15.1.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 11/31


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft een snellereactiemechanisme tegen btw-fraude

(COM(2012) 428 final — 2012/0205 (CNS))

2013/C 11/07

Algemeen rapporteur: Viliam PÁLENÍK

De Raad van de Europese Unie heeft op 5 september 2012 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft een snellereactiemechanisme tegen btw-fraude

COM(2012) 428 final — 2012/0205 (CNS).

Het bureau van het Comité heeft op 17 september 2012 besloten de afdeling Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang, met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden te belasten.

Gegeven de urgentie van de werkzaamheden besloot het Comité tijdens zijn 484e zitting van 14 en 15 november 2012 (vergadering van 15 november 2012) de heer PÁLENÍK als algemeen rapporteur aan te wijzen. Vervolgens heeft het onderstaand advies met 112 stemmen vóór en zonder stemmen tegen, bij 2 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Dit advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) heeft betrekking op het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot invoering van een snellereactiemechanisme (hierna „SRM”), dat de lidstaten in staat moet stellen doeltreffender op te treden tegen btw-fraude, met name door de procedure voor het toekennen van derogaties voor de aanwijzing van de tot voldoening van btw gehouden personen, in te korten. Deze maatregel voorkomt bovendien dat nationale maatregelen ter bestrijding van btw-fraude worden ingevoerd die een rechtsgrondslag in de Europese wetgeving ontberen.

1.2

Het EESC steunt het doel van het voorstel – namelijk om de bestrijding van belastingfraude doeltreffender te maken – en is van mening dat de voorgestelde aanpak een verbetering is ten opzichte van de huidige situatie. Aan de andere kant wijst het EESC in dit advies op een aantal tekortkomingen van het voorstel, en doet het enkele aanbevelingen en alternatieve voorstellen om de status quo in de toekomst te verbeteren.

1.3

Btw-fraude is een zeer schadelijke activiteit waarmee aanzienlijke bedragen worden onttrokken aan de begrotingen van de lidstaten, zodat hun inspanningen om de overheidsfinanciën te consolideren worden ondergraven. De fraudeconstructies veranderen relatief snel, zodat er een zo doeltreffend mogelijke wetgeving moet worden ontwikkeld om deze praktijken de wereld uit te helpen.

1.4

Het EESC is ermee ingenomen dat de voorgestelde richtlijn de lidstaten in staat stelt flexibel te reageren op fraude in een bepaalde sector en vrijwel onmiddellijk maatregelen te nemen om een dreigend verlies aan belastinginkomsten te voorkomen. Het verkorten van de tijd die nodig is om derogaties op het gemeenschappelijk btw-stelsel toe te staan draagt bij tot de bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking.

1.5

Het EESC zet wel enkele vraagtekens bij de invoering van een afwijking van de toetsingsprocedure die is neergelegd in artikel 3, lid 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011, met name omdat de voorgestelde procedure het zo goed als onmogelijk maakt om een derogatieverzoek van een lidstaat te laten beoordelen door het comité van deskundigen.

1.6

Gezien de noodzaak om de btw-fraude, die steeds weer andere vormen aanneemt, op doeltreffende wijze te bestrijden, stelt het EESC voor om voor de vaststelling van verdere maatregelen een beroep te doen op de technische know-how van deskundigen uit de praktijk, die veelal afkomstig zijn uit het maatschappelijk middenveld. Hiervoor zouden vergaderingen van deskundigengroepen moeten worden georganiseerd, om de problematiek in de breedst mogelijke zin te bespreken.

1.7

Aangezien btw-fraude een geavanceerde internationale criminele activiteit is die schadelijke gevolgen heeft voor de openbare financiën, wijst het EESC erop dat de belastingautoriteiten van de lidstaten efficiënt moeten samenwerken om deze fraude uit te bannen. Het zou dan ook graag zien dat de Europese instellingen meer activiteiten organiseren om een positieve bijdrage te leveren aan deze samenwerking.

2.   Achtergrond

2.1

In de huidige crisisperiode, waarin alle landen van de Europese Unie aanzienlijke inspanningen leveren om hun openbare financiën te consolideren, is het EESC ingenomen met ieder initiatief dat deze inspanningen ondersteunt, zowel aan de inkomstenzijde als aan de uitgavenzijde van de overheidsbegrotingen. Met dit voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, streeft de Commissie ernaar de bestrijding van belastingfraude en –ontduiking doeltreffender te maken, en zo de consolidering aan de inkomstenzijde te helpen.

2.2

De economie van de Europese Unie beleeft momenteel de moeilijkste periode sinds haar oprichting, en een doeltreffende belastingheffing is in deze periode een buitengewoon belangrijk onderdeel van het streven om de openbare financiën van de afzonderlijke lidstaten sneller te consolideren.

2.3

Volgens de jaarlijkse groeianalyse 2012 is een krachtige begrotingsconsolidatie dé manier om resultaten te boeken en van fundamenteel belang om de macrofinanciële stabiliteit te herstellen, als basis voor groei en om de toekomst van het Europese sociaal model veilig te stellen. In verschillende lidstaten kunnen de overheidsontvangsten worden vergroot door de belastinginning efficiënter te maken en belastingfraude aan te pakken. Een striktere toepassing van de regels in alle belastingsectoren draagt daar eveneens toe bij.

2.4

Belastingcoördinatie, met name als het gaat om grensoverschrijdende transacties, kan volgens Bijlage IV bij document COM(2011) 815 final helpen om de interne markt van de EU efficiënter te maken. Dit argument is gebaseerd op de veronderstelling dat de meeste nog resterende belemmeringen voor de eengemaakte markt het gevolg zijn van een gebrek aan coördinatie van het fiscaal beleid. De invoering van het snellereactiemechanisme zou de verschillen gedeeltelijk kunnen wegnemen, maar het EESC wijst erop dat de toepassing van het SRM de belastinginkomsten van sommige lidstaten ook ernstig kan schaden.

2.5

Een van de belangrijkste uitdagingen op belastinggebied waarvoor de EU-lidstaten momenteel staan is de bestrijding van belastingfraude en -ontduiking. Doeltreffende maatregelen om belastingfraude en -ontwijking tegen te gaan kunnen de belastinginning efficiënter maken en kunnen een belangrijke rol spelen om de belastinginkomsten te verhogen, met een doeltreffender inning van de btw als een van de mogelijke maatregelen van fiscale consolidatie.

2.6

Europol schat dat btw-fraude en -ontduiking in verband met de handel in broeikasgasemissierechten in de periode 2008-2009 een verlies van circa 5 miljard euro op de begrotingen van verschillende EU-lidstaten heeft veroorzaakt. Rob Wainwright, directeur van Europol, formuleerde het als volgt: „Georganiseerde btw-fraude blijft een veel voorkomende criminele activiteit in Europa. Als gevolg hiervan worden aanzienlijke bedragen onttrokken aan de inkomsten van de centrale overheid. Dit ondermijnt de doelstelling om Europa om te vormen tot een concurrerende en groenere economie.”

2.7

Volgens de conclusies van het Groenboek over de toekomst van de btw bedroeg de btw-kloof 12 % van de theoretische btw-opbrengsten in 2006, waarbij dit cijfer voor verschillende lidstaten boven de 20 % uitsteeg. Deze btw-kloof is gedeeltelijk te wijten aan fraude die het gevolg is van de tekortkomingen van de huidige bepalingen, waarbij met name grensoverschrijdende leveringen van goederen en diensten zonder btw kunnen gebeuren. Een efficiënt mechanisme dat het mogelijk maakt belastingfraude uit te roeien zou een manier zijn om de enorme economische schade die het gevolg is van dergelijke praktijken tegen te gaan, en om de openbare financiën te consolideren.

2.8

De specifieke maatregelen van artikel 395 bis zullen de bestrijding van btw-fraude en -ontduiking operationeler en doeltreffender maken, omdat zij de specifieke kenmerken van het btw-stelsel van het verzoekende land in aanmerking nemen. Deze maatregelen zullen helpen een doeltreffend systeem tot stand te brengen om nieuwe vormen van belastingfraude en -ontduiking op te sporen. Wel moeten vraagtekens worden geplaatst bij het mogelijke verlies aan fiscale bevoegdheden van de lidstaten.

2.9

Op basis van informatie die wordt verzameld middels de procedure voor de toekenning van derogaties van de richtlijn betreffende het gemeenschappelijke btw-stelsel, zal de Commissie belangrijke praktische initiatieven en informatie „uit het veld” vergaren ten einde de richtlijn te verbeteren. Deze informatie zal worden gebruikt om tekortkomingen en obsolete bepalingen weg te nemen, en verouderde onderdelen van de richtlijn bij te werken.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde geeft de Commissie grotere bevoegdheden voor het toekennen van derogaties ter voorkoming van btw-fraude. Deze fraude leidt tot een aanzienlijke derving van begrotingsinkomsten en verstoort de concurrentievoorwaarden en de werking van de interne markt. Het EESC juicht iedere poging toe om de werking van de interne markt te verbeteren en om doeltreffender op te treden tegen belastingfraude en –ontduiking.

3.2

Het EESC wijst erop dat krachtens de tweede alinea van artikel 395, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG, de maatregelen tot vereenvoudiging van de belastinginning geen noemenswaardige invloed mogen hebben op de totale belastingopbrengst van de lidstaat in het stadium van het eindverbruik. In de context van het onderhavige voorstel vreest het EESC dat de impact van de verzoeken op de totale belastinginkomsten onvoldoende wordt beoordeeld.

3.3

Het EESC is ingenomen met het effect dat het voorstel zal hebben op de lengte van de goedkeuringsprocedure voor speciale maatregelen van de lidstaten om belastingfraude en -ontduiking te bestrijden, wat van positieve invloed is op de waarschijnlijkheid dat dergelijke praktijken doeltreffender zullen worden aangepakt.

3.4

Aangezien btw-fraude voornamelijk voorkomt bij grensoverschrijdende handel (de zogenaamde carrouselfraude of ploffraude), is de mogelijkheid om doeltreffende maatregelen te nemen door slechts één lidstaat derogaties toe te staan zeer beperkt, en zal een verdere coördinatie van procedures door de belastingautoriteiten van de lidstaten noodzakelijk zijn.

3.5

Ook wijst het EESC erop dat de Commissie met dit voorstel zeer gespecialiseerde en complexe bevoegdheden krijgt. Het wijst er dan ook op dat de groep die zich zal bezighouden met toekomstige voorstellen voor maatregelen die onder de procedures van de nieuwe voorgestelde artikelen van de richtlijn vallen, moet bestaan uit deskundigen uit de praktijk. Veel van deze deskundigen zijn afkomstig uit het maatschappelijk middenveld.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1

In zijn huidige vorm maakt het voorstel alleen een versnelde goedkeuring (binnen de maand) mogelijk van speciale maatregelen die afwijken van Richtlijn 2006/112/EG in gevallen waarin de lidstaat een derogatie verzoekt voor de aanwijzing van de ontvanger als de tot voldoening van de btw gehouden persoon ter zake van specifieke leveringen van goederen en diensten in afwijking van artikel 193 (wat momenteel een doeltreffend instrument lijkt te zijn om fraude te bestrijden). In andere gevallen is een eenparig besluit van de Raad vereist, wat de inspanningen om de btw-fraude doeltreffend te bestrijden in grote mate teniet kan doen. Het EESC wijst er tevens op dat fraudeurs momenteel efficiënt samenwerken, zodat het wenselijk zou zijn dat belasting- en politiediensten van verschillende landen worden geïnformeerd over en betrokken bij derogaties die krachtens de nieuwe voorgestelde artikelen van de richtlijn worden toegestaan. Dit geldt met name voor landen waarnaar illegale praktijken kunnen worden verplaatst nadat een derogatie is toegestaan.

4.2

Volgens het EESC zou de procedure voor goedkeuring door het comité krachtens artikel 395 ter, leden 2 en 3, niet de mogelijkheid mogen uitsluiten dat een lid van het comité verzoekt de schriftelijke procedure zonder gevolg te beëindigen, voornamelijk om de legitieme belangen van dat lid efficiënt te beschermen, die immers kunnen worden geschaad door een verzoek van een andere lidstaat om speciale maatregelen te mogen nemen. Een alternatieve manier om deze tekortkoming op te lossen is om een mechanisme in te voeren voor de bevestiging van de speciale maatregel door de Raad van Ministers, waarbij de maatregel haar geldigheid verliest indien zij niet wordt goedgekeurd.

4.3

Dankzij de invoering van een SRM zal de voorgestelde richtlijn de tijd die nodig is voor de goedkeuring van speciale maatregelen ter bestrijding van belastingfraude en –ontduiking aanzienlijk verkorten, van de acht maanden die voorheen nodig konden zijn voor een positief voorstel van de Commissie en goedkeuring door de Raad met eenparigheid van stemmen, tot één maand, waarbij de goedkeuringsbevoegdheid bij de Commissie komt te liggen. Het EESC juicht deze versnelling toe als een manier om de bestrijding van belastingfraude doeltreffender te maken. Wel moeten lidstaten de kans krijgen om zo nodig een ontwerp van derogatieverzoek vooraf te laten beoordelen door het adviescomité, om mogelijke procedures bij het Europese Hof van Justitie voor te zijn.

4.4

Het EESC is van mening dat in artikel 395 bis, lid 1, onvoldoende wordt gedefinieerd wat „passende controlemaatregelen door de lidstaten” zijn. Het stelt dan ook voor dat de Raad een einde maakt aan deze discrepantie, en de reikwijdte uitbreidt tot de in artikel 395 bis, lid 1 onder b) genoemde maatregelen.

4.5

Wanneer een derogatie die op basis van de in artikel 395 beschreven procedure is toegestaan gedurende de periode tijdens welke zij van kracht is doeltreffend blijkt te zijn om belastingfraude en -ontduiking te bestrijden, dan stelt het EESC voor dat een mechanisme wordt ingevoerd waarmee deze maatregel – als een soort „beste praktijk” – op andere lidstaten kan worden toegepast door middel van een vereenvoudigde procedure, vergelijkbaar met de procedure in het onderhavige voorstel.

Brussel, 15 november 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON