3.5.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/82


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een Verordening (EU) nr. …/… van het Europees Parlement en de Raad houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee

(COM(2010) 767 definitief — 2010/0370 (COD))

2011/C 132/15

Afdelingsrapporteur: de heer POLYZOGOPOULOS

Het Europees Parlement en de Raad hebben resp. op 18 en 20 januari 2011 besloten om, overeenkomstig art. 43 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening (EU) nr. …/… van het Europees Parlement en de Raad houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee

COM(2010) 767 definitief — 2010/0370 (COD).

De afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 28 februari 2011.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 470e zitting van 15 en 16 maart 2011 (vergadering van 15 maart) het volgende advies met 174 stemmen vóór en 6 stemmen tegen, bij 17 onthoudingen, goedgekeurd:

Conclusies en aanbevelingen

1.   Conclusies

Het Comité is ingenomen met dit voorstel voor een herschikking van Verordening (EG) nr. 1405/2006, en wel om de volgende redenen.

1.1

De vorige verordening werd al herhaaldelijk gewijzigd, hetzij naar aanleiding van de ontwikkeling van de Europese regelgeving, hetzij om de bepalingen aan te passen aan het Verdrag van Lissabon. Vandaar dat nu een nieuwe opzet van de tekst noodzakelijk is, zodat de centrale rol van het steunprogramma beter naar voren komt en de nadruk wordt gelegd op de volgende punten:

a)

de specifieke voorzieningsregeling; en

b)

de specifieke maatregelen ten behoeve van de lokale productie.

1.2

In de nieuwe tekst wordt duidelijk vermeld welke elementen zeker niet mogen ontbreken in een specifieke regeling voor de landbouwproducten van de kleinere eilanden van de Egeïsche Zee, zodat efficiënt het hoofd kan worden geboden aan de problemen die een gevolg zijn van hun geïsoleerde en afgelegen ligging, hun insulaire karakter, hun geringe oppervlakte en bergachtige reliëf, hun klimaat en hun economische afhankelijkheid van een klein aantal producten.

1.3

In artikel 2 wordt de aandacht gevestigd op de maatregelen die gericht zijn op de veiligstelling van de bevoorrading van de kleinere eilanden met producten die van essentieel belang zijn voor de menselijke consumptie, voor de verwerking of als productiemiddel in de landbouw, en waarmee de door de afgelegen ligging, het insulaire karakter en de geringe oppervlakte veroorzaakte extra kosten worden verlicht, alsook op de instandhouding en ontwikkeling van de landbouwactiviteit op de kleinere eilanden, met inbegrip van de productie, verwerking en afzet van lokale producten.

1.4

Griekenland moet de regeling voor de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee eenvormig toepassen ten opzichte van andere, vergelijkbare regelingen, zodat concurrentieverstoring of discriminatie tussen de marktdeelnemers wordt voorkomen.

1.5

Met het oog op een goed beheer van de begrotingsmiddelen moet Griekenland in zijn programma de lijst opnemen van de steunbedragen die in feite rechtstreekse betalingen voor lokale producten zijn; daarbij moet worden vermeld hoe deze bedragen worden bepaald.

1.6

Het maximumbedrag voor de financiering van de specifieke voorzieningsregeling wordt met 20 % verhoogd.

1.7

De Commissie krijgt een aantal uitvoeringsbevoegdheden, met name wat betreft de eenvormige voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van de certificatenregeling en de verbintenissen van de marktdeelnemers in het kader van de specifieke voorzieningsregeling, alsook de uitwerking van het algemene kader voor de door Griekenland te verrichten controles.

1.8

De Commissie (art. 11, lid 2) kan bij gedelegeerde handeling de voorwaarden vaststellen voor inschrijving van de marktdeelnemers in het certificatenregister en kan verplichten tot het stellen van een zekerheid voor de afgifte van de certificaten; ook kan zij maatregelen vaststellen betreffende de procedure voor de goedkeuring van wijzigingen van de programma’s.

Motivering

2.   Inleiding

2.1   Met de in de maatregelen vastgelegde doelstellingen en de beginselen inzake programmering, verenigbaarheid en samenhang met de andere beleidslijnen van de Unie, worden conform Verordening (EG) nr. 1782/2003 gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vastgesteld.

2.2   Teneinde te garanderen dat Griekenland de regeling voor de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee eenvormig toepast ten opzichte van andere, vergelijkbare regelingen, zodat concurrentieverstoring of discriminatie tussen de marktdeelnemers wordt voorkomen, stelt de Commissie op grond van haar uitvoeringsbevoegdheden de nodige wetgevende bepalingen vast, conform art. 291, lid 2, van het Verdrag.

2.3   De Commissie moet ervoor zorgen dat de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van de certificatenregeling en de verbintenissen van de marktdeelnemers in het kader van de specifieke voorzieningsregeling (artikel 11, lid 3) eenvormig zijn.

2.4   Ook moet de Commissie eenvormige voorwaarden vastleggen voor de uitvoering van het programma (artikel 6, lid 2, artikel 15, lid 3, en artikel 18, lid 3) en de uitwerking van het algemene kader voor de door Griekenland te verrichten controles (artikel 7, artikel 12, lid 2, en artikel 14, lid 1).

2.5   Het Comité dringt erop aan dat zowel bij het aanbrengen van inhoudelijke verbeteringen als bij de uitstippeling van een geïntegreerd beleid voor de talrijke kleine eilanden in de Egeïsche Zee rekening wordt gehouden met de opmerkingen en voorstellen uit de paragrafen 4, 5, 6 en 7 van dit advies.

3.   Samenvatting van het verordeningsvoorstel

3.1   De nieuwe tekst vervangt de oude Verordening 1405/2006 (EG), die al herhaaldelijk was gewijzigd en diende te worden aangepast aan het Verdrag van Lissabon.

3.2   Conform het subsidiariteitsbeginsel wordt de inhoud van het steunprogramma voor de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee (hoofdstuk 2, artikel 5) verduidelijkt; dit programma wordt door Griekenland vastgesteld en ter goedkeuring voorgelegd aan de Commissie. Zo ook kunnen de door Griekenland aangewezen autoriteiten wijzigingen indienen om het programma aan te passen aan de behoeften van de eilanden (hoofdstuk 2, artikelen 3 en 6).

3.3   Er wordt een specifieke voorzieningsregeling ingesteld voor de landbouwproducten van de Unie die op de kleinere eilanden van essentieel belang zijn voor de menselijke consumptie, voor de vervaardiging van andere producten of als productiemiddel in de landbouw (artikel 3); Griekenland dient een voorzieningsbalans op te stellen om de behoeften van de eilanden te kwantificeren.

3.4   De steun voor de landbouwproducten van de kleinere eilanden wordt berekend aan de hand van de kosten voor de afzet, te rekenen vanaf de havens in continentaal Griekenland die zorgen voor de bevoorrading van de eilanden, en van de eventuele extra kosten die het gevolg zijn van het insulaire karakter en de geringe oppervlakte van die eilanden.

3.5   Door de bijzondere geografische situatie, de hoge kosten van het vervoer van producten en de problemen die samenhangen met de afgelegen ligging bevinden de eilanden zich in een ongunstige positie. Ter compensatie daarvan moeten de prijzen van de desbetreffende producten omlaag en is dus een specifieke voorzieningsregeling noodzakelijk. Om speculatie tegen te gaan komen alleen producten van goede handelskwaliteit voor de specifieke voorzieningsregeling in aanmerking.

3.6   Om de concurrentiepositie van de producten uit de Unie veilig te stellen, moet steun worden verleend voor de levering van producten uit de Unie aan de betrokken eilanden; daarbij dienen ook de hogere vervoerskosten in aanmerking te worden genomen.

3.7   Als de specifieke voorzieningsregeling economische voordelen oplevert is verzending of uitvoer van de betrokken producten verboden. De producten mogen wel in derde landen worden verhandeld als het verkregen voordeel wordt terugbetaald. Tevens is voorzien in administratieve controle (artikel 14).

3.8   Er wordt uitsluitend steun toegekend aan marktdeelnemers die een certificaat kunnen overleggen waaruit hun inschrijving in het register blijkt.

3.9   De handel in verwerkte producten tussen de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en de uitvoer van die producten naar de rest van de Unie en derde landen, wordt gestimuleerd.

3.10   De steun ten gunste van de lokale productie via het steunprogramma, dat voor het eerst werd vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1405/2006, wordt aangemoedigd. Deze verordening was gericht op de bevordering van de productie, de afzet en de verwerking van diverse producten: de maatregelen in kwestie bleken immers een gunstige uitwerking te hebben op de landbouwactiviteit.

