5.8.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 212/370


Donderdag, 7 mei 2009
Verzoek om internationale bescherming, in een van de lidstaten ingediend door een onderdaan van een derde land of een statenloze (herschikking) ***I

P6_TA(2009)0377

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 7 mei 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (COM(2008)0820 – C6-0474/2008 – 2008/0243(COD))

2010/C 212 E/52

(Medebeslissingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0820),

gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 63, alinea 1, onder a), van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0474/2008),

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (1),

gezien de brief d.d. 3 april 2009 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 80 bis, lid 3, van zijn Reglement,

gelet op de artikelen 80 bis en 51 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0284/2009),

A.

overwegende dat het betreffende voorstel volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen,

1.

gaat akkoord met het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en zoals dit hieronder is geamendeerd;

2.

verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.

verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


(1)  PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


Donderdag, 7 mei 2009
P6_TC1-COD(2008)0243

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 7 mei 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 63, eerste alinea, punt 1, onder a),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het EG-Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (4), moet op verscheidene punten ingrijpend worden gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid dient tot herschikking van deze verordening te worden overgegaan.

(2)

Een gemeenschappelijk asielbeleid, dat een gemeenschappelijk Europees asielstelsel omvat, is een wezenlijk aspect van de doelstelling van de Europese Unie om geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen, die openstaat voor diegenen die onder druk van de omstandigheden op wettige wijze in de Europese Gemeenschap bescherming zoeken.

(3)

De Europese Raad is bij zijn bijzondere bijeenkomst van 15 en 16 oktober 1999 in Tampere overeengekomen te werken aan de instelling van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat stoelt op de volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, aangevuld bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, en zo te waarborgen dat niemand naar het land van vervolging wordt teruggestuurd, dus het verbod tot uitzetting of terugleiding te handhaven. Onverminderd de verantwoordelijkheidscriteria die in deze verordening zijn opgenomen, worden de lidstaten, die alle het beginsel van non-refoulement eerbiedigen, in dit verband beschouwd als veilige landen voor onderdanen voor derde landen.

(4)

In de conclusies van Tampere werd ook aangegeven dat een gemeenschappelijk asielstelsel op korte termijn een duidelijke en hanteerbare methode moet bevatten om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek.

(5)

Deze methode moet zijn gebaseerd op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers eerlijke criteria. Met de methode moet met name snel kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het toekennen van de internationalebeschermingsstatus te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, niet te ondermijnen.

(6)

Met het oog op de stapsgewijze invoering van een gemeenschappelijk Europees asielsysteem, dat op lange termijn moet leiden tot een gemeenschappelijke asielprocedure en tot een in de gehele Unie gelijke status voor personen aan wie asiel is toegekend, dienen in het huidige stadium de beginselen van de op 15 juni 1990 in Dublin ondertekende Overeenkomst betreffende de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend (Overeenkomst van Dublin), waarvan de uitvoering de harmonisering van het asielbeleid heeft bevorderd, te worden gehandhaafd, met dien verstande dat de wijzigingen worden aangebracht die op grond van de opgedane ervaringen noodzakelijk zijn.

(7)

De eerste fase van de totstandbrenging van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel ║ is nu afgerond. De Europese Raad van 4 november 2004 heeft het Haags programma vastgesteld; daarin worden voor de periode 2005-2010 de doelstellingen geformuleerd op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. In het programma wordt de Commissie verzocht haar evaluatie van de rechtsinstrumenten van de eerste fase af te ronden en de instrumenten en maatregelen van de tweede fase aan de Raad en het Europees Parlement voor te leggen met het oog op de goedkeuring ervan vóór eind 2010.

(8)

De voor asielzaken bevoegde diensten van de lidstaten dienen concrete steun te krijgen om hun dagelijkse operationele taken te kunnen uitvoeren. In deze context heeft het Europees Ondersteuningsbureau, opgericht bij Verordening (EG) nr. …/… van …  (5) , voor asielzaken een essentiële rol.

(9)

Gezien de resultaten van de verrichte evaluaties is het nu tijd om de uitgangspunten van Verordening (EG) nr. 343/2003 te bevestigen en tegelijkertijd de verbeteringen aan te brengen waarvan de ervaring heeft geleerd dat ze nodig zijn om het systeem effectiever te maken en personen die internationale bescherming vragen in het kader van deze procedure beter te beschermen.

(10)

Om ervoor te zorgen dat iedereen die internationale bescherming vraagt en geniet gelijk wordt behandeld, en met het oog op de samenhang met het bestaande EU-acquis op asielgebied, met name met Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (6), dient de werkingssfeer van deze verordening te worden uitgebreid tot personen die subsidiaire bescherming vragen en personen die subsidiaire bescherming genieten.

(11)

Om een gelijke behandeling van alle asielzoekers te waarborgen, dient Richtlijn ║…/…/EG║ van het Europees Parlement en de Raad van[tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten]  (7) van toepassing te zijn op de procedure voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat die bij deze verordening wordt geregeld.

(12)

Overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989 en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening het belang van het kind voorop te staan. Voorts dienen voor niet-begeleide minderjarigen vanwege hun kwetsbaarheid specifieke procedurele waarborgen te worden vastgelegd.

(13)

Overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening de eerbiediging van de eenheid van het gezin voorop te staan.

(14)

De gezamenlijke behandeling van verzoeken om internationale bescherming van de leden van een gezin door dezelfde lidstaat zorgt ervoor dat de verzoeken grondig worden behandeld en de beslissingen daarover coherent zijn en dat gezinsleden niet van elkaar worden gescheiden.

(15)

Om ervoor te zorgen dat het beginsel van de eenheid van het gezin en het belang van het kind volledig worden nageleefd, dient het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie tussen een aanvrager en zijn/haar familieleden in ruimere zin vanwege een zwangerschap of de recente geboorte van een kind, de gezondheidssituatie of de hoge leeftijd, een bindend verantwoordelijkheidscriterium te worden. Indien de aanvrager een niet-begeleide minderjarige is, dient de aanwezigheid van een familielid in een andere lidstaat die voor de niet-begeleide minderjarige kan zorgen, eveneens een bindend verantwoordelijkheidscriterium te worden.

(16)

Iedere lidstaat moet echter om humanitaire redenen of uit mededogen kunnen afwijken van de verantwoordelijkheidscriteria en een aanvraag om internationale bescherming die bij hemzelf of bij een andere lidstaat is ingediend kunnen behandelen, ook al is hij volgens de bindende criteria van deze verordening niet verantwoordelijk voor de behandeling, mits de betrokken lidstaat en de aanvrager ermee instemmen.

(17)

Er dient een persoonlijk onderhoud plaats te vinden om gemakkelijker te kunnen bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een aanvraag om internationale bescherming en ▐ om de aanvrager informatie te verstrekken over de toepassing van deze verordening.

(18)

Overeenkomstig met name artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dienen juridische waarborgen te worden ingebouwd en dient het recht om een besluit tot overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat aan te vechten voor de rechter, te worden gewaarborgd, teneinde de rechten van de betrokkenen daadwerkelijk te beschermen.

(19)

Overeenkomstig de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens dient het rechtsmiddel zowel betrekking te hebben op de toepassing van deze verordening als op de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat aan welke de aanvrager wordt overgedragen, zodat naleving van het internationale recht is gewaarborgd.

(20)

Voor de toepassing van deze verordening mag het begrip „bewaring” geen strafrechtelijke of punitieve connotatie hebben, maar wordt hieronder een uitsluitend bestuursrechtelijke tijdelijke maatregel verstaan.

(21)

Bij de bewaring van asielzoekers dient het uitgangspunt te zijn dat niemand in bewaring mag worden genomen uitsluitend omdat hij internationale bescherming zoekt. De bewaring van asielzoekers dient in het bijzonder te gebeuren overeenkomstig artikel 31 van het Verdrag van Genève in bewaringscentra die zich onderscheiden van penitentiaire inrichtingen , en alleen in de uitzonderlijke omstandigheden en met de waarborgen die duidelijk worden beschreven in Richtlijn ║…/…/EG║ [tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten]. Bovendien dient bewaring met het oog op overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat beperkt te blijven en te beantwoorden aan het evenredigheidsbeginsel ten aanzien van de gebruikte middelen en het beoogde doel.

(22)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1560/2003 van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad (8), kan een overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat vrijwillig plaatsvinden, in de vorm van een gecontroleerd vertrek of onder geleide. De lidstaten dienen vrijwillige overdracht te bevorderen en erop toe te zien dat overdrachten in de vorm van gecontroleerd vertrek of onder geleide op humane wijze gebeuren, met volledige eerbiediging van de grondrechten en de menselijke waardigheid.

(23)

Voor de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van personen is gewaarborgd overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag ║, en voor de vaststelling van een communautair beleid inzake de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf van onderdanen van derde landen, waaronder ook gezamenlijke inspanningen voor het beheer van de buitengrenzen, is het nodig de verantwoordelijkheidscriteria op evenwichtige wijze en vanuit een oogpunt van solidariteit vast te stellen.

(24)

De toepassing van deze verordening kan in bepaalde omstandigheden leiden tot een extra belasting van lidstaten waarvan de opvangcapaciteit, het asielstelsel of de infrastructuur als gevolg van bijzonder dringende omstandigheden onder extreme druk staan. In dergelijke gevallen dient een procedure te gelden waarmee overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat tijdelijk kan worden opgeschort en financiële bijstand kan worden verleend overeenkomstig de bestaande financiële EU-instrumenten. De tijdelijke opschorting van Dublinoverdrachten kan dan bijdragen tot een grotere mate van solidariteit met de lidstaten waarvan de asielstelsels, vooral als gevolg van hun ligging of hun demografische situatie, onder druk staan.

(25)

Teneinde alle personen die om internationale bescherming verzoeken in alle lidstaten een adequaat beschermingsniveau te bieden, dient deze opschortingsprocedure ook te worden toegepast wanneer de Commissie van oordeel is dat het beschermingsniveau voor personen die om internationale bescherming vragen in een bepaalde lidstaat niet in overeenstemming is met het Gemeenschapsrecht inzake asiel, in het bijzonder wat betreft de opvangvoorzieningen , de criteria voor internationale bescherming en de toegang tot de asielprocedure.

(26)

Toepassing van deze opschortingsprocedure van overdrachten is een uitzonderlijke maatregel om problemen als gevolg van bijzonder grote druk of aanhoudende bezorgdheid over de bescherming aan te pakken.

(27)

De Commissie moet periodiek nagaan of er vooruitgang is geboekt bij de ontwikkeling en harmonisatie op lange termijn van het gemeenschappelijk Europees asielsysteem en in hoeverre solidariteitsmaatregelen en de beschikbaarheid van een opschortingsprocedure dit vergemakkelijken, en moet over deze vooruitgang verslag uitbrengen.

Aangezien het Dublinsysteem niet bedoeld is als mechanisme voor een billijke taakverdeling bij de behandeling van verzoeken om internationale bescherming, en aangezien bepaalde lidstaten in bijzondere mate geconfronteerd worden met migrantenstromen, met name door hun geografische ligging, is het van essentieel belang na te denken over en voorstellen te doen voor bindende rechtsinstrumenten die voor meer solidariteit tussen de lidstaten en hogere beschermingsnormen zorgen. Deze instrumenten moeten het met name gemakkelijker maken om ambtenaren uit andere lidstaten te detacheren teneinde bijstand te bieden aan lidstaten die bijzonder onder druk komen te staan en waar verzoekers geen adequate bescherming genieten, en om personen die internationale bescherming genieten, in andere lidstaten onder te brengen wanneer de opvangvoorzieningen van een bepaalde lidstaat onvoldoende zijn, op voorwaarde dat de betrokkenen daarmee instemmen en dat hun grondrechten worden geëerbiedigd.

(28)

Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (9) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens op grond van de onderhavige verordening.

(29)

De uitwisseling van persoonsgegevens, waaronder gevoelige gegevens betreffende de gezondheid, voorafgaand aan een overdracht, zorgt ervoor dat de bevoegde asielinstanties de betrokkenen de juiste bijstand kunnen verlenen en waarborgt de continuïteit van de bescherming en de rechten die aan hen zijn toegekend. Overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG dienen specifieke bepalingen te worden opgenomen ter bescherming van de persoonsgegevens van degenen die zich in deze situatie bevinden.

(30)

De tenuitvoerlegging van deze verordening kan eenvoudiger en doeltreffender worden gemaakt door middel van bilaterale regelingen tussen de lidstaten om de communicatie tussen de bevoegde diensten te verbeteren, de proceduretermijnen te verkorten, de behandeling van overname- en terugnameverzoeken te vereenvoudigen, of praktische regels vast te stellen voor de overdracht van asielzoekers.

(31)

De continuïteit van het systeem om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is, dat bij Verordening (EG) nr. 343/2003 was ingesteld en nu bij deze verordening wordt geregeld, moet worden gewaarborgd. Daarnaast moet worden gewaakt over de coherentie tussen deze verordening en Verordening ║ (EG) nr …/… ║ van het Europees Parlement en de Raad van … [betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EG) nr. …/… tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend] (10).

(32)

De toepassing van het Eurodac-systeem, zoals ingesteld bij Verordening (EG) nr. ║…/…║ [betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EG) nr. …/… tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend] en met name de toepassing van de artikelen 6 en 10 daarvan, zal de toepassing van de onderhavige verordening vergemakkelijken.

(33)

De toepassing van het visuminformatiesysteem, dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (11), en in het bijzonder de uitvoering van de artikelen 21 en 22 daarvan, zal de toepassing van de onderhavige verordening vergemakkelijken.

(34)

Wat betreft de behandeling van personen die onder deze verordening vallen, zijn de lidstaten gebonden aan hun verplichtingen op grond van instrumenten van internationaal recht waarbij zij partij zijn.

(35)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (12).

(36)

In het bijzonder moet de Commissie ║ de bevoegdheid worden gegeven de voorwaarden en procedures voor de toepassing van de bepalingen betreffende niet-begeleide minderjarigen en gezinshereniging met afhankelijke verwanten vast te stellen, alsook de criteria die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van overdrachten. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot aanvulling van deze verordening met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing ║.

(37)

De voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 343/2003 vereiste maatregelen zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1560/2003. Sommige bepalingen van Verordening (EG) nr. 1560/2003 dienen in de onderhavige verordening te worden opgenomen omdat dit meer duidelijkheid schept of omdat zij een algemeen doel kunnen dienen. Het is in het bijzonder zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers van belang dat met behulp van een algemeen mechanisme een oplossing kan worden gevonden in het geval de lidstaten van mening verschillen over de toepassing van een bepaling van deze verordening. Daarom is het gerechtvaardigd het mechanisme dat bij Verordening (EG) nr. 1560/2003 is ingevoerd voor het beslechten van geschillen over de humanitaire clausule, op te nemen in deze verordening en de werkingssfeer ervan uit te breiden tot de gehele verordening.

(38)

Voor een doeltreffend toezicht op de toepassing van deze verordening moeten regelmatig evaluaties worden verricht.

(39)

Deze verordening is opgesteld met inachtneming van de grondrechten en de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend║. Deze verordening is er met name op gericht het recht op asiel dat in artikel 18 van het Handvest wordt gegarandeerd, volledig te waarborgen en de toepassing van de artikelen 1, 4, 7, 24 en 47 van het Handvest te bevorderen, en dient dienovereenkomstig te worden toegepast.

(40)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, ║ niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen ervan, beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

DOEL EN DEFINITIES

Artikel 1

Doel

In deze verordening worden de criteria en instrumenten vastgesteld om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten is ingediend.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„onderdaan van een derde land”: eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 17, lid 1, van het Verdrag ║ en die geen persoon is die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt in de zin van artikel 2, punt 5, van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad (13);

b)

„verzoek om internationale bescherming”: een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder g), van Richtlijn 2004/83/EG;

c)

„verzoeker” of „asielzoeker”: een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen;

d)

„behandeling van een verzoek om internationale bescherming”: alle maatregelen in verband met de behandeling van en beslissingen of uitspraken van bevoegde instanties over een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2005/85/EG van de Raad (14), met uitzondering van de procedures waarbij wordt bepaald welke lidstaat krachtens de bepalingen van deze verordening en Richtlijn 2004/83/EG verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming;

e)

„intrekking van een verzoek om internationale bescherming”: de handelingen waarmee de verzoeker, overeenkomstig Richtlijn 2005/85/EG, expliciet of stilzwijgend een einde maakt aan de procedures die in werking zijn getreden na de indiening van zijn verzoek om internationale bescherming;

f)

„persoon aan wie internationale bescherming wordt verleend”: een onderdaan van een derde land of een staatloze van wie is erkend dat hij internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2004/83/EG behoeft;

g)

„minderjarige”: een onderdaan van een derde land of een staatloze die jonger is dan 18 jaar;

h)

niet-begeleide minderjarige”: een minderjarige die zonder begeleiding van een krachtens de wet of het gewoonterecht voor hem/haar verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van een lidstaat aankomt, zolang hij/zij niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke volwassene staat; onder dit begrip vallen ook minderjarigen die zonder begeleiding worden achtergelaten nadat zij op het grondgebied van een lidstaat zijn aangekomen;

i)

„gezinsleden”: voor zover het gezin reeds in het land van herkomst bestond, de volgende leden van het gezin van de verzoeker die op het grondgebied van de lidstaten aanwezig zijn:

de echtgenoot van de verzoeker of de ongehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden, indien in de wetgeving of de praktijk van de betrokken lidstaat ongehuwde paren en gehuwde paren op een vergelijkbare manier worden behandeld in het kader van het vreemdelingenrecht;

de minderjarige kinderen van paren zoals bedoeld onder het eerste streepje of van de verzoeker, mits zij ongehuwd zijn, ongeacht of zij volgens de nationale wetgeving wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen zijn;

de gehuwde minderjarige kinderen van paren zoals bedoeld onder het eerste streepje of van de verzoeker, ongeacht of zij volgens de nationale wetgeving wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen zijn en op voorwaarde dat zij niet door hun echtgenoot vergezeld zijn , indien het in hun belang is bij de verzoeker te verblijven;

de vader, moeder of voogd van de verzoeker indien de verzoeker minderjarig en ongehuwd is, of indien hij minderjarig en gehuwd is en niet door zijn/haar echtgenoot vergezeld is, maar het in zijn belang is om bij zijn vader, moeder of voogd te verblijven;

de minderjarige ongehuwde broers en zussen van de verzoeker, indien de verzoeker minderjarig en ongehuwd is, of indien de verzoeker of zijn broers en zussen minderjarig en gehuwd zijn en niet door hun echtgenoot vergezeld zijn, maar een gezamenlijk verblijf in het belang van een of meer van hen is;

j)

„verblijfstitel”: een door de autoriteiten van een lidstaat afgegeven machtiging waarbij het een onderdaan van een derde land of een staatloze wordt toegestaan op het grondgebied van die lidstaat te verblijven, met inbegrip van de documenten waarbij personen worden gemachtigd zich op het grondgebied van die lidstaat op te houden in het kader van een tijdelijke beschermingsmaatregel of in afwachting van de tenuitvoerlegging van een verwijderingsmaatregel die tijdelijk door bepaalde omstandigheden niet kan worden uitgevoerd, echter met uitzondering van visa en verblijfsvergunningen die zijn afgegeven tijdens de periode die nodig is om te bepalen welke lidstaat in de zin van deze verordening verantwoordelijk is of tijdens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming of een aanvraag voor een verblijfsvergunning;

k)

„visum”: de machtiging of de beslissing van een lidstaat die vereist is met het oog op een doorreis of de binnenkomst voor een voorgenomen verblijf in die lidstaat of verscheidene lidstaten. Voor de verschillende soorten visa gelden de volgende definities:

i)

„visum voor verblijf van langere duur”: de machtiging of de beslissing van een lidstaat die vereist is voor de binnenkomst voor een voorgenomen verblijf in die lidstaat van meer dan drie maanden;

ii)

„visum voor kort verblijf”: de machtiging of de beslissing van een lidstaat die vereist is voor de binnenkomst voor een voorgenomen verblijf in die lidstaat of verscheidene lidstaten van in totaal ten hoogste drie maanden;

iii)

„doorreisvisum”: de machtiging of de beslissing van een lidstaat die vereist is om over het grondgebied van die lidstaat of van verscheidene lidstaten te reizen, die niet geldt voor de transitzone op luchthavens;

iv)

„transitvisum voor luchthavens”: de machtiging of de beslissing waarbij het een onderdaan van een derde land voor wie deze bijzondere vereiste geldt, wordt toegestaan zich tijdens een tussenlanding of bij een overstap tijdens een internationale vlucht in de transitzone van een luchthaven op te houden, zonder het nationale grondgebied van de betrokken lidstaat te betreden;

l)

„onderduikrisico”: het bestaan, in individuele gevallen, van aanwijzingen die zijn gebaseerd op bij wet gedefinieerde objectieve criteria, dat een persoon die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, of een onderdaan van een derde land of een staatloze op wie een overdrachtsbesluit van toepassing is, zou kunnen onderduiken.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE BEGINSELEN EN WAARBORGEN

Artikel 3

Toegang tot de procedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming

1.   De lidstaten behandelen elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van hen wordt ingediend, hetzij aan de grens hetzij op hun grondgebied of in de transitzone. Een verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van deze verordening genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.

2.   Wanneer op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria geen lidstaat kan worden aangewezen die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, is de lidstaat waar het verzoek het eerst werd ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

3.   Iedere lidstaat behoudt de mogelijkheid om, met inachtneming van de regels en waarborgen die zijn vastgelegd in Richtlijn 2005/85/EG, een asielzoeker naar een veilig derde land te zenden.

Artikel 4

Recht op informatie

1.   Zodra een verzoek om internationale bescherming is ingediend, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de verzoeker in kennis van de toepassing van deze verordening, en met name van:

a)

de doelstellingen van deze verordening en de gevolgen van het indienen van een ander verzoek in een andere lidstaat;

b)

de criteria voor de toekenning van de verantwoordelijkheid en de volgorde waarin zij worden toegepast;

c)

de algemene procedure en de termijnen waaraan de lidstaten zich moeten houden;

d)

de mogelijke uitkomsten van de procedure en de gevolgen daarvan;

e)

de mogelijkheid om een overdrachtsbesluit aan te vechten;

f)

het feit dat de bevoegde autoriteiten gegevens over hem kunnen uitwisselen, uitsluitend om de verplichtingen die uit deze verordening voortvloeien, na te komen;

g)

▐ het recht op toegang tot de hem betreffende gegevens en het recht te verzoeken om hem betreffende onjuiste gegevens recht te laten zetten of hem betreffende onrechtmatig verwerkte gegevens te laten verwijderen, alsmede de procedures om die rechten te doen gelden , met inbegrip van de contactgegevens van de in artikel 34 bedoelde autoriteiten en van de nationale gegevensbeschermings-autoriteiten die bevoegd zijn kennis te nemen van verzoeken betreffende de bescherming van persoonsgegevens.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt schriftelijk verstrekt, in een taal die de verzoeker begrijpt of redelijkerwijs geacht mag worden te begrijpen. De lidstaten maken gebruik van de overeenkomstig lid 3 voor dat doel opgestelde gemeenschappelijke brochure.

