11.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/167


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de totstandbrenging van nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed”

(COM(2010) 105 definitief/2 — 2010/0067 (CNS))

2011/C 44/29

Afdelingsrapporteur: RETUREAU

Op 29 april 2010 heeft de Raad, op grond van art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de totstandbrenging van nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed

COM(2010) 105 final/2 — 2010/0067 (CNS).

De gespecialiseerde afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 16 juni 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 14 en 15 juli 2010 gehouden 464e zitting (vergadering van 14 juli 2010) onderstaand advies uitgebracht, dat met 134 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 6 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen

1.1   Rechtsgrondslag van dit voorstel voor een verordening is artikel 81, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarbij de Raad de bevoegdheid wordt verleend maatregelen betreffende het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen vast te stellen. Het voorstel sluit goed aan bij het in de verdragen bedoelde element van vreemd recht.

1.2   Het EESC stelt met belangstelling vast dat dit voorstel voor een verordening een opening maakt om de procedure voor nauwere samenwerking (1), waarin is voorzien in de artt. 326 e.v. van hoofdstuk III van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, toe te passen op juridisch gebied, waar dit noch voor de hand ligt, noch gemakkelijk is. Het hoopt dat het instellen van nauwere samenwerking het in de toekomst ook op andere gebieden mogelijk zal maken om impasses of moeilijkheden te boven te komen en vooruitgang te boeken op gebieden of ten aanzien van kwesties die op een bepaald ogenblik nog niet op unanimiteit kunnen rekenen maar met betrekking waartoe een aantal landen wel werk wensen te maken van samenwerking.

1.3   Samen met de Commissie neemt het EESC er nota van dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in acht zijn genomen in de onderhavige verordening, die van toepassing zal worden na goedkeuring door de lidstaten die vragende partij zijn. Het initiatief strookt met het Handvest van de grondrechten en de internationale verbintenissen die de lidstaten op het gebied van de mensenrechten zijn aangegaan.

1.4   De voorgestelde oplossingen zijn erop gericht een „rush naar de rechter” door een van de echtgenoten te vermijden en moeten tegemoetkomen aan hun legitieme verwachtingen wat betreft de bevoegde rechtbank, die in principe de rechtbank is van hun gewone verblijfplaats op het ogenblik dat het echtscheidingsverzoek of het verzoek tot scheiding van tafel en bed wordt ingediend. De procedures tot nietigverklaring van het huwelijk vallen niet onder dit voorstel voor een verordening, en alle overige kwesties worden geregeld bij het bestaande communautaire recht inzake huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen.

1.5   Het Comité merkt tevens op dat het voorstel voor een verordening geenszins raakt aan het materieel recht van de lidstaten.

1.6   Het hecht uiteindelijk zijn goedkeuring aan een voorstel dat zorgt voor een vlottere afhandeling van de procedures m.b.t. echtscheiding en scheiding van tafel en bed tussen inwoners van de landen die bij deze samenwerking partij zijn. Aldus wordt bijgedragen aan het vrije verkeer van personen en in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen.

2.   Voorstel van de Commissie

2.1   Het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed maakt nog geen deel uit van het bestaande communautaire huwelijksrecht. Het eerste communautaire instrument op het gebied van familierecht, Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad, voorziet in regels betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken, alsook van naar aanleiding van procedures in huwelijkszaken gegeven beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de gemeenschappelijke kinderen van de echtgenoten; het stelt evenwel geen regels vast m.b.t. het toepasselijke recht.

2.2   De inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad, tot intrekking en vervanging van Verordening (EG) nr. 1347/2001 met ingang van 1 maart 2005, heeft op dit punt niets veranderd.

2.3   Op grond van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad kunnen echtgenoten evenwel kiezen tussen verschillende bevoegdheidscriteria. Zodra een procedure in huwelijkszaken bij de rechterlijke instanties van een lidstaat aanhangig is gemaakt, wordt het toepasselijke recht bepaald op basis van de nationale collisieregels van die lidstaat, die op uiteenlopende criteria zijn gebaseerd. Het toepasselijke recht wordt in de meeste lidstaten gebaseerd op een reeks aanknopingspunten die erop gericht zijn te waarborgen dat de procedure wordt beheerst door de rechtsorde waarmee zij de nauwste banden heeft. Andere lidstaten passen systematisch hun nationaal recht („lex fori”) toe op procedures in huwelijkszaken.

2.4   Aangezien de lidstaten de voorbije jaren geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over het toepasselijke recht en de kwestie van de collisieregels inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed, en er in de nabije toekomst geen oplossing ter zake in het verschiet ligt, hebben verschillende lidstaten besloten nauwere samenwerking te overwegen in afwachting van een definitieve, met eenparigheid van stemmen goedgekeurde overeenkomst op dit gebied. Zo hebben tien lidstaten aan de Commissie te kennen gegeven dat zij werk willen maken van nauwere onderlinge samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht in huwelijkszaken en hebben zij haar verzocht een voorstel in die zin bij de Raad in te dienen. Op 3 maart 2010 trok Griekenland zijn verzoek in (2). Andere landen overwegen ook bij deze nauwere samenwerking aan te sluiten. Veertien landen hebben thans belangstelling voor deze samenwerking getoond.

2.5   Nadat de Commissie had geconstateerd dat het voorstel voor nauwere samenwerking het bestaande communautaire recht niet ter discussie stelt, heeft zij een voorstel voor een verordening voorbereid. Naar haar mening vormt het voorstel van de oorspronkelijke tien lidstaten een stap voorwaarts in de richting van haar initiatief van 17.7.2006 {COM(2006) 399 final} om Verordening (EG) nr. 2201/2003 aan te passen wat de bevoegdheidskwestie betreft en om regels vast te stellen betreffende het toepasselijke recht in huwelijkszaken. Dit Commissievoorstel ligt nog altijd ter tafel bij de Raad en is nog niet goedgekeurd. De destijds gemaakte effectbeoordeling blijft geldig en een andere studie is niet nodig.

2.6   Overeenkomstig artikel 329, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hebben de Europese ministers van justitie op 4 juni 2010 met gekwalificeerde meerderheid hun goedkeuring gehecht aan het voorstel van de Commissie om tussen een aantal van hen een nauwere samenwerking m.b.t. echtscheiding en scheiding van tafel en bed in te stellen. Ook het Europees Parlement heeft enkele dagen later (16 juni 2010) hiermee ingestemd. Thans dient alleen nog te worden gewacht op de formele goedkeuring van het besluit waarbij de Raad van de EU toestemming voor nauwere samenwerking zal geven.

2.7   Ten aanzien van de verordening waarbij de nauwere samenwerking ten uitvoer zal worden gelegd hebben de ministers overeenstemming bereikt over de algemene strekking van de belangrijkste punten en hebben zij gevraagd dat de nog hangende kwesties aan een nieuw onderzoek zouden worden onderworpen. De Raad van de EU, die op basis van artikel 81, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een besluit zal nemen, dient de bedoelde verordening met eenparigheid van stemmen goed te keuren (3).

3.   Opmerkingen van het Comité

3.1   Het Comité heeft zich reeds herhaaldelijk uitgesproken over het feit dat Europese burgers eindbeslissingen en in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die in een lidstaat te hunner aanzien zijn genomen, in een andere lidstaat moeten kunnen doen erkennen zonder een beroep te moeten doen op de exequaturprocedure.

3.2   In civiele zaken en met name wat het huwelijksrecht betreft heeft het EESC een advies uitgebracht over het Groenboek over echtscheidingszaken (4), dat de facto een voedingsbodem is geweest voor het onderhavige voorstel voor een verordening dat nog steeds door de Raad geblokkeerd wordt. In dat advies heeft het zijn steun gegeven aan de voorgestelde bepalingen inzake wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen, wetsconflicten en bevoegheidsgeschillen en inzake toepasselijk recht.

