17.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/15


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De gevolgen van de staatsschuldcrisis voor de EU-governance” (initiatiefadvies)

2011/C 51/03

Rapporteur: de heer SMYTH

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 29 april 2010 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over het thema

De gevolgen van de staatsschuldcrisis voor de EU-governance.

De afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 7 september 2010 goedgekeurd.

In het kader van de vernieuwing van het Comité heeft de voltallige vergadering besloten om tijdens de oktoberzitting over dit advies te stemmen en heeft zij de heer SMYTH aangewezen als algemeen rapporteur, overeenkomstig artikel 20 van het reglement van orde.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 21 oktober 2010 gehouden 466e zitting onderstaand advies uitgebracht, dat met 120 stemmen vóór en 7 stemmen tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   De staatsschuldcrisis - veroorzaakt door een financiële en budgettaire crisis - kan het bestaan van de EMU in gevaar brengen en vereist doeltreffende financiële, economische en politieke actie. De crisis toont aan dat het stabiliteits- en groeipact tekortschiet als waarborg voor budgettaire verantwoordelijkheid van de lidstaten.

1.2   Het EESC staat achter de tot nu toe genomen maatregelen van de Raad en ECOFIN om lidstaten in financiële problemen te hulp te schieten via het Europees Financieel Stabilisatiemechanisme (EFSM) en de Europese faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF). Dit is een tijdelijke oplossing, die echter de basis kan vormen van een meer permanente procedure en kader voor voorwaardelijke financiële steun als ze leidt tot de oprichting van een echt Europees monetair fonds. Er zou ook gekeken kunnen worden naar de instelling van een Europees agentschap voor het beheer van staatsschulden dat euro-obligaties uitgeeft.

1.3   Het EESC hoopt dat er voorstellen worden gedaan ter reductie van de staatsschuld in de eurozone die de economische en monetaire stabiliteit waarborgen en die aansluiten op de door de crisis zwaar onder druk staande doelstellingen voor economisch herstel en werkgelegenheid, zoals vastgesteld in de Mededeling van de Commissie „Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei”. Een en ander zou moeten gebeuren om de doelstellingen van het Europees economisch herstelprogramma niet in gevaar te brengen.

1.4   Er valt veel lering te trekken uit de schuldencrisis voor de toekomstige EU-governance. De aanvankelijke voorstellen van de werkgroep voor economisch beleid zijn, wat toezicht en sancties betreft, stappen in de juiste richting, maar het EESC vindt dat sancties wel gepaard moeten gaan met een grotere Europese solidariteit ten aanzien van het beheer van staatsschulden. Het stelt vast dat er tot nu toe nog geen officieel mechanisme is om staatsschuldproblemen aan te pakken. Dit blijft een structurele tekortkoming in de opbouw van de EMU die beleidsmakers moeten oplossen. Verder is wenselijk dat de sancties zowel van politieke als economische aard zijn, om te voorkomen dat de schuld van de betrokken landen nog verder toeneemt.

1.5   De staatsschuldcrisis is grotendeels het gevolg van het onverantwoorde budgettaire beleid van sommige lidstaten. Een andere oorzaak zijn de ondoordacht door banken verstrekte leningen die tot zeepbellen in de bouw- en onroerendgoedsector leidden, alsook het onvoorzichtig optreden van kredietbeoordelaars. De enorme, door de belastingbetaler gefinancierde redding van banken in sommige lidstaten en de hierop volgende kwetsbaarheid van het mondiale financiële stelsel droegen ook in hoge mate tot de crisis bij. Het wereldwijde bankieren moet doeltreffend hervormd worden om een herhaling van zulk gedrag in de toekomst te vermijden.

1.6   Het EESC hoopt dat de versterking van de Europese economische governance, die in januari 2011 met het „Europese semester” voor meer coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten van start gaat (1), uitmondt in het behoud van werkgelegenheid in Europa, die ernstig bedreigd wordt door de crisis.

1.7   Het Comité is echter van oordeel dat, ten minste voor de landen van de eurozone, alleen coördinatie van het economisch beleid niet volstaat, maar dat een echt gemeenschappelijk economisch beleid vereist is, zoals ook coördinatie van het begrotingsbeleid zinvol zou zijn, tenminste in de eerste fase.