▐ Om de verzoeker de informatie te doen begrijpen, wordt de informatie ook mondeling verstrekt tijdens het overeenkomstig artikel 5 gevoerde onderhoud.

De lidstaten verstrekken de informatie op een wijze die past bij de leeftijd van de verzoeker.

3.   Volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure wordt een gemeenschappelijke brochure opgesteld, waarin ten minste de in lid 1 bedoelde informatie wordt opgenomen.

Artikel 5

Persoonlijk onderhoud

1.   De lidstaat die bepaalt welke lidstaat op grond van deze verordening verantwoordelijk is, roept de verzoekers op tot een persoonlijk onderhoud met iemand die naar nationaal recht bevoegd is tot het voeren van een dergelijk onderhoud.

2.   Het persoonlijk onderhoud vindt plaats om het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat te vereenvoudigen, in het bijzonder door de verzoeker de gelegenheid te bieden informatie te verstrekken die nodig is om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is, alsmede om de verzoeker mondeling informatie te verstrekken over de toepassing van deze verordening.

3.   Het persoonlijk onderhoud vindt plaats binnen een redelijke termijn nadat het verzoek om internationale bescherming is ingediend, en in elk geval voordat een eventueel besluit tot overdracht van de verzoeker aan de verantwoordelijke lidstaat overeenkomstig artikel 25, lid 1, wordt genomen.

4.   Het persoonlijk onderhoud wordt gevoerd in een taal die de verzoeker redelijkerwijs begrijpt of geacht kan worden te begrijpen en waarin hij/zij kan communiceren. Zo nodig wijst de lidstaat een tolk aan die kan zorgen voor een goede communicatie tussen de verzoeker en de persoon die het persoonlijk onderhoud voert.

5.   Het persoonlijk onderhoud vindt plaats in zodanige omstandigheden dat een passende geheimhouding is gewaarborgd.

6.   De lidstaat die het persoonlijk onderhoud voert, stelt een beknopt schriftelijk verslag op met de belangrijkste informatie die de verzoeker tijdens het onderhoud heeft verstrekt en stelt de verzoeker een kopie van dit verslag ter beschikking. Het verslag wordt aan een eventueel besluit tot overdracht in de zin van artikel 25, lid 1, gehecht.

Artikel 6

Waarborgen voor minderjarigen

1.   Bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, stellen de lidstaten het belang van het kind voorop.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de niet-begeleide minderjarige bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, wordt vertegenwoordigd en/of bijgestaan door een vertegenwoordiger in de zin van artikel 2, onder i), van Richtlijn 2005/85/EG . Deze vertegenwoordiger kan de vertegenwoordiger zijn zoals bedoeld in artikel 24 van Richtlijn ║…/…/EG║ [tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten].

3.   Om vast te stellen wat het belang van het kind is, werken de lidstaten nauw samen en houden zij in het bijzonder rekening met de volgende factoren:

a)

mogelijkheden tot gezinshereniging;

b)

het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, waarbij met name de etnische, religieuze, culturele en taalkundige achtergrond van de minderjarige in aanmerking wordt genomen;

c)

veiligheid en beveiliging, in het bijzonder wanneer het kind mogelijk slachtoffer is van mensenhandel;

d)

de standpunten van de minderjarige, voor zover zijn leeftijd en rijpheid dit toelaten.

4.   De lidstaten stellen procedures vast voor het opsporen van gezinsleden of andere verwanten van niet-begeleide minderjarige die in de lidstaten verblijven , zo nodig met de hulp van internationale of andere relevante organisaties . Zij beginnen zo snel mogelijk na de indiening van het verzoek om internationale bescherming met het opsporen van gezinsleden of andere verwanten van de minderjarige, waarbij het belang van de minderjarige wordt beschermd.

5.   De in artikel 34 bedoelde bevoegde autoriteiten die verzoeken van niet-begeleide minderjarigen behandelen, krijgen een passende opleiding met betrekking tot de specifieke behoeften van minderjarigen.

6.     In het kader van de toepassing van deze verordening mogen de lidstaten onder de in artikel 17 van Richtlijn 2005/85/EG gestelde voorwaarden gebruik maken van medische onderzoeken om de leeftijd van niet-begeleide minderjarigen te bepalen.

Wanneer gebruik wordt gemaakt van medische onderzoeken, dragen de lidstaten er zorg voor dat deze op redelijke en grondige wijze worden uitgevoerd, zoals vereist op grond van wetenschappelijke en ethische normen.

HOOFDSTUK III

CRITERIA VOOR HET AANWIJZEN VAN DE VERANTWOORDELIJKE LIDSTAAT

Artikel 7

Rangorde van de criteria

1.   De in dit hoofdstuk vastgestelde criteria aan de hand waarvan wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, zijn van toepassing in de volgorde waarin zij voorkomen in de tekst.

2.   Welke lidstaat met toepassing van de in dit hoofdstuk beschreven criteria verantwoordelijk is, wordt vastgesteld op grond van de situatie op het tijdstip waarop de verzoeker zijn verzoek om internationale bescherming voor de eerste maal bij een lidstaat indient.

Artikel 8

Niet-begeleide minderjarigen

1.   Indien de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is, berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming bij de lidstaat waar een lid van zijn gezin zich wettig ophoudt, voor zover dit in het belang van de minderjarige is.

2.   Indien de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is van wie geen enkel gezinslid in de zin van artikel 2, onder i), wettig in een andere lidstaat verblijft, maar als een andere met hem verwante persoon wettig in een andere lidstaat verblijft en voor hem kan zorgen, is die lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek, mits dit in het belang van de minderjarige is.

3.   Indien in meer dan één lidstaat wettig gezinsleden of andere verwanten van de verzoeker verblijven, wordt op basis van het belang van de minderjarige bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.

4.   Bij ontstentenis van gezinsleden of andere verwanten berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming bij de lidstaat waarbij de minderjarige zijn of haar ▐ verzoek heeft ingediend mits dit in het belang is van de minderjarige.

5.   De voorwaarden en procedures voor de toepassing van de leden 2 en 3 worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 9

Gezinsleden die internationale bescherming genieten

Wanneer een gezinslid van de asielzoeker, ongeacht of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd, als persoon die internationale bescherming geniet is toegelaten voor verblijf in een lidstaat, is deze lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dat wensen.

Artikel 10

Gezinsleden die om internationale bescherming verzoeken

Wanneer een gezinslid van een asielzoeker in een lidstaat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen beslissing in eerste aanleg is genomen, is deze lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dat wensen.

Artikel 11

Afhankelijke verwanten

1.   Wanneer de asielzoeker afhankelijk is van de hulp van een verwant wegens een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd, of wanneer een verwant om dezelfde reden afhankelijk is van de hulp van de asielzoeker, wordt de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek beschouwd als de lidstaat waar de betrokkenen het best bij elkaar kunnen blijven of kunnen worden herenigd, op voorwaarde dat er in het land van herkomst al familiebanden bestonden en de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen. Bij het aanwijzen van de lidstaat waar de betrokkenen het best bij elkaar kunnen blijven of kunnen worden herenigd, wordt rekening gehouden met het belang van de betrokkenen, zoals de vraag of de afhankelijke persoon in staat is te reizen.

2.   De voorwaarden en procedures voor de toepassing van lid 1 worden vastgesteld door de Commissie. Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening ║ te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 12

Gezinsprocedure

Indien meerdere leden van een gezin in dezelfde lidstaat gelijktijdig of met dusdanig korte tussenpozen een verzoek om internationale bescherming indienen dat de procedures om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is allemaal tegelijk kunnen worden afgewikkeld, en indien de toepassing van de criteria van deze verordening tot gevolg zou hebben dat de betrokkenen van elkaar worden gescheiden, wordt de verantwoordelijke lidstaat aangewezen op grond van de volgende bepalingen:

a)

de lidstaat die volgens de criteria van deze verordening verantwoordelijk is voor de overname van het grootste aantal gezinsleden, is verantwoordelijk voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming van alle gezinsleden;

b)

indien op grond van het voorgaande geen enkele lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, is de lidstaat die volgens de criteria van deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van het oudste lid van de groep, verantwoordelijk voor de behandeling van alle asielverzoeken.

Artikel 13

Afgifte van verblijfstitels of visa

1.   Wanneer de asielzoeker houder is van een geldige verblijfstitel, is de lidstaat die deze titel heeft afgegeven, verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

2.   Wanneer de asielzoeker houder is van een geldig visum, is de lidstaat die dit visum heeft afgegeven, verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, tenzij de betrokken lidstaat bij de afgifte van dit visum optrad als vertegenwoordiger of op grond van een schriftelijke machtiging van een andere lidstaat. In dat geval is deze laatste lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Wanneer een lidstaat, onder andere om redenen van veiligheid, vooraf de centrale autoriteiten van een andere lidstaat raadpleegt, vormt het antwoord van deze laatste lidstaat geen schriftelijke machtiging in de zin van deze bepaling.

3.   Wanneer de asielzoeker houder is van verscheidene geldige verblijfstitels of visa die door verschillende lidstaten zijn afgegeven, berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming achtereenvolgens bij:

a)

de lidstaat die de verblijfstitel met het langste verblijfsrecht heeft afgegeven of, indien de geldigheidsduur niet verschilt, de lidstaat die de verblijfstitel heeft afgegeven waarvan de geldigheidsduur het laatst verstrijkt;

b)

de lidstaat die het visum heeft afgegeven waarvan de geldigheidsduur het laatst verstrijkt, indien het om gelijksoortige visa gaat;

c)

wanneer de visa van verschillende aard zijn, de lidstaat die het visum met de langste geldigheidsduur heeft afgegeven of, indien de visa dezelfde geldigheidsduur hebben, de lidstaat die het visum heeft afgegeven waarvan de geldigheidsduur het laatst verstrijkt.

4.   Wanneer de asielzoeker slechts houder is van één of meer verblijfstitels die minder dan twee jaar zijn verlopen of van één of meer visa die minder dan zes maanden zijn verlopen en die hem daadwerkelijk toegang hebben verschaft tot het grondgebied van een lidstaat, zijn de leden 1, 2 en 3 van toepassing zolang de asielzoeker het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten.

Wanneer de asielzoeker houder is van één of meer verblijfstitels die meer dan twee jaar zijn verlopen of van één of meer visa die meer dan zes maanden zijn verlopen en die hem daadwerkelijk toegang hebben verschaft tot het grondgebied van een lidstaat, en hij/zij het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten, is de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming is ingediend, verantwoordelijk.

5.   Het feit dat de verblijfstitel of het visum is afgegeven op basis van een valse of fictieve identiteit of op vertoon van valse, vervalste of ongeldige documenten, vormt geen belemmering voor het toewijzen van de verantwoordelijkheid aan de lidstaat die de verblijfstitel of het visum heeft afgegeven. De lidstaat die de verblijfstitel of het visum heeft afgegeven, is echter niet verantwoordelijk indien hij kan aantonen dat er is gefraudeerd nadat de verblijfstitel of het visum werd verstrekt.

Artikel 14

Toegang en/of verblijf

1.   Wanneer is vastgesteld, aan de hand van bewijsmiddelen of indirect bewijs, zoals omschreven in de twee in artikel 22, lid 3, van deze verordening, genoemde lijsten, inclusief de gegevens zoals bedoeld in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. ║…/…, betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EG) nr. …/… tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend], dat een asielzoeker op illegale wijze de grens van een lidstaat heeft overschreden via het land, de zee of de lucht of komende vanuit een derde land, dan berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming bij die lidstaat. Deze verantwoordelijkheid eindigt twaalf maanden na de datum waarop de illegale grensoverschrijding heeft plaatsgevonden.

2.   Wanneer een lidstaat niet of niet meer verantwoordelijk kan worden gesteld overeenkomstig lid 1 en wanneer, aan de hand van bewijsmiddelen of indirect bewijs, zoals omschreven in de twee in artikel 22, lid 3, genoemde lijsten, is vastgesteld dat de asielzoeker - die illegaal of op onbekende wijze het grondgebied van de lidstaten is binnengekomen - gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf maanden in een lidstaat heeft verbleven alvorens het verzoek om internationale bescherming in te dienen, dan berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming bij die lidstaat.

Indien de asielzoeker gedurende perioden van ten minste vijf maanden in verscheidene lidstaten heeft verbleven, dan is de lidstaat waar dit het meest recentelijk het geval was, verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

Artikel 15

Visumvrijstelling

1.   Indien een onderdaan van een derde land of een staatloze het grondgebied betreedt van een lidstaat waar hij niet visumplichtig is, is de betrokken lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

2.   Het in lid 1 bedoelde beginsel is niet van toepassing indien de onderdaan van het derde land of de staatloze zijn verzoek om internationale bescherming indient in een andere lidstaat waar hij evenmin visumplichtig is voor de toegang tot het grondgebied. In dat geval is deze laatste lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

Artikel 16

Verzoeken in een internationale transitzone van een luchthaven

Indien in een internationale transitzone van een luchthaven van een lidstaat een verzoek om internationale bescherming wordt ingediend door een onderdaan van een derde land of een staatloze, is deze lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek.

HOOFDSTUK IV

DISCRETIONAIRE BEPALINGEN

Artikel 17

Discretionaire bepalingen

1.   In afwijking van artikel 3, lid 1, kan elke lidstaat om humanitaire redenen of uit mededogen besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht, mits de verzoeker hiermee instemt.

In dat geval wordt deze lidstaat de verantwoordelijke lidstaat in de zin van deze verordening en neemt hij de daaruit voortvloeiende verplichtingen op zich. In voorkomend geval stelt hij de lidstaat die op grond van de criteria van deze verordening voorheen verantwoordelijk was, de lidstaat waar een procedure loopt om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is, of de lidstaat tot welke een verzoek tot overname of terugname is gericht, daarvan in kennis door middel van het DubliNet, het netwerk voor elektronische communicatie dat in het leven is geroepen bij artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1560/2003.

De lidstaat die op grond van dit lid verantwoordelijk wordt, vermeldt ook onmiddellijk in Eurodac dat hij de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen, overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. ║…/…║ [betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EG) nr. …/… tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend ].

2.   De lidstaat waarin een verzoek om internationale bescherming is ingediend en die bepaalt welke lidstaat verantwoordelijk is, of de verantwoordelijke lidstaat kan te allen tijde een andere lidstaat vragen een verzoeker over te nemen teneinde gezinsleden en andere verwanten te herenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden, ook wanneer deze andere lidstaat niet verantwoordelijk is volgens de in de artikelen 8 tot en met 12 vastgelegde criteria. De betrokkenen moeten hiermee schriftelijk instemmen.

Het overnameverzoek omvat alle elementen waarover de verzoekende lidstaat beschikt om het de aangezochte staat mogelijk te maken de situatie te beoordelen.

De aangezochte lidstaat verricht alle verificaties die nodig zijn om de aangevoerde humanitaire redenen te controleren en neemt binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek een besluit. In geval van een afwijzing wordt vermeld om welke redenen het verzoek wordt geweigerd.

Indien de aangezochte lidstaat het verzoek inwilligt, wordt de verantwoordelijkheid voor de behandeling aan deze staat overgedragen.

HOOFDSTUK V

VERPLICHTINGEN VAN DE VERANTWOORDELIJKE LIDSTAAT

Artikel 18

Verplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat

1.   De lidstaat die krachtens deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, is verplicht:

a)

een asielzoeker die zijn verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend, volgens de in de artikelen 21, 22 en 28 bepaalde voorwaarden over te nemen;

b)

een verzoeker wiens verzoek in behandeling is en die een verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24 en 28 bepaalde voorwaarden terug te nemen;

c)

een verzoeker die zijn verzoek tijdens de behandeling heeft ingetrokken en die in een andere lidstaat een verzoek heeft ingediend, volgens de in de artikelen 23, 24 en 28 bepaalde voorwaarden terug te nemen;

d)

een onderdaan van een derde land of een staatloze wiens verzoek is afgewezen en die een verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24 en 28 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

2.   In alle in lid 1, onder a) tot en met d) bedoelde omstandigheden behandelt de verantwoordelijke lidstaat het verzoek om internationale bescherming of rondt hij de behandeling van het verzoek in de zin van artikel 2, onder d), af. Indien de verantwoordelijke lidstaat de behandeling van een verzoek had gestaakt omdat de verzoeker het verzoek had ingetrokken, maakt die lidstaat dit besluit ongedaan en rondt hij de behandeling van het verzoek in de zin van artikel 2, onder d), af.

Artikel 19

Beëindiging van de verantwoordelijkheid

1.   Indien een lidstaat de verzoeker een verblijfstitel verstrekt, gaan de in artikel 18, lid 1, genoemde verplichtingen over op deze lidstaat.

2.   De in artikel 18, lid 1, genoemde verplichtingen komen te vervallen indien de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek, bij een verzoek om over- of terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder d), kan aantonen dat de betrokkene het grondgebied van de lidstaten ten minste drie maanden heeft verlaten, tenzij hij houder is van een geldige verblijfstitel die door de verantwoordelijke lidstaat is afgegeven.

Een verzoek dat na een dergelijke afwezigheid wordt ingediend, wordt beschouwd als een nieuw verzoek, waarvoor opnieuw moet worden bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is.

3.   De in artikel 18, lid 1, onder c) en d), genoemde verplichtingen komen te vervallen wanneer de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek, bij een verzoek om terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder d), kan aantonen dat de betrokkene het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten op grond van een terugkeerbesluit of een verwijderingsbevel dat is uitgegeven na de intrekking of de afwijzing van het verzoek.

Een verzoek dat na een daadwerkelijke verwijdering wordt ingediend, wordt beschouwd als een nieuw verzoek, waarvoor opnieuw moet worden bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is.

HOOFDSTUK VI

OVER- EN TERUGNAMEPROCEDURES

Deel I

Begin van de procedure

Artikel 20

Begin van de procedure

1.   De procedure waarbij wordt vastgesteld welke lidstaat overeenkomstig deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, vangt aan zodra het asielverzoek voor de eerste maal bij een lidstaat wordt ingediend.

2.   Een verzoek om internationale bescherming wordt geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de verzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Bij een niet-schriftelijk verzoek dient de termijn tussen de intentieverklaring en het opstellen van een proces-verbaal zo kort mogelijk te zijn.

3.   Voor de toepassing van deze verordening is de situatie van de minderjarige die de asielzoeker vergezelt en onder de in artikel 2, onder i), geformuleerde definitie van gezinslid valt, onlosmakelijk verbonden met de situatie van diens ouder of voogd; deze valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van die ouder of voogd, ook al is de minderjarige zelf geen individuele asielzoeker, mits dit in het belang van de minderjarige is. Kinderen die na de aankomst van de asielzoeker op het grondgebied van de lidstaat zijn geboren, krijgen dezelfde behandeling, zonder dat een nieuwe procedure behoeft te worden ingeleid.

4.   Wanneer een verzoek om internationale bescherming bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat wordt ingediend door een verzoeker die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevindt, is het de taak van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verzoeker zich bevindt, om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. De lidstaat waar de asielzoeker zich bevindt, wordt onverwijld van het verzoek in kennis gesteld door de lidstaat waarbij het is ingediend, en wordt vervolgens voor de toepassing van deze verordening beschouwd als de lidstaat waarbij het verzoek om internationale bescherming is ingediend.

De verzoeker wordt schriftelijk in kennis gesteld van deze overdracht en van de datum waarop deze heeft plaatsgevonden.

5.   De lidstaat waarbij het verzoek om internationale bescherming is ingediend, is verplicht om, op de in de artikelen 23, 24 en 28 bepaalde voorwaarden en met het oog op afronding van de procedure tot vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, over te gaan tot terugname van de asielzoeker die zich in een andere lidstaat ophoudt en daar opnieuw een asielverzoek heeft ingediend na zijn eerste, in een andere lidstaat ingediende verzoek te hebben ingetrokken tijdens de procedure tot vaststelling van de staat die verantwoordelijk is.

Deze verplichting geldt niet meer wanneer de lidstaat die wordt verzocht de procedure voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat af te ronden, kan aantonen dat de asielzoeker het grondgebied van de lidstaten inmiddels ten minste drie maanden heeft verlaten of door een andere lidstaat in het bezit is gesteld van een verblijfstitel.

Een verzoek dat na een dergelijke afwezigheid wordt ingediend, wordt beschouwd als een nieuw verzoek, waarvoor opnieuw moet worden bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is.

Deel II

Procedures voor overnameverzoeken

Artikel 21

Indiening van een overnameverzoek

1.   De lidstaat waarbij een verzoek om internationale bescherming is ingediend en die van mening is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek, kan deze lidstaat zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen drie maanden na de indiening van het verzoek in de zin van artikel 20, lid 2, om overname verzoeken.

Indien er binnen drie maanden geen verzoek tot overname van de verzoeker wordt ingediend, is de lidstaat waarbij het verzoek om internationale bescherming is ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

2.   De verzoekende lidstaat kan om een spoedig antwoord vragen indien het verzoek om internationale bescherming enkel is ingediend als gevolg van een weigering tot toegang of verblijf, een aanhouding wegens illegaal verblijf of de betekening of de tenuitvoerlegging van een verwijderingsmaatregel, en/of de asielzoeker in bewaring wordt gehouden.

In het overnameverzoek wordt gemotiveerd op welke gronden met spoed een antwoord nodig is en binnen welke termijn dit antwoord wordt verwacht. Die termijn dient minstens één week te bedragen.

3.   In beide gevallen wordt het verzoek om overname door een andere lidstaat met behulp van een standaardformulier gedaan en gestaafd met bewijsmiddelen of indirecte bewijzen zoals omschreven in de twee in artikel 22, lid 3, genoemde lijsten, en/of relevante elementen uit de verklaring van de asielzoeker aan de hand waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of deze lidstaat op grond van de criteria van deze verordening verantwoordelijk is.

De regels voor het opstellen en indienen van overnameverzoeken worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 41, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

Artikel 22

Beantwoording van een overnameverzoek

1.   De lidstaat die om overname wordt verzocht, verricht de nodige naspeuringen en reageert op het verzoek tot overname van een verzoeker binnen twee maanden nadat hij het heeft ontvangen.

