52009DC0174




[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 21.4.2009

COM(2009) 174 definitief

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

over de toepassing van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

over de toepassing van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

1. Inleiding

1.1. Achtergrond

Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ("Brussel I")[1], hierna "de verordening" genoemd, is het fundament van de Europese justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken. De verordening bevat uniforme regels voor het beslechten van bevoegdheidsgeschillen en het bevorderen van het vrije verkeer van vonnissen, gerechtelijke schikkingen en authentieke akten in de Europese Unie. De verordening kwam in de plaats van het Verdrag van Brussel van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij de verdragen inzake de toetreding van nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna het "Verdrag van Brussel" genoemd)[2].

De Europese Gemeenschap en Denemarken hebben een overeenkomst gesloten over de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, die ervoor zorgt dat Denemarken de bepalingen van de verordening sinds vanaf 1 juli 2007 toepast[3]. Het Verdrag van Lugano van 1988 tussen enerzijds de lidstaten, met inbegrip van Denemarken en anderzijds IJsland, Noorwegen en Zwitserland, gaat over hetzelfde onderwerp[4]. Dit laatstgenoemde verdrag zal binnenkort worden vervangen door een verdrag tussen de Gemeenschap, Denemarken en de hierboven genoemde staten[5].

1.2. Dit verslag

Dit verslag is opgesteld overeenkomstig artikel 73 van de verordening, op basis van een algemene studie die de Commissie heeft laten verrichten naar de praktische toepassing van de verordening[6]. Daarnaast heeft de Commissie opdracht gegeven voor een analyse van de bestaande nationale bevoegdheidsregels die van toepassing zijn indien de verweerder zijn woonplaats niet in een lidstaat heeft ("subsidiaire bevoegdheid")[7]. Tevens heeft de Commissie een studie[8] laten uitvoeren om na te gaan wat de gevolgen zouden zijn van een eventuele ratificatie door de Gemeenschap van het Haags Verdrag inzake bedingen van forumkeuze[9]. In dit verslag is ook rekening gehouden met een studie naar de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in de Europese Unie, die in 2004 op verzoek van de Commissie is verricht[10]. Ten slotte heeft het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken in 2005 informatie geleverd over de praktische toepassing van de verordening, op basis van een vragenlijst van de Commissie.

Dit verslag biedt het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een overzicht van de toepassing van de verordening. Het hoort bij een groenboek waarin oplossingen worden voorgesteld voor de problemen die in dit verslag aan de orde worden gesteld. Beide documenten dienen als basis voor een openbare raadpleging over de werking van de verordening.

2. TOEPASSING VAN DE VERORDENING IN HET ALGEMEEN

2.1. Statistische gegevens over de toepassing van de verordening

In de meeste lidstaten worden niet systematisch statistische gegevens verzameld over de toepassing van de verordening. Toch konden een aantal statistische gegevens worden verzameld uit centrale databases van het ministerie van Justitie van sommige lidstaten, directe contacten met de gerechten in de lidstaten, gesprekken met andere betrokkenen, commerciële en academische databases, en publicaties in juridische vakbladen.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de bevoegdheidsregels enerzijds en de regels inzake erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen anderzijds. In het algemeen wordt de verordening het meest toegepast in economische centra en grensregio's. De bevoegdheidsregels zijn doorgaans slechts in een beperkt aantal gevallen van toepassing, van minder dan 1% van alle civiele zaken tot 16% in grensregio's[11]. De regels inzake erkenning en tenuitvoerlegging worden vaker toegepast, maar er waren geen algemene gegevens beschikbaar over het aantal uitvoerbaarheidsverklaringen dat door de gerechten is afgegeven. Het aantal varieert van zeer laag (bv. 10 uitvoerbaarheidsverklaringen in 2004 in Portugal) tot hoger (420 verklaringen in 2004 in Luxemburg), met ook hier een piek in grensregio's (301 verklaringen in de gerechten van het Landgericht Traunstein in Duitsland, bij de grens met Oostenrijk).

2.2. Algemene evaluatie van de verordening

In het algemeen wordt de verordening beschouwd als een zeer succesvol instrument dat grensoverschrijdende geschillenbeslechting heeft vereenvoudigd omdat het een efficiënt systeem biedt van justitiële samenwerking op basis van algemene bevoegdheidsregels, coördinatie van parallelle procedures en vrij verkeer van beslissingen. Het systeem van justitiële samenwerking dat bij de verordening in het leven is geroepen, is met succes aangepast aan de veranderde institutionele omgeving (van intergouvernementele samenwerking naar een instrument van Europese integratie) en aan de nieuwe uitdagingen van het moderne commerciële leven. Daarom wordt het zeer gewaardeerd door degenen die er gebruik van maken.

Deze algemene tevredenheid over de werking van de verordening neemt niet weg dat er verbeteringen mogelijk zijn.

3. Specifieke evaluatie van bepaalde punten

3.1. Afschaffing van het exequatur

Gezien het politieke mandaat van de Europese Raad van Tampere (1999) en van Den Haag (2004)[12], moet bij de herziening van deze verordening de afschaffing van de exequaturprocedure in alle zaken die onder de verordening vallen, centraal staan.

Wat de bestaande exequaturprocedure betreft, blijkt uit de algemene studie dat wanneer het verzoek volledig is, de procedures in eerste aanleg bij de gerechten van de lidstaten gemiddeld 7 dagen tot 4 maanden duren. Wanneer het verzoek onvolledig is, duren de procedures echter langer. Verzoeken zijn vaak onvolledig, en dan vragen de justitiële autoriteiten om extra informatie, in het bijzonder vertalingen. De meeste verzoeken om een uitvoerbaarheidsverklaring zijn succesvol (tussen de 90% en 100%). Slechts tegen 1 tot 5% van de beslissingen wordt beroep ingesteld. De duur van de beroepsprocedures loopt uiteen van een maand tot drie jaar, afhankelijk van de gebruiken in de lidstaten en de werkdruk van de gerechten.

In zaken waarin de uitvoerbaarheidsverklaring wordt betwist, is het ontbreken van een regelmatige betekening of mededeling overeenkomstig artikel 34, punt 2, de meest ingeroepen grond voor het weigeren van de erkenning of tenuitvoerlegging. Uit de algemene studie blijkt echter dat dergelijke betwistingen zelden succesvol zijn[13]. Met betrekking tot de openbare orde toont de studie aan dat deze grond dikwijls wordt ingeroepen, maar zelden wordt aanvaard. Wanneer deze grond wordt aanvaard, gebeurt dat meestal in uitzonderlijke gevallen met het doel de procedurerechten van de verweerder te waarborgen[14]. In burgerlijke en handelszaken lijken gerechten de uitzondering van openbare orde hoogst zelden toe te passen op beslissingen ten gronde van het buitenlandse gerecht. De overige weigeringsgronden worden zelden ingeroepen. Door de werking van de regels van de verordening betreffende aanhangigheid en samenhang worden, ten minste op Europees niveau, onverenigbare rechterlijke beslissingen in grote mate vermeden. Wat de toetsing van bepaalde bevoegdheidsregels betreft, moet worden nagegaan of zulks nog steeds in overeenstemming is met het verbod om de bevoegdheid van een buitenlands gerecht te toetsen; bovendien is het praktisch belang van deze regel beperkt aangezien het gerecht in elk geval gebonden is door de feitelijke vaststellingen van het gerecht van herkomst.

3.2. De werking van de verordening in de internationale rechtsorde

Als opvolgster van het Verdrag van Brussel neemt de verordening het perspectief van de verweerder in gerechtelijke procedures als uitgangspunt. In dit verband zijn de meeste bevoegdheidsregels van de verordening slechts van toepassing wanneer de verweerder zijn woonplaats in een lidstaat heeft. Wanneer de verweerder zijn woonplaats niet in een lidstaat heeft, verwijst de verordening naar het nationale recht ("subsidiaire bevoegdheid"), behalve in situaties waarin de gerechten van een lidstaat bij uitsluiting bevoegd zijn overeenkomstig de artikelen 22 en 23 van de verordening of in bepaalde soorten geschillen over specifieke onderwerpen (bv. Gemeenschapsmerken)[15].

De werking van de verordening in de internationale rechtsorde is het voorwerp geweest van een aantal verzoeken om een prejudiciële beslissing aan het Europees Hof van Justitie. In zaak 412/98 ( Josi ), heeft het Hof verduidelijkt dat de bevoegdheidsregels van de verordening (vroeger het verdrag) van toepassing zijn op een geschil tussen een verweerder met woonplaats in een lidstaat en een verzoeker met woonplaats in een derde staat. Bijgevolg kunnen verweerders met woonplaats in de lidstaten een beroep doen op de door de verordening geboden bescherming in geschillen waarbij partijen met woonplaats in derde staten zijn betrokken. In zaak C-281/02 ( Owusu ) oordeelde het Hof dat de regels van de verordening en met name de basisregel inzake de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verweerder, bindend zijn en dat de toepassing ervan niet op grond van het nationale recht kan worden terzijde geschoven. Dat is niet alleen het geval in verband met andere lidstaten, maar ook wanneer het geschil een band heeft met een derde staat en geen andere aanknopingsfactoren heeft met andere lidstaten. Ten slotte werd de werking van de verordening ten aanzien van derde staten door het Hof onderzocht in zijn advies 1/03. In dat advies stelt het Hof zich met name op het standpunt dat de bevoegdheidsregels van de verordening van toepassing zijn wanneer de verweerder zijn woonplaats heeft in een lidstaat in gevallen waarin de aanknopingfactoren voor exclusieve bevoegdheid op grond van de artikelen 22 en 23 van de verordening zich in een derde staat bevinden (geen zogenaamd " effet réflexe ").

Het ontbreken van geharmoniseerde regels inzake subsidiaire bevoegdheid heeft als gevolg dat de Gemeenschapsburgers geen gelijke toegang tot de rechter hebben. Uit de studie over residuele bevoegdheid blijkt dat dit met name het geval is in situaties waarin een partij voor de gerechten van derde staten geen eerlijk proces of geen adequate bescherming zou krijgen. De studie toont ook aan dat het ontbreken van gemeenschappelijke regels om ten aanzien van verweerders van derde landen de bevoegdheid te bepalen, de toepassing van dwingende Gemeenschapswetgeving in gevaar kan brengen, bijvoorbeeld op het gebied van consumentenbescherming (bv. time share), handelsagenten, gegevensbescherming of productaansprakelijkheid. In lidstaten waar geen aanvullende rechtsbescherming bestaat, kunnen consumenten geen procedure instellen tegen verweerders van derde staten. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld ook voor werknemers, handelsagenten, slachtoffers van inbreuken op het mededingingsrecht of van schade in verband met productaansprakelijkheid, en personen die een beroep willen doen op de door de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming verleende rechten. Op al deze gebieden, waarop dwingende Gemeenschapswetgeving bestaat, mag de door de Gemeenschapswetgeving geboden bescherming de Gemeenschapsverzoeker niet worden onthouden.

Bovendien kan het ontbreken van gemeenschappelijke regels over de gevolgen van beslissingen van derde staten in de Gemeenschap in bepaalde lidstaten leiden tot situaties waarin beslissingen van derde staten worden erkend en ten uitvoer gelegd zelfs wanneer die beslissingen in strijd zijn met dwingend Gemeenschapsrecht of het Gemeenschapsrecht voorziet in de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten.

Ten slotte toont de studie over de residuele bevoegdheid aan dat het ontbreken van geharmoniseerde regels om de gevallen te bepalen waarin de gerechten van de lidstaten zich op grond van de verordening ten gunste van de gerechten van een derde land onbevoegd kunnen verklaren, voor veel verwarring en onzekerheid zorgt.

3.3. Forumkeuze

Het op forumkeuzeovereenkomsten toepasselijke recht. Hoewel in artikel 23 van de verordening, zoals uitgelegd door het Europees Hof van Justitie, uitgebreid de voorwaarden worden vastgesteld voor de geldigheid van forumkeuzeovereenkomsten, blijft er onzekerheid bestaan omtrent de vraag of deze voorwaarden exhaustief zijn. Uit de studie blijkt dat in sommige gevallen, naast de in de verordening vastgestelde uniforme voorwaarden, de instemming van beide partijen, op residuele basis afhankelijk wordt gemaakt van het nationale recht, vastgesteld door verwijzing naar de lex fori of de lex causae . Dit leidt tot ongewenste gevolgen aangezien een forumkeuzeovereenkomst in een lidstaat als geldig kan worden beschouwd en in een andere als ongeldig.

Forumkeuze en aanhangigheid . De bezorgdheid werd geuit dat de verordening exclusieve forumkeuzeovereenkomsten niet voldoende zou beschermen. Deze bezorgdheid vloeit voort uit de mogelijkheid dat een partij bij een dergelijke overeenkomst, in strijd met de forumkeuzeovereenkomst, een zaak bij de gerechten van een lidstaat aanhangig maakt, en zo de procedure voor het gekozen gerecht belemmert in zoverre deze procedure na de eerste procedure is ingeleid. In zaak C-116/02 ( Gasser ) heeft het Europees Hof van Justitie bevestigd dat de in de verordening vastgestelde regel inzake aanhangigheid vereist dat de laatst aangezochte rechter de procedure moet opschorten totdat de bevoegdheid van de eerst aangezochte rechter vaststaat of totdat deze zich onbevoegd heeft verklaard. In zaak C-159/02 ( Turner ) heeft het Hof voorts bevestigd dat procedurele instrumenten uit het nationale recht die de gevolgen van forumkeuzeovereenkomsten kunnen versterken (zoals anti-suit injunctions ) onverenigbaar zijn met de verordening wanneer zij zich inmengen met het vaststellen door de gerechten van andere lidstaten van hun bevoegdheid op grond van de verordening.