2.   Achtergrond van de crisis – budgettair beleid als fundament van de Economische en Monetaire Unie

2.1   Begrotingsdiscipline is een van de sleutelelementen van macro-economische stabiliteit. Dit geldt bij uitstek voor een monetaire unie zoals de eurozone die uit soevereine staten bestaat die bevoegd blijven voor het budgettair beleid. In de eurozone is er geen nationaal monetair noch wisselkoersbeleid meer om te reageren op schokken in specifieke landen. Budgettair beleid is derhalve allesbepalend, maar daarmee kan beter worden ingespeeld op schokken als de uitgangssituatie goed is.

2.2   Er zijn diverse mechanismen en regelingen ingevoerd om een gezond budgettair beleid te garanderen en de risico's voor de prijsstabiliteit te beperken. Deze regelingen zijn vastgelegd in de artikelen 121, 123, 124, 125 en 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en omvatten het stabiliteits- en groeipact (art. 121 en 126), de procedure bij buitensporige tekorten (art. 126), het verbod op monetaire financiering (art. 123), het verbod op bevoorrechte toegang van de overheidssector tot financiële instellingen (art. 124) en de no-bail-out-regel (art. 125).

2.3   Uitgangspunt voor het begrotingsbeleid in het Verdrag is dat de lidstaten buitensporige tekorten vermijden. Daartoe moeten ze een plafond voor het jaarlijkse begrotingstekort in acht nemen van 3 % van het BBP en erop toezien dat de bruto nationale schuld in verhouding tot het BBP maximaal 60 % bedraagt.

2.4   In uitzonderlijke omstandigheden kan een tijdelijk overschrijding van het maximumtekort niet als zodanig worden aangemerkt mits zij dicht bij dat maximum blijft. Het besluit of er in een lidstaat sprake is van een overschrijding van het maximumtekort, ligt in handen van de Raad ECOFIN, die optreedt op aanbeveling van de Commissie. Als de Raad besluit dat een lidstaat zijn maximumtekort overschrijdt, voorziet een procedure in de nodige stappen. Uiteindelijk kunnen het betrokken land sancties worden opgelegd.

2.5   De gedachte achter het stabiliteits- en groeipact is dat er permanent degelijk begrotingsbeleid wordt gevoerd. Het pact verplicht de lidstaten om te voldoen aan de middellangetermijndoelstelling, nl. dat „de begroting op de middellange termijn vrijwel in evenwicht is of een overschot vertoont”, zoals vastgelegd is in landspecifieke criteria. Als zij hieraan werken, zo is de veronderstelling, kunnen de lidstaten zich richten op de normale cyclische bewegingen, zonder het maximum voor het begrotingstekort (3 % van het BBP) te overschrijden. In werkelijkheid liggen het idee en de uitvoering van het stabiliteits- en groeipact heel ver uiteen. Zoals de Europese Centrale Bank (ECB) recentelijk opmerkte:

„De naleving door de lidstaten van de begrotingsregels van het Verdrag van Maastricht en het stabiliteits- en groeipact loopt evenwel uiteen. Overschrijdingen van de referentiewaarde van 3 % van het BBP voor het begrotingstekort kwamen herhaaldelijk voor en in sommige landen nog steeds, wat tot de conclusie leidt dat in deze gevallen de uitvoering van het pact te vrijblijvend was en politieke wil ontbeerde. In verschillende mate is in de lidstaten afgeweken van begrotingsplannen vanwege te optimistische groeiverwachtingen, herziening van data achteraf, te hoog ingeschatte inkomsten en aanhoudende overschrijding van de uitgaven.” (Ten years of the Stability and Growth Pact, artikel in ECB Monthly Bulletin, oktober 2008)

2.6   De overduidelijke niet-naleving van de begrotingsregels die ten grondslag liggen aan de EMU dateert van vóór de wereldwijde financiële crisis, maar gesteld kan worden dat staatsschuldproblemen in de monetaire unie de tweede fase van de crisis vormen. Na een decennium van soepelere kredietverstrekking die tot de zeepbellen in de bouw- en onroerendgoedsector leidden, hebben de daaropvolgende economische implosies sommige lidstaten met een schuldenspiraal opgezadeld. Het is enigszins ironisch dat de regeringen van Griekenland, Spanje en Portugal geen door belastingbetalers gefinancierde reddingen van banken moesten uitvoeren, maar dat hun staatsschuldproblemen nu banken in de gehele EU dreigen te destabiliseren. Hieruit blijkt dat door de belastingbetaler gefinancierde reddingen van banken niet de primaire oorzaak van de toegenomen staatsschuld zijn.

2.7   Tijdens de bankencrisis is vaak gezegd dat sommige banken „te groot waren om failliet te laten gaan”. Nu is er sprake van lidstaten die, kampend met een toenemende staatsschuld, „te belangrijk zijn om ze hun verplichtingen niet na te laten komen”. Het was zuur voor de belastingbetaler om nalatige banken te hulp te schieten; misschien nog pijnlijker is nu het verzoek van de internationale obligatiemarkten aan sommige lidstaten om hun overheidsfinanciën aan te passen. De onzekerheid die de staatsschuldproblemen hebben veroorzaakt, tast nu ook de euro zelf aan en wekt de vrees dat meer landen in de eurozone ermee te maken kunnen krijgen.

2.8   De staatsschuldcrisis is een vertrouwenscrisis voor de EU in het algemeen en de eurozone in het bijzonder. Vereist is een politieke en financiële oplossing. Het gaat er nu om hoe adequaat de bovenvermelde budgettaire afspraken zijn die de stabiliteit van de eenheidsmunt moeten garanderen. Tot op zekere hoogte is het terecht om te beweren dat het stabiliteits- en groeipact is mislukt en dat Europa nu behoefte heeft aan een nieuw budgettair en monetair kader dat effectiever inspeelt op zeer ernstige economische tegenwind of zelfs het failliet van een lidstaat. Als dat juist is, hoe moet zo'n kader er dan uitzien?

3.   Alternatieve budgettaire en monetaire kaders

3.1   De afgelopen maanden hebben er diverse ontwikkelingen plaatsgevonden ten aanzien van de theorie en de uitvoering van beleid. Een interessant voorstel om de staatsschuldcrisis en de kwestie van de niet-nakoming van betalingsverplichtingen door lidstaten aan te pakken, betreft de oprichting van een Europees Monetair Fonds (EMF) (2). Argumenten voor dit voorstel zijn dat het Internationaal Monetair Fonds (IMF) geen ervaring heeft met de aanpak van de situatie die ontstaat als een lid van een monetaire unie zijn schuld niet meer dreigt te kunnen aflossen, en dat een operationeel EMF de EU veel krachtigere handhavingsmechanismen ter hand zou stellen.

3.2   Het idee van een Europees Monetair Fonds sluit aan op de beleidsreacties op de recente financiële ineenstorting, toen het beleid erop gericht was om het failliet van grote financiële instellingen te voorkomen. Nu de EU opkrabbelt uit de bankencrisis, richt het politieke debat zich op hervormingen die een ordelijk verzuim van verplichtingen door financiële instellingen mogelijk maken en op de zelffinanciering van reddingsfondsen voor grotere banken met solvabiliteitsproblemen. Met andere woorden: nu de financiële stelsels weer stabiel zijn, proberen Europese beleidsmakers te garanderen dat voortaan financiële instellingen, en niet de belastingbetaler, in geval van crisis de kastanjes uit het vuur halen. De voorstellen voor bankhervorming omvatten hogere kapitaalratio's, strikter toezicht, een plafond aan de bonussen voor bankiers en het opstellen van „levenstestamenten”. In de EMU moeten, ook om de eenheidsmunt te beschermen, de regels aangescherpt worden om het hoofd te kunnen bieden aan instabiliteit ten gevolge van ingebreke blijven of het failliet van een van de leden.

3.3   Volgens de voorstanders van een EMF zou dat aansluiten bij de in het Verdrag opgenomen bepalingen inzake samenwerking en is er dus geen verdragswijziging nodig. Een solide EMF zou de zwakke schakels uit de structuur van de EMU kunnen halen, die het gevolg zijn van het mislukte stabiliteitspact en de klaarblijkelijk ongeloofwaardige no-bail-out-regel.

3.4   Hoe moet zo'n fonds gefinancierd worden? Om de morele problemen tot een minimum te beperken waarmee Duitsland en Frankrijk nu kampen bij de cofinanciering van het noodpakket voor Griekenland, zouden alleen die landen aan het EMF bijdragen die de Maastricht-criteria overschrijden. De hoogte van de bijdrage zou van twee criteria afhangen:

jaarlijks 1 % van de omvang van de „bovenmatige schuld”, opgevat als het verschil tussen het huidige niveau van de staatsschuld (aan het eind van het voorafgaande jaar) en de Maastrichtnorm van 60 % van het BBP. Voor Griekenland, met een schuld-BBP-ratio van 115 %, komt dit neer op een bijdrage aan het EMF van 0,55 %.

1 % van de omvang van het „bovenmatige tekort”, d.w.z. dat deel van het begrotingstekort in een bepaald jaar dat de Maastricht-norm van 3 % van het BBP overschrijdt. Voor Griekenland, met een tekort van 13 % van het BBP, zou dat een bijdrage aan het EMF betekenen van 0,10 % van het BBP.

Voor 2009 zou de totale bijdrage van Griekenland 0,65 % van het BBP zijn geweest, heel wat minder dan de nu gevraagde strenge bezuinigingen.

3.5   Verder zou het EMF op de markt kunnen lenen, zodat het, in combinatie met de gespaarde bijdragen, over genoeg middelen zou beschikkken om aan alle behoeften te voldoen. Het EMF zou kunnen ingrijpen en financiële steun verlenen door zijn bezittingen deels van de hand te doen of door zich garant te stellen in geval van staatsschuldproblemen van een lidstaat. Ter illustratie: met de kennis van nu zou het EMF, als het op de genoemde wijze gefinancierd was, een reserve van 120 miljard euro hebben opgebouwd sinds de oprichting van de EMU. Samen met passende marktleningen zou dit genoeg zijn om een van de kleinere landen uit de eurozone financieel te redden.

3.6   Voor de naleving kan de EU bogen op diverse opties, variërend van blokkering van structuurfondsen, intrekking van nieuwe financieringsgaranties of het land zelfs uitsluiten van de geldmarkt van de eurozone. Deze sancties zouden geleidelijk en per land opgelegd worden, aangezien zij elk afzonderlijk aanzienlijke economische druk op een lidstaat uitoefenen die eerder overeengekomen hervormingsprogramma's aan zijn laars lapt.

3.7   Een van de beweerde voordelen van het EMF is dat daarmee een ordelijk verzuim van verplichtingen door een lid van de eurozone dat de voorwaarden van een hervormingsprogramma niet nakomt, kan worden gerealiseerd. In plaats van een hachelijke schuldherstructurering op internationale obligatiemarkten kan het EMF de schuldeisers van een in gebreke blijvende lidstaat aanbieden om de schuld tegen een standaardkorting in te ruilen voor vorderingen op het EMF. Zo zou de door het verzuim ontstane ontwrichting kunnen worden beperkt, evenals de door financiële instellingen geleden verliezen.

3.8   Voorstanders van een EMF beweren dat zo'n fonds belangrijke voordelen biedt boven het simpelweg inschakelen van het IMF. Het EMF zou staatsschuldproblemen ordelijk kunnen aanpakken zodat ontwrichtende spillover-effecten op de obligatie- en andere financiële markten tot een minimum worden beperkt. Gelet op de lessen van de bankencrisis dient nieuw beleid ter zake niet alleen een toekomstige crisis te voorkomen, maar moet het Europa er ook op voorbereiden. Dat geldt evenzeer voor de staatsschuldcrisis. Als de huidige crisis voorbij is, moet Europa voorbereid zijn voor een volgende keer.

3.9   Een ander interessant voorstel betreft de spanning tussen de behoefte aan herstel van de Europese economie en schuldvermindering. Uit onderzoek blijkt dat in de eurozone de begrotingsregels, de Maastrichtcriteria en het stabiliteits- en groeipact een temperend effect hadden op de economische groei, in vergelijking met de VS en het VK (3). De ironie wil dat de financiële crisis in de VS begon en dat de beleidsreactie daar een enorme budgettaire en monetaire anticyclische impuls vormt. Het macro-economisch beleid in de eurozone lijdt onder inertie ten gevolge van een beleidsvoorkeur voor monetaire stabiliteit in plaats van groei. Dit is begrijpelijk gezien het streven om de eenheidsmunt en de ECB geloofwaardig te maken, maar het kan nu beschouwd worden als mogelijke belemmering voor economisch herstel. Men zou zelfs kunnen stellen dat versoepeling van de regels van het stabiliteits- en groeipact het economisch herstel stimuleert en een eind kan maken aan de schuldencrisis.

3.10   Beweerd wordt dat elke beleids- of institutionele reactie op de staatsschuldcrisis moet leiden tot schuldvermindering zonder de doelstellingen van het Europees economisch herstelprogramma in gevaar te brengen. Dat valt misschien te bereiken door schuldvermindering te combineren met uitbreiding van investeringen om de deflatoire effecten van schuldreductie tegen te gaan. Dat voorstel is gebaseerd op het Witboek over groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid van Delors uit 1993, waarin de mogelijkheid van schuldoverdracht centraal staat. De staatsschuld van elke lidstaat zou aldus gedeeltelijk worden omgezet in obligaties van de Europese Unie. Die overdracht verplicht lidstaten nog wel om over het in euro-obligaties omgezette deel van de schuld rente te blijven betalen. Het is dus geen afschrijving van schuld, noch zouden lidstaten met schuldproblemen meer gaan lenen; in plaats daarvan dalen de kosten van het overgedragen gedeelte. Voorstanders van dit voorstel beweren dat het in de bestaande richtsnoeren van het Verdrag kan worden ingebed. Tegelijk met de schuldoverdracht wordt voorgesteld dat de Europese Investeringsbank (EIB) en nationale financiële instellingen meer gaan lenen om het Europees economisch herstelplan te financieren en om het slinken van de inkomsten uit arbeid en handel, ten gevolge van agressieve schuldreductie, tegen te gaan. (4)

3.11   De officiële reactie op de schuldencrisis kwam tot stand na de buitengewone bijeenkomst van de Raad van 9 mei 2010. Naar aanleiding daarvan werd het Europees Financieel Stabilisatiemechanisme (EFSM) in het leven geroepen, krachtens artikel 122, lid 2 (uitzonderlijke omstandigheden), van het VWEU, en op basis van een intergouvernementeel akkoord tussen de lidstaten van de eurozone. Het EFSM kan beschikken over 60 miljard euro en is van toepassing onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die van het IMF. Verder is er een „Special Purpose Vehicle” (SPV) gekomen, in het vervolg aangeduid als Europese faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF). De SPV heeft een looptijd van drie jaar en heeft maximaal 690 miljard euro ter beschikking om lidstaten in de eurozone met buitengewone financiële moeilijkheden te ondersteunen. Voorts is de Europese Centrale Bank (ECB) begonnen op obligatiemarkten schulden op te kopen van regeringen die in financiële problemen zijn geraakt.

3.12   Deze nieuwe regelingen bevatten enkele belangrijke aspecten. Ten eerste is dit geen goedkope financieringsoptie; de betreffende lidstaten betalen alle rente en de hoofdsom via de Commissie terug. Zo gezien is het EFSM geen bail out en dus verenigbaar met artikel 125. Ten tweede zijn het EFSM en de EFSF kredietlijnen, en geen begrotingslijnen; daarom blijven zij onder het besluit inzake „eigen middelen” vallen. Ten derde heeft de EFSF een looptijd van drie jaar, maar de effecten ervan kunnen nog diverse jaren hierna duren als obligaties worden uitgegeven met een langere looptijd. Ten vierde is het de bedoeling dat de via de EFSF uitgegeven obligaties tot maximaal 120 % door alle EU-lidstaten worden gegarandeerd; deze obligaties zouden een AAA-rating moeten krijgen waardoor de kosten ervan minimaal zijn (5). Tot slot is het EFSM een tastbaar bewijs dat solidariteit in de EU de hoeksteen van de EMU blijft.

3.13   Hoe doeltreffend de EFSM-voorstellen voor de aanpak van de huidige schuldencrisis zullen zijn, zal de komende maanden duidelijk worden en afhangen van de mate waarin de lidstaten de door de EU en het IMF verlangde budgettaire hervormingen zullen doorvoeren. De EU heeft haar wens bekrachtigd dat er meer begrotingsdiscipline moet komen alsmede een permanent kader om crises het hoofd te bieden. Dit laatste heeft speculaties gevoed dat het EFSM en de EFSF permanent zouden kunnen worden; het probleem hierbij is dat unanieme goedkeuring van de lidstaten vereist is. Het ontbreken van substantiële voorstellen die rekening houden met de mogelijkheid dat een lidstaat niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen, duidt er impliciet op dat beleidsmakers het niet zover zullen laten komen. Hoewel dit volstrekt begrijpelijk is, neemt het niet weg dat zo'n situatie toch kan ontstaan.

4.   Lering

4.1   Het wordt duidelijk dat de schuldencrisis had kunnen worden vermeden als er in de lidstaten en in de EU betere governance was geweest; de zwakke aanpak in het verleden mag zich hoe dan ook niet nog eens voordoen. Hiertoe heeft de werkgroep Coördinatie economisch beleid een reeks maatregelen aangekondigd om het begrotingstoezicht aan te scherpen, in overeenstemming met het stabiliteits- en groeipact. Deze maatregelen betreffen wederzijdse beoordeling van de ontwerpbegrotingen van de lidstaten, het eerder opleggen van sancties in geval van overschrijding van de 3 %- en 60 %-drempels, de inwerkingtreding van de procedure voor buitensporige tekorten als de schuldvermindering niet bijtijds begint, en meer onafhankelijkheid voor de nationale bureaus voor de statistiek van de nationale regeringen.

4.2   De rol en het gedrag van de belangrijkste kredietbeoordelaars tijdens de gehele financiële en schuldencrisis is op zijn zachtst gezegd onverkwikkelijk geweest (6). Kanselier Merkel heeft een nieuw, Europees kredietbeoordelingsagentschap voorgesteld dat met de bestaande grote drie zou moeten concurreren (7). Er is ook voorgesteld dat Eurostat bevoegd zou worden om de overheidsfinanciën van lidstaten te beoordelen (raten). Had het dat al eerder kunnen doen, dan had het vroeger kunnen waarschuwen voor de Griekse schuldencrisis (8).

4.3   De Commissie kreeg kritiek omdat ze niet waakzaam en proactief was t.a.v. de kwaliteitsborging van nationale gegevens over de overheidsfinanciën. Dit aspect houdt verband met de algemene problemen m.b.t. toezicht, beoordeling en naleving, die ten grondslag liggen aan de mislukking van de mechanismen van het stabiliteits- en groeipact. Elke langetermijnoplossing moet deze kwesties doeltreffend aanpakken.

4.4   Terwijl er geen door de belastingbetaler gefinancierde bail out is geweest voor banken in Griekenland, Spanje en Portugal, heeft de omvang van zulke reddingsplannen elders in de EU en de VS bijgedragen tot een ongekende druk op de markt voor overheidsobligaties en de crisis verergerd. De mondiale banksector moet hoe dan ook doeltreffend worden hervormd om een herhaling van dergelijke financiële, economische en sociale instabiliteit te voorkomen.

Brussel, 21 oktober 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  COM(2010) 367. Naar een intensivering van de economische beleidscoördinatie ten behoeve van stabiliteit, groei en werkgelegenheid – Instrumenten voor een krachtigere economische governance van de EU.

(2)  Het volledige voorstel is uitgewerkt in D. Gros en T. Mayer, „How to deal with sovereign debt default in Europe: Towards a Euro(pean) Monetary Fund”, Policy Brief No 202, Centre for European Policy Studies, mei 2010. Veel argumenten in dit advies zijn overgenomen uit dit verhelderende artikel.

(3)  Zie Fitoussi, J.P. en F. Saraceno: „Europe: How deep is a Crisis? Policy Responses and Structural Factors Behind Diverging Performances”, Journal of Globalisation and Development. Band 1, deel 1, Berkeley Electronic Press. 2010.

(4)  Zie voor een volledige beschrijving van de voorstellen: Holland, S.: „A European Monetary Fund, Recovery and Cohesion” in Insight, http://www.insightweb.it/web/node/136 (bereikbaar op 10/06/2010).

(5)  Op 21 september verklaarden de belangrijkste kredietbeoordelaars dat zij de via de EFSF uitgegeven schuldbewijzen een AAA-rating zullen geven.

(6)  Zie voor een complete bespreking van tekortkomingen van kredietbeoordelaars: U.S. Securities and Exchange Commission: (SEC) „Summary Report of Issues Identified in the Commission Staff's Examinations of Select Credit Rating Agencies” http://www.sec.gov/news/studies/2008/craexamination070808.pdf (bereikbaar op 10/06/2010).

(7)  Volgens de Irish Times van 21 mei 2010 zei de Duitse kanselier dat het nieuwe agentschap „natuurlijk niet politiek afhankelijk” zou zijn, maar zou „optreden vanuit het streven naar een duurzame economie, die minder op de korte termijn gericht is.”

(8)  Tijdens ons bezoek aan Eurostat kregen we te horen dat Eurostat herhaaldelijk had gewaarschuwd voor het hoge Griekse tekort en voor een staatsschuldcrisis, maar dat niemand naar Eurostat luisterde.