17.11.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 277/112


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft belastingontduiking bij invoer en andere grensoverschrijdende handelingen

(COM(2008) 805 definitief — 2008/0228 (CNS))

(2009/C 277/24)

Rapporteur: Umberto BURANI

De Raad heeft op 28 januari 2009 besloten om het EESC overeenkomstig artikel 93 van het EG-Verdrag te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft belastingontduiking bij invoer en andere grensoverschrijdende handelingen

COM(2008) 805 final – 2008/0228 (CNS).

De gespecialiseerde afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 april 2009 goedgekeurd. Rapporteur was Umberto Burani.

Het EESC heeft tijdens zijn op 13 en 14 mei 2009 gehouden 453e zitting (vergadering van 13 mei 2009) onderstaand advies uitgebracht, dat met 192 stemmen vóór, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting en conclusies

1.1.   Tegelijkertijd met een richtlijnvoorstel heeft de Commissie een Mededeling (1) uitgevaardigd waarin een actieprogramma voor de korte termijn wordt voorgesteld dat wel eens realistischer en haalbaarder zou kunnen zijn dan alle andere plannen die ooit zijn uitgedokterd om belastingfraude te bestrijden: die eerdere plannen waren onderdeel van een bredere strategie voor de lange termijn, maar konden diverse lidstaten niet overtuigen. Het thans voorgestelde actieprogramma voor de korte termijn omvat gemeenschappelijke minimumeisen voor de in- en uitschrijving van belastingplichtigen in het VIES (2) en voorziet in betere controle-instrumenten doordat de lidstaten meer informatie uitwisselen en beter samenwerken. Ook wordt de oprichting in het vooruitzicht gesteld van Eurofisc, een netwerk dat onderzoek kan gaan doen en de mogelijkheid krijgt om in te grijpen. Last but not least is er dan ook nog de problematiek van het alsnog innen van gederfde btw-inkomsten: met het hierboven al genoemde richtlijnvoorstel wordt voor het eerst een concrete poging gedaan om bedoeld actieprogramma in praktijk te brengen.

1.2.   Het EESC is ingenomen met de Mededeling, waarin een overzicht wordt gegeven van de toepassing van het btw-stelsel (dat ook nu nog, meerdere decennia na inwerkingtreding, als een tijdelijk systeem wordt gepresenteerd) waarvan de conclusies niet onverdeeld ongunstig zijn. Desalniettemin is het btw-stelsel nog steeds te ingewikkeld, te duur en vooral veel te vatbaar voor belastingontduiking. Invoering van elektronische procedures is een condition sine qua non als het erom gaat belastingontduiking tegen te gaan, maar dan moeten die procedures wel - op straffe van inefficiëntie - in àlle lidstaten op uniforme wijze worden toegepast: daarvan is nu nog maar nauwelijks sprake. Het gevaar dat opdoemt, is dat de lidstaten op eigen houtje maatregelen nemen die onderling geen samenhang vertonen of zelfs tegen elkaar ingaan.

1.3.   Er worden suggesties gedaan voor maatregelen die aan het actieprogramma kunnen worden toegevoegd: herziening van het SCAC-model (Standing Committee for the Administrative Cooperation), verbetering van de toegang tot en bruikbaarheid van gegevensbanken en wetgeving waarmee de gulden middenweg wordt gevonden tussen gegevensbescherming en samenwerking tussen belastingdiensten, invoering van beroepsprofielen voor tussenpersonen die voor interactie tussen de diverse administratieve diensten zorgen, en betrouwbaarheidscertificering.

1.4.   In het richtlijnvoorstel wordt om te beginnen opheldering gegeven over enkele bepalingen van Richtlijn 2006/112/EG (hierna: de btw-Richtlijn) inzake btw-vrijstelling waarvan de interpretatie fraude in de hand werkt: vastgesteld wordt dat de toepassing van de regel dat vrijstelling wordt verleend voor goederen die vanuit het land van invoer in een andere lidstaat worden verkocht, in het veld moeilijk kan worden gecontroleerd. Met de nieuwe regels wordt een reeks voorzorgsmaatregelen in het leven geroepen, waaronder de verplichting voor de invoerder om op het tijdstip van invoer de informatie te verschaffen die nodig is om de belastingplichtige te identificeren naar wie de goederen in die andere lidstaat worden verzonden.

