22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/42


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van de Raad en het Europees Parlement betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020)

(COM(2011) 608 final — 2011/0269 (COD))

2012/C 143/09

Rapporteur: Martin SIECKER

Corapporteur: Jean-Pierre HABER

De Raad en het Europees Parlement hebben resp. op 24 en 25 oktober 2011 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) overeenkomstig de artikelen 175, lid 3, en 304 van het VWEU te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014 – 2020)

COM(2011) 608 final – 2011/0269 (COD).

De CCMI, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 9 februari 2012.

Het EESC heeft tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 23 februari) onderstaand advies uitgebracht, dat met 158 stemmen vóór en 10 stemmen tegen, bij 8 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een vervolg te geven aan de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (hierna: EFG), alhoewel de kans niet groot is dat alle suggesties daarin helpen om de problemen met dit fonds op te lossen. Het aantal steunaanvragen voor het EFG was en is nog steeds erg klein en het EESC beschouwt de verruiming van het toepassingsgebied ervan tot de landbouw niet als de aangewezen manier om dit euvel te verhelpen. Daarvoor in de plaats stelt het enkele aanvullende maatregelen voor om de benutting van het EFG te verbeteren, zoals de verlaging van de drempels voor steunaanvragen en de verkorting van de procedures. Immers, telkens áls een beroep op dit fonds wordt gedaan, blijkt het vrij goed te werken.

1.2

Een van de redenen waarom het EFG wordt onderbenut, is dat de procedure die vanwege het geheel eigen karakter van het EFG moet worden gevolgd, traag en bureaucratisch is. De Commissie mag geen besluit nemen zonder het Europees Parlement en de Raad daarbij te betrekken. Zodra de begrotingsautoriteit zich ermee gaat bezighouden, moeten er bepaalde zeer tijdrovende procedures worden gevolgd voor de uiteindelijke goedkeuring van álle steunaanvragen, waar aanzienlijke administratiekosten mee gemoeid zijn: geld dat beter ergens anders voor zou kunnen worden gebruikt.

1.3

Het EESC stelt voor om de drempel voor steunaanvragen te verlagen tot 200 ontslagen werknemers, in plaats van de voorgestelde 500. Ook zou het medefinancieringspercentage voor de EU moeten worden opgetrokken tot 75% om de benutting van het EFG nog verder te verbeteren. Ook is het EESC er goed over te spreken dat het begrip "werknemer" nu ook van toepassing is geworden op uitzendwerkers en werknemers die een arbeidscontract met een beperkte looptijd hebben. Het stemt ermee in dat dit begrip ook betrekking zou moeten hebben op zelfstandigen, die aanzienlijke en belangrijke actoren op de arbeidsmarkt zijn en als eersten worden getroffen door de gevolgen van globalisering en economische crises. Het is daarentegen nooit de bedoeling geweest dat het EFG zou worden ingezet voor werkgevers. Daarom vindt het EESC niet dat het EFG moet worden opengesteld voor eigenaars of managers van kleine of middelgrote ondernemingen. DG Ondernemingen van de Commissie heeft een aparte dienst die zich bezighoudt met beleid voor het mkb en daarvoor een beroep kan doen op omvangrijke steunprogramma's. Het EFG en die steunprogramma's moeten elkaar niet in de weg zitten.

1.4

Het EESC heeft twee suggesties waardoor het EFG beter kan gaan werken. Om te beginnen zou het mkb op de hoogte kunnen worden gebracht van de mogelijkheden van het EFG d.m.v. groots opgezette voorlichtingscampagnes. Verder zouden de sociale partners van meet af aan bij de procedure voor steunaanvragen bij het EFG kunnen worden betrokken. Daarenboven wil het EESC uiting geven aan zijn verbazing over het besluit van de Raad in december 2011 om de mogelijkheid om het EFG voor de bestrijding van onverwachte maatschappelijke consequenties van de economische crisis te gebruiken, voor 2012 en 2013 in te trekken, dus voor de laatste twee jaar van de huidige looptijd van het fonds. Het EESC is daar vooral verbaasd over omdat uit het overzicht van de steunaanvragen naar voren komt dat het EFG tot nu toe juist op dat gebied goed heeft gefunctioneerd. Daarom dringt het EESC er bij de Raad op aan om zich te herbezinnen op dit besluit. Ook pleit het er met klem voor dat deze dimensie ook deel gaat uitmaken van het EFG bij de continuering ervan (van 2014 tot 2020).

1.5

Het EESC stemt niet in met het voorstel om het EFG ook open te stellen voor de landbouw, maar geeft toe dat er wel iets voor deze sector moet worden gedaan als er in de toekomst handelsverdragen, zoals het Mercosur-Verdrag, in werking treden. Dit Mercosur-Verdrag zal voordelen opleveren voor de EU als geheel, maar binnen de EU zullen die voordelen vooral naar de industrie en de dienstensector gaan, terwijl de landbouw voor de kosten opdraait. De Commissie heeft verklaard te verwachten dat toekomstige handelsovereenkomsten dezelfde impact kunnen hebben. Het is dan ook niet meer dan terecht om de landbouwers voor dergelijke nadelen te compenseren. Alleen moet dit wel gebeuren door voor de landbouw te zoeken naar een op maat gesneden oplossing, bijvoorbeeld m.b.v. aan het GLB gerelateerde structuurfondsen. Het EESC zou graag zien dat het EFG ook in de toekomst gereserveerd blijft voor het doel waarvoor het is opgericht, nl. om ontslagen werknemers bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt te helpen.

1.6

Het EESC dringt erop aan dat het EFG tijdens perioden van crisis blijft functioneren. Het zou m.n. moeten kunnen worden ingezet bij verplaatsing of herplaatsing van bedrijven op het grondgebied van de de EU.

2.   Samenvatting van het Commissievoorstel

2.1

De Commissie diende in maart 2006 een voorstel in voor een EFG. Doel van dit fonds is specifieke eenmalige herintredingssteun te verlenen aan werknemers die als gevolg van een ernstige verstoring van de economie, in een bepaald gebied of in een bepaalde sector, hun baan zijn kwijtgeraakt. Bij "ernstige verstoring van de economie" moet bijvoorbeeld worden gedacht aan verplaatsing van werkgelegenheid naar het buitenland, massale toename van invoer of een geleidelijk inkrimping van het marktaandeel van de EU in een bepaalde sector. De voornaamste maatstaf om voor steun uit het EGF in aanmerking te komen, was dat meer dan 1 000 werknemers worden ontslagen in een bedrijf of groep van bedrijven in één sector of in één regio of in twee naast elkaar gelegen regio's.

2.2

Het EFG werd opgericht voor zeven jaar (van 2007 tot 2013). Onder dit fonds vallen ook maatregelen als herscholing, hulp bij bedrijfsverplaatsingen, hulp voor startende ondernemers en aanvulling van inkomens. Tussenkomst door het EFG moet door een lidstaat worden aangevraagd. De financiële bijdrage van de EU mocht in dit eerste stadium niet groter zijn dan 50% van de kosten van alle door de betrokken lidstaat voorziene maatregelen. Onder druk van de economische crisis zijn de criteria voor steun via het EFG in 2009 aangepast: het vereiste aantal ontslagen werknemers werd van 1 000 verlaagd naar 500 en het medefinancieringspercentage voor de EU werd van 50% opgetrokken tot 65%.

2.3

Vervolgens stelde de Commissie in oktober 2011 voor om een verordening van het Europees Parlement en de Raad goed te keuren waardoor het EGF met nog eens zeven jaar wordt verlengd (van 2014 tot 2020), met als tweeledig doel om aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie bij te dragen en ook landbouwers voor EFG-steun in aanmerking te laten komen. Om er zeker van te zijn dat werknemers die steun ongeacht de aard van hun arbeidscontract of arbeidsverhoudingen ontvangen, geldt het begrip "werknemer" niet alleen voor werknemers met een arbeidscontract voor onbepaalde tijd, maar ook voor werknemers die een arbeidscontract met een beperkte looptijd hebben, evenals voor uitzendwerkers, eigenaren/managers van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en zelfstandigen (waaronder landbouwers). De EU draagt voor 50 à 65% bij aan de kosten van EFG-projecten.

