52011DC0786




1. Inleiding

"Creatief Europa", het nieuwe kaderprogramma voor de culturele en creatieve sectoren (CCS) voor het Meerjarig Financieel Kader voor 2014-2020 (Mulitiannual Financial Framework, MFF)[1], zal de huidige programma's Cultuur, MEDIA en MEDIA Mundus samenbrengen in een gemeenschappelijk kader en een geheel nieuwe financiële faciliteit creëren om de toegang tot financiering te vergemakkelijken.

Dit programma zal specifiek gericht zijn op de behoeften van culturele en creatieve sectoren die over nationale grenzen heen actief willen zijn, en sterk gekoppeld aan de bevordering van culturele en taalkundige verscheidenheid, en zal aldus een aanvulling vormen op andere programma's van de Europese Unie (EU), zoals steun van de structuurfondsen voor investeringen in de culturele en creatieve sectoren, herstel van erfgoed, culturele infrastructuur en diensten, middelen voor digitalisering van cultureel erfgoed, en de instrumenten voor uitbreiding en externe betrekkingen. De lidstaten ondersteunen talrijke culturele initiatieven, die in veel gevallen onder de regels voor staatssteun vallen.

Voor het MFF 2014-2020 stelt de Commissie een aanzienlijke verhoging van het budget voor de culturele en creatieve sectoren voor, namelijk in totaal 1,801 miljard euro (huidige prijzen), een verhoging van 37% ten opzichte van het huidige peil van de uitgaven. Deze verhoging sluit volledig aan bij de grondgedachten en prioriteiten van de "Europa 2020"-strategie en de kerninitiatieven daarvan, aangezien investeren in de culturele en creatieve sectoren rechtstreeks bijdraagt tot het doel van die strategie om slimme, duurzame en inclusieve groei te bevorderen. In 2008 hebben de culturele en creatieve sectoren naar schatting 4,5% bijgedragen tot het bbp van de EU en werk geboden aan ongeveer 3,8% van de Europese werkende bevolking[2]. Afgezien van deze rechtstreekse bijdrage aan banen en groei zorgen deze sectoren ook voor overloopeffecten naar andere terreinen zoals toerisme en inhoud voor ICT[3], en bieden voordelen voor onderwijs, sociale integratie en sociale innovatie. Zij zijn dus van bijzonder belang nu Europa een uitweg uit de huidige economische crisis zoekt. Hoewel deze sectoren in de afgelopen jaren in veel landen een hoger dan gemiddelde groei vertoond hebben, worden zij echter met bijzondere uitdagingen en problemen geconfronteerd. Opdat zij hun groeipotentieel kunnen verwezenlijken, is een coherente strategische aanpak voor het wegnemen van dergelijke beperkingen en het invoeren van de juiste instrumenten vereist; dat is de centrale doelstelling van het voorstel "Creatief Europa".

Het nieuwe programma zal een eenvoudige, gemakkelijk herkenbare en toegankelijke toegangspoort zijn voor Europeanen die werken op culturele en creatieve terreinen, ongeacht de kunstvorm of artistieke activiteit, en zal mogelijkheden bieden voor internationale activiteiten binnen en buiten de EU.

Bij de voorbereiding van het voorstel heeft de Commissie belanghebbende partijen uitgebreid geraadpleegd. Zij heeft ook gebruik gemaakt van de tussentijdse evaluaties van de huidige programma's, en van onafhankelijke onderzoeken. Bovendien houdt het voorstel ook rekening met de feedback op het Groenboek van de Commissie "Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken"[4], en met de aanbevelingen van deskundigen in de context van de open coördinatiemethode voor cultuur en de gestructureerde dialoog met de sector in de periode 2008-2010.

2. Leren van huidige programma's, inspelen op toekomstige behoeften

Om een optimaal gebruik van het nieuwe en verhoogde budget te waarborgen, bouwt het nieuwe programma voort op de talrijke positieve resultaten van de huidige programma's en biedt het oplossingen voor de verschillende nadelen die zijn vastgesteld bij de evaluaties of rechtstreeks bij het beheer van het programma. Verder omvat het voorstel een geheel nieuwe financiële faciliteit om de toegang van de culturele en creatieve sectoren tot financiering te vergemakkelijken, teneinde te voorzien in een behoefte die zowel in onafhankelijke onderzoeken als bij raadplegingen duidelijk is geconstateerd.