3.11   Er worden maatregelen genomen voor de financiering van studies, demonstratieprojecten, opleiding en technische bijstand (artikel 15).

3.12   De verordening beoogt de landbouwproductie en het op de markt brengen van kwaliteitsproducten te stimuleren.

3.13   Ten slotte worden in het voorstel de bevoegdheden van de Commissie tot vaststelling van gedelegeerde handelingen afgebakend; zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt brengt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan op de hoogte.

4.   Aanbevelingen

Bijzondere aandacht verdienen de volgende te nemen maatregelen.

4.1

Er moet een passend kader komen waarin de landbouwproductie gekoppeld wordt aan de ontwikkeling van het eilandtoerisme. Meer in het bijzonder moeten landbouwproducten uitgespeeld worden als een troef voor de Europese en internationale consument die zich bewust is van de bijzondere voedingswaarde van het mediterrane dieet en de lokale, biologisch geteelde producten.

4.2

Daarnaast moeten er nog een aantal acties ondernomen worden. Zo dient er efficiënter gebruik gemaakt te worden van de mogelijkheden van traditionele landbouwproducten, aangezien ook andere sectoren van de economie een toegenomen vraag naar deze producten kennen, met name omwille van hun therapeutische eigenschappen (bijvoorbeeld de mastiek van Chios, olijfolie, honing, verschillende soorten kruiden enz.). Het gaat hier vooral om de farmaceutische industrie, de cosmeticasector en de homeopathische geneeskunde.

4.3

De lokale eilandbevolking dient geïnformeerd te worden over de voedingswaarde en het economische belang van de producten die op de eilanden geteeld worden. Het Comité stelt voor om op een strategisch gelegen eiland een interregionale school op te richten, zodat een soort Erasmusproject kan worden uitgebouwd voor studenten en personeel in de agrotoeristische sector of de landbouw.

4.4

Er zijn maatregelen nodig om onderwijsprogramma's op te richten waaraan binnen- en buitenlandse universiteiten kunnen deelnemen om onderzoek en wetenschappelijke studies te verrichten die het economische belang en het exploitatiepotentieel van eilandproducten kunnen aantonen.

4.5

Het beleid ten opzichte van de kwetsbare eilandbevolking, met name in moeilijk toegankelijke gebieden, dient bijzonder behoedzaam te zijn. Het moet tot doel hebben de bevolking op de eilanden te houden en – vooral economische en op jongeren gerichte – stimulansen te bieden, meer bepaald door subsidieregelingen in te voeren om de commerciële activiteit in de perifere gebieden te ontwikkelen, zonder dat het overschot hoeft te worden terugbetaald. Daarbij moet de nadruk worden gelegd op het economische potentieel waarover de eilanden door hun uniciteit en bijzonderheid beschikken, rekening houdend met hun geografische en geologische kenmerken.

4.6

De nadruk dient te liggen op de toegenomen kwaliteit van de landbouwproducten, terwijl de productiekosten ervan gelijktijdig afgenomen zijn.

4.7

Er moeten verschillende criteria vastgelegd worden die rekening houden met de bijzonderheden en de geologische samenstelling van het terrein.

5.   Algemene opmerkingen

Het EESC is zich bewust van de specifieke factoren die bepalend zijn voor de ontwikkeling van de landbouw op de Egeïsche eilanden. Daarom zou het nuttig zijn dat in de verordening de volgende zaken in aanmerking worden genomen.

5.1

Aangezien belangrijke hulpbronnen zoals water, energie en grondstoffen eindig zijn, moet er op de Egeïsche eilanden rationeel mee omgesprongen worden. Vooral tijdens de zomermaanden treden er, ten gevolge van de grotere toestroom van toeristen en badgasten op de eilanden, problemen op met de levering van water, energie enz. Deze problemen moeten dus aangepakt worden om de hulpbronnen beter te kunnen beheren en het natuurlijke evenwicht van het leefmilieu veilig te stellen. Met het oog daarop zou de verordening kunnen voorzien in ondersteunende beleidsmaatregelen om deze omvangrijke en specifieke problemen aan te pakken.

5.2

Veranderingen in het grondgebruik op de eilanden. Op de eilanden neemt de landbouwgrond stelselmatig af omdat ze gebruikt wordt voor bebouwing of omdat ze verwordt tot schrale, onvruchtbare en braakliggende grond (die nu reeds als permanent braakland beschouwd wordt). Daarom moeten er steunprogramma's voor landbouwproducten komen waarmee de landbouwgrond beter benut kan worden. De verordening kan voorzien in een ondersteunend kader hiervoor.

5.3

Aangezien landbouwbedrijven opgegeven worden en in aantal afnemen, en aangezien er zich dode biomassa (dode planten en takken) opstapelt in verlaten bossen en olijfboomgaarden breken er ook gemakkelijker bosbranden uit, waarna het landgebruik gedurende vele jaren belemmerd wordt.

5.4

Bovendien dient er bij het grondgebruik opnieuw een evenwicht gevonden te worden tussen toeristische ontwikkeling en landbouw. Daarbij moeten de twee sectoren elkaar aanvullen.

5.5

Bijzondere aandacht verdient de primaire sector, waar erg veel arbeidsplaatsen verloren gaan, terwijl de werkgelegenheid in de tertiaire sector toeneemt.

6.   Bijzondere opmerkingen

6.1   De verordening moet ook betrekking hebben op Kreta en Euboea.

6.2   Er moeten initiatieven met een looptijd van één jaar ontplooid worden om de productie, verhandeling en promotie van landbouwproducten op te voeren. Deze initiatieven dienen specifiek op een hogere productie, maar ook op een betere kwaliteit, gericht te zijn.

6.3   Er dienen areaalbetalingen te komen die het herstel en verspreiding van de landbouw tot doel hebben; hierdoor zouden de traditionele olijf- en citrusboomgaarden op de kleine eilanden in de Egeïsche Zee behouden moeten worden.

6.4   Ook voor de volgende producten moet er economische steun komen: consumptie- en pootaardappelen, artisjokken uit Tinos, pruimen uit Skopelos, kerstomaten uit Santorini, citrusvruchten, eetbare bonen (o.a. van de soort Lathyrus sp.), gerst uit Limnos, een reeks traditionele kazen (zoals de graviera uit Naxos en de kalathaki uit Limnos (BOB)), citroenlikeur, rakomelo uit Amorgos, marsepein uit Sifnos en Lesbos, en sardines uit Kalloni.

Honing en olijfolie zijn twee van de belangrijkste producten die symbool staan voor de eigenheid en de kwaliteit van de landbouwproductie op de kleine eilanden.

6.5   Er moet ook meer aandacht gaan naar de traditionele teelt van mastiekbomen op Chios, net als naar de wijngaarden die in de traditionele landbouwgebieden van de Egeïsche eilanden wijnen met een beschermde geografische aanduiding produceren.

6.5.1   Het zou mogelijk moeten zijn om een beroep te doen op economische steun voor gepachte grond.

6.5.2   Er moet meer steun uitgetrokken worden voor de bescherming van de geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen.

6.5.3   Er is ook economische steun nodig om de bereiding, opslag, standaardisering en afzet van wijn en olijfolie te verbeteren.

Voorwaarden

6.5.4   Per areaal mogen de teelt, het grondgebruik en de productie de vastgelegde bovengrenzen niet overschrijden.

6.5.5   De teeltmethoden moeten toegepast worden zoals de nationale wet voorschrijft.

6.5.6   De producten moeten een gecontroleerde oorsprongsbenaming of een oorsprongsbenaming van superieure kwaliteit krijgen.

6.5.7   Aan deze voorwaarden moet voldaan worden overeenkomstig het nationale en EU-recht.

7.   Voorstellen

7.1   Het EESC meent dat de verordening vereenvoudigd moet worden om beter aan te sluiten bij andere sectoren van de plaatselijke economie, toerisme, industrie en handel, waarbij ook een andere oriëntatie van het toeristische product aan bod moet komen.

7.2   Volgens het EESC moet de aandacht uitgaan naar de kennis van teelt- en oogstmethoden, de ontdekking van geologische trekpleisters, contact met de dieren van de agro-ecosystemen, het mediterrane dieet, gezond voedsel en biologische producten.

7.3   Het genieten van de lommerrijke en rustige omgeving van olijf- en sinaasappelboomgaarden, het contact met de aarde, de rust en afwezigheid van lawaai, het reizen door een oorspronkelijk agrarisch landschap en de combinatie van deze aspecten vormen een set van speciale en alternatieve vormen van toerisme (cultureel en ecologisch, agrotoerisme, gezondheidstoerisme, trekking, gastronomisch toerisme enz.).

Op deze manier ontstaat een ander toeristisch product dat rechtstreeks verband houdt met de agrarische producten, die op hun beurt weer direct gerelateerd zijn aan kwaliteitstoerisme, gastronomie, het mediterrane dieet (biologische producten) en agrotoerisme. Zo kunnen we een alternatief bieden voor het massale zon-zeetoerisme. De verordening zal bijdragen aan het selectieproces.

7.4   Een bevoegde dienst of directoraat voor programma's voor permanente opleiding, gericht op meer kennis van het gezonde mediterrane dieet en gastronomie, zou op één van de eilanden in de Egeïsche Zee gevestigd kunnen worden in het kader van het EU-beleid, bijv. voor biologische, parafarmaceutische of cosmetische producten, ter bevordering van de producten van de mediterrane cultuur.

7.5   Leidraad en know-howmodel voor het beleid zou de coöperatieve vennootschap „Ένωση Μαστιχοπαραγωγών Χίου” (Unie van mastiekproducenten van Chios) kunnen zijn; belangrijkste doel is dan de ontwikkeling van een netwerk van winkels („mastihashops”) in Griekenland en in geheel Europa, ten gunste van de promotie van mastiek en de verschillende toepasssingen en eigenschappen ervan aan de hand van producten met mastiek, die in Chios, Griekenland en de EU gemaakt worden.

7.6   Zoals het EESC al in ECO/213 en ECO/262 (15 juli 2010) heeft verwoord, geeft het de voorkeur aan de bevordering van agrotoerisme in combinatie met steun voor de werkgelegenheid.

7.6.1   Daarom moet de verordening het volgende omvatten: bevordering van deeltijdwerk voor de eilandbevolking die in de landbouw werkzaam is, via daadwerkelijke steun: het recht om te investeren in agrotoerisme en om hieruit inkomsten te genereren. Consolidatie van het dubbele gebruik van het land, nl. voor landbouw (of bosbouw) en voor agrotoerisme, is essentieel voor de wederzijdse steun van beide activiteiten. Dit recht moet echter niet gerelateerd worden aan landbouwpercelen maar aan landbouwbedrijven.

7.6.2   Er moeten gunstige voorwaarden geschapen worden voor agrotoerisme, d.w.z. voor het recht om op kleine schaal agrotoeristiche installaties te bouwen en te beheren binnen een landbouwbedrijf. Dit recht wordt verleend en vernieuwd mits de productie behouden blijft en wordt voortgezet (olijven, druiven, sinaaasappels, mandarijnen, mastiek, honing, vijgen enz.).

7.6.3   In de achtergestelde eilandgebieden, waar de bevolking wegtrekt en landbouwgrond braak ligt, is ontwikkeling van de landbouw via deeltijdwerk de meest aangewezen en stabiele oplossing om de bevolking te behouden en om het eilandmilieu te beschermen.

In deze richting kan de verordening bijdragen als katalysator voor het behoud van het leven, de natuur en de biodiversiteit ten voordele van alle burgers die deze eilanden zullen bezoeken, en vanzelfsprekend van de bewoners.

7.7   Tot slot meent het EESC dat op de eilanden landbouw en toerisme de belangrijkste sectoren zijn die voor ontwikkeling in aanmerking komen. Andere productiefactoren waarover de eilanden beschikken, zijn veeteelt, visserij, scheepvaart en cultuur. Deze sectoren kunnen tegelijkertijd benut worden om de markt voor plaatselijke landbouwproducten te ondersteunen. Voor de verwezenlijking hiervan wordt ondersteunend onderzoek aanbevolen, alsook de oprichting van landbouwscholen, een strategische, op kennis gebaseerde ontwikkeling, onderzoek en innovatie, nieuw potentieel voor concurrerende voordelen, exploitatie van de capaciteit voor opleiding en onderzoek van de eilanden in de Egeïsche Zee. Zo tekent zich een geïntegreerd strategisch kader af voor alle economische sectoren, waarbij een nieuw, modern ontwikkelingsmodel voor de landbouw op de eilanden tot stand komt, maar ook meer in het algemeen, voor de kleine eilanden in de Egeïsche Zee, dat verdergaat dan het bekende model, dat van de eilandstaat, zoals Malta of Cyprus, of eilanden die sterke regio's vormen, zoals Sardinië en Corsica.

Brussel, 15 maart 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON