11.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 218/101


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Maatregelen tegen de stijgende olieprijzen

COM(2008) 384 final

2009/C 218/20

De Europese Commissie heeft op 13 juni 2008 besloten om, overeenkomstig art. 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Maatregelen tegen de stijgende olieprijzen

De gespecialiseerde afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 2 februari 2009 goedgekeurd; rapporteur was de heer CEDRONE.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 25 en 26 februari 2009 gehouden 451e zitting (vergadering van 25 februari 2009) onderstaand advies uitgebracht, dat met 162 stemmen vóór en 6 stemmen tegen, bij 12 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité deelt de bezorgdheid van de Commissie over de onmiddellijke en zorgwekkende inflatoire gevolgen van de stijgende olieprijzen voor sommige sectoren en de zwakste bevolkingsgroepen. De stijgende olieprijzen zijn rechtstreeks van invloed op de kosten van verwarming en vervoer en onrechtstreeks ook op de kosten van levensmiddelen: dit zijn de grootste uitgavenposten voor arme gezinnen.

1.2

Het probleem vraagt om krachtige en dringende maatregelen, maar werpt ook een heikele kwestie van algemene aard op. De steun aan arme gezinnen moet bestaan uit rechtstreekse inkomenssteun, en niet uit maatregelen van bijvoorbeeld fiscale aard (zoals een verlaging van de belasting op aardolieproducten) die de marktprijzen beïnvloeden doordat de gevolgen van de olieprijsstijgingen worden afgezwakt.

1.3

Het EESC acht het van groot belang dat de markt in de gelegenheid wordt gesteld zijn taak te vervullen: olieprijsstijgingen vaststellen en bepalen hoe op deze situatie dient te worden gereageerd.

1.4

De prijsstijgingen moeten alle marktdeelnemers ertoe aanzetten de nodige besparingen te realiseren, door de duurder geworden goederen te vervangen door minder kostbare goederen, en door productie en consumptie zo te combineren dat overal waar dat technisch mogelijk is, kan worden bezuinigd. Zoals gezegd moeten de armste gezinnen worden beschermd, maar alleen met rechtstreekse steunmaatregelen, dus zonder de marktsignalen te verstoren die hun natuurlijke evenwichtherstellende functie vrij moeten kunnen uitoefenen.

1.5

Vergelijkbare strategieën moeten volgens de Commissie ook worden ingezet ten behoeve van productiesectoren die bijzonder hard worden getroffen door de gestegen olieprijzen. Dat zijn in de eerste plaats de visserijsector en alle andere sectoren die zijn gericht op bevrediging van de voedselbehoefte van de bevolking, en de vervoersector.

1.6

Ook in deze gevallen moeten de maatregelen die nodig zijn om al te desastreuze gevolgen voor de economie te voorkómen, de vorm van rechtstreekse steun hebben, en niet die van fiscale maatregelen (belastingverlaging) die de prijzen kunstmatig zouden verlagen, terwijl deze juist de toegenomen schaarste van de olievoorraden moeten weerspiegelen.

1.7

Wat de macro-economische impact voor ontwikkelingslanden betreft moet daarentegen worden gedacht aan structurele steunplannen voor met name de zwakste economieën, vooral in de vorm van financiële maatregelen waarmee energiebesparingen kunnen worden verwezenlijkt. Eens te meer zijn er verregaande steunmaatregelen nodig, die echter niet tot gevolg mogen hebben dat de signalen waarop de markt altijd vrij moet kunnen reageren, worden verstoord.

1.8

Het EESC is van mening dat de Europese Unie met een krachtig politiek antwoord moet komen.

1.9

In de eerste plaats kan in dit geval, net als in andere gevallen, het eensgezinde optreden van een organisatie als de Europese Unie, die een vijfde van de wereldproductie vertegenwoordigt, veel gewicht in de schaal leggen en een zeer belangrijke rol spelen. Nauwkeurig geformuleerde en eensgezinde voorstellen van een organisatie die een dergelijk belangrijke rol in de wereld speelt, kunnen moeilijk opzij worden geschoven. Heel anders is de situatie wanneer de Europese initiatieven versnipperd worden genomen, en wellicht in tegenspraak zijn met elkaar.

1.10

In een situatie zoals de huidige, waarin een fundamentele grondstof mogelijk sterk in prijs zal gaan stijgen, lijkt een voorstel voor overleg en dialoog op wereldniveau tussen alle grote hoofdrolspelers een absolute voorwaarde voor ieder ander initiatief. Gedacht kan worden aan een Wereldconferentie van producerende en consumerende landen.

1.11

In de tweede plaats moet de EU zich resoluut inzetten voor de verwezenlijking van een Europese interne markt voor energie. Europa is opgebouwd op basis van grote projecten voor interne markten: eerst voor kolen en staal, kernenergie en landbouw; vervolgens (sinds januari 1993) voor goederen, diensten en kapitaal; en in 1999 is tenslotte de monetaire unie ingevoerd. Nu is het moment gekomen om daar een specifieke actie voor de energiemarkt aan toe te voegen.

1.12

Dit zou tevens helpen om deze fundamentele sector te beschermen tegen de verwoestende uitwerking van speculatie. Zoals bekend, vervult speculatie binnen bepaalde grenzen een essentiële marktregulerende functie, maar leidt speculatie, als die grenzen worden overschreden, tot volledige desorganisatie en grote onzekerheid.

1.13

De Europese energiemarkt moet transparant worden gemaakt en moet kunnen worden gecontroleerd door de verantwoordelijke instanties. De prijsschommelingen moeten aanzienlijk worden teruggedrongen. Dit kan onder meer worden bereikt met een adequate voorlichting en een regulering van de strategische voorraden. Een adequate regulering van een belangrijke markt als de Europese zou zeker zeer grote gevolgen hebben voor de hele wereldmarkt.

2.   Voorstellen

2.1

De EU moet terugkeren naar de oorspronkelijke geest van haar EGKS- en Euratom-verdragen en moet eindelijk een interne energiemarkt verwezenlijken. Dit is nu meer dan ooit een dringende noodzaak, omdat daarmee risico's en gevolgen op sociaaleconomisch en andere gebieden kunnen worden voorkómen.

2.2

De EU moet gebruik kunnen maken van de juiste besluitvormingsinstrumenten (d.w.z. dat de procedure die het Franse EU-voorzitterschap onlangs, naar aanleiding van de financiële crisis, heeft geïntroduceerd, moet worden „geïnstitutionaliseerd”) ten einde het energiebeleid binnen de EU te kunnen sturen en met één stem te spreken in de internationale fora waar politieke besluiten over energiemaatregelen worden genomen, ook met betrekking tot olie. Er moet om te beginnen voor worden gezorgd dat de voorzieningsprijs wordt onttrokken aan speculatie.

2.3

De Unie moet haar beleid inzake de olievoorraden, dat nu op het niveau van de afzonderlijke lidstaten wordt bepaald, omvormen tot een gemeenschappelijk en transparant beleid, waardoor ook het energievoorzieningsbeleid meer zekerheid gaat bieden.

2.4

De Unie moet gemeenschappelijke maatregelen treffen, zoals geharmoniseerde fiscale maatregelen voor aardolieproducten, om de schade voor de hardst getroffen economische sectoren te beperken en rechtstreekse inkomenssteun geven aan burgers/consumenten, met name aan de zwakste bevolkingsgroepen, onder meer door hiervoor een deel van de bedrijfswinst te gebruiken.

2.5

De Unie moet vastberadener optreden om de mededinging in de sector (tegenwoordig vrijwel onbestaand, aangezien de aanbodmarkt de vorm van een oligopolie heeft) te reguleren, en moet zich buigen over de mogelijkheid om gebruik te maken van gereguleerde prijzen, in ieder geval in tijden van grote crisis, of om maatregelen te nemen waardoor de vaak onterechte marge tussen productie- en consumptieprijs wordt verkleind. Dit is een situatie waarin de consument machteloos staat en zich niet kan verdedigen.

2.6

De Unie moet het onderzoek naar en de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen bevorderen en financieren met een gemeenschappelijk fonds, ten einde de afhankelijk van aardolie terug te dringen, met name in de vervoersector, te beginnen met personenauto's. Dit kan door de investeringen in O&O sterk op te voeren en bijvoorbeeld vrij te stellen van belastingen, of door de oliemaatschappijen te verplichten een deel van hun winst voor dit doel te gebruiken.

2.7

Voorkomen moet worden dat de deflatie als gevolg van de plotselinge prijsdaling van ruwe olie en de recessie, grotere economische schade toebrengt dan de inflatie. Een basisinflatie die vanwege een gebrek aan daadkracht (of vanwege een onvolkomenheid van de markt?) blijft voortduren, ook ná de prijsdaling van ruwe olie, kan zo een eventuele deflatie verhullen.

3.   Inleiding

3.1

De Commissie heeft eindelijk besloten het vraagstuk van de stijgende olieprijzen of beter gezegd van de prijsschommelingen aan te pakken, in het licht van de gebeurtenissen van de laatste maanden, die het gevolg waren van financiële speculaties en de beurscrash. De prijsstijgingen lagen aan de basis van een terugkeer van de inflatoire spanningen in de EU, waarop de ECB en de Federal Reserve snel hebben gereageerd. Hun tegenmaatregelen hebben de inflatoire druk verminderd, maar hebben tevens de economische groei afgeremd.

3.2

Het restrictieve monetaire beleid is pas kort geleden herzien, als reactie op de wereldwijde financiële crisis. Desondanks heeft de financiële crisis geleid tot een sterk naar recessie tenderend klimaat dat niets met olie te maken heeft, zodat de inflatoire spanningen als gevolg van de olieprijzen sterk zijn afgenomen. De olieprijzen zijn dan ook niet langer geneigd te stijgen.

3.3

Een andere belangrijke consequentie is de verschuiving van de koopkracht van consumerende naar producerende landen, een ontwikkeling die in balans kan worden getrokken doordat de producerende landen hun invoer uit de consumerende landen opvoeren (tussen 2002 en 2007 is deze invoer met gemiddeld 26 % per jaar gestegen, veel meer dan de algemene mondiale invoer).

3.4

Zoals beter wordt uiteengezet in de samenvatting van de Mededeling, bekijkt de Commissie het probleem vanuit verschillende invalshoeken, terwijl sommige aspecten vrijwel of helemaal buiten beschouwing worden gelaten (de gevolgen van de speculatie, de aanwezigheid van oligopolievormen in de sector, wat gemakkelijk leidt tot het ontstaan van „kartels”, met alle gevolgen van dien, enz.).

3.5

Het EESC zal de Mededeling dan ook op een eerlijke en objectieve wijze moeten beoordelen, en er de plus- en minpunten van benadrukken, om vervolgens aanbevelingen en voorstellen te formuleren die de inflatoire gevolgen voor de prijzen en productiekosten moeten verminderen.

3.6

Ook zal het nader ingaan op de beleidsmatige tekortkomingen van de EU, haar zwakke positie op het internationale toneel en haar verdeeldheid als niet-onbelangrijke oorzaken van de tekortschietende controle van de oliemarkt en de speculaties die deze in hun greep houden.

3.7

Hier is nog een andere opmerking op zijn plaats: in het licht van de ontwikkelingen van de olieprijs, die sinds juli 2008 sterk is gedaald, zou de titel van de Commissiemededeling moeten worden aangepast. In dit advies wordt in ieder geval rekening gehouden met de steeds frequentere schommelingen van de olieprijs, en dus niet alleen met de prijspieken.