2.4

De Commmissie heeft voorgesteld om het EFG buiten het meerjarig financieel kader (MFK) te houden, omdat de benutting ervan afhangt van onvoorspelbare en spoedeisende omstandigheden. Uitgaven op EU-niveau moeten zijn gekoppeld aan de resultaten die ermee worden behaald. Zo geldt voor steun uit het EFG als MFK-streefcijfer dat minstens de helft van alle ontslagen werknemers die EFG-steun krijgen, binnen een jaar weer een vaste baan moet hebben gevonden. De Commissie moet in de gaten houden of de lidstaten dat streefcijfer halen. Met het oog daarop moeten de lidstaten na 15 maanden een tussentijds verslag uitbrengen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het EFG is opgericht als een soort "eerste hulp": met behulp van dit fonds moet de EU snel en soepel te hulp kunnen schieten als werknemers door de globalisering hun baan kwijtraken. Voor de hele eerste periode van zeven jaar (2007–2013) was 3,5 miljard euro uitgetrokken, waarvan in de eerste vijf jaar (2007-2011) net iets meer dan 364 miljoen euro was opgebruikt (voor die periode was 2.5 miljard euro gereserveerd). De voornaamste oorzaken voor die matige benutting van het EFG waren de tijdrovende en bureaucratische administratieve procedure die moest worden gevolgd, de hoge steundrempel (1 000 ontslagen werknemers) en het lage medefinancieringspercentage voor de EU (50%). Vanaf 2009 is meer gebruik gemaakt van het EFG, omdat de steundrempel toen is verlaagd naar 500 ontslagen werknemers en het medefinancieringspercentage voor de EU - onder bepaalde voorwaarden - werd opgetrokken tot 65%. Bovendien mag sinds dat jaar ook EFG-steun worden aangevraagd voor maatregelen om de gevolgen van de economische crisis te ondervangen (dus niet alleen meer voor die van de globalisering).

3.2

Sinds die aanpassing van de criteria voor steun uit het EFG in 2009 is het aantal aanvragen gestegen tot 29 in 2009 en 2010 (van acht in 2007 en vijf in 2008). In 2011 zijn er acht steunaanvragen goedgekeurd, terwijl achttien steunaanvragen nog in behandeling zijn. Het EFG werd vooral ingezet voor het ondervangen van de gevolgen van de crisis, méér dan voor die van de globalisering: in drie jaar zijn 53 aanvragen vanwege de crisis ingediend (vanaf het tijdstip waarop die mogelijkheid in 2009 werd geopend tot november 2011), terwijl er in vijf jaar 26 aanvragen zijn binnengekomen voor steun vanwege de globalisering. Die 53 aanvragen vanwege de crisis betroffen 48 607 werknemers tegen 28 135 werknemers in het geval van de 26 aanvragen vanwege de globalisering. In totaal zijn dus 76 742 werknemers geholpen om inzetbaar te blijven.

3.3

In de tussentijdse beoordeling van het EFG is nagegaan hoeveel ontslagen werknemers binnen een jaar een nieuwe baan hebben gevonden. Daarvoor is uitgegaan van de vijftien eindverslagen die toen beschikbaar waren voor de periode 2007-2009. Het gemiddelde percentage heringetrede werknemers was 41,8 %. Het herintredingspercentage is hoger dan 50% in 6 van de 15 eerste gevallen van medefinanciering uit het EFG: in de resterende 9 gevallen wordt dat streefpercentage niet gehaald. De verschillen in dit opzicht zijn erg groot: de bereikte percentages variëren van 78,2 % in Duitsland tot veel lagere percentages (4 à 6 %) in Portugal, Spanje en Italië. In het streven naar een vergelijkbare mate van effectiviteit van de geboden steun zou moeten worden overwogen of die steun niet voor een deel kan worden gekoppeld aan de resultaten ervan. Op de middellange termijn (12 maanden na de goedkeuring van steun uit het EFG) steeg het herintredingspercentage in de meeste gevallen (voor zover daar informatie over was) in weerwil van de gevolgen die de economische wereldcrisis heeft gehad voor de lokale economieën. Het werkgelegenheidspercentage van ontvangers van EFG-steun is in de loop der tijd in 8 gevallen gestegen en in 3 gevallen gedaald. Gemiddeld is het herintredingspercentage in die gevallen met 7 procentpunten gestegen. Er zijn dus argumenten om te stellen dat de resultaten – afgezien van het matige gebruik van het EFG – goed kunnen worden genoemd.

3.4

Nog niet besproken is de derde reden waarom het EFG maar matig wordt benut: het feit dat het EFG geen eigen budget heeft. De begrotingsautoriteit (in dit geval de Raad en het Europees Parlement) moet daarom over iedere aanvraag een apart besluit nemen (of aanvragers al dan niet voor steun in aanmerking komen). Het gekozen model, nl. een instrument buiten de structuren van de EU om, maakt op zich dus wel een snelle en flexibele reactie mogelijk, maar de administratieve procedure die zorgvuldigheidshalve moet worden gevolgd, is erg tijdrovend en bureaucratisch. Daar komt nog bij dat die procedure erg duur is: in de diverse stadia ervan moet worden vertaald in 22 talen en zijn vergaderruimtes en vergaderstukken nodig, moeten deelnemers er tijd aan besteden en moet er tijdens vergaderingen worden getolkt. Alle steunaanvragen werden goedgekeurd, wat de vraag doet rijzen of het geld dat daarvoor is uitgegeven, niet beter had kunnen worden gebruikt ten behoeve van de getroffen werknemers. Het voordeel van de huidige EFG-procedure is dat deze erg transparant is en dat het streven van de EU naar armoedebestrijding daardoor zichtbaar wordt gemaakt. Alhoewel transparantie en zichtbaarheid van het allergrootste belang zijn, moet er toch ook iets worden gedaan om de procedure te versnellen en goedkoper te maken.

3.5

Alternatieven waarvan in het Commissievoorstel en de bijbehorende documenten melding wordt gemaakt (1), zijn de integratie van het EFG in het Europees Sociaal Fonds of de handhaving van het EFG als een zelfstandig fonds, maar dan wel met een eigen budget. Aan beide opties zitten voor- en nadelen. Het grootste nadeel van integratie van het EFG in het Europees Sociaal Fonds is dat er dan een duidelijke toewijzing vanuit de EU-begroting moet plaatsvinden, in weerwil van het feit dat massale ontslagen onmogelijk kunnen worden gepland of geprogrammeerd. Ontegenzeggelijke voordelen van deze optie is dat het EFG dan samenhang gaat vertonen met het Europees Sociaal fonds en dat beide fondsen elkaar kunnen aanvullen, dat de besluitvorming wellicht minder tijd gaat kosten en dat steunaanvragen voor het EFG worden vereenvoudigd en gestroomlijnd. De derde optie (handhaving van het EFG als een zelfstandig fonds met een eigen budget) heeft een aantal nadelen, maar één voordeel, nl. dat de solidariteit in Europa zichtbaarder wordt.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1

Om te beginnen wil het EESC uiting geven aan zijn verbazing over het besluit van de Raad in december 2011 om de mogelijkheid, het EFG te gebruiken voor de bestrijding van onverwachte maatschappelijke consequenties van de economische crisis, als er "eerste hulp" nodig is, voor 2012 en 2013 in te trekken, dus voor de laatste twee jaar van de huidige looptijd van het fonds. Uit het overzicht van de steunaanvragen tot november 2011 komt heel duidelijk naar voren dat het EFG juist vrij goed heeft gewerkt voor de bestrijding van de gevolgen van de economische crisis en minder goed als het gaat om het oorspronkelijke doel ervan, nl. de aanpassing aan de gevolgen van de globalisering. Zowel in 2009 als in 2010 zijn 23 steunaanvragen voor de bestrijding van de gevolgen van de economische crisis goedgekeurd, tegen zes steunaanvragen voor aanpassing aan de globalisering. Daarom dringt het EESC er bij de Raad op aan om, zolang de crisis voortduurt, de mogelijkheid open te houden dat het EFG ook wordt ingezet voor de bestrijding van de gevolgen ervan. Het EESC is er een vurig pleitbezorger van dat het EFG bij continuering ervan uitgebreid blijft tot de gevolgen van de economische crisis, terwijl de steundrempels nog verder zouden moeten worden verlaagd.

4.2

Alhoewel het aantal steunaanvragen vanaf 2008 een stijgende lijn is gaan vertonen, wordt nog steeds maar heel weinig gebruik gemaakt van het EFG. Daarom lijkt het logisch dat de steundrempels nog meer worden verlaagd dan thans het geval is. In de tussentijdse analyse van de voorlopige resultaten van het EFG staat over de verlaging van de steundrempel van 1 000 naar 500 ontslagen werknemers dat zelfs een steundrempel van 500 onder sommige omstandigheden nog te hoog kan worden bevonden: zelfs een verlies van 200 à 300 banen kan hard aankomen voor een lokale of regionale economie. De bestaande steundrempel van 500 ontslagen werknemers zou heel goed toch nog te hoog kunnen uitvallen, gezien de huidige bedrijfsverplaatsingen en uitbestedingen. Het EESC stelt dan ook voor om de steundrempel te verlagen naar 200 ontslagen werknemers.

4.3

Het EESC heeft twee suggesties waardoor de werking van het EFG kan worden verbeterd. Kleine en middelgrote ondernemingen zijn over het algemeen te kleinschalig en beschikken over te weinig middelen om volledig op de hoogte te zijn van de actuele mogelijkheden die het EFG onder bepaalde omstandigheden biedt. Waarschijnlijk zijn veel van deze bedrijven, die met problemen worstelen waarvoor het EFG een oplossing zou kunnen bieden, niet eens bekend met het bestaan ervan, laat staan dat ze ervan profiteren. Er valt dan ook alles voor te zeggen om eigenaren en managers van kleine en middelgrote ondernemingen over de mogelijkheden van het EFG te informeren door middel van grootschalige voorlichtingscampagnes. Een andere suggestie om de werking van het EFG te verbeteren, zou kunnen zijn om de sociale partners van meet af aan bij de procedure voor steunaanvragen voor het EFG te betrekken.

4.4

Uit de analyse is min of meer duidelijk geworden dat de grote terughoudendheid van de lidstaten in de eerste looptijd van het EFG voor een deel is terug te voeren op de hoge eigen bijdrage die de lidstaten moesten betalen. Om die reden zijn de percentages gewijzigd in 2009, wat kennelijk een positief effect heeft gehad. Aangezien instrumenten om krachtdadig en actief te kunnen optreden op de arbeidsmarkt, noodzakelijk blijven in de huidige economische crisis, adviseert het EESC om het medefinancieringspercentage voor de EU op te trekken tot 75%, zodat de benutting van het EFG nog verder wordt verbeterd.

4.5

De Commissie stelt voor om het EFG in het vervolg te blijven gebruiken als crisisinstrument dat buiten het MFK wordt gehouden. Het nadeel van dit model is dat de bijbehorende procedures traag en bureaucratisch zijn. Het bureaucratische karakter van die procedures is deels te wijten aan knelpunten in Brussel en deels aan knelpunten in de lidstaten. Het EESC vraagt de Commissie met klem om een oplossing te vinden voor die knelpunten, zodat de procedure soepeler en minder tijdrovend wordt en potentiële aanvragers daarin niet langer een belemmering zien. Zo moeten aanvragen van regio's via de nationale overheid worden ingediend, wat heel veel extra tijd kost. De efficiëntie kan aanzienlijk worden vergroot door dergelijke procedures te herzien.

4.6

Het EESC stemt ermee in dat het begrip "werknemer" in de voorgestelde verordening ook van toepassing wordt op uitzendwerkers en werknemers die een arbeidscontract met een beperkte looptijd hebben, en dus niet alleen meer geldt voor werknemers met een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Wel heeft het bedenkingen bij de mogelijkheid om daaronder ook zelfstandigen te laten vallen. Het EFG is opgezet als flexibel instrument om werknemers te helpen die door de globalisering hun baan kwijtraken. Wat een zelfstandige precies is, verschilt sterk van lidstaat tot lidstaat. De invulling van dit begrip varieert van hoog opgeleide deskundigen die heel sterk staan op de arbeidsmarkt, tot economisch afhankelijke zelfstandigen van wie de positie in feite niet anders is dan die van gewone werknemers, en tot mensen die een éénpersoonsbedrijf vormen. Een hoog percentage van die zelfstandigen maakt een belangrijk deel uit van de arbeidsmarkt. Zelfstandigen behoren tot de eerste slachtoffers van zowel de globalisering als een economische crisis. Daarom stelt het EESC voor om het EFG ook op deze deelnemers aan de arbeidsmarkt van toepassing te laten zijn, zulks om werkloosheid te voorkomen en tegelijkertijd te stimuleren dat het EFG beter wordt benut.

4.7

Het EESC blijft huiverig staan tegenover opname in het EFG van eigenaars of managers van kleine of middelgrote ondernemingen, omdat deze werknemers in dienst hebben en dus als zodanig werkgevers zijn en niet in aanmerking komen voor steun uit het EFG, dat immers is opgezet voor werknemers die hun baan zijn kwijtgeraakt. Steun voor de betrokken ondernemingen kan gemakkelijk ontaarden in scheeftrekking van de concurrentie met andere kleine en middelgrote ondernemingen. Steunaanvragen bij het EFG voor deze groep zou het mkb-beleid van DG Ondernemingen, dat daarvoor gebruik kan maken van een breed scala aan onderwijs-, opleidings- en innovatie-programma's, in de weg staan. Daarom vindt het EESC dat eigenaars en managers van kleine en middelgrote ondernemingen niet in aanmerking moeten komen voor steun uit het EFG. Daarentegen vallen werknemers van dergelijke ondernemingen wel onder het EFG als zij als gevolg van de globalisering onverwachts hun baan kwijtraken en ook aan de andere voorwaarden van het EFG voldoen.

4.8

Het EESC stemt niet in met de uitbreiding van het toepassingsgebied van het EFG tot landbouwers. De Commissie motiveert haar voorstel om meer dan 80% van de EFG-middelen voor landbouwbedrijven te laten gebruiken, door te verwijzen naar de onderhandelingen over toekomstige handelsovereenkomsten. De EU heeft al uitgerekend dat verdragen zoals het Mercosur-Verdrag tussen de EU en een aantal Latijns Amerikaanse landen voordelen opleveren voor de EU als geheel, maar dat die voordelen binnen de EU vooral naar de industrie en de dienstensector gaan, terwijl de landbouw voor de nadelen opdraait. Dit geldt waarschijnlijk voor een groot aantal toekomstige verdragen.

4.9

Volgens het Commissievoorstel wordt met het EFG "eenmalige ondersteuning … geboden aan werkenden die werkloos zijn geworden als gevolg van de door de toenemende globalisering van de productie en de wereldhandelspatronen veroorzaakte ingrijpende structurele veranderingen". In de volgende paragraaf voegt de Commissie daaraan toe dat " … de Unie via het EFG ook in staat moet zijn om steun te bieden bij grootschalige gedwongen ontslagen die het gevolg zijn van een door een onverwachte crisis veroorzaakte ernstige verstoring van de lokale, regionale of nationale economie. Voorts zal het toepassingsgebied van het EFG zodanig worden uitgebreid dat tijdelijke steun aan landbouwers kan worden verleend om hun aanpassing te vergemakkelijken aan een nieuwe marktsituatie die ontstaat wanneer de Unie handelsovereenkomsten sluit die van invloed zijn op landbouwproducten".

4.10

Er zijn enkele zwaarwegende redenen waarom het EFG niet geschikt is voor uitbreiding tot de landbouw. De problemen waarmee de landbouw als gevolg van bedoelde landbouwovereenkomsten zal worden geconfronteerd, zijn van structurele aard, omdat alle toekomstige verdragen naar verwachting ditzelfde resultaat zullen hebben en het EFG slechts een tijdelijk instrument is. Bovendien wordt over verdragen als het Mercosur-Verdrag meestal jarenlang onderhandeld en kunnen dergelijke verdragen dus niet worden beschouwd als "een door een onverwachte crisis veroorzaakte ernstige verstoring van de lokale, regionale of nationale economie". Integendeel, dergelijke verdragen zijn ernstige verstoringen van de lokale, regionale of nationale economie als gevolg van een welbewust en zorgvuldig voorbereid optreden van de EU. Uiteraard moeten landbouwers compensatie krijgen voor de berokkende nadelen. Alleen moet dit wel gebeuren door voor de landbouw een op maat gesneden instrument te creëren. Het EESC dringt erop aan dat het EFG, dat opgericht is om ontslagen werknemers bij hun herintegratie in de arbeidsmarkt te ondersteunen, ook in de toekomst voor dit doel voorbehouden blijft.

Brussel, 23 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  SEC(2011) 1130, 1131 en 1133 final.