3.3   Destijds heeft het de Commissie gewaarschuwd voor mogelijke conflicten tussen de toepasselijkheid van buitenlands recht, met name van derde landen, en daarin opgenomen bepalingen die indruisen tegen de openbare orde van de Europese Unie of de orde van de bevoegde rechter (ongelijke behandeling van mannen en vrouwen, systematische toewijzing van de kinderen aan een van de echtgenoten op basis van het geslacht, enz.). Het is dan ook een goede zaak dat is voorzien in een uitzonderingsclausule van openbare orde teneinde bepalingen van buitenlands recht uit te sluiten die bijv. niet stroken met het communautaire Handvest van de grondrechten, dat voortaan deel uitmaakt van het primaire recht (op gelijke voet met de Verdragen). De lidstaten zullen de internationale openbare orde van hun bevoegde rechter inroepen om eventueel een exceptie op te werpen ten aanzien van het recht van een derde land dat deze orde zou schenden.

3.4   Het EESC herhaalt zijn steun voor het voorstel om als bevoegde rechtbank in principe de rechtbank aan te wijzen van de laatste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats van de echtgenoten (5). Hiermee wordt een „rush naar de rechter” van de ene of de andere partner voorkomen die zou kunnen worden verwacht indien er verschillende criteria zouden bestaan om de bevoegde rechterlijke instantie aan te wijzen. Het toepasselijke recht kan evenwel het recht zijn met de nauwste banden met het huwelijksrecht, op basis van cumulatieve criteria. De partner in de zwakste positie kan er aldus van uitgaan dat dit recht toepasselijk zal zijn, en niet noodzakelijkerwijs het recht van de bevoegde rechter, zoals dit thans in een aantal landen het geval is. Het toepasselijke recht zal ook door de echtgenoten in onderlinge overeenstemming kunnen worden gekozen voor zover er objectieve criteria voor aanknopingspunten bestaan.

3.5   Aldus zal er meer zekerheid worden geschapen op een gebied dat vaak door conflicten gekenmerkt wordt, zowel in geval van echtscheiding als van scheiding van tafel en bed (vaak voorafgaand aan een echtscheidingsprocedure). De andere op huwelijkszaken toepasselijke bepalingen zijn dezelfde als in Verordening (EG) nr. 2201/2003, die in alle lidstaten van kracht is.

3.6   Het EESC onderschrijft en steunt bijgevolg de onderhavige verordening en hoopt dat de procedure voor nauwere samenwerking, die kon worden gebruikt sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam in 1999 maar nu voor het eerst wordt gebruikt, uiteindelijk ingang vindt als gangbare procedure en het aldus voor Europa mogelijk maakt om vooruitgang te boeken op een gebied waarop unanimiteit wel vereist is maar in de nabije toekomst allesbehalve haalbaar lijkt. Aldus kunnen mogelijke impasses of vertragingen in de goedkeuring van gemeenschappelijke rechtsregels maatregelen worden tegengegaan en kunnen de landen die dit wensen, werk maken van samenwerking, ook al is er geen unanimiteit en ook al is het quorum niet bereikt.

Brussel, 14 juli 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  PB C 83/189 van 30 maart 2010.

(2)  De pleitbezorgers van versterkte samenwerking zijn: België, Bulgarije, Frankrijk, Duitsland, Hongarije, Italië, Letland, Luxemburg, Malta, Oostenrijk, Portugal, Roemenië, Slovenië en Spanje

(3)  In artikel 81, lid 3, is bepaald dat maatregelen betreffende het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen worden vastgesteld door de Raad, die volgens een bijzondere wetgevingsprocedure besluit. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. De maatregelen m.b.t. de tenuitvoerlegging van de nauwere samenwerking op dit gebied dienen volgens de bepalingen van dit artikel te worden vastgesteld.

(4)  PB C 24 van 31.1.2006, blz. 20.

(5)  Onder voorbehoud van een bepaalde verblijfsduur (over het algemeen een maand of een jaar) op het ogenblik dat de procedure begint te lopen.