4.   Samenvatting van de Mededeling

4.1   Oorzaken van de prijsstijging

4.1.1

De Commissie is van mening dat de scherpe en abrupte stijging van de olieprijzen in de afgelopen maanden alleen vergelijkbaar is met de prijsontwikkeling van de jaren zeventig. Zij wijst erop dat de consumentenprijzen de prijs van ruwe olie volgen, en dat de huidige reële prijzen hoger liggen dan de piek in het begin van de jaren tachtig.

4.1.2

Verder is de Commissie van mening dat de huidige stijging van de olieprijzen grotendeels het resultaat is van een belangrijke structurele verschuiving van vraag en aanbod als gevolg van een toename van de consumptie (met name in China en India), de daling van het aantal olievelden, het feit dat overheidsbedrijven in de OPEC-landen nauwelijks reageren op de marktwerking, de geringe raffinagecapaciteit in sommige landen, de ontwaarding van de dollar en de opkomende inflatie.

4.2   Effecten op de economie van de EU

4.2.1

De ernstigste effecten zijn de toename van de inflatie en het sneeuwbaleffect op de energieprijzen; vaak is het zo dat hoewel de prijzen van grondstoffen dalen, de prijzen voor de consument niet meedalen.

4.2.2

De gevolgen zijn het ernstigst voor gezinnen, vooral die met lage inkomens (hoewel dit niet in alle Europese landen even sterk geldt), wat leidt tot grotere verschillen in inkomen en koopkracht, en dus een toename van de armoede.

4.2.3

Dit heeft ook zeer kwalijke gevolgen voor ondernemingen en voor de economische groei. De zwaarst getroffen sectoren zijn volgens de Commissie de landbouw, het vervoer en de visserij. Te hopen valt dat één en ander leidt tot een grotere belangstelling voor onderzoek en voor meer hernieuwbare energie.

4.3   Macro-economische impact op de ontwikkelingslanden

4.3.1

Ook in de olie-importerende ontwikkelingslanden zullen de gevolgen door de stijgende inflatie steeds ernstiger worden voor burgers en ondernemingen.

4.3.2

In deze landen worden de gevolgen nog versterkt door bijvoorbeeld de gestegen prijzen van levensmiddelen en de impact op de overheidsfinanciën, terwijl er in de olie-exporterende onderontwikkelde landen een opeenhoping van kapitaal plaatsvindt die specifieke uitdagingen met zich meebrengt voor het macro-economisch beleid, als gevolg van het vaak tekortschietende beheer van de olie-inkomsten.

4.4   Beleidsrespons van de EU

4.4.1

De EU gaat ervan uit dat de prijzen op de middellange en lange termijn hoog zullen blijven, zodat er adequate maatregelen nodig zijn zoals die welke zijn beschreven in het pakket „klimaatverandering en hernieuwbare energie”, naast de verwezenlijking van een echte interne markt voor energie.

4.4.2

Op korte termijn is het zaak dat de gevolgen voor de consumenten, met name de armste gezinnen, zo klein mogelijk worden gehouden. De voorstellen gaan van een belasting op aardolieproducten tot een topontmoeting tussen producerende en consumerende landen, en de verstrekking van aanvullende middelen aan olie-importerende landen.

4.4.3

Als structurele oplossingen voor de middellange termijn worden genoemd: intensivering van de dialoog met de voornaamste producerende landen; monitoring van de bestaande „concurrentie” in de sector; beoordeling van de transparantie van de voorraden; herziening van de communautaire wetgeving op dit gebied (de voorraden); onderzoek naar fiscale maatregelen ten behoeve van koolstofarme energiebronnen; gebruik van de winst van de oliewinningssector voor investeringen; een eventuele belasting op deze winst; bevordering van de dialoog tussen de EU en de ontwikkelingslanden.

4.4.4

Als structurele oplossingen voor de lange termijn worden genoemd: sluiting van een akkoord tussen de EU-lidstaten inzake klimaatverandering en hernieuwbare energie; verbetering van de energie-efficiëntie; invoering van structurele wijzigingen om de energie-efficiëntie van de vervoerssector en de visserijsector te verhogen; stimulering van energiebesparingen door gezinnen door middel van rechtstreekse fiscale maatregelen of subsidies; een veel grotere diversifiëring van de energievoorziening van de EU.

5.   Overwegingen en opmerkingen

5.1

De Commissiemededeling is geschreven op het moment dat de olieprijs op zorgwekkende wijze aan het pieken was, aan het begin van de vorige zomer. De moderne economie wordt echter steeds meer gekenmerkt door plotseling sterk veranderende perspectieven, zelfs op zeer korte termijn.

5.2

In tegenstelling tot enkele maanden geleden wordt de wereldeconomie momenteel gekenmerkt door het zorgwekkende vooruitzicht op een recessie, die volgens de prognoses van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) ook alle opkomende economieën zal treffen. Deze hebben de laatste tijd (pakweg de afgelopen dertig jaar, sinds het einde van wat de golden age van het huidige kapitalisme werd genoemd) duidelijk een veel snellere economische groei doorgemaakt dan de ontwikkelde landen.

5.3

De daling van de olieprijs, na de hoge pieken van juli 2008 (toen zowel de nominale als de reële prijzen een absoluut hoogtepunt bereikten) en de zeer lage prijzen in november 2008, die gecorrigeerd voor inflatie op het niveau van 25 jaar geleden waren teruggekeerd, zou wel eens van blijvende aard kunnen zijn. De grootste vrees van economen is tegenwoordig dat er een deflatie komt, die uiteraard de oliemarkt niet zou sparen.

5.4

Het is beter om geen langetermijnvoorspellingen te doen over de mogelijke uitputting van de oliereserves in de bodem. Deze angst leeft al decennialang, maar kan evengoed ongegrond zijn. In een recent artikel in het bekende tijdschrift The Economist (van 21 juni 2008) wordt opgemerkt dat de nu bekende aardolievoorraden, bij het huidige productieritme, naar verwachting nog 42 jaar mee zullen gaan (wat niet gering is: wat kan er in de komende 42 jaar niet nog allemaal gebeuren op het gebied van wetenschappelijke en technologische innovaties!). Daarbij wordt echter ook opgemerkt dat de reserves in de landen in het Midden-Oosten al jaren dezelfde zijn, waaruit volgens de auteur kan worden afgeleid dat de geproduceerde en verbrande aardolie worden gecompenseerd door de ontdekking van nieuwe reserves of dat de schattingen over de reserves niet erg accuraat zijn. Daarentegen moet worden benadrukt dat voor de berekening van de huidige productiecijfers is uitgegaan. Het probleem is echter niet zozeer de uitputting van de reserves op de lange termijn, als wel de dreigende crisis, die samenhangt met het verstoorde evenwicht tussen vraag en aanbod op de korte termijn, met name als gevolg van eventuele onderbrekingen van de productie in strategische gebieden.

5.5

De zoektocht naar nieuwe reserves en nieuwe bronnen is noodzakelijkerwijs een continu proces. De olieschokken van de jaren '70, die tot de belangrijkste gebeurtenissen van de vorige eeuw behoorden, kunnen ons veel leren. Deze schokken waren te wijten aan door de producerende landen opgelegde aanbodbeperkingen, en waren dus niet een spontaan gevolg van de marktwerking, waarvan de huidige problemen het gevolg lijken te zijn. De zeer sterke prijsstijgingen waarvan toen sprake was hebben er in ieder geval toe geleid dat werd gezocht naar nieuwe bronnen en zeer innovatieve productiemethoden.

5.6

Marktontwikkelingen als gevolg van een verstoring van het evenwicht tussen vraag en aanbod, moeten altijd aandachtig in de gaten worden gehouden.

5.7

Het drastische monetair beleid dat sinds het begin van de jaren '80 werd gevoerd, met name door de regeringen van Ronald Reagan in de VS en Margaret Thatcher in het VK, en dat was gebaseerd op de theorieën van de „Chicago School” van Milton Friedman, heeft geleid tot een sterke verhoging van de rentepercentages. Dit had tot gevolg dat de houders van oliereserves hun prioriteiten moesten herzien: het was voor hen niet langer winstgevend de beschikbare olievoorraden onder de grond te houden. De stijging van de rentetarieven was een van de hoofdoorzaken van de teloorgang van het oliekartel halverwege de jaren '80.

5.8

Een volledige analyse zou niet alleen rekening moeten houden met geologische of technologische wetenswaardigheden, maar ook met economische aspecten; als de schaarste van grondstoffen en het feit dat de vraag het aanbod overstijgt tot prijsstijgingen leiden, dan zullen deze prijsstijgingen op hun beurt van invloed zijn op de beschikbaarheid van die grondstoffen, zodat de situatie weer meer in evenwicht komt. We mogen daarbij niet vergeten dat de zoektocht naar nieuwe oliereserves gevolgen kan hebben voor wat het milieu betreft zeer gevoelige plaatsen en gebieden (zoals de Noordpool). Om deze situatie te voorkómen, moet naar alternatieve energiebronnen worden gezocht.

5.9

Alvorens in te gaan op de oorzaken van de recente prijsstijgingen kan nog een opmerking van methodologische aard worden gemaakt. Een essentiële voorwaarde voor iedere strategie is ongetwijfeld de best mogelijke kennis van het probleem waarvoor een oplossing moet worden gezocht. De vooraanstaande Italiaanse econoom Luigi Einaudi waarschuwde al dat „kennis van zaken een voorwaarde is om besluiten te kunnen nemen”.

5.10

Het EESC acht een betere kennis van de werking van de oliemarkt van het grootste belang. De angsten die voortvloeien uit de sterke schommelingen van de olieprijs zijn voornamelijk gebaseerd op prijsstatistieken, die iedere dag worden bijgehouden. Een van de bekendste methoden is de methode die het IMF toepast om de zogenoemde APSP (average petroleum spot price) te berekenen, ofwel het niet-gewogen gemiddelde van de olieprijzen van Brent, Dubai en WTI (= de Amerikaanse prijs).

5.11

Het zou nuttig kunnen zijn te kijken naar de gemiddelde invoer van ruwe olie, aan de hand van de statistieken over de buitenlandse handel van de belangrijkste importerende landen. Hoogstwaarschijnlijk is de kennis van de omstandigheden waarin de voorziening van ruwe olie plaatsvindt veel betrouwbaarder dan het bijhouden van de dagprijzen op de markt.

5.12

Het EESC is van mening dat een nauwkeurig onderzoek naar de oorzaken van de recente sterke stijgingen van de olieprijs, en van de nog recentere drastische prijsdalingen, gebaseerd moet zijn op een analyse van de reële onderliggende tendensen in de wereldeconomie.

5.13

Het merkt echter op dat in de Mededeling helemaal niet wordt ingegaan op de invloed die de zeer sterke speculatie ongetwijfeld heeft gehad op de ongecontroleerde stijgingen van de olieprijs; zonder deze speculatie zou de prijs nooit hebben kunnen schommelen van 147 dollar per vat in juli 2008 tot circa 60 dollar per vat in oktober 2008.

5.14

Uitgaande van de fundamentele structurele gegevens kan echter tot de vaststelling worden gekomen dat het wereldwijde energieverbruik tegenwoordig stabiel op meer dan 10 miljard ton olie-equivalent ligt, en dat deze groei wordt bevorderd door een stijging van het mondiale BBP, dat zowel absoluut als relatief nog nooit eerder zo hoog is geweest.

5.15

Er dient te worden uitgemaakt hoe groot de kans is op een recessie als gevolg van de wereldwijde crisis op de financiële markten; maar in geen geval mag over het hoofd worden gezien dat gedurende vier achtereenvolgende jaren, van 2004 tot en met 2007, de wereldproductie met 5 % per jaar is gestegen, vooral vanwege de vraag uit opkomende economieën: in de eerste plaats China en India, maar ook de Afrikaanse landen maakten een groei door van 6 à 7 % per jaar. Ook Rusland is zich aan het herstellen tot de grootmacht die het ooit was, en er zijn nog tal van andere nieuwe ontwikkelingen op het internationale toneel.

5.16

Het mondiale BBP, berekend aan de hand van de reële prijzen van 2007, is gestegen van 53 biljoen dollar in 2003 (berekend, zoals volgens ons correct is, als koopkrachtpariteit of PPP, Purchasing Power Parities, en dus niet op basis van de wisselkoersen op de markt) tot 65 biljoen in 2007, wat overeenkomt met een stijging met ruim 12 biljoen dollar. Het is alsof de wereldeconomie in vier jaar tijd is uitgebreid met een nieuwe economie ter grootte van die van de VS.

5.17

Een stijging van 5 % per jaar betekent dat de wereldproductie, als dit groeitempo aanhoudt (wat niet per se onmogelijk is), over 14 jaar verdubbeld zal zijn en over 28 jaar – de tijdspanne van een generatie – verviervoudigd. Dit grenst aan het ongelofelijke, maar laat zien dat de economische geschiedenis een geheel nieuwe fase ingaat.

5.18

Er wordt in de Mededeling terecht aan herinnerd dat energie, net als in voorgaande fases in de geschiedenis, een basisingrediënt van de economische groei is. De huidige zeer grote economische groei heeft dus vooral tot gevolg dat de energiebronnen zwaar onder druk zijn komen te staan.

5.19

Zoals eerder al is opgemerkt moet worden stilgestaan bij de gevolgen van de welig tierende speculatie op de oliemarkt: deze versterkt bepaalde ontwikkelingen die echter ongetwijfeld een structurele oorzaak hebben.

5.20

Om het verschijnsel van de prijsschommelingen te begrijpen, moet men weten dat één derde van de verbruikte energie tegenwoordig afkomstig is van aardolie!

5.21

Een nadere bestudering van de beschikbare gegevens over de ontwikkeling van de marktprijzen van olie leidt tot verrassende resultaten, die niet overeenstemmen met hetgeen in de Mededeling wordt beweerd (bron: http://inflationdata.com/inflation/inflation_Rate/Historical_Oil_Prices_Table.asp van de Financial Trend Forecaster - www.fintrend.com/ftf/).

5.22

Uit een analyse van de gegevens blijkt dat de reële olieprijs, dat wil zeggen gecorrigeerd voor inflatie en de algemene prijsontwikkeling, vanaf het einde van de jaren '40 tot halverwege de jaren '70 grotendeels onveranderd is gebleven: deze lag gemiddeld net boven de 20 dollar per vat! Dit blijkt uit alle bronnen die hierover kunnen worden geraadpleegd.

5.23

Gedurende bijna 30 jaar (de periode die de golden age van het huidige kapitalisme werd genoemd en die door de vooraanstaande historicus Eric Hobsbawn werd beschreven als de meest intensieve fase van economische groei die de mensheid tot nu toe op een dergelijke schaal heeft gekend) werd de zeer sterke ontwikkeling van de wereldeconomie niet afgeremd door schaarste aan energiebronnen: het aanbod kon de omhoog schietende vraag blijkbaar aan.

5.24

Zoals bekend hebben de olieschokken van de jaren '70 – waarvan de eerste samenviel met de Jom Kipoeroorlog in oktober 1973 en de tweede met de revolutie van Khomeini in Iran – daarentegen enorme prijsstijgingen in de hand gewerkt, die volgens de Commissie zijn toe te schrijven aan de succesvolle controle op de productie door het OPEC-kartel.