3. Positieve resultaten van de huidige programma's

Uit evaluaties van de huidige programma's van de Europese Unie voor de culturele en creatieve sectoren blijkt dat zij geholpen hebben de sector te versterken en de circulatie van professionals en kunstwerken te bevorderen, en daardoor een belangrijke bijdrage aan de culturele en taalkundige diversiteit geleverd hebben.

In het geval van het Programma Cultuur , met een bescheiden budget van gemiddeld 57 miljoen euro per jaar – vergelijkbaar met het jaarlijkse budget van veel nationale opera's/operagezelschappen[5] – zijn de bestedingen van de EU zeer kosteneffectief. Het helpt duizenden kunstenaars en culturele professionals – ieder jaar ongeveer 20 000 – internationale carrières op te bouwen door hun vaardigheden en knowhow te verbeteren door informele "peer learning", en door het creëren van nieuwe professionele trajecten.

Het heeft duizenden culturele organisaties – meer dan 1 000 per jaar – de mogelijkheid geboden over grenzen heen samen te werken en te leren van goede praktijken door partnerschappen met actoren in andere landen. Het heeft actoren in staat gesteld gezamenlijke producties te realiseren, te networken en nieuwe professionele mogelijkheden te ontdekken, en hun werk en perspectief een meer internationaal karakter te verlenen. Dit heeft een positief en structurerend effect gehad op de sector en het vermogen daarvan zich op grotere markten te richten. Het heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van sectoren en kunstvormen, de creatie van nieuwe werken en uitvoeringen, en heeft toegang en deelname, onderzoek en onderwijs op dit terrein bevorderd, alsmede informatie, advies en praktische steun.

Duizenden werken hebben kunnen circuleren, met inbegrip van ongeveer 500 vertaalde literaire werken ieder jaar. Ondersteuning door het programma wordt beschouwd als een kwaliteitslabel voor culturele projecten. Door de activiteiten van de projecten werden vele miljoenen burgers direct en indirect bereikt en hebben zij van culturele werken uit andere landen kunnen genieten. Het programma heeft ook bijgedragen tot de ontwikkeling van een betere basis voor beleid, door onderzoeken waarmee ook rekening is gehouden bij de werkzaamheden in het kader van de OCM. Aangezien de projecten medegefinancierd worden, meestal voor een maximumpercentage van 50%, heeft het programma een aanzienlijk bedrag aan aanvullende publieke en particuliere investeringen losgekregen.

De Europese Culturele hoofdsteden, die een EU-titel en financiering van het programma ontvangen (1,5 miljoen euro per Culturele hoofdstad), hebben in sommige gevallen een hefboomeffect van acht maal dat bedrag op de gegenereerde inkomsten gehad, hebben tussen 15 en 100 miljoen euro aan investeringen in hun operationele programma's gegenereerd, en hebben als katalysator voor aanvullende kapitaalinvesteringen gediend. Deze evenementen hebben miljoenen mensen bereikt, honderden vrijwilligers gemobiliseerd, en de betrokken steden voordelen op lange termijn opgeleverd in termen van verhoogde vaardigheden, culturele capaciteit en dynamiek, infrastructuur en image.

Het MEDIA-programma , met een relatief gering jaarlijks budget van ongeveer 100 miljoen euro, in een markt die duizend maal zo groot is, heeft significante resultaten opgeleverd dankzij gerichte acties om de kosten-batenverhouding en de hefboomwerking van het programma te optimaliseren. De acties waren met name gericht op activiteiten met een positief effect op het concurrentievermogen van de EU en op behoeften waarin op nationaal niveau niet wordt voorzien, zoals transnationale distributie. Het was in ieder geval mede aan MEDIA-steun te danken dat het aandeel Europese films onder alle in Europese bioscopen vertoonde premières gestegen is van 36% in 1989 tot 54% in 2009. Het netwerk Europa Cinema, dat meer dan 2 000 bioscoopschermen in hoofdzakelijk onafhankelijke bioscopen in 32 landen omvat, die 20% van alle "premièreschermen" in Europa vertegenwoordigen, biedt een ruim en divers aanbod van films, en bevordert daarmee de culturele diversiteit in 475 steden. Deze kwaliteitsprogrammering heeft 59 miljoen bezoekers aangetrokken (tegen 30 miljoen in 2000), ofwel 5,6% van alle bioscoopbezoekers in Europa (2,8% in 2000). Het aandeel van de inkomsten uit vertoning van niet-nationale Europese films in het netwerk bedraagt 36%, tegen een Europees gemiddelde van 7-8%. Europese films vertegenwoordigen 57% van het bioscoopbezoek van Europa Cinema, tegen een Europees gemiddelde van 27,7%.

MEDIA versterkt het concurrentievermogen van de sector door steun voor capaciteitsopbouw, bijvoorbeeld door opleidingen en ontwikkeling, waardoor de sector professioneler wordt en de kwaliteit van werken verbetert. Elk jaar volgen ongeveer 1 800 professionals (producenten, distributeurs, scriptwriters) opleidingen, waardoor zij relevante kwalificaties en vaardigheden kunnen verwerven en kunnen profiteren van mogelijkheden voor grensoverschrijdende netwerkactiviteiten. Door steun voor ontwikkeling kunnen ieder jaar 400 Europese projecten van hoge kwaliteit op de markt gebracht worden. Steun voor een portefeuille van projecten ("slate funding"), als tegengesteld tot steun voor slechts één specifiek project, biedt financiële zekerheid en een langeretermijnperspectief voor productiemaatschappijen (vaak kleine ondergekapitaliseerde KMO's), wat een belangrijk structurerend effect heeft op de bedrijfstak.

Steun aan onafhankelijke producenten voor het produceren van specifieke genres van audiovisuele werken zoals documentaires en animatiefilms voor internationale TV-distributie is van vitaal belang gebleken, gezien de specifieke behoeften die bij deze genres zijn geconstateerd. Netwerkactiviteiten zoals coproductieforums en internationale marketing- en opleidingsinitiatieven hebben geleid tot een significante toename van transnationale coproducties (van 26% van de Europese films in 1989 tot 34% in 2009). Deze films hebben een circulatiepotentieel dat 2,3 maal hoger is dan dat van nationale films[6]. Netwerken als EAVE, ACE en Cartoon, die met steun van MEDIA tot stand zijn gebracht, vormen nu de ruggengraat van de Europese filmsector.

Het MEDIA-productiegarantiefonds, dat in 2010 is opgericht, vergemakkelijkt de toegang tot particuliere financieringsbronnen voor filmproducenten, via een garantiemechanisme dat banken aanmoedigt om kredieten te verlenen doordat het een deel van het risico voor zijn rekening neemt. Het garantiemechanisme heeft een budget van in totaal 8 miljoen euro voor een duur van vier jaar en zal naar verwachting door zijn hefboomeffect bankkredieten van meer dan 100 miljoen euro mogelijk maken. Het fonds neemt sinds mei 2011 aanvragen in behandeling, en is positief ontvangen door de filmindustrie en de banken, zodat meer dan een dozijn garanties voor een totale waarde van ongeveer 15 miljoen euro afgegeven konden worden, in tien verschillende lidstaten.

Hoewel de programma's Cultuur en MEDIA al veel bereikt hebben, moet er nog meer gedaan worden om het volledige potentieel van deze sectoren te ontsluiten, die met vergelijkbare problemen geconfronteerd worden, namelijk een gefragmenteerde markt, de uitdagingen van de globalisering en de digitale verschuiving, een gebrek aan vergelijkbare gegevens, en te weinig particuliere financiering.

4. Voor de toekomst geleerde lessen

Bij het ontwikkelen van de architectuur van het nieuwe programma is rekening gehouden met de ervaringen die met de voorafgaande programma's zijn opgedaan.

Programma Cultuur (2007-2013):

Op basis van de verworven ervaring zullen de voorgestelde doelstellingen voor het toekomstige kaderprogramma aangepast worden aan de werkelijke behoeften van projectpromotoren, met inbegrip van culturele en creatieve KMO's. Deze doelstellingen zullen ook de werkgelegenheid in en het groeipotentieel van deze sectoren bevorderen, en direct gekoppeld blijven aan de bevordering van culturele en taalkundige diversiteit. Ook ten aanzien van de verschillende acties in het kader van het programma zullen talrijke verbeteringen en vereenvoudigingen worden ingevoerd. Het grote aantal oproepen en categorieën, dat de complexiteit verhoogt en afbreuk doet aan de transparantie, zal van 9 tot 4 worden gereduceerd. Acties die onvoldoende kritische massa hebben, een langetermijnperspectief ontberen, of door de opzet waarvan het beschikbare bedrag is overvraagd, zullen worden stopgezet. De nieuwe maatregelen zullen in principe open staan voor actoren waarop de stopgezette onderdelen nu gericht zijn, voor zover zij aan de betreffende voorwaarden en criteria voldoen. Een andere vereenvoudiging zal de afschaffing van de subsidies voor huishoudelijke uitgaven zijn; deze zijn onvoldoende resultaatgericht gebleken en te ingewikkeld voor aanvragers en begunstigden. Voor alle toekomstige acties zullen projectsubsidies gebruikt worden, die eenvoudiger zijn en een langetermijnbenadering stimuleren. Wat de internationale dimensie betreft, zal de jaarlijkse oproep met een wisselende focus op bepaalde landen vervangen worden door een bredere openstelling van het programma voor toetredende, kandidaat- en potentiële kandidaatlanden, landen die onder het Europese nabuurschapsbeleid vallen en landen van de Europese Economische Ruimte (EER), en het programma zal open blijven staan voor bilaterale of multilaterale samenwerkingsacties die gericht zijn op geselecteerde landen of regio's, op basis van aanvullende kredieten.

Het programma MEDIA 2007 (2007-2013) en het programma MEDIA Mundus (2011-2013)

De ingrijpende veranderingen van het audiovisuele landschap (met name digitalisering en globalisering) maken een zorgvuldige analyse van de bestaande ondersteuningsmechanismen noodzakelijk, om te waarborgen dat die aan de omstandigheden worden aangepast (en verder ontwikkeld kunnen worden). Zowel op strategisch als op operationeel niveau is een aantal mogelijkheden voor vereenvoudiging geïdentificeerd. Dat zijn onder andere: meer aandacht voor structurerende acties met een maximaal systemisch effect; het creëren van een financiële faciliteit om rechtstreekse subsidies geleidelijk te vervangen waar dat mogelijk is; verhoging van het hefboomeffect van EU-fondsen; stroomlijnen van de internationale dimensie die voorheen onder het aparte programma MEDIA Mundus viel, binnen dezelfde rechtsgrondslag; een sectoroverschrijdende waardeketenbenadering die een aantal filmprojecten met een hoog commercieel en circulatiepotentieel ("kampioenen") ondersteunt door de gehele waardeketen heen, van opleiding tot distributie; transversale projecten die meerdere segmenten en actoren van de waardeketen bestrijken; en steun voor verkoopagenten met een globale aanpak die een grote markt kunnen bereiken.

Wat het regionale aspect van MEDIA betreft, dient de toegang vereenvoudigd te worden en de mogelijkheid te bieden deel te nemen aan "de grote Europese audiovisuele ruimte", d.w.z. de toetredende, kandidaat- en potentiële kandidaatlanden, landen die onder het Europese nabuurschapsbeleid vallen en landen van de EER. Bepaalde projecten zullen openstaan voor deelnemers uit derde landen. Deze landen zouden dan een bijdrage voor deelname betalen in verhouding tot de omvang van hun audiovisuele sectoren, naar het voorbeeld van Zwitserland en Kroatië, die zich onlangs hebben aangesloten bij MEDIA 2007.

Een nieuwe financiële faciliteit

Een dringend probleem waarmee de creatieve en culturele sectoren te maken hebben, en waarvoor subsidies geen oplossing bieden, is de moeite die kleine culturele en creatieve ondernemingen hebben om toegang te krijgen tot financiering.

Dit is voor KMO's in het algemeen een probleem, maar de culturele en creatieve sectoren hebben het om vijf redenen bijzonder moeilijk. In de eerste plaats is dat de immateriële aard van veel van hun activa, zoals auteursrechten, die meestal niet in de boekhouding zijn opgenomen (in tegenstelling tot octrooien). In de tweede plaats worden de producten van de CCS, in tegenstelling tot industriële producten, meestal niet in grote aantallen geproduceerd. Boeken, opera's, toneelstukken, films en videogames zijn eigenlijk allemaal unieke prototypes, en ondernemingen in deze sectoren werken over het algemeen op projectbasis, terwijl investeringen vaak pas op langere termijn rentabel kunnen worden. In de derde plaats is de bereidheid in deze sector te investeren bijzonder gering, aangezien culturele en creatieve ondernemers vaak niet weten hoe zij hun projecten aan financiële instellingen moeten verkopen. In de vierde plaats zijn de investeerders van hun kant vaak ook niet voorbereid; financiële instellingen zijn vaak slecht op de hoogte van deze sectoren, begrijpen vaak de risicoprofielen niet, en zijn ook weinig bereid om de vereiste deskundigheid op te bouwen. Tenslotte is er vaak een gebrek aan betrouwbare gegevens, waardoor de mogelijkheid van KMO's in de sector om kredieten te verkrijgen beperkt wordt, aangezien financiële instellingen bij de beoordeling van aanvragen om leningen vaak afgaan op statistische gegevens.

Kleine ondergekapitaliseerde ondernemingen hebben daarom grote moeite hun activiteiten te financieren, te groeien en hun concurrentievermogen te handhaven. Naar schatting bestaat er in termen van bankleningen een financieringstekort van tussen 2,8 en 4,8 miljard euro voor deze KMO's. Het probleem is in bepaalde lidstaten nijpender dan in andere: deskundigheid terzake bij de financiële instellingen is in slechts een beperkt aantal landen te vinden.

Het programma zal derhalve een geheel nieuwe financiële faciliteit voor de culturele en creatieve sectoren opzetten. Deze faciliteit zal complementair zijn met andere EU-faciliteiten in het kader van de structuurfondsen of het programma voor concurrentievermogen en innovatie, dat een transversale benadering volgt en slechts een zeer beperkt effect heeft op zich ontwikkelende activiteiten in sectoren waar intermediairs (financiële instellingen) weinig actief zijn, zoals de culturele en creatieve sectoren. Deze faciliteit zal een sterke Europese toegevoegde waarde opleveren en waardevolle vormen van networking en "peer learning" mogelijk maken. De faciliteit zal een systemisch effect proberen te verwezenlijken door het aantal financiële instellingen met deskundigheid inzake de culturele en creatieve sectoren te verhogen en de geografische spreiding daarvan te verbeteren, en zal helpen aanzienlijke particuliere investeringen te stimuleren. De faciliteit zal ook streven naar gedragsverandering in bepaalde delen van de sector, door een mentaliteitsverschuiving in de richting van leningen in plaats van subsidies aan te moedigen, zodat hun concurrentievermogen versterkt wordt en zij minder afhankelijk worden van financiering uit publieke middelen.

5. Centrale acties en prioriteiten van het programma

Eén enkel kaderprogramma zal de meest coherente en kosteneffectieve oplossing zijn voor het ondersteunen van de culturele en creatieve sectoren en om hun belangrijke bijdrage op EU-niveau te helpen promoten. Het biedt de beste basis om de aandacht te vestigen op de uitdagingen waarmee deze sectoren momenteel geconfronteerd worden en om EU-steun te concentreren op maatregelen die een Europese toegevoegde waarde bieden, door de sectoren te helpen hun potentieel voor economische groei, nieuwe werkgelegenheid en sociale integratie optimaal te benutten. Er zullen aanzienlijke voordelen zijn in termen van het gemakkelijker delen van kennis en het uitwisselen van ideeën over gemeenschappelijke problemen. Vanuit managementperspectief gezien zal één enkel kaderprogramma voordelen opleveren in termen van stroomlijning, vereenvoudiging en kosteneffectiviteit, dankzij de samenvoeging van informatiepunten en comités en een kleiner aantal werkprogramma's.

6. Architectuur van het programma Creatief Europa

Bij het ontwerp van het programma is rekening gehouden met de complexiteit en heterogeniteit van de culturele en creatieve sectoren, die zowel door overheden gefinancierde organisaties en organisaties zonder winstoogmerk als commerciële ondernemingen omvatten. Bovendien hebben de verschillende subsectoren zeer uiteenlopende waardeketens. Zo zijn bijvoorbeeld in de meeste culturele subsectoren de waardeketens meer geïntegreerd dan in de audiovisuele industrie (met als voornaamste uitzonderingen uitgeverijen en boekhandels en de productie, distributie en detailverkoop van popmuziek), aangezien ontwikkeling, productie, distributie en verkoop van een werk en contacten met de klanten / het publiek normaliter alle onder verantwoordelijkheid van de producent van het werk vallen. Dat betekent dat algemene oproepen tot het indienen van voorstellen en algemene acties voor het hele programma niet aangepast zouden zijn aan de behoeften van de verschillende actoren en onvoldoende duidelijk zouden zijn, en in sommige gevallen zelfs tot verwarring zouden leiden.

Daarom is gekozen voor een kaderprogramma bestaande uit drie onderdelen:

- een sectoroverschrijdend onderdeel, gericht op alle culturele en creatieve sectoren;

- een onderdeel Cultuur, gericht op de culturele en creatieve sectoren;

- een onderdeel MEDIA, gericht op de audiovisuele sector.

De indicatieve verdeling van het budget is 15% voor het sectoroverschrijdende onderdeel, 30% voor het onderdeel Cultuur en 55% voor het onderdeel MEDIA.

De onderdelen Cultuur en MEDIA zullen de opvolgers zijn van de bestaande programma's Cultuur en MEDIA/MEDIA Mundus. Het nieuwe sectoroverschrijdende onderdeel zal uit twee delen bestaan. Het eerste zal een financiële faciliteit omvatten om de toegang van culturele en creatieve KMO's tot financiering te vergemakkelijken door kredietrisicobescherming te bieden voor financiële intermediairs die portefeuilles van leningen opbouwen; het zal hen ook de noodzakelijke capaciteit/deskundigheid helpen verwerven om de risico's correct te kunnen analyseren. Het tweede deel van dit onderdeel zal maatregelen omvatten ter ondersteuning van: transnationale beleidssamenwerking en uitwisseling van ervaringen tussen beleidsmakers en actoren; nieuwe benaderingen van publieksopbouw en nieuwe bedrijfsmodellen; culturele en mediageletterdheid; en verzameling van gegevens, met inbegrip van lidmaatschap van het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector. Er zal ook financiering worden geboden voor het netwerk van "Creatief Europa"-desks (de vroegere culturele contactpunten en MEDIA-desks). De huidige programma's Cultuur en MEDIA voorzien grotendeels al in de maatregelen in het kader van dit tweede deel, maar gezien de sectoroverschrijdende aspecten biedt een gezamenlijke, transversale aanpak voordelen, zowel in termen van de overdracht van kennis als in termen van administratieve efficiëntie.

7. Verwacht effect van het programma

Het nagestreefde effect van het programma is versterking van het aanpassingsvermogen van de culturele en creatieve sectoren aan de globalisering en de digitale omwenteling. Een verhoogde aandacht voor transnationale circulatie van werken zou moeten leiden tot meer circulatie, meer handel binnen de interne markt, meer internationale handel en meer inkomsten voor de sector. Voor het onderdeel Cultuur zal dit meer nadruk op capaciteitsopbouw en transnationale circulatie betekenen, met inbegrip van internationale tournees, nieuwe Europese platforms met een grootschalig structurerend effect, en meer strategische steunpakketten voor literaire vertalingen voor uitgeverijen, inclusief steun voor promotie.

Het onderdeel MEDIA zal meer middelen ter beschikking stellen voor distributie, met inbegrip van meer en meer doelgerichte financiering voor verkoopagenten, om de opkomst van sterkere verkoopagenten met meer koop- en verkoopkracht op de internationale markt mogelijk te maken. Versterking van de steun voor in Europa gebaseerde internationale coproductiefondsen zal coproducties van Europese en niet-Europese producenten stimuleren, het aantal werken en de kwaliteit ervan verhogen, en daardoor bijdragen tot verdere openstelling van de internationale markten. Onafhankelijke ontwikkelaars van videogames zullen door vergemakkelijking van de toegang tot financiering kunnen profiteren van nieuwe groeimarkten. Het resultaat zou zijn dat het concurrentievermogen van KMO's versterkt wordt, de inkomsten stijgen, het marktaandeel toeneemt en een breder publiek bereikt wordt.

Behalve het vergroten van het mondiale concurrentievermogen van de Europese culturele en creatieve sectoren en de schaal daarvan zullen de onderdelen Cultuur en MEDIA het aanbod van inhouden voor de consumenten verbeteren, met positieve effecten op de culturele verscheidenheid en de Europese culturele identiteit. Nieuwe rechtstreekse en doelgerichte steun voor maatregelen inzake publieksopbouw zal het mogelijk maken nieuw publiek te bereiken en de vraag van de consumenten te stimuleren, hoewel de omvang van dit effect onzeker is en een langetermijnaanpak noodzakelijk zal zijn. Als daarbij uitgesloten sociale groepen bereikt kunnen worden, zal dit ook een positief effect hebben op de sociale samenhang. De effecten van een toegenomen vraag zouden door de waardeketen heen voelbaar zijn en zouden de circulatie van werken en nieuwe inkomstenstromen stimuleren, en het concurrentievermogen van de sectoren verbeteren.

De nieuwe financiële faciliteit zal de toegang van de culturele en creatieve sectoren tot financiering verbeteren, en zal bijdragen tot verbetering van het investeringsklimaat in deze sectoren, zodat zij beter in staat zullen zijn particuliere financiering aan te trekken en hun financiële capaciteit, het commerciële potentieel van hun werken en hun concurrentievermogen te versterken, waardoor nieuwe mogelijkheden voor groei en werkgelegenheid zullen ontstaan. De faciliteit zal in bepaalde gevallen KMO's ook minder afhankelijk maken van overheidssubsidies, en in andere gevallen nieuwe inkomstenbronnen helpen aanboren.

De steun voor transnationale beleidssamenwerking zal de beschikbaarheid van vergelijkbare gegevens helpen verhogen, waardoor effectievere en op objectieve gegevens gebaseerde beleidsontwikkeling vergemakkelijkt zal worden. Dit kan de nationale beleidscontext voor de culturele en creatieve sectoren verbeteren en bijdragen tot systemische verandering. De mogelijkheid ervaringen en kennis betreffende nieuwe bedrijfsmodellen te testen en te delen zal de sectoren helpen zich aan te passen aan de digitale omwenteling, wat nieuwe mogelijkheden voor werkgelegenheid en groei zal opleveren.

8. Europese toegevoegde waarde

Het optreden van de EU zal gericht zijn op het bereiken van systemische effecten en het ondersteunen van beleidsontwikkeling. De Europese toegevoegde waarde zal in dit opzicht bestaan uit:

- het transnationale karakter van de uit te voeren activiteiten en de impact daarvan, die een aanvulling zullen vormen op nationale, internationale en andere Europese programma's;

- de schaalvoordelen en de kritische massa die EU-steun kan opleveren, waardoor een hefboomeffect wordt gecreëerd dat extra middelen kan genereren;

- transnationale samenwerking, die bevorderlijk kan zijn voor een meer omvattende, snellere en effectievere reactie op mondiale uitdagingen en systemische effecten op de lange termijn in de sector kan bewerkstelligen;

- het waarborgen van meer gelijke concurrentievoorwaarden in de Europese culturele en creatieve sectoren door rekening te houden met landen met een lagere productiecapaciteit en/of landen of regio's met een beperkt geografisch en taalgebied.

- Centrale aspecten van de uitvoering van het programma

- Wijze van beheer

De grote meerderheid van de subsidies op grond van de onderdelen Cultuur en MEDIA zullen verder beheerd worden door het Uitvoerend Agentschap voor onderwijs, audiovisuele middelen en cultuur (EACEA), op basis van oproepen tot het indienen van voorstellen. Zoals door verschillende evaluaties bevestigd is, is dit voor grensoverschrijdende projecten de meest kosteneffectieve beheersmethode gebleken. Een netwerk van informatiepunten (de huidige culture contactpunten en MEDIA-desks) zullen informatie en advies blijven verstrekken over het indienen van aanvragen in het kader van het programma. Zij zullen geen middelen ter beschikking stellen.

Bepaalde aspecten van het programma zullen rechtstreeks door de Commissie beheerd worden, met name de speciale acties, waaronder prijzen, samenwerking met internationale instellingen met inbegrip van fondsen voor audiovisuele coproducties, en de financiering voor de Europese Culturele hoofdsteden en het Europees Erfgoedlabel.

Het beheer van de financiële faciliteit voor de culturele en creatieve sector zal worden opgedragen aan een derde partij (financiële instelling), waarschijnlijk het Europese Investeringsfonds (EIF), gezien de aard van de deskundigheid die voor het beheer van een dergelijke faciliteit vereist is.

9. Verdeling van het budget

Het comité voor het programma zal meewerken aan de voorbereiding van het jaarlijkse werkprogramma. Overeenkomstig de huidige praktijk zullen na raadpleging van het comité meer gedetailleerde oproepen tot het indienen van voorstellen worden gepubliceerd, waarin de exacte criteria, de te bereiken resultaten, de doelgroepen en de geplande budgetten gespecificeerd zullen worden.

10. Vereenvoudiging

Er is al een aanzienlijk aantal vereenvoudigingen doorgevoerd bij het beheer van de huidige programma's Cultuur en MEDIA. Bij Creatief Europa zullen verdere verbeteringen worden aangebracht.

Zoals hierboven aangegeven zal het aantal door het EACEA in het kader van het onderdeel Cultuur beheerde oproepen tot het indienen van voorstellen teruggebracht worden van 9 tot 4. Er zal in het algemeen meer gebruik worden gemaakt van vaste percentages, subsidiebesluiten en kaderpartnerschapsovereenkomsten, elektronische toepassingen en verslaglegging voor alle acties, en een elektronisch portaal om de papieren administratie voor aanvragers en begunstigden te reduceren.

Een andere significante vereenvoudigingsmaatregel zal de samenvoeging van de twee informatienetwerken zijn, teneinde schaalvoordelen te realiseren, het publiek meer duidelijkheid te bieden door één enkel toegangspunt, en de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren.

De oprichting van één enkel programmacomité zou eveneens bijdragen tot kosteneffectiever en slanker management van het programma, niet alleen door besparing op de kosten van uitvoering, maar ook door meer doelmatigheid als gevolg van sterkere synergieën tussen relevante beleidsmaatregelen en sectoren.

De financiële faciliteit zal leiden tot een beter gebruik van EU-middelen door het financiële hefboomeffect en het hergebruik van rotatiefondsen, die de Commissie meer efficiëntie zullen bieden dan traditionele subsidies aan begunstigden.

***

Bij de voorbereiding van het voorstel voor het nieuwe programma heeft de Commissie de betrokken partijen uitgebreid geraadpleegd. Zij zal overleg blijven voeren met deze stakeholders, en vooral ook met de lidstaten en het Europees Parlement, opdat deze nieuwe visie en strategie voor de culturele en creatieve sectoren in Europa concreet gestalte kunnen krijgen.

[1] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over "Een begroting voor Europa 2020", COM(2011) 500 definitief van 29.6.2011.

[2] "Building a Digital Economy: The importance of saving jobs in the EU's creative industries", TERA Consultants, maart 2010.

[3] Aanbeveling van de Commissie betreffende de digitalisering en online-toegankelijkheid van cultureel materiaal en digitale preservatie, C(2011) 7579 definitief van 27.10.2011.

[4] Groenboek "Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken", COM(2010) 183; Werkdocument van de diensten van de Commissie: Analyse van de raadpleging in vervolg op het Groenboek "Het potentieel van culturele en creatieve industrieën vrijmaken", SEC(2011) 399 definitief van 24.3.2011

[5] Om dit verder in het juiste perspectief te plaatsen: dit bedrag van 57 miljoen euro ligt ook ver onder de nationale overheidsfinanciering van kunst en cultuur in het VK, Frankrijk en Duitsland (respectievelijk 590 miljoen pond, 7,5 miljard euro en 8,5 miljard euro).

[6] Bron: Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector, 2008.