1.5.   Het EESC kan hiermee alleen maar instemmen, net zo goed als met de voorschiften inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid van verkoper en koper als beide in verschillende lidstaten woonachtig zijn en een van beide zijn of haar btw-verplichtingen niet nakomt. Die laatste regel is noch nieuw, noch vernieuwend, maar bestaat al en wordt binnen iedere lidstaat streng toegepast. Alleen als het erop aankomt dat de belastingdiensten van de diverse lidstaten op dit gebied onderling samenwerken, wordt die regel bijna altijd in de wind geslagen.

1.6.   T.a.v. de vraag waar de verantwoordelijkheden liggen, wijst het EESC op een altijd weer veronachtzaamd aspect daarvan, nl. op de verantwoordelijkheid van de belastingdiensten tegenover de belastingplichtigen en tegenover elkaar als fouten of vertragingen tot economische of juridische schade hebben geleid. Hier zou de oplossing moeten worden gezocht in de beginselen van billijkheid en transparantie.

2.   Inleiding

2.1.   Richtlijnvoorstel én Mededeling staan niet alleen, maar zijn voorafgegaan door twee andere mededelingen, nl. de mededeling van 2006 waarmee de discussie over de noodzaak van een gecoördineerde aanpak van de bestrijding van belastingfraude in het algemeen op gang is gebracht, en de mededeling van 2007 over de bestrijding van btw-fraude in het bijzonder, waarbij de kernonderdelen van een strategie zijn uiteengezet. Vervolgens heeft de Raad – via weer een mededeling - in februari 2008 haar goedkeuring gehecht aan een voorstel om in het kader van fraudebestrijding „ambitieuze” maatregelen te nemen waarmee het btw-stelsel op twee punten wordt gewijzigd, en wel door de invoering van een systeem van belastingheffing op intracommunautaire transacties en van een algemene regeling ter verlegging van de belastingschuld. De Commissie had voorgesteld om voor de verleggingsregeling een proefproject te lanceren, maar daarover kon in de ECOFIN Raad geen overeenstemming worden bereikt.

2.2.   De inspanningen van de Commissie stuitten dus op de klaarblijkelijke politieke onwil van de lidstaten om een drastisch gemeenschappelijk beleid overeen te komen. Daarom is de Commissie teruggevallen op onderhavig voorstel om een actieprogramma voor de korte termijn te lanceren, met een tijdschema voor de toepassing ervan. Die oplossing is weliswaar „klassiek”, maar heeft wellicht een grotere kans om te worden goedgekeurd.

2.3.   Een communautaire aanpak is nodig geworden, niet alleen qua wetgeving, maar ook voor de uitvoering van de maatregelen. Die uitvoering was tot dusverre een exclusieve bevoegdheid van de lidstaten: de verschillende methoden die de lidstaten hanteren, vormen een prikkel voor potentiële fraudeurs om hun activiteiten te verplaatsen naar landen waar geen adequate maatregelen worden genomen. Bovendien jagen die methode-verschillen ondernemingen op kosten, omdat deze naar gelang van het land waar ze werkzaam zijn, steeds weer andere procedures moeten volgen.

2.4.   Het tegelijkertijd met de Mededeling uitgevaardigde richtlijnvoorstel is een eerste initiatief in het kader van klassieke maatregelen. De specifieke btw-vrijstelling bij invoer wordt al gereguleerd in de btw-Richtlijn, maar de formulering daarvan heeft tot niet-fraudebestendige interpretaties geleid. In onderhavig richtlijnvoorstel wordt verduidelijkt onder welke omstandigheden die vrijstelling kan worden verkregen en welke grenzen daaraan zijn gesteld. Ook krijgen de lidstaten een instrument aangereikt om gederfde btw-inkomsten alsnog te innen.

3.   Samenvatting van de Mededeling

3.1.   Het actieprogramma voor fraudebestrijding op de korte termijn is toegespitst op de volgende prioritaire doelstellingen: een minder fraudegevoelig btw-stelsel, verbeterde instrumenten voor controle en onderzoek, en een beter instrumentarium om gederfde btw-inkomsten alsnog te innen. Deze prioritisering volgt op de bestudering van de in het verleden genomen maatregelen in de door de Commissie opgezette ATFS-deskundigengroep.

3.2.   Om het btw-stelsel minder fraudegevoelig te maken, zijn precieze gemeenschappelijke regels nodig voor de in- en uitschrijving van belastingplichtigen in het VIES. In sommige lidstaten worden ook van belastingplichtigen die fraude hebben gepleegd, de btw-nummers in stand gehouden, wat betekent dat betrokkenen hun activiteiten kunnen voortzetten. De Commissie heeft op korte termijn een wetsvoorstel toegezegd inzake gemeenschappelijke regels voor de in- en uitschrijving van belastingplichtigen in het VIES. Dat voorstel zal ook bepalingen bevatten inzake het recht van ondernemingen op elelectronische toegang tot informatie over hun tegenhangers (naam, adres en btw-nummer), een recht dat hun nu in sommige lidstaten wordt onthouden of dat hun slechts beperkt wordt toegekend. Andere voorschriften betreffen een gemeenschappelijk vereenvoudigd en gemoderniseerd factureringssysteem. Ten slotte zullen er dan ook nog regels worden vastgelegd voor de uitwisseling van informatie, waarbij een einde wordt gemaakt aan de verschillen in de uitleg die in de verschillende lidstaten aan „het aanrekenen van de btw bij leveringen en verwervingen van goederen tussen lidstaten” wordt gegeven en waarin voor de gegevensoverdracht tussen belanghebbende belastingdiensten („rapportering”) gelijktijdigheid wordt gegarandeerd.

3.3.   Het controle-instrumentarium is de achilleshiel van het systeem waaraan waarschijnlijk nog het meeste schort. De aandacht gaat vooral uit naar de al lang bekende zwakke punten van het systeem: communicatie, samenwerking en toegang tot informatie. Er wordt momenteel gestudeerd op een reeks mogelijke wetsvoorstellen, waaronder het voorstel om Eurofisc op te richten, veelbelovend lijkt. Eurofisc zou een netwerk voor vroegtijdige waarschuwing moeten worden naar het voorbeeld van Eurocanet, een netwerk van de Belgische belastingdienst dat de steun van de Commissie en van het OLAF heeft.

3.4.   In het derde hoofdstuk van het actieprogramma zijn maatregelen opgenomen die tot doel hebben om gederfde btw-inkomsten alsnog te kunnen innen. Om te beginnen worden de lidstaten aangemoedigd om wettelijke maatregelen te nemen tegen plegers van fraude in eigen land waardoor in een andere lidstaat btw-inkomsten verloren gaan. De hoofdmoot betreft echter het beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid tussen belastingplichtigen in meer dan één lidstaat. Dit beginsel heeft al een rechtsgrondslag, maar wordt tot dusverre alleen nog maar op binnenlandse transacties toegepast, en dan ook alleen nog maar voor ondernemingen die onder de nationale rechtsmacht vallen. Daarenboven zal er een voorstel worden gedaan voor uniforme systemen (i.e. uitvoeringsbepalingen of voorzorgsmaatregelen) waarmee de kans moet worden vergroot dat bij grensoverschrijdende transacties verloren gegane btw-inkomsten alsnog kunnen worden geïnd. Ten slotte moet het probleem van de grensoverschrijdende bescherming van btw-inkomsten, ongeacht de lidstaat waar de btw had moeten worden betaald, voor eens en voor altijd worden opgelost. Er zijn nog maar weinig lidstaten die dit probleem al onderzoeken.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.   De Commissie blijft schaven aan een btw-stelsel (met uitvoeringsbepalingen voor de heffing, het beheer en de inning van btw) dat na veertig jaar werking nog steeds als tijdelijk wordt gepresenteerd. De overstap naar een definitief stelsel kan pas worden gemaakt als de tarieven geharmoniseerd zijn en belastingplichtigen het btw-bedrag rechtstreeks in hun eigen land kunnen uitbetalen door rekening uit te schrijven waarin de btw is verdisconteerd, net als bij binnenlandse transacties. Alleen is dat nog héél verre toekomstmuziek! Waarom daarvan nog lang geen sprake is, kan noch met technische, noch met juridische argumenten worden onderbouwd: de redenen daartoe zijn van politieke aard, wat het probleem zo goed als onoplosbaar maakt. De thans voorgestelde maatregelen moeten daarom worden gezien als „klassieke” maatregelen om een stelsel efficiënt te maken dat alleen maar in naam „tijdelijk” is.