5.25

Naar de mening van het EESC lagen er nog andere factoren aan de basis van die crisis en de plotse prijsstijgingen, met name de monetaire chaos die is uitgemond in de verklaring van augustus 1971 waarmee een einde is gemaakt aan de converteerbaarheid van de dollar in goud. Deze chaos kwam voort uit de veel te hoge tekorten op de Amerikaanse betalingsbalans, die het onmogelijk maakten het monetaire systeem van vaste wisselkoersen (Bretton Woods) in stand te houden. De crisis van de dollar ging gepaard met een sterke inflatoire druk, waar de oliemarkt sterk onder gebukt ging. Ten slotte mogen we niet vergeten dat de wereldwijde economische conjunctuur in het begin van de jaren '70 werd gekenmerkt door een enorme productietoename, waardoor de vraag op alle grondstoffenmarkten de hoogte in schoot.

5.26

De verschillen met de huidige situatie lijken ons belangrijker dan de overeenkomsten. De enige overeenkomst tussen toen en nu is de zeer sterke groei van de wereldeconomie. Er lijkt nu geen sprake te zijn van belangrijke marktmanipulaties, behalve dan de speculatie, wat echter iets heel anders is dan de acties van het OPEC-kartel, dat officieel aanwezig was op daadwerkelijk internationale conferenties.

5.27

Het EESC is van mening dat zelfs de huidige accumulatie van reserves in dollars, met name in China en Japan, niet veel gemeen heeft met de proliferatie van monetaire reserves in de periode van eind jaren '60 tot begin jaren '70. China en Japan zijn er helemaal niet happig op hun enorme dollarvoorraden zo maar opeens op de markt te gooien.

5.28

Het keiharde monetaire beleid van de grote westerse landen zette vanaf 1986 de ineenstorting van de prijzen in gang. Het is interessant erop te wijzen dat de gemiddelde reële olieprijs in de periode 1993-1999 op 23 dollar per vat lag, precies evenveel als veertig jaar eerder (1953-1959), volgend op de enorme groei van de wereldeconomie en van de vraag naar olie.

5.29

Het EESC deelt het standpunt van de Commissie dat de versnelling van de wereldwijde economische groei niet minder belangrijk is nu het epicentrum van die groei niet meer in de geavanceerde economieën ligt maar in de opkomende economieën. Deze ontwikkeling lijkt een tendens op gang te hebben gebracht die aan de basis ligt van de nominale en reële prijsstijgingen, van de bescheiden prijs van circa 30 dollar per vat in 2003 (het jaar waarin de wereldconjunctuur een „sterke” fase inging) tot meer dan 60 dollar per vat nu, oftewel vrijwel het dubbele. Het is tevens waar dat de dollar tussen 2003 en 2007 een kwart van zijn waarde ten opzichte van de euro heeft verloren, zodat de prijzen in euro niet zijn verdubbeld. Dat neemt niet weg dat de prijzen in euro met 50 % zijn gestegen.

5.30

De „piek” van juli 2008 van 147 dollar was waarschijnlijk het gevolg van een speculatiebel; er dient dan ook rekening mee te worden gehouden dat de prijzen in de nabije toekomst, als de speculanten weer olie beginnen te kopen omdat de prijs daarvoor weer als redelijk wordt beschouwd, weer zullen gaan stijgen. De hoofdrolspelers van de wereldwijde aardolie-industrie, wier invloed in ieder geval moet worden beperkt en transparanter moet worden gemaakt, beschouwen een prijs van circa 80 dollar per vat als „natuurlijk”. Dit is dus een veel hogere prijs dan die welke in het begin van de herstelperiode werd opgetekend (circa 30 dollar in 2002-2003).

Brussel, 25 februari 2009.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI