21.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 181/150


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Mededeling over EU-beleid en vrijwilligerswerk: erkenning en bevordering van grensoverschrijdend vrijwilligerswerk in de EU

(COM(2011) 568 final)

2012/C 181/26

Rapporteur: de heer TRANTINA

Op 20 september 2011 heeft de Commissie besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité, op grond van artikel 304 van het VWEU, te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Mededeling over EU-beleid en vrijwilligerswerk: erkenning en bevordering van grensoverschrijdend vrijwilligerswerk in de EU

COM(2011) 568 final.

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken, Burgerschap, die was belast met de desbetreffende voorbereidende werkzaamheden, heeft haar advies goedgekeurd op 29 februari 2012.

Tijdens zijn 479e zitting van 28 en 29 maart 2012 (vergadering van 28 maart) heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité onderstaand advies uitgebracht, dat werd goedgekeurd met 134 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 11 onthoudingen.

Voorwoord

Vrijwilligerswerk is een belangrijke uiting van actief burgerschap: het bouwt sociaal kapitaal op, draagt bij aan de sociale cohesie en solidariteit, levert waardevolle economische voordelen op voor de maatschappij en stelt mensen in staat om hun mogelijkheden te benutten. Vrijwilligerswerk is een term „ter aanduiding van alle typen van vrijwillige activiteit, zowel formeel als niet-formeel en informeel, die iemand uit vrije wil, uit eigen keuze en uit eigen beweegredenen zonder winstoogmerk onderneemt”  (1) . Tegen de achtergrond van de huidige crisis in Europa, de demografische veranderingen en andere hiermee verband houdende uitdagingen is het belangrijk dat er erkenning komt voor de cruciale rol die vrijwilligerswerk speelt bij het verbeteren van de mogelijkheden die burgers hebben om te integreren, zichzelf te verwezenlijken, hun vaardigheden te ontwikkelen en netwerken te vormen. Wel dient vrijwilligerswerk duidelijk te worden onderscheiden van betaald werk en mag het dit in geen geval vervangen.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) was de eerste Europese instelling die, in 2006, een Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk voorstelde ter ondersteuning van de inspanningen van de leden van de EYV 2011 Alliance, een initiatief dat gehoor vond bij andere instellingen. De uiteindelijke verwezenlijking van deze doelstelling in 2011 bood de gelegenheid om de toegevoegde waarde van de vrijwilligerssector onder de aandacht te brengen en heeft ertoe bijgedragen dat vrijwilligersorganisaties een effectievere rol zijn gaan spelen op lokaal, nationaal en Europees niveau. Het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk ter bevordering van actief burgerschap 2011 heeft er tevens direct toe bijgedragen dat vrijwilligerswerk nu wordt erkend als een middel om maatschappelijke problemen op te lossen en vertrouwen op te bouwen.

1.   Aanbevelingen

1.1   Om te zorgen voor een doeltreffende en duurzame omgeving waarin vrijwilligerswerk kan gedijen, beveelt het EESC de Europese instellingen en lidstaten aan om de nationale en Europese wetgeving zodanig aan te passen dat vrijwilligerswerk de nodige ruimte krijgt en wordt aangemoedigd, vrijwilligers worden beschermd en juridische obstakels die hun activiteiten bemoeilijken, uit de weg worden geruimd.

1.2   Daarentegen moet worden opgepast voor wetgeving die vrijwilligerswerk te veel inperkt resp. onmogelijk maakt doordat ze te beschrijvend is of te weinig begrip toont voor plaatselijke tradities op het gebied van vrijwilligerswerk. Vrijwilligersorganisaties zouden rechtstreeks moeten worden betrokken bij het opstellen van dergelijke wetgeving. Terwijl in sommige landen het ontbreken van een wettelijk kader geen belemmering vormt, wordt hierdoor in andere landen het leven van vrijwilligers en aanbieders van vrijwilligerswerk bemoeilijkt. In weer andere landen worden vrijwilligers juist beperkt in hun werkmogelijkheden door restrictieve wetgeving.

1.3   De Europese Commissie zou moeten aanmoedigen dat er op het niveau van de EU en de lidstaten een efficiënte en goed georganiseerde infrastructuur voor vrijwilligerswerk wordt opgezet (faciliteiten voor vrijwilligersorganisaties, ondersteuning van aanwerving en opleiding, hulp bij het aanvragen van subsidies e.d.). Ze moet ervoor zorgen dat vrijwilligersorganisaties en –centra betere mogelijkheden krijgen om informatie te verstrekken en opleidingen te verzorgen en de activiteiten tussen vrijwilligers en organisaties te coördineren.

1.4   De EU en de lidstaten zouden ervoor moeten zorgen dat de vrijwilligerssector een goede, betrouwbare en duurzame toegang tot financiering krijgt, en ze zouden vrijwilligersorganisaties moeten helpen om zich aan te passen aan de nieuwe financieringsvoorwaarden. Het EESC doet ook een beroep op de Europese Commissie om in door de EU gefinancierde programma's en de structuurfondsen meer middelen uit te trekken voor vrijwilligerswerk in de EU.

1.5   De Europese instellingen en de lidstaten zouden vrijwilligerswerk moeten toestaan en bevorderen als een bijdrage anders dan in geld aan cofinanciering. Verder doet het EESC een beroep op de Europese instellingen en de lidstaten om ervoor te zorgen dat BTW-bepalingen geen extra administratieve lasten voor vrijwilligersorganisaties met zich mee brengen.

1.6   Om ook in de toekomst de nodige dynamiek te behouden, dringt het EESC erop aan dat er een aantal praktische maatregelen wordt genomen om ook na 2011 een vervolg te geven aan de activiteiten in het kader van het Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk en om het onderwerp een vaste plaats te geven in het nationale en Europese beleid. Het EESC verzoekt de Europese Commissie een aanvang te maken met een raadplegingsprocedure (bijv. via een witboek of ander effectief middel). Aldus zou vrijwilligerswerk een prominent beleidsonderdeel op Europees niveau kunnen blijven, waardoor het initiatief van het Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk kan worden gecontinueerd. Ook in het kader van de Europese Jaren 2012 en 2013 zou hieraan aandacht kunnen worden besteed.

1.7   De Europese instellingen zouden hun beleid t.o.v. vrijwilligerswerk meer op elkaar moeten afstemmen. Het zou moeten worden erkend als een overkoepelend beleidsonderdeel en gecoördineerd moeten worden door een speciale eenheid in de Europese Commissie, met steun van de relevante beleidsstructuren in de andere Europese instellingen (2). Dit zou een garantie zijn voor een voortgezette samenwerking tussen de nationale coördinerende organen, een hiervoor verantwoordelijke eenheid binnen de Commisise, een intergroep of commissie binnen het Europees Parlement, een structuur binnen de Raad met duidelijke bevoegdheden en vrijwilligersorganisaties op alle niveaus.

1.8   Verder zouden alle betrokken partijen zich moeten blijven inspannen om vrijwilligerswerk onder alle burgers actief te promoten en daarbij, afhankelijk van de situatie per land, met name aandacht te schenken aan jongeren en ouderen. Vrijwilligerswerk dat wordt verricht met steun van werkgevers, zal in de toekomst meer moeten worden gestimuleerd, waarbij het aan de lidstaten is om de nodige maatregelen te treffen (bijv. bestudering van de mogelijkheid van belastingverlichting) en partnerschappen met de sector van het vrijwilligerswerk aan te moedigen.

2.   Algemene opmerkingen over vrijwilligerswerk

2.1   Er moet worden gestreefd naar een benadering van vrijwilligerswerk waarbij de vrijwilliger zelf centraal staat, zonder enige vorm van discriminatie. Dat is een waarborg voor de kwaliteit, erkenning, bescherming en toegankelijkheid van het werk. De rechten, menselijke waardigheid en verantwoordelijkheden van vrijwilligers verdienen erkenning en respect en ook de vrijwilligers zelf en hun organisaties dienen dit goed te beseffen (3).

2.2   In het bijzonder zal de bijdrage van vrijwilligerswerk aan het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie moeten worden erkend. Het is daarom essentieel dat vrijwilligerswerk ook een plaats krijgt in de nationale hervormingsprogramma's, zodat de steun ervoor verzekerd is.

2.3   De coördinatie van activiteiten binnen de sector van het vrijwilligerswerk, die nodig is om vooruitgang te boeken bij het halen van de eigen doelstellingen, de uitwisseling van goede praktijken, de oprichting/consolidering van vrijwilligersfora met deelname van alle betrokken partijen (werkgevers, vakbonden, andere sectorale organisaties, nationale overheden en de EU) – dit alles zou ook na 2011 moeten worden voortgezet. Het EESC heeft waardering voor het werk dat wordt verricht door de EYV 2011 Alliance (4), met als hoogtepunt de goedkeuring van de „Beleidsagenda voor vrijwilligerswerk in Europa” (P.A.V.E.) (5), waarin een aantal inspirerende voorstellen zijn opgenomen voor de verdere ontwikkeling van vrijwilligerswerk op Europees en nationaal niveau, alsmede voor de sociale partners en ngo's.

2.4   Om meer bekendheid te geven aan de sociaal-economische waarde en bijdrage van de vrijwilligerssector, acht het EESC het zaak dat er op brede schaal informatie wordt verzameld en verspreid over de sociale en economische impact van vrijwilligerswerk. Om te beginnen zal er overeenstemming moeten worden bereikt over en gebruik moeten worden gemaakt van het IAO-handboek inzake de meting van vrijwilligerswerk, zijnde een manier om de verschillende methoden voor het verzamelen van gegevens over vrijwilligerswerk in de lidstaten te harmoniseren. Daarnaast dringt het EESC erop aan om op nationaal niveau gegevens te verzamelen die niet alleen betrekking hebben op het bbp, maar ook op „sociale indicatoren”, die gezien worden als een maatstaf voor sociale rijkdom.

2.5   Het is belangrijk dat tegemoet wordt gekomen aan de behoeften van alle vrijwilligers die in georganiseerd verband of op eigen initiatief actief zijn. De Europese instellingen en de lidstaten kunnen en mogen niet voorbijgaan aan personen die zichzelf ter beschikking stellen voor vrijwilligerswerk in het belang van de samenleving. Hun directe en indirecte inzet voor vrijwilligersorganisaties dient de nodige aandacht te krijgen. Verder zijn er naast jongeren, sport en de sociale sector nog tal van andere terreinen waarop vrijwilligerswerk wordt verricht, en deze verdienen bijzondere aandacht.

3.   Algemene opmerkingen van het EESC over de Commissiemededeling

3.1   Het EESC is ingenomen met de Mededeling van de Commissie over EU-beleid en vrijwilligerswerk. Het Comité kan zich vinden in de voorgestelde definities en doelstellingen.

3.2   Daarentegen toont het EESC zich bezorgd over de enigszins overhaaste publicatie van het document en het feit dat er onvoldoende openbare raadpleging heeft plaatsgevonden en de effecten van tevoren onvoldoende zijn ingeschat. Een aantal voorstellen van de kant van maatschappelijke organisaties zijn niet meegenomen, met name de voorstellen die later in de P.A.V.E zijn geformuleerd.

3.3   De Commissie somt terecht een aantal obstakels voor vrijwilligersactiviteiten op en concludeert dat „de lidstaten in 2006 enige vooruitgang hebben geboekt ten aanzien van deze punten toen zij zich ertoe verplichtten samen te werken bij het wegnemen van obstakels (…) Maar er is nog veel te doen.” De Mededeling had blijk mogen geven van veel meer ambitie als het gaat om het formuleren van concrete voorstellen voor ontwikkeling op dit gebied.

3.4   Erkend zal moeten worden dat het de taak van de Commissie is om als katalysator te werken op de ontwikkeling van vrijwilligersbeleid, ook al moet zou de aandacht daarbij vooral uitgaan naar kwesties op het gebied van grensoverschrijdend vrijwilligerswerk en de mobiliteit van vrijwilligers binnen de EU. Hoewel de verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen van regelgevingskaders, richtlijnen voor goede praktijken en strategieën bij de lidstaten ligt, zou de Commissie een rol moeten spelen bij het verzamelen van gegevens, het uitbreiden van de open coördinatiemethode (om te waarborgen dat vrijwilligerswerk wordt opgenomen in de nationale hervormingsprogramma's), en het verzekeren dat de financieringsinstrumenten van de EU ook worden toegepast op vrijwilligerswerk.

3.5   Het EESC is ingenomen met het feit dat „de Commissie eventueel voorstellen zal doen die specifiek gericht zijn op vrijwilligerswerk in het kader van de werkgelegenheidsstrategie van de EU en de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, en in de context van het initiatief „Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen” van de Commissie.” Men dient er echter voor te waken dat vrijwilligerswerk wordt misbruikt voor politieke doeleinden. De fundamentele uitgangspunten van vrijwilligerswerk dienen te worden eerbiedigd en gevrijwaard.

4.   Specifieke opmerkingen over de voorstellen van de Commissie

4.1   Het EESC is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de EU-burgers en de direct betrokkenen beter bekend te maken met de verschillende financieringsprogramma's waarop door vrijwilligers voor hun activiteiten een beroep kan worden gedaan. Naast de financiering van projecten moeten er meer mogelijkheden komen voor de financiering van vrijwilligersactiviteiten, bijv. door over te gaan tot het gebruik van basisfinanciering, lagere subsidies en contractpakketten. Vrijwilligerswerk als een bijdrage anders dan in geld aan cofinanciering zou moeten worden toegestaan en het liefst verplicht moeten worden gesteld.

4.2   Het voorstel dat de Commissie nu doet om het programma voor levenslang leren en het programma „Jeugd in actie” op te laten gaan in één enkel programma „Erasmus voor iedereen”, stemt het EESC tot zorg. Te vrezen valt dat hierdoor het niet-formele leren via deelname aan vrijwilligersactiviteiten op het spel wordt gezet, zowel inhoudelijk als financieel. Daarom verzoekt het EESC de Commissie om de onafhankelijkheid en een passende financiering van het huidige „Jeugd in actie”-programma te verzekeren en naast de jeugdinitiatieven en steun voor Europese structuren op het gebied van jongeren door te gaan met alle in het kader hiervan ondernomen welzijnsprojecten, waaronder het Europees Vrijwilligerswerk.

4.3   Het EESC is het eens met de Commissie dat er „in de context van het Europees jaar van de burgers (2013) moet worden voortgebouwd op initiatieven die grensoverschrijdend vrijwilligerswerk bevorderen”. Het volstaat echter niet om alleen gewag te maken van grensoverschrijdend vrijwilligerswerk: ook alle andere vormen van vrijwilligerswerk moeten hieronder vallen. De activiteiten in het kader van het Europees Jaar 2013 dienen een vervolg te krijgen in het Europees Jaar voor Actief burgerschap, wat zou bijdragen tot verwezenlijking van deze doelstelling en waardoor de aandacht van de Europese burgers zou worden getrokken.

4.4   Het EESC volgt met belangstelling de werkzaamheden van de Commissie ter voorbereiding van een voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake de validatie van niet-formeel en informeel leren, waarbij ook aandacht is voor vrijwilligersactiviteiten en het Europees vaardighedenpaspoort. Om een adequaat overzicht te bieden van alles wat via vrijwilligerswerk is geleerd, moet dit paspoort niet zomaar bestaan uit een set afzonderlijke nieuwe getuigschriften, maar dient het een omvattend document te zijn waarin alle door de betrokkene in het proces van levenslang leren opgedane ervaring, gevolgde opleidingen en verworven zachte en beroepsvaardigheden, o.a. in het kader van vrijwilligerswerk, voorzover de vrijwilliger dit tenminste zelf wil, worden opgesomd.

4.5   In 2012 zal de Commissie komen met nieuwe voorstellen voor een betere uitvoering van de EU-Jongerenstrategie en de Aanbeveling over mobiliteit van jonge vrijwilligers in de Europese Unie. Het EESC is van mening dat de open coördinatiemethode effectief kan worden uitgebreid tot de hele sector van het vrijwilligerswerk in Europa. Hierdoor zou vrijwilligerswerk structureel een prominente plaats behouden op de Europese beleidsagenda.

4.6   Het EESC is ingenomen met het voorstel om speciaal middelen uit te trekken voor sport en benadrukt dat vrijwilligersactiviteiten op dit gebied moeten worden ondersteund, met name aan de basis.

4.7   Er zal meer voorlichting moeten worden gegeven over de verschillende manieren waarop werkgevers de individuele vrijwilligersactiviteiten van werknemers zouden kunnen ondersteunen in het kader van hun commitment aan maatschappelijk verantwoord ondernemerschap. De sociale partners zouden zich moeten kunnen uitspreken over de verschillende regelingen voor vrijwilligersactiviteiten van werknemers, waarbij overigens altijd het principe van het vrijwillige karakter ervan voorop dient te staan.

4.8   Het EESC is op de hoogte van verschillende initiatieven ter bevordering van vrijwilligersactiviteiten door personeelsleden van de Europese instellingen en ambtenaren uit de lidstaten. Op grond van de positieve ervaringen die zijn opgedaan door personeelsleden van het EESC zelf zou het willen aanbevelen om speciale aandacht te schenken aan het Solidarité-voorstel (6).

4.9   Het EESC had gehoopt dat de Commisie veel meer werk zou maken van het verzoek vanuit het maatschappelijk middenveld om de visumprocedures voor vrijwilligers uit derde landen te vereenvoudigen. Richtlijn 2004/114/EG van de Raad zou moeten worden gewijzigd, waarbij er een speciale visumregeling voor vrijwilligers moet worden ingevoerd, die overeenstemt met die voor studenten.

4.10   Het EESC staat achter het idee om een Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening (EVHAC) op te richten (7), al betwijfelt het of dit korps wel echt gebaseerd zal zijn op het principe van vrijwilligheid. De proefprojecten die op dit moment nog lopen, zullen eerst goed geëvalueerd moeten worden voordat het definitieve EVHAC-voorstel wordt ingediend. Omdat de Commissie zelf waardering heeft voor de werkzaamheden van ngo's op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, stelt het EESC voor om de EU-steun voor deze in hoofdzaak op de inzet van vrijwilligers gebaseerde initiatieven verder op te voeren, zodat ze nog meer effect kunnen sorteren.

4.11   Wat de kwestie van vrijwilligerswerk in de gezondheids- en welzijnszorg betreft zou het EESC erop willen wijzen dat het niet de bedoeling is om vrijwilligers de plaats te laten innemen van bezoldigde werknemers bij het uitoefenen van hun essentiële, vaste, dagelijkse taken. Wel kunnen vrijwilligers extra waarde toevoegen aan de door professionele krachten verleende diensten.

5.   Samenvatting van de EESC-activiteiten tijdens het Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk 2011

5.1   Ter voorbereiding op het Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk en ter structurering van de activiteiten in dit verband heeft het EESC de Coördinatiegroep „Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk 2011” opgericht, onder voorzitterschap van de heer Pavel Trantina (groep III). Via een serie openbare hoorzittingen heeft het EESC ook gestreefd naar een open discussie tussen werkgevers, vakbonden en ngo's over de manier waarop betere voorwaarden voor vrijwilligerswerk op EU-niveau kunnen worden gecreëerd. De Coördinatiegroep heeft nauw samengewerkt met de Taskforce „Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk 2011”, de EYV 2011 Alliance, de binnen het Europees Parlement operenende belangengroep ter promotie van vrijwilligerswerk en een aantal andere betrokken partijen die hebben deelgenomen aan de EESC-evenementen.

5.2   In 2011 heeft de Coördinatiegroep „Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk 2011” vijf vergaderingen gehouden, waarvan vier in combinatie met openbare hoorzittingen, die elk in het teken stonden van een speciaal aan vrijwilligerswerk gerelateerd thema en bedoeld was om de dialoog tussen de verschillende aan de basis opererende actoren aan te moedigen. De organisaties waarmee op de hoorzittingen het meest intensief werd samengewerkt, waren de EYV 2011 Alliance, die een aantal sprekers leverde (uit haar gespecialiseerde werkgroepen), en de Taskforce „Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk 2011” van de Commissie.

1.

Waarde en erkenning van vrijwilligerswerk (23 maart)

2.

Kwaliteit van vrijwilligerswerk en infrastructuur voor vrijwilligersactiviteiten (23 mei)

3.

Juridisch kader voor vrijwilligerswerk (27 september)

4.

Bedrijfsvrijwilligers (9 november).

5.3   Het EESC heeft een aantal evenementen in samenwerking met anderen georganiseerd, te weten:

2e Thematische Conferentie op EU-niveau (23-24 mei), georganiseerd door de Europese Commissie, waarbij het EESC zijn gebouw ter beschikking stelde voor de discussies die vnl. betrekking hadden op bedrijfsvrijwilligers;

2e Conventie Vrijwilligerwerk en Conferentie van Belanghebbenden (7-8 September), georganiseerd door het Europees Jeugdforum in de gebouwen van het EESC en het Europees Parlement;

De coördinatievergaderingen van de EYV 2011 Alliance, die op 17 maart, 19 mei en 29 september 2011 werden gehouden in het gebouw van het EESC;

De jurering in het kader van de Europese prijs voor bedrijfsvrijwilligers (februari 2011).

5.4   Groep III van het EESC heeft op 30 september 2011 in het Presidentiële Paleis te Warschau, ter ere van het allereerste Poolse voorzitterschap van de Raad en het Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk 2011, een grote conferentie over vrijwilligerwerk georganiseerd, waarop het woord werd gevoerd door de president van Polen, de eurocommissaris voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken, de Poolse minister van Sociaal Beleid en Arbeid en andere prominente sprekers. Het overkoepelende thema van de conferentie was Een Europa van actieve burgers: het werk van vrijwilligers.

5.5   De voorzitter van het EESC en de voorzitter en leden van de Coördinatiegroep „Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk 2011” hebben het woord gevoerd op tal van gespecialiseerde bijeenkomsten, zoals:

Conferentie ter opening van het Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk 2011 te Boedapest;

2e Thematische Conferentie op EU-niveau inzake vrijwilligerswerk te Brussel;

Conferentie ter afsluiting van het Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk 2011 te Warschau.

5.6   Het EESC is momenteel bezig met de voorbereiding van een boek over Actief Burgerschap, waarin een overzicht zal worden gegeven van de vele professionele, politieke en vrijwilligersactiviteiten die door EESC-leden worden verricht.

Brussel, 28 maart 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Conclusies van de Raad van 3 oktober 2011: „De rol van vrijwilligerswerk in het sociaal beleid”.

(2)  Vgl. de oproep van de nationale coördinerende organen voor het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk 2011 in hun op 1 december 2011 opgestelde Verklaring van Warschau over het bevorderen van duurzame acties m.b.t. vrijwilligersactiviteiten en actief burgerschap: „De Europese Commissie wordt verzocht om – met inachtneming van de nationale, regionale en lokale bevoegdheden en behoeften – adequate structuren te ontwikkelen voor de uitwisseling van gegevens en samenwerking tussen alle betrokkenen en de maatschappelijke organisaties op het gebied van vrijwilligerswerk, zulks in het verlengde van het Europees Jaar van Vrijwilligerswerk ter bevordering van actief burgerschap 2011”. Er is behoefte aan een centraal contactpunt binnen de Europese Commissie.”

(3)  Sinds 2006 heeft het EESC gepleit voor een discussie over het opstellen van een Europees Handvest voor Vrijwilligerswerk, waarin de algemene basisprincipes inzake de rechten en verantwoordelijkheden van vrijwilligers en hun organisaties worden vastgelegd. En dergelijk handvest zou ook kunnen worden gebruikt als een richtsnoer voor verbetering van het juridische kader waarin vrijwilligersactiviteiten plaatsvinden.

(4)  www.eyv2011.eu.

(5)  http://www.eyv2011.eu/images/stories/pdf/EYV2011Alliance_PAVE_copyfriendly.pdf

(6)  http://www.solidariteproposal.eu/.

(7)  Overeenkomstig art. 214 VWEU.