexizekerheid kan helpen om het sociale model van Europa toekomstbestendig te maken, dat er een evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid moet zijn, en dat rekening moet worden gehouden met de economische noodzaak van flexibele arbeid.

5.4

Uit de conclusies/aanbevelingen blijkt ook dat het voornaamste twistpunt de vraag betreft of de pijler moet voorzien in wetgevingsmaatregelen. Binnen en tussen landen bestaat er bij de deelnemers verdeeldheid op dit punt. Werkgeversvertegenwoordigers zijn (over het algemeen) geen voorstander van verdere wetgeving, terwijl vakbondsvertegenwoordigers (over het algemeen) het tegenovergestelde vinden.

6.   Governance

6.1.1

De Europese pijler van sociale rechten moet veel duidelijker worden vormgegeven wat betreft inhoud, werkwijzen, concrete uitvoeringsmaatregelen, financiering en monitoring. Ook de rol van de verschillende betrokkenen moet worden opgehelderd. Van het allergrootste belang is de governance. Hierbij moeten de bepalingen van de Verdragen, met inbegrip van het subsidiariteitsbeginsel, in acht worden genomen. Burgers hebben het recht om te weten wie er voor elk besluit verantwoordelijk en aansprakelijk is.

6.1.2

Wat de betrokken actoren en hun rol betreft benadrukt het EESC dat inzake arbeidsmarktkwesties een partnerschap tussen de overheid en de sociale partners op EU- en nationaal niveau het instrument bij uitstek is om het beleid bij te sturen naar breed gesteunde doelstellingen. Op het gebied van sociale bescherming spelen regeringen, regionale en lokale overheden en verschillende nationale instellingen die zich met de organisatie van de sociale zekerheid bezighouden, alsmede maatschappelijke dienstverleners, een centrale rol. Daarnaast hebben ook de sociale partners vaak een rol en verantwoordelijkheden bij het opstellen en uitvoeren van socialebeschermingsregelingen en bij sociale diensten. Andere belanghebbenden, zoals centra voor maatschappelijk werk, kunnen beschikken over bijzondere expertise op het gebied van sociale bijstand en kunnen een rol spelen en vangnetten creëren voor bevolkingsgroepen die in armoede dreigen te vervallen.

6.1.3

Het EESC beklemtoont dat de pijler een positief project voor Europa en voor iedereen kan worden, maar alleen als er zichtbare resultaten mee worden geboekt. In deze tijden van crisis kan de pijler een goede gelegenheid zijn om aan te tonen dat de EU nog altijd in staat is om in voorkomend geval een passend antwoord te geven op de uitdagingen waarmee gewone burgers worden geconfronteerd, met volledige inachtneming van de bevoegdheidsverdeling en het subsidiariteitsbeginsel. De pijler zou met name het welzijn van de burgers moeten helpen verbeteren, overeenkomstig de in het verdrag opgenomen verplichting om, onder meer, te zorgen voor „een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu” (artikel 3 VEU). Daarnaast zou de pijler ertoe moeten bijdragen dat arbeidsmarkten en socialebeschermingsstelsels beter gaan functioneren. Tegelijkertijd maakt het EESC zich er zorgen over dat het toepassingsgebied van de pijler onvoldoende duidelijk is. Het EESC vreest dat dit tot nog meer onzekerheid en frustratie kan leiden, omdat verwachtingen worden gewekt die niet zullen of kunnen worden waargemaakt (71).

6.2    Sociale rechten voor iedereen

6.2.1

De Commissie stelt voor dat de pijler eerst wordt toegepast op de eurozone, aangezien daar reeds een begin is gemaakt met een proces van verdere integratie en consolidatie in de richting van meer convergentie. Dat neemt niet weg dat sociale bepalingen in de EU-verdragen (72) betrekking hebben op alle EU-lidstaten. In vele nationale debatten is naar voren gebracht dat de pijler van toepassing moet zijn op alle 28 EU-lidstaten. Ook het EESC is deze mening toegedaan.

6.2.2

In een eerder advies heeft het EESC opgemerkt dat sociaal duurzaam macro-economisch beleid een conditio sine qua non is om het economisch herstel kracht bij te zetten en sociale cohesie te waarborgen. Ook een betere inachtneming van de economische realiteit is een essentiële voorwaarde om voor productieve werkgelegenheid en goed opgezette sociale beleidsmaatregelen op EU- en nationaal niveau te zorgen, waarbij wel sprake moet zijn van een eerlijke verdeling tussen de generaties. Het EESC is ingenomen met de nadruk op het gebruik van flexibiliteit binnen de regels van het SGP, aan de hand waarvan de Commissie rekening zal houden met bepaalde overheidsinvesteringen bij de berekening van het begrotingstekort, maar het beschouwt dit als een beperkte en dus onvolledige maatregel (73).

6.3    Het Europees semester

6.3.1

Het Europees semester en de nationale hervormingsprogramma’s — die ook van toepassing zijn op de landen die niet tot de eurozone behoren — zouden de voornaamste instrumenten voor de implementatie en monitoring van de pijler moeten worden. Gezien echter de bijkomende macro-economische controlemechanismen die er in het Europees semester voor de eurolanden bestaan, zouden deze landen bijkomende benchmarks kunnen ontwikkelen om nationale hervormingen te ondersteunen. In een aantal nationale debatten (74) kwam het verband tussen de pijler en het Europees semester ter sprake.

6.3.2

Het EESC wijst erop dat bepaalde economische beleidsdoelen van de economische governance van de laatste jaren beter afgestemd moeten worden op de doelstellingen van het sociale beleid van de EU volgens artikel 4, lid 2, VWEU (75). Alle maatregelen van het Europees semester moeten overeenkomstig de horizontale sociale clausule (76) aan een sociale-effectbeoordeling worden onderworpen. De resultaten hiervan moeten op nationaal en Europees niveau gepubliceerd en besproken worden (77).

6.3.3

Het EESC heeft er al eerder op gewezen dat werkgelegenheids- en sociale doelstellingen tijdens het Europees semester op gelijke voet zouden moeten worden gesteld met macro-economische overwegingen (78). Ook heeft het aanbevolen dat er vergelijkbare en gemeenschappelijke indicatoren moeten komen, bijvoorbeeld inzake armoede en ongelijkheid, en verplichte sociale effectbeoordelingen voor alle hervormingsplannen die worden voorgesteld in de nationale hervormingsprogramma’s en de landenspecifieke aanbevelingen (79).

6.3.4

Het EESC pleit voor een aanpassing van het Europees semester zodat het bestaande scorebord van belangrijke werkgelegenheids- en sociale indicatoren wordt meegenomen in de formulering van de landenspecifieke aanbevelingen.

6.3.5

Het streven naar meer convergentie in de richting van het verbeteren van de werk- en leefomstandigheden moet worden bevorderd door specifieke streefdoelen vast te stellen, rekening houdend met de Europa 2020-strategie, de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen en de coördinatie van het economisch, sociaal en werkgelegenheidsbeleid.

6.4    Economische en sociale governance

6.4.1

Het EESC is zeer bezorgd over de stabiliteit van de EU, omdat de nodige hervormingen, met of zonder verdragswijzigingen, altijd op het laatste nippertje en onder grote druk plaatsvinden. Het komt erop aan de sociale, politieke en economische samenhang in de EU opnieuw te versterken en door te gaan met een coherente economische en monetaire integratie als basis voor een goed werkende EMU. Een serieus debat over een solide architectuur van de EMU, waarvoor een consensus over economische en sociale doelstellingen nodig is, is dan ook onvermijdelijk (80).

6.4.2

Om de Economische en Monetaire Unie beter in staat te stellen schokken op te vangen, moet concreet werk worden gemaakt van sociale, politieke en economische samenhang. Het EESC vindt dat er meer aandacht moet komen voor divergentie in de economieën van de EMU-landen en dat deze landen evenwichtige structurele hervormingen moeten doorvoeren volgens de vereisten van een monetaire unie en in overstemming met nationale vereisten, teneinde de benodigde convergentie tot stand te brengen.

6.4.3

Het EESC heeft al suggesties voor het verbeteren van de opzet van de EMU gedaan en voorstellen geformuleerd om de EMU binnen het kader van de communautaire methode zo snel mogelijk democratischer en socialer gestalte te geven. Op deze manier kan de democratische veerkracht worden vergroot en kan worden voldaan aan de sociale verplichtingen die uit de Verdragen voortvloeien (81).

6.4.4

Een economisch gezonde EMU is van cruciaal belang. Zoals eerder aangegeven door het EESC zijn de regeringen van de lidstaten in dit verband in hoge mate verantwoordelijk voor de verdere ontwikkeling van een democratische en sociale EMU. Hetzelfde geldt voor de sociale partners op nationaal en Europees niveau, voor wie de EMU het overkoepelende kader vormt voor hun stelsels voor loonvorming en de organisatie van het sociaal en arbeidsmarktbeleid. Als economische en maatschappelijke actoren zijn zij van cruciaal belang voor de inachtneming van de gemeenschappelijke stabiliteitsdoelstelling van de EMU (82). Een grotere betrokkenheid van de sociale partners kan bijdragen tot een betere governance van de EMU. Hun standpunten over de organisatie van het sociaal en arbeidsmarktbeleid moeten in de discussies over de toekomst van de EMU worden meegenomen (83). Een versterkte en gestructureerde dialoog met het maatschappelijk middenveld zou ook helpen om de democratische veerkracht en de governance te verbeteren.

6.4.5

Om de aanhoudende onevenwichtigheden aan te pakken en overal in Europa vertrouwen te wekken, is het volgens het EESC zaak om de economische governance, met name in de eurozone, doeltreffender en democratischer te maken (84).

6.5    Inachtneming en herbevestiging van het bestaande sociale acquis

6.5.1

Met de Europese pijler van sociale rechten moet beoogd worden ertoe bij te dragen dat daadwerkelijk de hand wordt gehouden aan het bestaande sociale acquis, dat is verankerd in primaire en secundaire EU-wetgeving inzake arbeids- en sociale rechten, met inbegrip van met name sociale bescherming en een doeltreffend toezicht, onder meer door arbeidsinspecties, en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en toegang tot de rechter. Internationale, door de lidstaten geratificeerde juridisch bindende bronnen van rechten voor EU-burgers moeten ten volle worden gerespecteerd.

6.5.2

Het EESC is van mening dat de pijler een gelegenheid biedt om het bestaande sociale acquis opnieuw te bevestigen. Bovendien biedt de ontwikkeling van de pijler mogelijkheden om te beoordelen wat werkt en wat niet, wat ontbreekt en wat moet worden verbeterd in de aanpak van de EU en de lidstaten, om te zorgen voor nieuwe sociale en economische convergentie, duurzame groei en het scheppen van werkgelegenheid in de EU.

6.6    Middelen voor een sociale stabilisering van Europa

6.6.1

Het Europees Fonds voor strategische investeringen en de Europese structuur- en investeringsfondsen zijn bestemd om een cruciale rol te spelen bij het scheppen van banen en groei en de bevordering van territoriale en sociale cohesie. Het EESC vindt dat deze fondsen doeltreffender en doelmatiger moeten worden gebruikt en dat langetermijninvesteringen van de EU in hoogwaardige sociale infrastructuur en diensten, onder meer via het Europees Fonds voor strategische investeringen en de Europese Investeringsbank, voorrang moeten krijgen en aan de implementatie van de pijler moeten worden gekoppeld.

6.6.2

Binnen de grenzen van het stabiliteits- en groeipact heeft het EESC verschillende opties en voorstellen gepresenteerd. Bijvoorbeeld een „golden” of „silver rule” (85) voor investeringen door de overheden van de lidstaten, ook in de sociale sector, die worden opgeteld bij de investeringen van de EU middels een systeem van onderling overeengekomen criteria waardoor, in combinatie met de juiste structurele hervormingen, particuliere investeringen worden aangetrokken (86).

6.6.3

In het kader van de begrotingen en de herziening van het meerjarig financieel kader acht het EESC het noodzakelijk — zoals reeds aangegeven door de Commissie — dat ten minste 25 % van de Europese structuur- en investeringsfondsen, met name het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, gebruikt wordt ter bevordering van sociale investeringen in diensten en beleid op sociaal, gezondheids-, onderwijs- en huisvestingsgebied. Voorts zou een aantal middelen op Europees niveau moeten worden gereserveerd in het kader van het ESF als beschikbare middelen voor het versterken van de capaciteiten van sociale partners. De Europese Commissie dient sturing te geven aan de lidstaten over de manier waarop sociale investeringen in de praktijk moeten worden bevorderd en over het toezicht op de kwaliteit en de doeltreffendheid van de projecten.

6.6.4

In 2014 heeft het EESC gesproken over een herverdelingsmechanisme dat moet worden gebruikt bij asymmetrische schokken (87) en heeft het erop gewezen dat de EU, en met name de eurozone, niet voorbij mag gaan aan de sociale consequenties van het gevoerde economisch beleid, en dat de afzonderlijke landen hier dus niet alleen voor mogen opdraaien. Het benadrukte dat het budget voor onderwijs en opleiding moet worden gezien als een investering in de toekomst (88). Tijdens sommige nationale debatten is van gedachten gewisseld over de noodzaak en haalbaarheid van een EU-werkloosheidsverzekering of aanpassingsfonds (89). Hieruit is naar voren gekomen dat er zeer verschillend over deze kwestie wordt gedacht en dat deze discussies moeten worden voortgezet (90).

6.7    Verband tussen mondiale en EU-strategieën

6.7.1

In de gedachtevorming over de pijler moet, voor zover relevant, ook rekening worden gehouden met de mondiale dimensie. De recente debatten in het kader van de IAO, de Raad van Europa, de OESO en het IMF zijn van groot belang, vooral omdat uit gegevens blijkt dat ongelijkheid de duurzaamheid van de groei beïnvloedt en dat herverdeling de groei niet schaadt. Daarbij zou ook moeten worden ingezien dat de houdbaarheid van het Europese sociale model verband houdt met de verbetering van het vermogen van Europa om de mondiale concurrentie het hoofd te bieden.

6.7.2

De agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling is in 2015 overeengekomen door alle lidstaten van de Verenigde Naties. Het bereiken van de betreffende doelstellingen is voor de EU-lidstaten dan ook een verplichting. Het EESC is van mening dat de pijler aanzienlijk zou kunnen bijdragen aan de agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, met name wat betreft de doelstellingen 1 (Geen armoede), 3 (Goede gezondheid en welzijn), 5 (Gendergelijkheid) en 8 (Fatsoenlijk werk en economische groei).

6.8    Een duidelijke algemene strategie voor een betere toekomst in Europa

6.8.1

Het EESC verzoekt de Commissie om een heldere en samenhangende strategie voor de pijler voor te stellen. Het EESC is het eens met het Comité voor de werkgelegenheid (EMCO) en het Comité voor sociale bescherming (SPC), die hebben opgemerkt „dat de Europese pijler van sociale rechten bestaande instrumenten, waaronder de Europese werkgelegenheidsstrategie (EWS) en de open coördinatiemethode voor sociale bescherming en sociale inclusie (sociale OCM), als uitgangspunt moet nemen en deze moet verbeteren, en op basis daarvan dient te fungeren als kompas voor het proces ter bevordering van opwaartse convergentie op het gebied van sociale en werkgelegenheidsprestaties, met inachtneming van de nationale bevoegdheden” (91). Onderdeel van dit proces kan zijn om passende nieuwe benchmarks op te stellen voor het beoordelen van de vooruitgang ten aanzien van een beperkt aantal belangrijke sociale en arbeidsmarktproblemen. De totstandbrenging van een dergelijk samenwerkingskader zal lidstaten helpen om positieve resultaten te bereiken dankzij hervormingen (92) en zal bijdragen tot grotere sociale cohesie.

6.8.2

Ondanks de duidelijke risico’s blijft het EESC van mening dat de EU in staat is een betere, meer democratische en sociale EU tot stand te brengen. Het EESC zal er alles aan doen om de debatten in de lidstaten en op EU-niveau te ondersteunen teneinde de burgers te betrekken bij het streven naar „een betere toekomst in Europa”. Een eerlijke globalisering, die zorgt voor een goed leven, voldoende werkgelegenheid en billijke arbeidsvoorwaarden voor iedereen, kan alleen worden bereikt als de EU haar eenheid bewaart en in staat is om op te treden. Om zijn samenlevingsmodel in stand te houden moet Europa zich aan veranderende omstandigheden kunnen aanpassen teneinde iedereen optimale kansen te bieden. Dit is ons alternatief voor protectionisme, nationalisme en populisme.

Brussel, 25 januari 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  Brief van de heer Juncker, voorzitter van de Europese Commissie aan de heer Dassis, voorzitter van het EESC, d.d. 8 maart 2016.

(2)  Volgens de EESC-terminologie verwijst de term maatschappelijk middenveld naar de georganiseerde en representatieve civiele samenleving. Zie de adviezen PB C 329 van 17.11.1999, blz. 30 en PB C 193 van 10.7.2001, blz. 117.

(3)  Zie voetnoot 1.

(4)  Nationale debatten in Ierland, Letland, Portugal en Spanje.

(5)  Artikel 3 VEU: „[De Unie] zet zich in voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een evenwichtige economische groei en van prijsstabiliteit, een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu.”

(6)  PB L 307 van 18.11.2008, blz. 11.

(7)  http://www.ohchr.org/EN/ProfessionalInterest/Pages/CoreInstruments.aspx

(8)  https://ec.europa.eu/commission/priorities/jobs-growth-and-investment/investment-plan_nl

(9)  PB C 34 van 2.2.2017, blz. 58.

(10)  http://www.un.org/sustainabledevelopment/sustainable-development-goals/

(11)  Richtlijn 2000/43/EG inzake gelijke behandeling ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22).

Richtlijn 2000/78/EC van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16).

Richtlijn 2004/113/EC inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37).

Richtlijn 2006/54/EC betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).

(12)  Tijdens diverse nationale debatten, onder meer in Slovenië, is erop gehamerd dat jonge mensen moeten worden betrokken bij de dialoog.

(13)  Nationale debatten in Ierland, Nederland, Portugal, Finland, België, Griekenland, Slowakije, Slovenië, Kroatië.

(14)  Nationale debatten in Cyprus, België en Nederland bijvoorbeeld.

(15)  Nationale debatten in Finland en Hongarije bijvoorbeeld.

(16)  Duurzameontwikkelingsdoelstelling 8.

(17)  Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen, COM(2010) 682 final.

(18)  PB C 318 van 29.10.2011, blz. 142.

(19)  PB C 211 van 19.8.2008, blz. 48.

(20)  Nationale debatten in Denemarken, Finland en Hongarije.

(21)  Nationale debatten in Bulgarije, Letland, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije bijvoorbeeld.

(22)  PB C 13 van 15.1.2016, blz. 161.

(23)  Nationale debatten in Bulgarije, Denemarken, Duitsland, Finland, Hongarije, Kroatië, Luxemburg, Oostenrijk, Polen, Slowakije, Spanje en Tsjechië.

(24)  Nationale debatten in Bulgarije bijvoorbeeld.

(25)  PB C 303 van 19.8.2016, blz. 54.

(26)  PB C 389 van 21.10.2016, blz. 50.

(27)  Zie voetnoot 25.

(28)  PB C 161 van 6.6.2013, blz. 67.

(29)  PB C 13 van 15.1.2016, blz. 57.

(30)  Zie voetnoot 28.

(31)  Nationale debatten in Cyprus, Estland, Finland, Hongarije, Ierland, Letland, Roemenië, Slovenië en Slowakije.

(32)  Nationale debatten in Hongarije bijvoorbeeld.

(33)  Zie voetnoot 25.

(34)  Zie bijv. Frey and Osborne 2013: The Future of employment:How susceptible are jobs to computerisation, en Breugel 2014: The computerisation of European jobs.

(35)  De Raad heeft op 21 en 22 november 2016 een politieke overeenkomst bereikt over een aanbeveling getiteld „Bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen” (voorheen „vaardighedengarantie”).

(36)  Zie voetnoot 25.

(37)  Zie voetnoot 25.

(38)  Zie voetnoot 22.

(39)  Zie voetnoot 22.

(40)  Zie voetnoot 22.

(41)  Ter sprake gebracht in Oost- en Midden-Europese landen, onder meer Bulgarije, Slowakije en Tsjechië, maar ook in Frankrijk.

(42)  Studies on Growth with Equity, Building a Social Pillar for European convergence, Internationale Arbeidsorganisatie, 2016.

(43)  Nationale debatten in Finland en Denemarken bijvoorbeeld.

(44)  Economische ontwikkelingen in de wereld en gevolgen voor het concurrentievermogen van de EU (informatief rapport)

(45)  Nationale debatten in bijvoorbeeld Finland, Slovenië, Malta, Ierland, Polen en Estland.

(46)  Nationaal debat in Tsjechië.

(47)  Zie voetnoot 18.

(48)  PB C 341, 21.11.2013, blz. 6.

(49)  EESC-rapport over „Initiatieven van het maatschappelijk middenveld voor betere integratie van de Roma-gemeenschap” (2014).

(50)  PB C 299 van 4.10.2012, blz. 115, PB C 332 van 8.10.2015, blz. 68.

(51)  Comité voor sociale bescherming, Prestatiemonitor sociale bescherming (SPPM) — Verslag over de kernuitdagingen op sociaal gebied en de belangrijkste boodschappen van het SPC, 12606/16.

(52)  PB C 13 van 15.1.2016, blz. 40.

(53)  Standpunt van het EESC over onderzoek en innovatie in de EU (EESC-13-19-EN).

(54)  PB C 161 van 6.6.2013, blz. 35.

(55)  Zie voetnoot 54.

(56)  PB C 389 van 21.10.2016, blz. 20.

(57)  PB C 133 van 14.4.2016, blz. 9.

(58)  Zie voetnoot 57.

(59)  PB C 13 van 15.1.2016, blz. 33.

(60)  Bijdrage van het EESC aan het werkprogramma 2017 van de Commissie, 14 juli 2016.

(61)  PB C 271 van 19.9.2013, blz. 1.

(62)  PB C 271 van 19.9.2013, blz. 91.

(63)  Zie voetnoot 62.

(64)  PB C 170 van 5.6.2014, blz. 23 (dit advies werd niet gesteund door de groep Werkgevers, zie www.eesc.europa.eu/resources/docs/statement-minimum-income.pdf).

(65)  Nationale debatten in Bulgarije, Ierland, Roemenië, en Spanje bijvoorbeeld.

(66)  Conclusies van de Raad van 2015 over sociale governance voor een inclusief Europa (Raadsdocument 14129/15) en het Comité voor sociale bescherming, Prestatiemonitor sociale bescherming (SPPM) — Verslag over de kernuitdagingen op sociaal gebied en de belangrijkste boodschappen van het SPC, (Raadsdocument 12606/16).

(67)  Zie bijvoorbeeld: PB C 117 van 26.4.2000, blz. 52; PB C 318 van 23.12.2009, blz. 22; PB C 229 van 31.7.2012, blz. 44; PB C 458 van 19.12.2014, blz. 14; Project over sociaal ondernemerschap. De belangrijke rol van de sociale economie kwam ook ter sprake tijdens verschillende nationale debatten, bijvoorbeeld in Bulgarije, Estland, Italië, Litouwen, Portugal en Spanje.

(68)  Bijdrage van het EESC aan het werkprogramma 2017 van de Europese Commissie, 15 juni 2016.

(69)  Met inbegrip van langdurige zorg en kinderopvang in geval van arbeidsongeschiktheid.

(70)  Gezondheidszorg en uitkeringen bij ziekte, werkloosheid, ouderdom en arbeidsongevallen, kinderbijslag, uitkeringen bij moederschap, invaliditeit en aan nabestaanden.

(71)  Het gebrek aan duidelijkheid kwam ter sprake in tal van lidstaten; sommige maatschappelijke organisaties toonden zich bezorgd dat dit zou kunnen fungeren als een boemerang. Indien verwachtingen worden gewekt die uiteindelijk niet worden ingelost, zou dit nog meer wantrouwen en frustratie teweeg kunnen brengen.

(72)  Artikel 3 VEU, artikel 9 VWEU, titel X van het VWEU en het Handvest van de grondrechten.

(73)  PB C 268 van 14.8.2015, blz. 33.

(74)  Nationale debatten in Bulgarije, Italië, Nederland, Oostenrijk en Roemenië.

(75)  Zie voetnoot 59.

(76)  Artikel 9 VWEU.

(77)  Zie voetnoot 57.

(78)  Zie voetnoot 61.

(79)  Zie voetnoot 57.

(80)  Zie voetnoot 59.

(81)  PB C 332 van 8.10.2015, blz. 8 en PB C 13 van 15.1.2016, blz. 33.

(82)  Zie voetnoot 59.

(83)  Zie bijvoorbeeld In-depth employment analysis.

(84)  PB C 332 van 8.10.2015, blz. 8.

(85)  Zie voetnoot 73.

(86)  PB C 451 van 16.12.2014, blz. 10, over meer flexibiliteit in het stabiliteits- en groeipact met betrekking tot bepaalde „overheidsinvesteringen”.

(87)  Zie voetnoot 86.

(88)  PB C 327 van 12.11.2013, blz. 58; PB C 271 van 19.9.2013, blz. 1.

(89)  Nationale debatten in Finland en Frankrijk bijvoorbeeld.

(90)  Zie voetnoot 59.

(91)  Europese pijler van sociale rechten, gezamenlijk advies van het EMCO en het SPC 12605/16, goedgekeurd door de Raad Epsco op 13 oktober 2016.

(92)  Nationale debatten in Roemenië bijvoorbeeld.