14.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 183/26


Conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over meertaligheid en de ontwikkeling van taalcompetenties

2014/C 183/06

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

GEZIEN:

De artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

de conclusies van de Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002, waarin wordt aangedrongen op verdere maatregelen „om de beheersing van basisvaardigheden te verbeteren — met name onderwijs van ten minste twee vreemde talen vanaf zeer jonge leeftijd —”, en meer bepaald wordt verlangd dat een taalvaardigheidsindicator wordt vastgesteld (1);

de conclusies van de Raad van 19 mei 2006, met een definitie van de beginselen voor een Europese taalvaardigheidsindicator (2);

de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020), waarin erop wordt gewezen dat het vergroten van taalcompetenties van belang is (3);

de conclusies van de Raad van 28-29 november 2011 over taalcompetenties ter bevordering van de mobiliteit, waarin erop wordt gewezen dat een goede kennis van vreemde talen een essentiële vereiste is om vooruit te komen in de wereld en op de arbeidsmarkt van vandaag (4);

Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van „Erasmus+”: het programma, waarin verbetering van het onderwijzen en leren van talen als één van de doelstellingen wordt genoemd (5).

EN MET NAME:

De conclusies van de Raad van 22 mei 2008 over meertaligheid, waarin de lidstaten wordt verzocht gezamenlijke inspanningen te leveren om de Europese samenwerking inzake meertaligheid te verbeteren en op passende wijze verbetering te brengen in doeltreffend talenonderwijs (6);

de Resolutie van de Raad van 21 november 2008 betreffende een Europese strategie voor meertaligheid, waarin de lidstaten wordt verzocht meertaligheid te bevorderen ter ondersteuning van het concurrentievermogen, de mobiliteit en de inzetbaarheid, en als een manier om de interculturele dialoog te versterken (7).

OVERWEGENDE HETGEEN VOLGT:

1.

Taalverscheidenheid is een fundamenteel onderdeel van de Europese cultuur en de interculturele dialoog, en het vermogen om te communiceren in een andere taal dan de moedertaal wordt beschouwd als een van de kerncompetenties die burgers moeten trachten te verwerven (8).

2.

Het talenlandschap in de EU is complex en divers, en er zijn nationale factoren die het onderwijzen en leren van talen beïnvloeden, hetgeen leidt tot aanzienlijke verschillen in wetgeving en praktijk op dat gebied.

3.

Taalvaardigheden dragen bij tot de mobiliteit, inzetbaarheid en persoonlijke ontwikkeling van Europese burgers, in het bijzonder jongeren, overeenkomstig de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor groei en banen.

4.

Het niveau van de taalcompetenties van vele jongeren is voor verbetering vatbaar en in de diverse landen bestaan er nog steeds aanzienlijke verschillen wat betreft de toegang tot taalonderwijs, ondanks enige verbetering in de afgelopen decennia.

5.

Omdat zij de basis vormen voor vele moderne talen, kan de studie van klassieke talen zoals oud-Grieks en Latijn het aanleren van talen vergemakkelijken, en bijdragen tot de duurzaamheid van ons gemeenschappelijk erfgoed.

IS HET EENS OVER HET VOLGENDE:

1.

De EU en de lidstaten moeten de vorderingen bij het ontwikkelen van taalcompetenties evalueren. Elk land draagt bij aan deze vorderingen in overeenstemming met zijn nationale context en omstandigheden.

2.

De beoordeling van taalcompetenties kan meertaligheid en doelmatig taalonderricht en doelmatige talenstudie in scholen helpen bevorderen.

3.

Die beoordeling kan worden uitgevoerd op de in de bijlage hierbij omschreven grondslag en moet betrekking hebben op de vier taalvaardigheden: lezen, schrijven, luisteren en spreken.

4.

De beoordeling kan:

i)

op EU-niveau georganiseerd worden;

ii)

rekening houden met nationale gegevens, indien beschikbaar en overeenkomstig de nationale omstandigheden;

iii)

georganiseerd worden met de steun van een groep deskundigen uit de lidstaten en in samenwerking met de Permanente Groep indicatoren en benchmarks, met het oog op maximale vergelijkbaarheid;

iv)

bekostigd worden uit het Erasmus+-programma, conform de toepasselijke bepalingen van Verordening (EU) nr. 1288/2013 (9) en afhankelijk van de jaarlijkse begrotingsprocedure;

v)

met minimale middelen van de scholen en een minimale rapportagelast voor de lidstaten worden uitgevoerd.

VERZOEKT DE LIDSTATEN, INDACHTIG HET SUBSIDIARITEITSBEGINSEL EN IN OVEREENSTEMMING MET DE NATIONALE OMSTANDIGHEDEN:

1.

Maatregelen aan te nemen en te verbeteren voor het bevorderen van meertaligheid en het verbeteren van de kwaliteit en de efficiëntie van talenstudie en taalonderricht, onder meer door al op jonge leeftijd ten minste twee talen te onderwijzen naast de voornaamste onderwijstaal (-talen) en door de mogelijkheden van innovatieve benaderingen voor de ontwikkeling van taalcompetenties te verkennen.

2.

Zich in te spannen om geëigende methoden te ontwikkelen voor het beoordelen van talenkennis overeenkomstig de bijlage hierbij.

3.

Maatregelen te ontwikkelen om kinderen en volwassenen met een migrantenachtergrond bij te staan bij het leren van de taal/talen van het gastland.

4.

De mogelijkheden van het Erasmus+-programma en de Europese structuur- en investeringsfondsen te benutten om deze doelstellingen te bereiken.

5.

Meer gebruik te maken van de Europese transparantie-instrumenten en -initiatieven die gecreëerd zijn ter bevordering van het leren van talen, zoals het gemeenschappelijk Europees referentiekader voor talen, Europass, het Europese taalportfolio en het Europees talenlabel.

VERZOEKT DE LIDSTATEN OM, MET STEUN VAN DE COMMISSIE:

1.

Via de open coördinatiemethode ervaringen en goede werkwijzen uit te wisselen teneinde de doeltreffendheid en de kwaliteit van talenstudie en taalonderricht te verbeteren.

2.

De rol te onderkennen die niet-formeel en informeel leren kunnen spelen bij het leren van een taal, door te zoeken naar manieren om aldus verworven taalcompetenties te erkennen en te valideren, overeenkomstig de aanbeveling van de Raad van 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren (10).

3.

Manieren te zoeken om het aantrekkelijker te maken een taal te leren en de inzet daarvoor groter te maken, onder meer via het gebruik van ICT en open leermiddelen, met als doel te bewerkstelligen dat minder lerenden ophouden met het leren van een taal voordat ze een toereikend kennisniveau hebben bereikt.

VERZOEKT DE COMMISSIE OM:

1.

De haalbaarheid van het beoordelen van taalcompetenties in de lidstaten na te gaan, onder meer door gebruik van nationale gegevens, indien voorhanden, met de steun van een groep deskundigen uit de lidstaten en in samenwerking met de Permanente Groep indicatoren en benchmarks.

2.

Samen met de lidstaten en Eurostat, in het kader van het Europees statistisch systeem, en met het oog op het verbeteren van de vergelijkbaarheid, manieren te zoeken om de bestaande EU-gegevens over het aantal leerlingen in het middelbaar onderwijs dat een derde taal leert (11) aan te vullen, conform de ambities van de doelstelling van Barcelona en het ET 2020-kader.

3.

Met andere op dit gebied actieve organisaties, zoals de Raad van Europa en zijn Europees centrum voor moderne talen, te blijven samenwerken en de samenwerking te intensiveren.


(1)  SN 100/1/02 REV 1, blz. 19, punt 44, 2e streepje.

(2)  PB C 172 van 25.7.2006, blz. 1.

(3)  PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.

(4)  PB C 372 van 20.12.2011, blz. 27.

(5)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50.

(6)  PB C 140 van 6.6.2008, blz. 14.

(7)  PB C 320 van 16.12.2008, blz. 1.

(8)  Zie de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren (PB L 394, 30.12.2006, blz. 10).

(9)  Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van „Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).

(10)  PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.

(11)  Die derde taal kan iedere moderne taal zijn die op school onderwezen wordt. Daarnaast kunnen de lidstaten het percentage meedelen van de leerlingen die oud-Grieks of Latijn als derde taal hebben. Andere gegevens die kunnen worden verzameld zijn het aantal onderwezen talen, en of het onderricht daarin verplicht of facultatief is.


BIJLAGE

Beoordeling van taalcompetenties

De beoordeling van taalcompetenties is gebaseerd op:

het percentage leerlingen van 15 jaar of, afhankelijk van de nationale omstandigheden, 14 of 16 jaar (1), die het niveau van onafhankelijke gebruiker bereiken in de tweede aangeleerde taal (2).

De term onafhankelijke gebruiker stemt overeen met ten minste niveau B1, als omschreven in het Gemeenschappelijk Europees referentiekader voor taalvaardigheden (CEFR) (3).

De gegevens kunnen worden verzameld via een EU-breed onderzoek naar de kennis van de tweede taal/talen van de onderwijsstelsels, en zodanig worden gepresenteerd dat maximale vergelijkbaarheid wordt bereikt. In plaats daarvan kunnen ook nationale gegevens worden gebruikt, mits deze compatibel zijn met het CEFR.

Nationale scores worden samengevoegd als een gewoon gemiddelde van de vier componenten: lezen, schrijven, luisteren en spreken. Het resultaat is een gewogen gemiddelde van deze nationale scores waarin rekening wordt gehouden met de omvang van de nationale bevolking.


(1)  Er wordt verzekerd dat de gegevens maximaal vergelijkbaar zijn.

(2)  De voornaamste onderwijstaal/-talen wordt/worden als eerste taal(talen) beschouwd, terwijl van de andere talen die welke het meest wordt onderwezen als de tweede aangeleerde taal wordt beschouwd. Elke lidstaat bepaalt welke talen als eerste en als tweede taal worden beschouwd.

Alleen officiële EU-talen mogen als tweede taal worden beschouwd.

(3)  Definitie van B1 (onafhankelijke gebruiker):

Kan de hoofdpunten begrijpen wanneer in duidelijk uitgesproken standaardtaal wordt gesproken over vertrouwde zaken die regelmatig voorkomen op het werk, op school, in de vrije tijd enz. Weet zich te redden in de meeste situaties die zich kunnen voordoen tijdens een reis in een gebied waar de betreffende taal wordt gesproken. Kan een eenvoudige samenhangende tekst schrijven over onderwerpen die vertrouwd of van persoonlijk belang zijn. Kan ervaringen en gebeurtenissen, dromen, verwachtingen en ambities beschrijven en in het kort redenen geven voor meningen en plannen.