2.   Voor het afhandelen van de in deze verordening vastgestelde procedure ter bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor het behandelen van een verzoek om internationale bescherming worden bewijsmiddelen en indirecte bewijzen gebruikt.

3.   Overeenkomstig de in artikel 41, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure worden twee lijsten opgesteld die op gezette tijden worden getoetst en waarin volgens onderstaande criteria de bewijsmiddelen en indirecte bewijzen worden vermeld:

a)

Bewijsmiddelen:

i)

Dit zijn formele bewijzen die overeenkomstig de verordening de verantwoordelijkheid bepalen, zolang er geen bewijs is van het tegendeel,

ii)

De lidstaten leveren het comité van artikel 41 modellen van de verschillende soorten administratieve documenten, overeenkomstig de in de lijst van formele bewijzen gegeven type-indeling.

b)

Indirecte bewijzen:

i)

Dit zijn aanwijzingen die, hoewel weerlegbaar, in sommige gevallen voldoende kunnen zijn, overeenkomstig de bewijskracht die eraan wordt toegekend,

ii)

De kracht van bewijs van deze aanwijzingen wordt, in samenhang met de verantwoordelijkheid voor de afhandeling van het verzoek om internationale bescherming, per geval bekeken.

4.   De bewijsvereisten mogen niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de correcte toepassing van deze verordening.

5.   Indien formele bewijzen ontbreken, erkent de aangezochte lidstaat zijn verantwoordelijkheid wanneer de indirecte bewijzen samenhangend, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is.

6.   Indien de verzoekende lidstaat, overeenkomstig artikel 21, lid 2, met spoed om antwoord vraagt, stelt de aangezochte lidstaat alles in het werk om zich te houden aan de gevraagde termijn. In uitzonderlijke gevallen, waarin kan worden aangetoond dat de behandeling van een verzoek tot overname van een verzoeker buitengewoon complex is, kan de aangezochte lidstaat na de gevraagde termijn antwoorden, maar in ieder geval binnen een maand. In dergelijke situaties moet de aangezochte lidstaat zijn besluit om later te antwoorden, binnen de oorspronkelijk gevraagde termijn meedelen aan de verzoekende lidstaat.

7.   Het zonder reactie laten verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn van twee maanden en van de in lid 6 bedoelde termijn van een maand, staat gelijk met aanvaarding van het overnameverzoek en houdt de verplichting in om de persoon over te nemen en te zorgen voor passende opvangregelingen.

Deel III

Procedures voor terugnameverzoeken

Artikel 23

Indiening van een terugnameverzoek

1.   Wanneer een lidstaat waar een volgend verzoek om internationale bescherming wordt ingediend of waar een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder d), zich ophoudt zonder verblijfstitel, van oordeel is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is overeenkomstig artikel 20, lid 5, en artikel 18, lid 1, onder b), c) en d), kan hij die andere lidstaat verzoeken de betrokken persoon terug te nemen.

2.   In geval van een volgend verzoek om internationale bescherming wordt het verzoek tot terugname van de betrokkene zo snel mogelijk ingediend en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van de Eurodac-treffer overeenkomstig artikel 6, lid 6, van Verordening (EG) nr. ║…/…║ [betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EG) nr. …/… tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend].

Indien het verzoek tot terugname van de verzoeker die een volgend verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, is gebaseerd op ander bewijs dan de gegevens uit het Eurodac-systeem, wordt het terugnameverzoek aan de aangezochte lidstaat gezonden binnen drie maanden na de indiening van het verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 20, lid 2.

3.   Indien er geen volgend verzoek om internationale bescherming is en indien de verzoekende lidstaat besluit het Eurodac-systeem te raadplegen overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. ║…/…/║ [betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EG) nr. …/… tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend], wordt het terugnameverzoek zo snel mogelijk ingediend, en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van de Eurodac-treffer overeenkomstig artikel 13, lid 4, van die verordening.

Indien het terugnameverzoek is gebaseerd op ander bewijs dan de gegevens uit het Eurodac-systeem, wordt het aan de aangezochte lidstaat gezonden binnen drie maanden nadat de verzoekende lidstaat vaststelt dat wellicht een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de betrokken persoon.

4.   Indien het verzoek tot terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder d), niet binnen de in de leden 2 en 3 van dit artikel gestelde termijnen wordt ingediend, berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming bij de lidstaat waar het verzoek vervolgens werd ingediend of waar de betrokkene zich zonder verblijfsvergunning ophoudt.

5.   Het verzoek tot terugname van de verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder d), wordt gedaan met behulp van een standaardformulier en gestaafd met bewijsmiddelen of indirecte bewijzen en/of relevante elementen uit de verklaring van de asielzoeker op grond waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of de aangezochte lidstaat verantwoordelijk is.

De regels betreffende de bewijzen en indicaties en de interpretatie daarvan, alsmede die voor het opstellen en indienen van verzoeken, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 41, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

Artikel 24

Beantwoording van een terugnameverzoek

1.   De aangezochte lidstaat verifieert de gegevens en neemt een besluit over het terugnameverzoek, en wel zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk één maand nadat het verzoek is ingediend. Wanneer het verzoek is gebaseerd op uit het Eurodac-systeem verkregen gegevens, wordt deze termijn teruggebracht tot twee weken.

2.   Het zonder reactie laten verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn van één maand of twee weken, staat gelijk met aanvaarding van het overnameverzoek en houdt de verplichting in om de betrokken persoon terug te nemen en te zorgen voor passende opvangregelingen.

Deel IV

Procedurele waarborgen

Artikel 25

Kennisgeving van een overdrachtsbesluit

1.   Wanneer de aangezochte lidstaat instemt met de overname of de terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder d), stelt de verzoekende lidstaat de betrokkene in kennis van het besluit om hem over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat en, indien van toepassing, van het besluit om zijn verzoek om internationale bescherming niet te behandelen. Deze kennisgeving gebeurt schriftelijk, in een taal die de verzoeker begrijpt of redelijkerwijs geacht kan worden te begrijpen, en uiterlijk vijftien werkdagen na ontvangst van het antwoord van de aangezochte lidstaat.

2.   Het in lid 1 bedoelde besluit wordt gemotiveerd, en bevat een beschrijving van de belangrijkste stappen in de procedure die tot het besluit hebben geleid. In de kennisgeving wordt informatie gegeven over de beschikbare rechtsmiddelen en de termijnen om daarvan gebruik te maken, alsmede over personen of instanties die de betrokkene rechtsbijstand kunnen verlenen en/of hem kunnen vertegenwoordigen. In de kennisgeving wordt vermeld binnen welke termijn de overdracht zal plaatsvinden en, indien de betrokkene zich op eigen gelegenheid naar de verantwoordelijke lidstaat begeeft, waar en wanneer hij zich in die lidstaat moet melden. De termijn voor de overdracht wordt zo vastgesteld dat de betrokkene over een redelijke periode beschikt om een rechtsmiddel in te zetten overeenkomstig artikel 26.

Artikel 26

Rechtsmiddelen

1.   De verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder d), heeft het recht tegen het in artikel 25 bedoelde overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een rechtsmiddel in te stellen, in de vorm van een beroep of een verzoek tot herziening ten aanzien van de feiten en het recht.

2.   De lidstaten stellen een redelijke termijn vast waarbinnen de betrokkene zijn recht op het instellen van een rechtsmiddel overeenkomstig lid 1, kan uitoefenen.

Die termijn bedraagt niet minder dan tien werkdagen, te rekenen vanaf de in artikel 25, lid 1, bedoelde datum van kennisgeving.

3.   Indien tegen het overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 25 beroep of een verzoek tot herziening wordt ingesteld, beslist de in lid 1 van dit artikel bedoelde instantie hetzij op verzoek van de betrokkene, hetzij, bij ontstentenis van een dergelijk verzoek, ambtshalve zo spoedig mogelijk, en in ieder geval uiterlijk vijf werkdagen na de indiening van het beroep of het verzoek tot herziening, of de betrokkene in afwachting van de uitkomst van het beroep of het verzoek tot herziening op het grondgebied van de betrokken lidstaat mag blijven.

4.   Er vindt geen overdracht plaats voordat de in lid 3 bedoelde beslissing is genomen. Een beslissing om de betrokkene niet toe te staan om in afwachting van de uitkomst van het beroep of het verzoek tot herziening op het grondgebied van de lidstaat te blijven, wordt gemotiveerd.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de betrokkene toegang heeft tot rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging en zo nodig tot taalkundige bijstand.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat op verzoek gratis de noodzakelijke rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging ter beschikking wordt gesteld overeenkomstig artikel 15, leden 3 tot en met 6, van Richtlijn 2005/85/EG .

De regels voor de toegang tot rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging worden bij nationaal recht vastgesteld.

Deel V

Bewaring met het oog op overdracht

Artikel 27

Bewaring

1.   De lidstaten houden niemand in bewaring om de enkele reden dat hij om internationale bescherming verzoekt overeenkomstig Richtlijn 2005/85/EG.

2.   Onverminderd artikel 8, lid 2, van Richtlijn ║…/…/EG║ [tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten] mogen de lidstaten, wanneer zulks nodig blijkt op basis van de individuele beoordeling van het geval, ▐ een asielzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder d), van deze verordening ten aanzien van wie een besluit tot overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat is genomen, alleen in een voorziening zonder detentiekarakter in bewaring houden indien andere, minder dwingende maatregelen niet effectief zijn gebleken en er een risico van betekenis bestaat dat de betrokkene onderduikt.

3.   Wanneer de lidstaten ten behoeve van lid 2 beoordelen of andere, minder dwingende maatregelen kunnen worden toegepast, overwegen zij alternatieven voor bewaring zoals het zich regelmatig melden bij de instanties, het stellen van een borgsom, de verplichting om op een bepaalde plaats te blijven of andere maatregelen om het risico op onderduiken tegen te gaan.

4.   Bewaring op grond van lid 2 mag alleen worden toegepast vanaf het moment dat de betrokkene overeenkomstig artikel 25 in kennis is gesteld van het besluit tot overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat, totdat hij wordt overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat.

5.   Bewaring op grond van lid 2 wordt voor een zo kort mogelijke termijn bevolen. De bewaring mag niet langer duren dan de tijd die redelijkerwijs nodig is voor de vereiste administratieve procedures voor het verrichten van de overdracht.

6.   Bewaring op grond van lid 2 wordt bevolen door de rechter. In dringende gevallen kan bewaring worden bevolen door een bestuurlijke instantie; in dat geval moet de bewaring binnen 72 uur na aanvang ervan door de rechter worden bevestigd. Wanneer de rechter de bewaring als onrechtmatig aanmerkt, wordt de betrokkene onmiddellijk vrijgelaten.

7.   Bewaring op grond van lid 2 wordt schriftelijk bevolen, waarbij de feitelijke en juridische gronden voor de bewaring, en in het bijzonder de redenen waarom wordt aangenomen dat er een risico ▐ bestaat dat de betrokkene zal onderduiken, worden vermeld, alsmede de duur van de bewaring.

Personen in bewaring worden onmiddellijk in kennis gesteld van de gronden voor de bewaring, de geplande duur van de bewaring en de in het nationale recht vastgelegde procedures om het bevel tot bewaring aan te vechten, in een taal die zij begrijpen of redelijkerwijs geacht kunnen worden te begrijpen.

8.   In elk geval van bewaring op grond van lid 2 wordt de ▐ bewaring, op verzoek van de betrokkene of ambtshalve, met redelijke tussenpozen door de rechter herzien. Bewaring wordt nooit onrechtmatig verlengd.

9.   De lidstaten zorgen ervoor dat personen in bewaring op grond van lid 2 toegang hebben tot rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging en dat deze kosteloos worden verstrekt indien de betrokkene de kosten niet kan opbrengen.

De regels voor de toegang tot rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging in dergelijke gevallen worden bij nationaal recht vastgesteld.

10.   Minderjarigen worden niet in bewaring gesteld, tenzij dit in hun eigen belang is in de zin van artikel 6, lid 3, van deze verordening en volgens een individueel onderzoek van hun situatie overeenkomstig artikel 11, lid 5, van Richtlijn ║…/…/EG║ [tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten].

11.   Niet-begeleide minderjarigen worden nooit in bewaring gesteld.

12.   De lidstaten zorgen ervoor dat asielzoekers in bewaring overeenkomstig dit artikel dezelfde opvangvoorwaarden voor verzoekers in bewaring genieten als die welke zijn vastgesteld in de artikelen 10 en 11 van Richtlijn ║…/…/EG║ [tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten].

Deel VI

Overdrachten

Artikel 28

Werkwijzen en termijnen

1.   De verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder d), wordt overeenkomstig de nationale wetgeving van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep wanneer daaraan overeenkomstig artikel 26, lid 3, opschortende werking is toegekend.

De verzoekende lidstaat verstrekt de asielzoeker zo nodig een doorlaatbewijs overeenkomstig het volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure goedgekeurde model.

De verantwoordelijke lidstaat laat de verzoekende lidstaat weten dat de betrokkene is aangekomen of dat hij zich niet binnen de gestelde termijn heeft gemeld.

2.   Indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, komt de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen, te vervallen, en gaat de verantwoordelijkheid over op de verzoekende lidstaat. Indien de overdracht wegens bewaring van de betrokkene niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal één jaar worden verlengd of tot maximaal 18 maanden indien de betrokkene onderduikt.

3.   Indien een persoon ten onrechte is overgedragen of indien een overdrachtsbesluit in beroep wordt teruggedraaid nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, neemt de lidstaat die de overdracht heeft verricht, de betrokkene onmiddellijk terug.

4.   De Commissie kan aanvullende regels inzake de tenuitvoerlegging van de overdracht vaststellen. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 29

Kosten van overdrachten

1.   De kosten die moeten worden gemaakt om een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder d), over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat worden gedragen door de overdragende lidstaat.

2.   Wanneer de betrokkene moet worden teruggezonden naar een lidstaat omdat hij ten onrechte is overgedragen of omdat het overdrachtsbesluit in beroep is teruggedraaid nadacht de overdracht had plaatsgevonden, worden de kosten van het terugzenden gedragen door de lidstaat die de overdracht oorspronkelijk heeft verricht.

3.   Van personen die moeten worden overgedragen op grond van deze verordening, wordt niet verlangd de kosten van de overdracht te dragen.

4.   Er kunnen aanvullende regels betreffende de verplichting van de overdragende lidstaat om de kosten van de overdracht te dragen, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 41, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

Artikel 30

Uitwisseling van relevante informatie voordat de overdracht wordt verricht

1.   Bij alle overdrachten deelt de overdragende lidstaat de ontvangende lidstaat mee of de betrokkene de overdracht aankan. Enkel personen die de overdracht aankunnen, worden overgedragen.

2.   De lidstaat die de overdracht verricht, deelt de verantwoordelijke lidstaat toereikende, terzake dienende en niet buitensporige persoonsgegevens betreffende de over te dragen persoon mee, uitsluitend om ervoor te zorgen dat de bevoegde asielinstanties in de verantwoordelijke lidstaat de betrokkene de juiste bijstand kunnen verlenen, zoals noodzakelijke medische zorg, en om de continuïteit van de bij deze Verordening en bij Richtlijn ║…/…/EG║ [tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten] toegekende bescherming en rechten te waarborgen. Die informatie wordt in een vroeg stadium verstrekt en ten laatste zeven werkdagen voordat de overdracht wordt verricht, behalve wanneer de lidstaat pas later kennis neemt van het feit dat de overdracht zal plaatsvinden.

3.   De lidstaten wisselen in het bijzonder de volgende informatie uit:

a)

contactgegevens van gezinsleden of andere verwanten in de ontvangende lidstaat, indien van toepassing;

b)

in het geval van minderjarigen: informatie over het opleidingsniveau;

c)

informatie over de leeftijd van de verzoeker;

d)

elke andere informatie die de overdragende lidstaat essentieel acht om de rechten en bijzondere behoeften van de betrokken verzoeker te waarborgen.

4.   Enkel om ervoor te zorgen dat de juiste verzorging of behandeling gegeven wordt aan met name gehandicapten, ouderen, zwangere vrouwen, minderjarigen en personen die zijn blootgesteld aan foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld, verstrekt de overdragende lidstaat informatie over eventuele bijzondere behoeften van de over te dragen verzoeker, waarbij het in sommige gevallen ook gaat om informatie over de fysieke of mentale gezondheidstoestand van de betrokkene. De verantwoordelijke lidstaat zorgt ervoor dat goed in deze bijzondere behoeften wordt voorzien, met name als het gaat om essentiële medische zorg.

5.   De in lid 4 bedoelde informatie wordt uitsluitend door de overdragende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat verstrekt nadat de verzoeker en/of zijn/haar vertegenwoordiger hier uitdrukkelijk mee heeft ingestemd of indien dit nodig is ter bescherming van de vitale belangen van de betrokkene of van een andere persoon, indien het hem om fysieke of juridische redenen onmogelijk is om zijn toestemming te verlenen. Nadat de overdracht is verricht, wordt deze informatie onmiddellijk door de overdragende lidstaat gewist.

6.   Persoonlijke gezondheidsgegevens worden alleen verwerkt door gezondheidswerkers die, op grond van het nationale recht of op grond van voorschriften die door nationale bevoegde instanties zijn vastgesteld, onderworpen zijn aan het medisch beroepsgeheim, of door andere personen voor wie een gelijkwaardige geheimhoudingsplicht geldt. Deze gezondheidswerkers en personen die dergelijke informatie ontvangen en verwerken krijgen een passende medische opleiding en een opleiding op het gebied van de verwerking van gevoelige persoonsgegevens betreffende de gezondheid.

7.   De uitwisseling van informatie uit hoofde van dit artikel vindt alleen plaats tussen de overeenkomstig artikel 34 van deze verordening bij de Commissie aangemelde diensten, die daarbij gebruikmaken van het ║ elektronische communicatienetwerk „DubliNet”. De overeenkomstig artikel 33 van deze verordening aangemelde diensten delen tevens mee welke gezondheidswerkers gemachtigd zijn de in lid 4 van dit artikel bedoelde informatie te verwerken. De uitgewisselde informatie mag uitsluitend voor de in de leden 2 en 4 genoemde doeleinden worden gebruikt.

8.   Om de informatie-uitwisseling tussen de lidstaten te vergemakkelijken, wordt een standaardformulier voor de doorgifte van de op grond van dit artikel vereiste gegevens opgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure van artikel 41, lid 2.

9.   De in artikel 33, leden 8 tot en met 12 vastgelegde regels zijn van toepassing op de uitwisseling van informatie op grond van dit artikel.

Artikel 31

Wijze van uitvoering van overdrachten

1.     De lidstaat die de overdracht uitvoert, bevordert vrijwillige overdrachten door aan de verzoeker voldoende informatie te verstrekken.

2.     Als overdrachten aan de verantwoordelijke lidstaat plaatsvinden in de vorm van een gecontroleerd vertrek of onder geleide, dragen de lidstaten er zorg voor dat dit op humane wijze gebeurt, met volledige eerbiediging van de grondrechten en de menselijke waardigheid.

Deel VII

Tijdelijke opschorting van overdrachten

Artikel 32

Tijdelijke opschorting van overdrachten

1.   Wanneer de opvangcapaciteit, het asielstelsel of de infrastructuur van een lidstaat als gevolg van bijzonder dringende omstandigheden uitzonderlijk zwaar onder druk staan, en wanneer als gevolg van de overdracht van personen die om internationale bescherming verzoeken aan die lidstaat op grond van deze verordening die druk nog verder zou kunnen oplopen, kan die lidstaat om de opschorting van de overdrachten verzoeken.

Dit verzoek wordt ingediend bij de Commissie. Het verzoek wordt gemotiveerd en bevat in het bijzonder:

a)

een uitvoerige beschrijving van de bijzonder dringende omstandigheden waardoor de opvangcapaciteit, het asielstelsel of de infrastructuur van de verzoekende lidstaat uitzonderlijk zwaar onder druk staan, met inbegrip van statistieken en bewijsstukken;

b)

een gemotiveerde prognose van de verwachte ontwikkeling van de situatie op de korte termijn;

c)

een toelichting waaruit blijkt hoe de overdracht van personen die om internationale bescherming verzoeken overeenkomstig deze verordening, de opvangcapaciteit, het asielstelsel of de infrastructuur van de verzoekende lidstaat nog verder onder druk zou kunnen zetten, met inbegrip van statistieken en bewijsstukken.

2.   Wanneer de Commissie van oordeel is dat de omstandigheden in een lidstaat ertoe kunnen leiden dat het beschermingsniveau voor personen die om internationale bescherming verzoeken, niet in overeenstemming is met het Gemeenschapsrecht, in het bijzonder met Richtlijn ║…/…/EG║ [tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten] , Richtlijn 2005/85/EG en Richtlijn 2004/83/EG , kan zij overeenkomstig de in lid 4 beschreven procedure besluiten alle overdrachten op grond van deze verordening aan de betrokken lidstaat op te schorten.

3.   Wanneer een lidstaat vreest dat de omstandigheden in een andere lidstaat ertoe kunnen leiden dat het beschermingsniveau voor personen die om internationale bescherming verzoeken, niet in overeenstemming is met het Gemeenschapsrecht, in het bijzonder met Richtlijn ║…/…/EG║ [tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten] , Richtlijn 2005/85/EG en Richtlijn 2004/83/EG , kan hij verzoeken alle overdrachten op grond van deze verordening aan de betrokken lidstaat op te schorten.

Dit verzoek wordt ingediend bij de Commissie. Het verzoek wordt gemotiveerd en bevat in het bijzonder uitvoerige informatie over de situatie in de betrokken lidstaat die wijst op een mogelijk gebrek aan overeenstemming met het Gemeenschapsrecht, in het bijzonder met Richtlijn ║…/…/EG║ [tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten] , Richtlijn 2005/85/EG en Richtlijn 2004/83/EG .

4.   Na ontvangst van een verzoek in de zin van de leden 1 of 3, of op eigen initiatief op grond van lid 2, kan de Commissie besluiten alle overdrachten overeenkomstig deze verordening aan de betrokken lidstaat op te schorten. Dit besluit wordt zo spoedig mogelijk genomen en uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek. Het besluit tot opschorting van de overdrachten wordt gemotiveerd en bevat in het bijzonder:

a)

een beschrijving van alle relevante omstandigheden in de lidstaat waarop het besluit tot opschorting betrekking heeft;

b)

een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de opschorting van de overdrachten voor de andere lidstaten;

c)

de voorgestelde datum waarop de opschorting in werking zou treden;

d)

eventuele voorwaarden die aan de opschorting zijn gekoppeld;

e)

een overzicht van de maatregelen, ijkpunten en tijdschema's die moeten worden vastgesteld met het oog op de beoordeling van de vooruitgang bij het vinden van een oplossing voor de onder a) geconstateerde omstandigheden.

5.   De Commissie stelt de Raad en de lidstaten in kennis van het besluit om alle overdrachten op grond van deze verordening aan de betrokken lidstaat op te schorten. Iedere lidstaat kan het besluit van de Commissie binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving ter beoordeling voorleggen aan de Raad. De Raad kan binnen een maand nadat het besluit door een lidstaat aan hem is voorgelegd, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

6.   Nadat de Commissie heeft besloten de overdrachten aan een lidstaat op te schorten, zijn de lidstaten waarin de personen van wie de overdracht is opgeschort, verblijven, verantwoordelijk voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming van deze personen.

Bij het besluit om de overdrachten aan een lidstaat op te schorten, wordt rekening gehouden met het feit dat de bescherming van minderjarigen en de eenheid van het gezin moeten worden gewaarborgd.

7.   Een besluit tot opschorting van de overdrachten aan een bepaalde lidstaat overeenkomstig lid 1 is grond voor de toekenning van bijstand voor noodmaatregelen in de zin van artikel 5 van Beschikking nr. 573/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad (15), op verzoek van die lidstaat.

8.     Een lidstaat zoals bedoeld in de leden 1, 2 en 3 moet tijdig doeltreffende maatregelen nemen om de situatie te verhelpen die tot de tijdelijke opschorting van de overdrachten heeft geleid.

9.   De overdrachten kunnen voor ten hoogste zes maanden worden opgeschort. Wanneer de gronden voor de maatregel na zes maanden nog steeds bestaan, kan de Commissie, op verzoek van de in lid 1 bedoelde lidstaat of op eigen initiatief, besluiten de maatregel met zes maanden te verlengen. De bepalingen van lid 5 zijn eveneens van toepassing.

10.   Niets in dit artikel kan worden uitgelegd als zou het de lidstaten zijn toegestaan af te wijken van hun algemene verplichting om alle passende maatregelen, van algemene of bijzondere aard, te nemen om te voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van het Gemeenschapsrecht inzake asiel, met name van deze verordening, Richtlijn ║…/…/EG║ [tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten], en Richtlijn 2005/85/EG.

11.     Op voorstel van de Commissie stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de in artikel 251 van het EG-Verdrag bedoelde procedure voor alle lidstaten bindende instrumenten vast om doeltreffende steun te verlenen aan lidstaten wier nationale systeem, met name als gevolg van hun geografische ligging of demografische situatie, onder een specifieke, onevenredig grote druk staat. Deze instrumenten treden uiterlijk op 31 december 2011 in werking en voorzien in ieder geval in het volgende:

a)

detachering van ambtenaren uit andere lidstaten onder aegide van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, die lidstaten bijstand bieden die te kampen hebben met specifieke belastingen en waar de verzoekers geen adequate bescherming genieten;

b)

een regeling om, in overleg met het Hoge Commissariaat voor de vluchtelingen van de VN, personen die internationale bescherming genieten, van lidstaten die onder een specifieke, onevenredig grote druk staan, over te brengen naar andere lidstaten, waarbij gewaarborgd moet worden dat dit volgens niet-discretionaire, transparante en ondubbelzinnige regels gebeurt.

12.     Dit artikel houdt op van toepassing te zijn zodra de in lid 11 bedoelde instrumenten in werking zijn getreden en in elk geval uiterlijk op 31 december 2011.

13.     In het kader van het toezicht en de evaluatie als bedoeld in artikel 42 herziet de Commissie de toepassing van dit artikel en brengt zij uiterlijk op 30 juni 2011 verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad. In haar verslag gaat de Commissie na of er een gerechtvaardigde noodzaak bestaat om de toepassing van dit artikel te verlengen tot na 31 december 2011. Indien de Commissie dit gepast acht, dient zij volgens de in artikel 251 van het Verdrag bepaalde procedure een voorstel voor een dergelijke verlenging in bij het Europees Parlement en de Raad.

HOOFDSTUK VII

ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 33

Informatie-uitwisseling

1.   Elke lidstaat verstrekt aan alle lidstaten die daarom vragen toereikende, terzake dienende en niet buitensporige persoonsgegevens betreffende de asielzoeker teneinde:

a)

vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming;

b)

het verzoek om internationale bescherming te behandelen;

c)

alle uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen na te komen.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie mag alleen betrekking hebben op:

a)

de gegevens ter identificatie van de verzoeker en, in voorkomend geval, van de leden van zijn/haar gezin (naam, voornaam - eventueel vroegere naam -, bijnaam of pseudoniem, nationaliteit - huidige en vorige -, geboortedatum en -plaats);

b)

de identiteits- en reisdocumenten (nummer, geldigheidsduur, datum van afgifte, instantie die het document heeft afgegeven, plaats van afgifte enz.);

c)

andere gegevens die nodig zijn om de identiteit van de verzoeker vast te stellen, inclusief vingerafdrukken die overeenkomstig Verordening (EG) nr. ║…/…/║ [betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EG) nr. …/… tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend] worden verwerkt;

d)

de verblijfplaatsen en reisroutes;

e)

de door een lidstaat afgegeven verblijfstitels of visa;

f)

de plaats waar het verzoek is ingediend;

g)

de datum waarop een eventueel vroeger verzoek om internationale bescherming is ingediend, de datum waarop het huidige verzoek is ingediend, de stand van de procedure en de strekking van de eventueel genomen beslissing.

3.   Bovendien kan de verantwoordelijke lidstaat, voor zover dat nodig is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, een andere lidstaat verzoeken hem de door de asielzoeker opgegeven redenen ter staving van zijn/haar verzoek en, in voorkomend geval, de redenen van de jegens betrokkene genomen beslissing mee te delen. De om informatie verzochte lidstaat kan weigeren op het verzoek in te gaan als de verstrekking van de gegevens ten koste gaat van essentiële staatsbelangen of van de bescherming van de grondrechten en fundamentele vrijheden van de betrokkene of van anderen. In ieder geval heeft de verzoekende lidstaat voor het doorgeven van deze inlichtingen de schriftelijke toestemming van de persoon die om internationale bescherming verzoekt nodig. In dat geval dient de betrokkene te weten op welke informatie zijn toestemming betrekking heeft.

4.   Elk verzoek om informatie wordt ingediend in het kader van een specifiek verzoek om internationale bescherming. Het verzoek wordt gemotiveerd en als het verzoek bedoeld is om het bestaan na te gaan van een criterium op grond waarvan de om informatie verzochte lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, wordt in het verzoek aangegeven op welke indicatie, waaronder betrokken informatie uit betrouwbare bronnen over de wijze waarop asielzoekers het grondgebied van de lidstaten binnenkomen, of op welke gedetailleerde en verifieerbare gegevens in de verklaringen van de asielzoeker het verzoek is gebaseerd. Dergelijke informatie uit betrouwbare bronnen is als zodanig onvoldoende om de verantwoordelijkheid en de bevoegdheid van een lidstaat krachtens deze verordening te bepalen, maar kan bijdragen tot de beoordeling van andere indicaties met betrekking tot de individuele asielzoeker.

5.   De om informatie verzochte lidstaat moet binnen vier weken antwoorden. Eventuele overschrijdingen van die termijn worden gemotiveerd. Indien uit onderzoek van de aangezochte lidstaat die de termijn heeft overschreden, blijkt dat hij de verantwoordelijke lidstaat is, mag die lidstaat het verstrijken van de in de artikelen 21 en 23 gestelde termijn niet aanvoeren als reden om niet in te gaan op een overname- of een terugnameverzoek.

6.   De uitwisseling van gegevens vindt plaats op verzoek van een lidstaat en uitsluitend tussen de autoriteiten die daartoe door elke lidstaat zijn aangewezen en gemeld bij de Commissie overeenkomstig artikel 34, lid 1.

7.   De uitgewisselde informatie mag slechts voor de in lid 1 genoemde doeleinden worden gebruikt. In elke lidstaat mogen deze gegevens, afhankelijk van de aard ervan en afhankelijk van de bevoegdheid van de autoriteit waarvoor ze zijn bestemd, slechts worden verstrekt aan de autoriteiten en rechterlijke instanties die tot taak hebben:

a)

vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming;

b)

het verzoek om internationale bescherming te behandelen;

c)

alle uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen na te komen.

8.   De lidstaat die de gegevens verstrekt, ziet erop toe dat deze juist en bijgewerkt zijn. Wanneer blijkt dat deze lidstaat onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens die niet meegedeeld hadden mogen worden, worden de ontvangende lidstaten daarvan onverwijld op de hoogte gebracht. Zij zijn verplicht deze gegevens te corrigeren of te wissen.

9.   De asielzoeker heeft het recht op zijn verzoek kennis te nemen van de verwerkte gegevens die hem betreffen.

Indien hij/zij constateert dat bij de verwerking van deze gegevens de bepalingen van deze verordening of van Richtlijn 95/46/EG zijn geschonden, met name omdat het om onvolledige of onnauwkeurige gegevens gaat, heeft hij/zij het recht te eisen dat deze gegevens worden gecorrigeerd of gewist.

De autoriteit die de gegevens corrigeert of wist, stelt de lidstaat die de gegevens heeft verstrekt of ontvangen, daarvan in kennis.

De verzoeker heeft het recht een rechtsvordering in te stellen of een klacht in te dienen bij de bevoegde autoriteiten of rechter van die lidstaat die hem het recht op toegang tot en rechtzetting of verwijdering van gegevens die op hem betrekking hebben, hebben ontzegd.

10.   In elke betrokken lidstaat wordt de verstrekking of de ontvangst van de uitgewisselde gegevens geregistreerd in het persoonlijk dossier van de betrokkene en/of in een register.

11.   De uitgewisselde gegevens worden niet langer bewaard dan nodig is voor het doel waarvoor zij uitgewisseld zijn.

12.   Indien de gegevens niet automatisch worden verwerkt, of niet zijn of zullen worden opgenomen in een bestand, neemt elke lidstaat passende maatregelen om ervoor te zorgen dat dit artikel door middel van doeltreffende controlemiddelen wordt nageleefd.

Artikel 34

Bevoegde autoriteiten en middelen

1.   Elke lidstaat deelt de Commissie onverwijld mee welke diensten specifiek belast zijn met de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit deze verordening en eventuele wijzigingen daarvan. Zij zorgen ervoor dat die diensten over voldoende middelen beschikken om hun taak te vervullen en met name om binnen de gestelde termijnen te kunnen antwoorden op informatie-, overname- en terugnameverzoeken.

2.   De Commissie publiceert een geconsolideerde lijst van de in lid 1 bedoelde diensten in het Publicatieblad van de Europese Unie. Wanneer zich wijzigingen voordoen, maakt de Commissie eenmaal per jaar een bijgewerkte geconsolideerde lijst bekend.

3.   De in lid 1 bedoelde diensten krijgen de nodige opleiding betreffende de toepassing van deze verordening.

4.   De regels betreffende de totstandbrenging van veilige kanalen voor het elektronisch verzenden van verzoeken, antwoorden en alle schriftelijke correspondentie tussen de in lid 1 bedoelde diensten en om ervoor te zorgen dat de verzenders automatisch een elektronisch bewijs van ontvangst krijgen, worden opgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

Artikel 35

Administratieve regelingen

1.   De lidstaten kunnen onderling op bilaterale basis administratieve regelingen treffen voor de praktische toepassing van deze verordening, teneinde deze gemakkelijker en doeltreffender ten uitvoer te leggen. Deze regelingen kunnen betrekking hebben op:

a)

de uitwisseling van verbindingsambtenaren;

b)

een vereenvoudiging van de procedures en een verkorting van de termijnen voor de indiening en de behandeling van overname- en terugnameverzoeken.

2.   De in lid 1 bedoelde regelingen worden aan de Commissie gemeld. De Commissie keurt de in lid 1, onder b) bedoelde regelingen goed nadat zij is nagegaan of deze niet indruisen tegen de bepalingen van deze verordening.

HOOFDSTUK VIII

BEMIDDELING

Artikel 36

Bemiddeling

1.   Wanneer de lidstaten het blijvend oneens zijn over iets dat te maken heeft met de toepassing van deze verordening, kunnen zij gebruikmaken van de bemiddelingsprocedure van lid 2.

2.   De bemiddelingsprocedure wordt ingeleid door een verzoek dat door een van de lidstaten die het niet eens zijn tot de voorzitter van het comité ingesteld bij artikel 41 wordt gericht. Door te aanvaarden dat gebruik wordt gemaakt van de bemiddelingsprocedure, verbinden de betrokken lidstaten zich ertoe zoveel mogelijk rekening te houden met de oplossing die zal worden voorgesteld.

De voorzitter van het comité wijst drie leden van het comité aan die drie lidstaten vertegenwoordigen die niet bij de zaak zijn betrokken. Deze ontvangen, schriftelijk of mondeling, de argumenten van de partijen en stellen binnen een termijn van één maand, in voorkomend geval na een stemming, één oplossing voor.

De voorzitter van het comité, of zijn/haar plaatsvervanger, zit de beraadslagingen voor. Hij/zij mag zijn standpunt kenbaar maken, maar neemt niet deel aan de stemming.

De voorgestelde oplossing is definitief, ongeacht of zij door de partijen wordt aanvaard of verworpen, en kan in geen geval worden herzien.

HOOFDSTUK IX

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 37

Sancties

De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat elke vorm van misbruik van de gegevens die overeenkomstig deze verordening worden verwerkt, wordt bestraft met volgens het nationale recht vastgestelde sancties, met inbegrip van administratieve en/of strafrechtelijke sancties, die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 38

Overgangsmaatregelen

Bij verzoeken die na de in artikel 45, tweede alinea, genoemde datum worden ingediend, wordt ook rekening gehouden met de feiten op grond waarvan krachtens deze verordening de verantwoordelijkheid aan een lidstaat kan worden toegeschreven, als ze dateren van vóór die datum, uitgezonderd in de in artikel 14, lid 2, genoemde gevallen.

Artikel 39

Berekening van termijnen

De in deze verordening vastgestelde termijnen worden als volgt berekend:

a)

wanneer een in dagen, weken of maanden omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of een handeling plaatsvindt, wordt de dag waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn inbegrepen;

b)

een in weken of maanden omschreven termijn loopt af bij het einde van de dag die - in de laatste week of maand - dezelfde naam of dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt die de termijn doet ingaan. Indien in de laatste maand van een in maanden omschreven termijn de dag die bepalend is voor het einde van de termijn ontbreekt, loopt de termijn af bij het einde van de laatste dag van die maand.

c)

de zaterdagen, zondagen en wettelijk erkende feestdagen in alle lidstaten zijn bij de termijnen inbegrepen.

Artikel 40

Territoriale werkingssfeer

De bepalingen van deze verordening zijn voor wat betreft de Franse Republiek slechts van toepassing op het Europese grondgebied van de Franse Republiek.

Artikel 41

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 42

Toezicht en evaluatie

Uiterlijk drie jaar na de in artikel 45, eerste alinea, genoemde datum en onverminderd artikel 32, lid 13, brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van deze verordening en stelt zij eventueel de noodzakelijke wijzigingen voor. De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk zes maanden vóór die datum alle gegevens die relevant zijn voor de opstelling van dit verslag.

Na de indiening van dit verslag brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit van de toepassing van deze verordening op hetzelfde moment dat zij de in artikel 28 van Verordening (EG) nr. ║…./…║ [betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening(EG) nr. …/… tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend] bedoelde verslagen over de tenuitvoerlegging van het Eurodac-systeem indient.

Artikel 43

Statistieken

Overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming  (16) verstrekken de lidstaten de Commissie (Eurostat) statistieken over de toepassing van deze verordening en van Verordening (EG) nr. 1560/2003.

Artikel 44

Intrekking

Verordening (EG) nr. 343/2003 wordt ingetrokken.

Artikel 11, lid 1, en de artikelen 13, 14 en 17 van Verordening (EG) nr. 1560/2003 ║ worden ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening of artikelen gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 45

Inwerkingtreding en toepasselijkheid

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend vanaf de eerste dag van de zesde maand na de inwerkingtreding ervan, en is vanaf die dag van toepassing op elk verzoek tot overname of terugname van asielzoekers, ongeacht de datum waarop het verzoek is ingediend. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór die datum is ingediend, wordt bepaald volgens de in Verordening (EG) nr. 343/2003 vastgestelde criteria.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig het Verdrag ║.

Gedaan te ║

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C

(2)  PB C

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 7 mei 2009.

(4)  PB L 50 van 25.2.2003, blz. 1.

(5)   PB L …

(6)  PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12.

(7)  PB L

(8)  PB L 222 van 5.9.2003, blz.3.

(9)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(10)  PB L …

(11)  PB L 218 van 13.8.2008, blz. 60.

(12)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(13)  PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1.

(14)  PB L 326 van 13.12.2005, blz. 13.

(15)  PB L 144 van 6.6.2007, blz. 1.

(16)  PB L 199 van 31.7.2007, blz. 23.

Donderdag, 7 mei 2009
BIJLAGE I

Ingetrokken verordening

(bedoeld in artikel 44)

Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad

(PB L 50 van 25.2.2003)

Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie, alleen artikel 11, lid 1, en de artikelen 13, 14 en 17.

(PB L 222 van 5.9.2003)

Donderdag, 7 mei 2009
BIJLAGE II

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 343/2003

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, onder a)

Artikel 2, onder a)

Artikel 2, onder b)

geschrapt

Artikel 2, onder c)

Artikel 2, onder b)

Artikel 2, onder d)

Artikel 2, onder c)

Artikel 2, onder e)

Artikel 2, onder d)

Artikel 2, onder f)

Artikel 2, onder e)

Artikel 2, onder g)

Artikel 2, onder f)

Artikel 2, onder g)

Artikel 2, onder h) tot en met k)

Artikel 2, onder h) tot en met k)

Artikel 2, onder l)

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 1 ║

Artikel 3, lid 2

Artikel 17, lid 1

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 4

Artikel 4, lid 1, inleidende formulering

Artikel 4, lid 1, onder a) tot en met g)

Artikel 4, leden 2 en 3

Artikel 4, leden 1 tot en met 5

Artikel 20, leden 1 tot en met 5

Artikel 20, lid 5, derde alinea

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 5, lid 1

Artikel 7, lid 1

Artikel 5, lid 2

Artikel 7, lid 2

Artikel 7, lid 3

Artikel 6, eerste alinea

Artikel 8, lid 1

Artikel 8, lid 3

Artikel 6, tweede alinea

Artikel 8, lid 4

Artikel 7

Artikel 9

Artikel 8

Artikel 10

Artikel 9

Artikel 13

Artikel 10

Artikel 14

Artikel 11

Artikel 15

Artikel 12

Artikel 16

Artikel 13

Artikel 3, lid 2

Artikel 14

Artikel 12

Artikel 15, lid 1

Artikel 17, lid 2, eerste alinea

Artikel 15, lid 2

Artikel 11, lid 1

Artikel 15, lid 3

Artikel 8, lid 2

Artikel 15, lid 4

Artikel 17, lid 2, vierde alinea

Artikel 15, lid 5

Artikel 8, lid 5 en artikel 11, lid 2

Artikel 16, lid 1, onder a)

Artikel 18, lid 1, onder a)

Artikel 16, lid 1, onder b)

Artikel 18, lid 2

Artikel 16, lid 1, onder c)

Artikel 18, lid 1, onder b)

Artikel 16, lid 1, onder d)

Artikel 18, lid 1, onder c)

Artikel 16, lid 1, onder e)

Artikel 18, lid 1, onder d)

Artikel 16, lid 2

Artikel 19, lid 1

Artikel 16, lid 3

Artikel 19, lid 2, eerste alinea

Artikel 19, lid 2, tweede alinea

Artikel 16, lid 4

Artikel 19, lid 3

 

Artikel 19, lid 3, tweede alinea

Artikel 17

Artikel 21

Artikel 18

Artikel 22

Artikel 19, lid 1

Artikel 25, lid 1

Artikel 19, lid 2

Artikel 25, lid 2 en artikel 26, lid 1

Artikel 26, leden 2 tot en met 6

Artikel 19, lid 3

Artikel 28, lid 1

Artikel 19, lid 4

Artikel 28, lid 2

Artikel 28, lid 3

Artikel 19, lid 5

Artikel 28, lid 4

Artikel 20, lid 1, inleidende formulering

Artikel 23, lid 1

Artikel 23, lid 2

Artikel 23, lid 3

Artikel 23, lid 4

Artikel 20, lid 1, onder a)

Artikel 23, lid 5, eerste alinea

Artikel 20, lid 1, onder b)

Artikel 24, lid 1

Artikel 20, lid 1, onder c)

Artikel 24, lid 2

Artikel 20, lid 1, onder d)

Artikel 28, lid 1, eerste alinea

Artikel 20, lid 1, onder e)

Artikel 25, leden 1 en 2, artikel 26, lid 1, artikel 28, lid 1, tweede en derde alinea

Artikel 20, lid 2

Artikel 28, lid 2

Artikel 20, lid 3

Artikel 23, lid 5, tweede alinea

Artikel 20, lid 4

Artikel 28, lid 4

Artikel 27

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 32

Artikel 21, leden 1 tot en met 9

Artikel 33, leden 1 tot en met 9, eerste tot en met derde alinea

Artikel 33, lid 9, vierde alinea

Artikel 21, leden 10 tot en met 12

Artikel 33, leden 10 tot en met 12

Artikel 22, lid 1

Artikel 34, lid 1

Artikel 34, lid 2

Artikel 34, lid 3

Artikel 22, lid 2

Artikel 34, lid 4

Artikel 23

Artikel 35

Artikel 24, lid 1

geschrapt

Artikel 24, lid 2

Artikel 38

Artikel 24, lid 3

geschrapt

Artikel 25, lid 1

Artikel 39

Artikel 25, lid 2

geschrapt

Artikel 26

Artikel 40

Artikel 27, leden 1 en 2

Artikel 41, leden 1 en 2

Artikel 27, lid 3

geschrapt

Artikel 28

Artikel 42

Artikel 29

Artikel 45

Artikel 36

Artikel 37

Artikel 43

Artikel 44


Verordening (EG) nr. 1560/2003

Deze verordening

Artikel 11, lid 1

Artikel 11, lid 1

Artikel 13, lid 1

Artikel 17, lid 2, eerste alinea

Artikel 13, lid 2

Artikel 17, lid 2, tweede alinea

Artikel 13, lid 3

Artikel 17, lid 2, derde alinea

Artikel 13, lid 4

Artikel 17, lid 2, eerste alinea

Artikel 14

Artikel 36

Artikel 17, lid 1

Artikelen 9, 10 en 17, lid 2, eerste alinea

Artikel 17, lid 2

Artikel 33, lid 3