De daaruit voortvloeiende parallelle procedures kunnen leiden tot vertragingen die nadelig zijn voor de goede werking van de interne markt. In sommige gevallen kan een partij gebruik maken van een dergelijke vertraging om een geldige forumkeuzeovereenkomst te dwarsbomen, en zichzelf zo een onrechtmatig commercieel voordeel te verlenen[16]. Parallelle procedures brengen ook extra kosten en onzekerheid met zich. Er werd ook melding gemaakt van het feit dat leners in het geval van bedrijfsleningen geneigd zijn om vroegtijdig een procedure in te leiden om de bevoegdheid van het in de overeenkomst aangewezen gerecht te waarborgen, met de negatieve economische gevolgen daarvan op het gebied van het uitoefenen van verzuimclausules en kruiselingse verzuimclausules in leningovereenkomsten. Deze situaties zijn vooral aanstootgevend in specifieke omstandigheden, zoals wanneer de eerste procedure beperkt is tot het verkrijgen van een negatieve declaratoire uitspraak, die als gevolg heeft dat de procedure ten gronde volledig wordt geblokkeerd.

Haags Verdrag inzake bedingen van forumkeuze. De Commissie heeft voorgesteld het op 30 juni 2005 onder auspiciën van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht gesloten Verdrag inzake bedingen van forumkeuze te ondertekenen[17]. Het verdrag zal van toepassing zijn op alle gevallen waarin ten minste één van de partijen in een verdragsluitende staat verblijft die geen EU-lidstaat is, terwijl de verordening van toepassing is wanneer ten minste één partij haar woonplaats heeft in een lidstaat. Bijgevolg moet een coherente toepassing van de regels van het verdrag en die van de verordening worden gewaarborgd. Zelfs wanneer de bevoegdheid tussen de gerechten van lidstaten wordt gecoördineerd, is de belangrijkste vraag of het aangewezen is om twee verschillende rechtsregelingen te behouden, afhankelijk van de vraag of één van de partijen in een derde staat haar woonplaats heeft[18]. Wat de kwestie van parallelle procedures betreft, bevat het verdrag geen rechtstreekse regels over aanhangigheid; het in de overeenkomst aangewezen gerecht mag de zaak verder behandelen, ook al wordt elders een parallelle procedure ingeleid. Elk ander gerecht moet de procedure opschorten of staken, behalve in een aantal in het verdrag beschreven situaties.

3.4. Industriële eigendom

De werking van de regels van de verordening op het gebied van industriële eigendom levert problemen, op zowel voor de houder van dergelijke rechten als voor personen die deze rechten wensen aan te vechten. Een eerste moeilijkheid heeft betrekking op de werking van de regel inzake aanhangigheid. Geschillenbeslechting op het gebied van industriële eigendom is een van de gebieden waarop partijen hebben gepoogd te anticiperen op de uitoefening van bevoegdheid door een bevoegd gerecht door een procedure in te leiden voor een ander gerecht dat doorgaans, maar niet altijd, onbevoegd is, bij voorkeur in een staat waar de procedure om over de bevoegdheidskwestie en/of over de grond van de zaak te beslissen, veel tijd in beslag neemt. Een dergelijke tactiek ("torpedo") kan een bijzondere vorm van misbruik zijn wanneer de eerste procedure een verklaring van niet-aansprakelijkheid tot doel heeft, waardoor het voor de andere partij eigenlijk onmogelijk wordt om voor een bevoegd gerecht een procedure ten gronde in te leiden. Die torpedo's kunnen zelfs leiden tot een situatie waarin helemaal geen vordering tot schadevergoeding kan worden ingesteld wanneer bijvoorbeeld een gerecht waarbij een vordering wegens inbreuk op een octrooi aanhangig is, zich onbevoegd heeft verklaard wegens het eerder instellen van een verzoek om een declaratoire uitspraak in een andere lidstaat, is het mogelijk dat de inbreukprocedure daarna niet kan worden hervat en dat de gerechten waarbij het verzoek om een declaratoire uitspraak aanhangig is, niet bevoegd zijn voor de inbreukprocedure.

"Torpedo's" worden niet alleen gebruikt in verband met declaratoire uitspraken, maar ook in verband met in een inbreukprocedure ingestelde tegenvorderingen die gebaseerd zijn op de ongeldigheid van een industrieel-eigendomsrecht. Verweerders in een inbreukprocedure kunnen deze procedure effectief blokkeren door als verweermiddel de ongeldigheid van het octrooi aan te voeren[19]. Aangezien procedures betreffende de geldigheid van octrooien moeten worden ingeleid bij de gerechten van de lidstaat waar het octrooi werd geregistreerd, is het gerecht dat over de inbreuk moet oordelen, verplicht om de procedure aan te houden totdat de procedure over de geldigheid is afgelopen. Dit kan een aanzienlijke vertraging veroorzaken, met name wanneer de verweerder de procedure over de kwestie van de geldigheid niet (snel) inleidt. Bovendien heeft het slachtoffer van een inbreuk op een industrieel-eigendomsrecht niet in alle lidstaten de mogelijkheid om te verzoeken om een positieve declaratoire uitspraak over de geldigheid van het recht.

Een andere moeilijkheid waarvan in het kader van octrooigeschillenbeslechting melding wordt gemaakt, is het feit dat er geen voeging mogelijk is van procedures tegen meerdere inbreukmakers op het Europees octrooi wanneer de inbreukmakers deel uitmaken van een groep van bedrijven die op gecoördineerde wijze handelen[20]. De verplichting om de zaak bij alle betrokken gerechten aanhangig te maken, zou voor de slachtoffers hoge kosten met zich brengen en een efficiënte behandeling van de vorderingen belemmeren.

3.5. Aanhangigheid en samenhang

De toepassing van de in de verordening vastgestelde regels inzake aanhangigheid en samenhang leidt ook in een aantal andere gevallen tot problemen.

Wat de exclusieve bevoegdheid op grond van artikel 22 van de verordening betreft, blijkt uit de studie niet dat er een onmiddellijke praktische behoefte is aan uitzonderingen op de prioriteitsregel. Niettemin werd het gebruik van "torpedo's" gemeld op andere specifieke gebieden, zoals zaken betreffende bedrijfsleningen en mededingingszaken. Bijgevolg moet worden nagegaan of de bestaande regel inzake aanhangigheid in het algemeen moet worden verbeterd om misbruik van de procedure te vermijden en om een goede rechtsbedeling in de Gemeenschap te waarborgen.

Wat de regel inzake samenhangende vorderingen betreft, belemmeren het vereiste dat beide vorderingen voor de gerechten aanhangig moeten zijn en de verwijzing naar het nationale recht voor de voorwaarden voor de voeging van samenhangende vorderingen een doeltreffende voeging van procedures op Gemeenschapsniveau. Thans is het op grond van de verordening niet mogelijk om bepaalde vorderingen voor de gerechten van een lidstaat te groeperen, met name vorderingen van verscheidene eisers tegen dezelfde verweerder[21]. Het is dikwijls nodig dat vorderingen worden gevoegd, bijvoorbeeld voor collectief verhaal voor consumenten en voor schadevergoedingsacties wegens schending van de communautaire mededingingsregels[22]. Bovendien kan het zich onbevoegd verklaren door het laatst geadieerde gerecht overeenkomstig artikel 28, lid 2, leiden tot een (tijdelijk) negatief jurisdictiegeschil wanneer het gerecht waarbij de zaak eerst is aangebracht, zich onbevoegd verklaart voor de betrokken vordering.

Een van de belangrijkste nieuwigheden in de verordening was de invoering van een definitie van het tijdstip waarop procedures worden beschouwd aanhangig te zijn voor de toepassing van de regels inzake aanhangigheid en samenhang. Deze definitie blijkt over het algemeen naar behoren te hebben gewerkt. Niettemin is onzekerheid gerezen omtrent de uitlegging ervan, die dient te worden verduidelijkt, bijvoorbeeld met betrekking tot de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving en de datum en het tijdstip van de indiening bij het gerecht of van de ontvangst door de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving.

3.6. Voorlopige maatregelen

De verscheidenheid van de nationale procedureregels van de lidstaten bemoeilijkt nog steeds het vrije verkeer van voorlopige maatregelen.

Een eerste moeilijkheid heeft betrekking op bewarende maatregelen die worden bevolen zonder dagvaarding van de verweerder en die moeten ten uitvoer worden gelegd zonder voorafgaande betekening of kennisgeving aan de verweerder. In zaak C-125/79 ( Denilauler ) oordeelde het Hof van Justitie dat dergelijke maatregelen ex parte buiten de werkingssfeer van de erkennings- en tenuitvoerleggingsregeling van de verordening vallen. Het is echter niet geheel duidelijk of dergelijke maatregelen op grond van de verordening kunnen worden erkend en ten uitvoer gelegd wanneer de verweerder de mogelijkheid heeft om de maatregel daarna aan te vechten.

Een tweede moeilijkheid heeft betrekking op conservatoire bevelen met als doel het verkrijgen van gegevens en bewijs. In zaak C-104/03 ( St. Paul Dairy ) heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat een maatregel waarbij het verhoor van een getuige wordt gelast teneinde de verzoeker in staat te stellen, in te schatten of een eventuele vordering opportuun is, niet onder het begrip voorlopige of bewarende maatregelen valt. Het is niet geheel duidelijk in hoeverre dergelijke maatregelen, als algemene regel, uitgesloten zijn uit de werkingssfeer van artikel 31 van de verordening. Aangevoerd werd dat een betere toegang tot de rechter zou zijn gewaarborgd, wanneer de verordening de bevoegdheid voor dergelijke maatregelen zou toekennen aan de gerechten van de lidstaten waar de verlangde gegevens of bewijselementen zich bevinden, naast de bevoegdheid van de gerechten die bevoegd zijn voor de zaak ten gronde. Dit is vooral van belang in zaken van intellectuele eigendom, waar het bewijs van de gestelde inbreuk moet worden geleverd via huiszoekingsbevelen, " saisies contrefaçon " of " saisies description "[23], en in het zeerecht.

Voorts zijn moeilijkheden gemeld met betrekking tot de toepassing van de door het Hof van Justitie in de zaken C-391/95 ( Van Uden ) en C-99/96 ( Mietz ) gestelde voorwaarden voor het geven van voorlopige maatregelen door een gerecht dat ten gronde niet bevoegd is. Het is met name onduidelijk hoe de "reële band tussen het voorwerp van de maatregel en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid" moet worden uitgelegd. Dit is met name het geval wanneer de maatregel tot doel heeft een tussentijdse betaling te krijgen of, meer algemeen, geen betrekking heeft op goederenbeslag.

Ten slotte heeft het vereiste van de terugbetalingsgarantie voor tussentijdse betalingen aanleiding gegeven tot uitleggingsproblemen en kan het leiden tot hoge kosten wanneer er wordt vanuit gegaan dat een dergelijke terugbetaling alleen kan worden gewaarborgd door het stellen van bankgaranties door de verzoekers.

3.7. Het raakvlak tussen de verordening en arbitrage

Arbitrage valt buiten de werkingssfeer van de verordening. De reden voor deze uitsluiting is dat de erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrageovereenkomsten en arbitrale uitspraken wordt beheerst door het Verdrag van New York van 1958 waarbij alle lidstaten partij zijn. Ondanks het ruime toepassingsgebied van de uitzondering werd de verordening in specifieke gevallen zodanig uitgelegd dat arbitrage en erkenning/tenuitvoerlegging van arbitrale uitspraken eronder vallen. Beslissingen waarin een arbitrale uitspraak is opgenomen, worden dikwijls (maar niet altijd) erkend en ten uitvoer gelegd op basis van de verordening. Voorlopige maatregelen betreffende de grond van arbitrageprocedures kunnen op grond van artikel 31 worden gegeven op voorwaarde dat het voorwerp van het geschil binnen de werkingssfeer van de verordening valt[24].

Uit de studie blijkt dat het raakvlak tussen de verordening en arbitrage moeilijkheden oplevert. Ondanks het feit dat het Verdrag van New York van 1958 over het algemeen als een goed werkend instrument wordt beschouwd, worden er toch parallelle procedures bij gerechten en scheidsgerechten gevoerd wanneer de geldigheid van het arbitrale beding door het scheidsgerecht wordt bevestigd, maar niet door het gerecht; procedurele instrumenten naar nationaal recht die als doel hebben de doeltreffendheid van arbitrageovereenkomsten te versterken (zoals anti-suit injunctions ), zijn onverenigbaar met de verordening wanneer zij zich inmengen in het vaststellen door de gerechten van andere lidstaten van hun bevoegdheid op grond van de verordening[25]; er is geen uniforme bevoegdheidsverdeling in procedures die ten dienste staan van een arbitrageprocedure of deze procedure ondersteunen[26]; de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen van gerechten waarin geen rekening wordt gehouden met een arbitraal beding, is onzeker; de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen over de geldigheid van een arbitraal beding of waarbij een arbitrale uitspraak nietig wordt verklaard, is onzeker; de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen waarin een arbitrale uitspraak is opgenomen, is onzeker; en ten slotte wordt de erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale uitspraken die door het Verdrag van New York worden beheerst, als minder snel en doeltreffend beschouwd dan de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen.

3.8. Andere kwesties

Naast de belangrijkste, hierboven behandelde punten, werden ook de volgende kwesties naar voren gebracht.

3.8.1. Toepassingsgebied

Wat het toepassingsgebied betreft, werden behalve het hierboven behandelde punt in verband met arbitrage, geen wezenlijke praktische problemen gemeld. De uitleggingsarresten van het Hof van Justitie bieden een passende leidraad voor de uitlegging van de woorden "burgerlijke en handelszaken" en van de uitsluitingen uit het toepassingsgebied van de verordening. Uit de algemene studie blijkt niettemin dat er moeilijkheden zijn bij de praktische toepassing van artikel 71 inzake de verhouding van de verordening met verdragen of overeenkomsten over bijzondere onderwerpen.

3.8.2. Andere kwesties inzake bevoegdheid

Met betrekking tot het begrip "woonplaats" toont het verslag aan dat er in de praktijk geen moeilijkheden rijzen wanneer de gerechten hun nationale begrip "woonplaats" toepassen op grond van artikel 59, lid 1, van de verordening. Er doen zich echter wel problemen voor bij het vaststellen of een partij een woonplaats heeft in een andere lidstaat overeenkomstig het recht van die lidstaat (artikel 59, lid 2.

De werking van een aantal bevoegdheidsregels zou kunnen worden verbeterd. In zaak C-462/06 ( Glaxosmithkline ) heeft het Hof van Justitie bijvoorbeeld bevestigd dat artikel 6, lid 1, niet van toepassing is in het kader van arbeidszaken. Voorts is uit de studie gebleken dat het nuttig kan zijn een niet-exclusieve bevoegdheid op basis van de "situs" van roerende activa in te voeren. Wat de exclusieve bevoegdheid over zakelijke rechten betreft, wordt er in de studie op gewezen dat het mogelijk moet zijn forumkeuzebedingen op te nemen in overeenkomsten betreffende de huur van kantoorruimte, en dat enige soepelheid wenselijk is wat de huur van vakantiewoningen betreft om te voorkomen dat geschillen moeten worden beslecht door een gerecht dat voor alle partijen ver afgelegen is. Wat de exclusieve bevoegdheid op het gebied van vennootschapsrecht betreft, rijzen vragen over het toepassingsgebied van de exclusieve bevoegdheidsregel en over het ontbreken van een uniforme definitie van het begrip "plaats van vestiging" van een vennootschap, hetgeen eventueel kan leiden tot positieve en negatieve jurisdictiegeschillen.

De niet-eenvormige toepassing van artikel 6, punt 2, en artikel 11 betreffende vorderingen tot vrijwaring of vorderingen tot voeging of tussenkomst overeenkomstig artikel 65 levert ook problemen op. Derde partijen en partijen die tegen de derde partij een vordering instellen, worden met name verschillend behandeld afhankelijk van de nationale procedureregels van de lidstaten. Bovendien ondervinden gerechten moeilijkheden om de gevolgen in te schatten van beslissingen die zijn gegeven door gerechten van andere lidstaten na oproeping van een derde partij.

Wat het zeerecht betreft, worden moeilijkheden gemeld in verband met de coördinatie van procedures tot instelling van een aansprakelijkheidsfonds en die tot vaststelling van individuele aansprakelijkheid. Verder zou de verwijzing naar het recht dat van toepassing is op de vervoerovereenkomst om te bepalen of een forumkeuzebeding in een cognossement bindende kracht heeft voor de derde-cognossementhouder[27], artificieel zijn.

In consumentenzaken zijn de onder artikel 15, lid 1, onder a) en b), van de verordening vallende soorten kredietovereenkomsten niet langer in overeenstemming met de evoluties op de markt voor consumentenkrediet, waar verschillende andere soorten kredietproducten tot stand zijn gekomen, zoals tot uiting komt in Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten[28].

In het licht van de op communautair niveau lopende werkzaamheden inzake collectief verhaal rijst de vraag of er voor die specifieke acties specifieke bevoegdheidsregels moeten worden ontwikkeld.

3.8.3. Andere kwesties inzake erkenning en tenuitvoerlegging

In zijn resolutie van 18 december 2008 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht om de kwestie van het vrije verkeer van authentieke akten aan te pakken[29]. In de algemene studie worden verschillende problemen beschreven met betrekking tot het vrije verkeer van boeten. Ten slotte wordt in de studie voorgesteld op welke manier de kosten van tenuitvoerleggingsprocedures kunnen worden beperkt.

[1] PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.

[2] PB C 27 van 26.1.1998, blz. 1.

[3] PB L 299 van 16.11.2005, blz. 62.

[4] PB L 319 van 25.11.1988.

[5] PB L 339 van 21.12.2007, blz. 1.

[6] De studie, hierna de "algemene studie" genoemd, werd uitgevoerd door Prof. Dr. B. Hess, Prof. Dr. T. Pfeiffer en Prof. Dr. P. Schlosser en is beschikbaar op:

http://ec.europa.eu/justice_home/doc_centre/civil/studies/doc_civil_studies_en.htm

[7] Deze studie werd verricht door Prof. A. Nuyts en is beschikbaar op:

http://ec.europa.eu/justice_home/doc_centre/civil/studies/doc_civil_studies_en.htm

[8] Deze studie werd verricht door GHK Consulting en is beschikbaar op:

http://ec.europa.eu/dgs/justice_home/evaluation/dg_coordination_evaluation_annexe_en.htm

[9] Zie het voorstel van de Commissie om het verdrag te ondertekenen, COM(2008) 538 en SEC(2008) 2389 van 5.9.2008.

[10] Studie naar een efficiëntere tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in de Europese Unie: transparantie van het vermogen van schuldenaars, beslag op bankrekeningen, uitvoerbaarheid bij voorraad en conservatoire maatregelen. De studie werd verricht door Prof.dr. B. Hess en is beschikbaar op:

http://ec.europa.eu/civiljustice/publications/docs/enforcement_judicial_decisions_180204_en.pdf

[11] Cijfers hoofdzakelijk gebaseerd op gegevens over 2003 tot en met 2005.

[12] De conclusies van de Raad zijn uitgevoerd in het programma van maatregelen voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB C 12 van 15.1.2001) en het actieplan ter uitvoering van het Haags Programma (COM(2006) 331).

[13] Dat is met name het gevolg van de schrapping uit de verordening van het vereiste van een regelmatige betekening of mededeling, die de mogelijkheden inzake misbruik door verweerders heeft beperkt.

[14] Zie bijvoorbeeld zaak C-7/98 ( Krombach ).

[15] Verordening (EG) nr. 40/94 inzake het Gemeenschapsmerk (PB L 11 van 14.1.1994, blz. 1).

[16] Er zij evenwel opgemerkt dat er geen statistieken bestaan om aan te tonen dat dergelijk gedrag vaak voorkomt.

[17] COM(2008) 538, 5.9.2008.

[18] Bovengenoemde studie over de gevolgen bevat een uitgebreide analyse van de verschillende situaties die zich kunnen voordoen in het kader van het Haags Verdrag en de verordening, met name in bijlage IV (zie voetnoot 8).

[19] Zaak C-315/01 ( GAT ).

[20] Zaak C-539/03 ( Roche Nederland ).

[21] Artikel 6, lid 1, staat thans alleen toe vorderingen tegen verscheidene verweerders te groeperen.

[22] Zie groenboek over collectief verhaal voor consumenten - COM(2008) 794 van 27.11.2008 - en witboek betreffende schadevergoedingsacties wegens schending van de communautaire mededingingsregels - COM(2008) 165 van 2.4.2008.

[23] Zie in dit verband de artikelen 7 en 9 van Richtlijn 2004/48/EG.

[24] Zaak C-391/95 ( Van Uden ).

[25] Zie zaak C-185/07 ( West Tankers ).

[26] Zie zaak C-190/89 ( Marc Rich ). Voorbeelden van dergelijk procedures die ten dienste staan, zijn procedures die als doel hebben een scheidsrechter aan te wijzen of te ontslaan, de plaats van arbitrage vast te stellen, de termijnen te verlengen, of een gerechtsdeskundige aan te wijzen voor de bewaring van bewijzen.

[27] Zie zaak C-387/98 ( Coreck Maritime ).

[28] Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66).

[29] Zie de resolutie van het Europees Parlement van 18 december 2008 houdende aanbevelingen aan de Commissie inzake de Europese authentieke akte, beschikbaar op de volgende website:http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+TA+P6-TA-2008-0636+0+DOC+XML+V0//NL.