4.2.   Dit vooropgesteld, is het oordeel dat over het btw-stelsel moet worden geveld, niet onverdeeld ongunstig, ook al is de werking ervan op veel punten voor verbetering vatbaar. Hoe dan ook is het btw-stelsel te ingewikkeld, te duur en vooral – dat is het ergste – veel te vatbaar voor massale grensoverschrijdende belastingontduiking. Het manco ligt in het feit dat het als voorlopig systeem is opgezet en dat de politieke wil ontbreekt om er een eenvoudiger en beter werkend definitief systeem van te maken.

4.3.   De Commissie, ingeklemd tussen een Raad die het maar niet lukt om eenparigheid te bereiken en lidstaten die stug alleen maar voor hun eigen problemen naar oplossingen blijven zoeken, doet wat ze kan om de grootste en meest in het oog springende mankementen te verhelpen. Een eerste voorbeeld waarop de Commissie terugkomt, is dat van de elektronische procedures voor de betrekkingen tussen belastingplichtigen en belastingdiensten. Sommige lidstaten gaan met hun tijd mee, andere lopen achter. De Commissie vat de situatie als volgt samen: „Er kan wel worden gesteld dat het beheer van het btw-stelsel in de EU geen gelijke tred heeft gehouden met de ontwikkelingen van de informatietechnologie (3). Dat is een conclusie waar het EESC zich volledig in kan vinden.

4.4.   Het is dan ook niet verwonderlijk dat diverse lidstaten, waaronder de meest geavanceerde maar ook andere, intern naar de beste beheersoplossingen zoeken. De Commissie vreest dat de lidstaten maatregelen gaan nemen die onderling geen samenhang vertonen of zelfs tegen elkaar ingaan, en dringt er dan ook bij de lidstaten op aan om „hun IT-ontwikkelingen te coördineren”. Het EESC denkt dat hier realisme op zijn plaats is: als met coördinatie wordt gedoeld op activiteiten met een communautaire draagwijdte, dan heeft de Commissie de bevoegdheid om te reguleren en blijkt zij zich ook voorbeeldig van die taak te (kunnen) kwijten, maar als het gaat om interne problemen van afzonderlijke lidstaten waarvoor de Commissie niet bevoegd is, dan kunnen weliswaar aanbevelingen worden gedaan, maar die hebben nauwelijks invloed. Lidstaten zullen altijd goede redenen vinden om toch op eigen houtje te werk te gaan. Gecoördineerde oplossingen gaan pas tot de mogelijkheden behoren als twee of meer lidstaten gemeenschappelijke belangen hebben.

4.5.   In het licht van het voorgaande is het EESC vol lof over een initiatief - dat de Commissie zelf voorzichtigheidshalve een „voorstel” noemt - om „een adhoc-groep op te richten waarin de belastingdiensten en vertegenwoordigers van grote, middelgrote en kleine bedrijven zitting hebben” (alleen komen gecertificeerde ondernemingen in die opsomming niet voor). Deze adhoc-groep heeft tot taak een gemeenschappelijke benadering te vinden voor de problemen die ontstaan in de interactie tussen belastingdiensten en ondernemingen. „Wat in dit stadium van belang is”, voegt de Commissie hier nog aan toe „is dat de lidstaten en de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven de nodige deskundigheid en middelen ter beschikking willen stellen om deze exercitie een kans op succes te geven.”

5.   Hangende problemen

5.1.   Het EESC neemt de gelegenheid te baat om ervoor te pleiten dat in het actieprogramma ook aspecten worden verwerkt die van belang zijn, ook al houden ze niet rechtstreeks verband met fraudebestrijding: doeltreffende structuren en regelgeving als zodanig dragen al bij tot de opbouw van een fraudebestendig systeem of helpen in ieder geval om fraude te voorkómen of om, in het ergste geval, fraude de kop in te drukken.

5.2.   Voor de elektronische procedures heeft de Commissie al gedaan wat in haar vermogen lag met haar voorstel voor Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad van 7 oktober 2003 betreffende de samenwerking tussen belastingdiensten op het gebied van de btw (ter vervanging van Verordening (EEG) nr. 218/92). In de praktijk is het volgens het EESC nodig dat het SCAC-model, dat wordt toegepast voor de uitwisseling van informatie en voor aanvragen om tussenbeide te komen, opnieuw wordt bekeken. De procedures daarvan zouden zodanig moeten worden aangepast dat daarmee onmiddellijk kan worden opgetreden en dat de reactie die wordt gegeven, op maat gesneden is.

5.3.   De problematiek van de gegevensbanken ligt gevoeliger, omdat het daarbij niet alleen gaat om de bruikbaarheid, maar vooral ook om de toegankelijkheid en volledigheid van gegevens. Juist voor de btw moet tot op zekere hoogte nog de gulden middenweg worden gevonden tussen gegevensbescherming en samenwerking tussen belastingdiensten. Dat kan alleen door wetgeving waarin is vastgelegd welke grenzen worden gesteld aan wat voor de een en wat voor de ander nodig is, welke gegevens moeten worden beschermd en voor welke gegevens bescherming niet nodig is, en onder welke omstandigheden en hoe inzage wordt gegeven in gegevens. Aanbevelingen en overeenkomsten volstaan niet: gegevensbanken vragen om een solide rechtsgrondslag waarmee voorrang wordt gegeven aan het algemeen belang zonder dat de fundamentele vrijheden worden aangetast.

5.4.   In de praktijk speelt dan ook nog het probleem van informatie die in de lidstaat zelf moet worden verkregen. De lidstaten zouden beroepsprofielen moeten uitwerken voor tussenpersonen die door een lidstaat aangevraagde informatie weten te verkrijgen en die informatie vervolgens mogen uitwisselen met tegenhangers in alle andere bij de transactie betrokken lidstaten. Door ingrijpen in EU-verband kan worden bijgedragen tot de oprichting van een echt „netwerk” om onmiddellijk te kunnen reageren. Met dat netwerk zou het mogelijk moeten worden om rechtstreeks en via voorbehouden kanalen op ontwikkelingen in te spelen, in samenwerking met mogelijke andere aanvragende instanties.

5.5.   Oplossingen van algemene aard zijn volgens het EESC ondenkbaar zonder een perfecte werking van het VIES waardoor belastingdiensten de gegevens over transacties in reële tijd tot hun beschikking krijgen. Cruciaal in dat verband is de betrouwbaarheid van de ondernemingen waaraan een btw-nummer wordt toegekend. Die betrouwbaarheid moet op voorhand aan kwalitatieve vereisten worden getoetst. Als en wanneer aan die beide voorwaarden (voorlichting in reële tijd en voorafgaande betrouwbaarheidscertificering) kan worden voldaan, zou het aantal gevallen van carrouselfraude en fraude met „missing traders” drastisch teruglopen.

5.6.   Alomvattende oplossingen zullen nog wel lang op zich laten wachten. Daarom zou in eerste instantie kunnen worden nagedacht over de mogelijkheid om btw-plichtige ondernemingen een betrouwbaarheidscertificaat te verlenen volgens regels die overal in de EU dezelfde zouden zijn. Als bij ieder btw-nummer een door de bevoegde belastingdienst afgegeven certificaat zou horen, zouden twee vliegen in één klap worden geslagen: behartiging van de nationale belangen van een lidstaat én van de handelsbelangen van communautaire ondernemingen. Door informatie op het netwerk te zetten, wordt onmiddellijk bekendheid gegeven aan maatregelen om btw-nummers in te trekken of op te schorten.

6.   Preciseringen en nieuwe regels in het richtlijnvoorstel

6.1.   De Commissie stelt in haar Toelichting op het richtlijnvoorstel dat dit „… deel uit (maakt) van een reeks klassieke maatregelen die binnenkort worden gepresenteerd in het kader van een gecoördineerde EU-aanpak in de strijd tegen btw-fraude.” De bedoeling is twee wijzigingen aan te brengen in de btw-Richtlijn: één wijziging om enkele bepalingen inzake btw-vrijstelling bij invoer te verduidelijken, waarvan de interpretatie fraude door btw-ontduiking in de hand heeft gewerkt, en een andere wijziging om hoofdelijke aansprakelijkheid in sommige gevallen waarin intracommuanautaire goederen worden geleverd, verplicht in plaats van facultatief te maken.

Btw-vrijstelling bij invoer (art. 143 sub d) is toegestaan als goederen na invoer het voorwerp zijn van een intracommunautaire levering of overdracht aan een belastingplichtige in een andere lidstaat. Eenvoudiger gezegd wordt btw-vrijstelling toegestaan als ingevoerde goederen door de invoerder aan een andere belastingplichtige in de EU worden verkocht. Frauderechercheurs hebben vastgesteld dat massaal wordt gefraudeerd vanwege de „niet-adequate” toepassing van deze regel in nationaal recht. Daarom - aldus de Commissie – „… (volgen) de douane- en belastingdiensten de fysieke beweging van de goederen binnen de Gemeenschap na invoer … niet altijd …”. Volgens het belastingjargon is dat intracommunautaire carrouselfraude (MTIC, ofwel: „missing trader in intra-community”-fraude).

6.2.1.   De in onderhavig richtlijnvoorstel overgenomen bepalingen betreffen de overlegging van papieren waarmee kan worden bewezen dat de aanvrager van de btw-vrijstelling daadwerkelijk aan de eisen voldoet die al in de btw-Richtlijn worden gesteld: btw-nummer of aanwijzing van een fiscale vertegenwoordiger in de invoerende lidstaat; verplichting om aan te melden dat ingevoerde goederen zullen worden verstuurd naar of worden overgedragen aan een belastingplichtige in een andere lidstaat; verplichting voor de invoerder om op het tijdstip van invoer de informatie te verschaffen die nodig is om de belastingplichtige te identificeren naar wie de goederen in de andere lidstaat worden verzonden.

6.2.2.   Het EESC heeft daar geen commentaar op, omdat de beweegreden achter deze maatregel is dat administratieve systemen worden verbeterd om fraude tegen te gaan. De enige twijfel die rijst, betreft de zogenoemde „derdelandsgebieden”. Wat een „lidstaat” in het btw-stelsel is, staat in art. 5, lid 2 van de btw-Richtlijn. In het daarop volgende zesde artikel staat dat de Richtlijn niet van toepassing is opderdelandsgebieden (4), die bij invoer btw-vrijstelling krijgen op grond van de bepalingen van art. 143 sub c) en sub d). Deze regel is maar voor één uitleg vatbaar: wél moet worden vastgesteld of deze vrijstelling zodanig is dat het btw-stelsel daardoor wordt gevrijwaard van misbruik, en zo ja, in hoeverre dat het geval is.

Artikel 1, lid 2 van het richtlijnvoorstel komt in de plaats van art. 205 van de btw-Richtlijn waarin staat dat „een andere persoon dan degene die tot voldoening van de belasting is gehoudensamen met de uitvoerder hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de btw. Heel eenvoudig samengevat betekent dit in de praktijk dat verkopers zelf aangifte doen van hun transacties. Op die manier kan de lidstaat van de koper achterhalen welke transacties belastbaar zijn op het eigen grondgebied.

6.3.1.   Het beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid is bedoeld als stimulans voor verkopers om niet alleen hun rapporteringsverplichtingen na te komen, maar om ook – dat is impliciet in dit beginsel vervat – hun klanten goed te kiezen en te kennen en na te gaan of deze solvabel zijn. Als klanten hun btw-verplichtingen niet nakomen, mag de lidstaat van de koper voor de onbetaalde btw en voor eventuele boetes verhaal gaan halen bij de verkoper. Dit is een regel die de lidstaten zorgvuldig hebben toegepast, maar dan alleen voor binnenlandse transacties. Dit verzuim (dus dat de lidstaten dit beginsel niet óók zijn gaan toepassen op internationale transacties) komt neer op nalatigheid van de kant van de lidstaten die hun verplichting om samen óók de belangen van de belastingdiensten van de lidstaten van bestemming te behartigen, niet zijn nagekomen.

6.3.2.   De Commissie wil met onderhavig richtlijnvoorstel deze lacune invullen door het beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid uitdrukkelijk ook voor internationale transacties te laten gelden. Overigens geeft de Commissie zelf aan dat dit beginsel al was verwoord in artikel 205, maar dat „de lidstaten … daarvan tot nu toe slechts voor binnenlandse transacties gebruik (hebben) gemaakt (5).

6.3.3.   Het EESC stemt volledig in met het Commissievoorstel. Verder wijst het erop dat het alsnog innen van gederfde btw-inkomsten bij een in een andere lidstaat woonachtige belastingplichtige, moet worden gereguleerd en in de praktijk mogelijk moet worden gemaakt: als daarvoor een proces wordt aangespannen, dan moet worden uitgegaan van de regelgeving inzake rechterlijke samenwerking en als het de belastingdienst van de uitvoerder is die in de lidstaat van de koper verhaal gaat halen, dan moet worden gezorgd voor precieze bestuursrechtelijke overeenkomsten en moeten de onderliggende juridische problemen worden opgelost.

6.3.4.   Tot besluit nog een opmerking die van algemeen aard is, maar niet zonder relevantie voor het onderwerp van het richtlijnvoorstel waarvan het voornaamste doel immers is om op te komen voor de belangen van de belastingdiensten: nergens wordt gewag gemaakt van de verantwoordelijkheid van belastingdiensten tegenover belastingplichtigen voor economische of juridische schade als gevolg van fouten in of vertragingen bij de gegevensrapportering, noch van de verantwoordelijkheid van belastingdiensten tegenover elkaar. Een met de beginselen van billijkheid en transparantie strokende wetgeving moet altijd zijn geïnspireerd op het streven om de rechten van belastingplichtigen te vrijwaren vis-à-vis de – machtigere – overheid.

Brussel, 13 mei 2009

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Mededeling over een gecoördineerde strategie ter verbetering van de bestrijding van btw-fraude in de Europese Unie (COM(2008) 807 final)

(2)  VAT Information Exchange System

(3)  Mededeling van de Commissie COM(2008) 807 final, par. 4, eerste alinea

(4)  Dit zijn gebieden binnen (de berg Athos, de Canarische eilanden, de Franse overzeese departementen, de Åland-eilanden en de Kanaaleilanden) en buiten het douanegebied van de Gemeenschap (Helgoland, het Duitse gebied Buesingen en de Italiaanse gemeente Campione d'Italia, Ceuta, Melilla, Livigno, en de Italiaanse wateren van het meer van Lugano).

(5)  Mededeling van de Commissie COM(2008) 807 final, par. 3.3.1, tweede alinea