3.2.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/123


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Betere integratie in de interne markt als succesfactor voor meer cohesie en groei in eilandgebieden

(2009/C 27/26)

Het EESC heeft op 27 september 2007 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over

Betere integratie in de interne markt als succesfactor voor meer cohesie en groei in eilandgebieden.

De gespecialiseerde afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 juni 2008 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw Gauci.

Het Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2008 gehouden 446e zitting (vergadering van 10 juli 2008) onderstaand advies uitgebracht, dat met 118 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

De EU zou een geïntegreerde aanpak moeten ontwikkelen om eilandgebieden beter te integreren in de interne markt, omdat dit niet alleen van cruciaal belang is voor meer cohesie en groei in de Europese Unie, maar ook voor de volledige verwezenlijking van de doelstellingen van de herziene Lissabonagenda. Een geïntegreerde aanpak is gerechtvaardigd, omdat eilandgebieden, ondanks alle onderlinge verschillen (o.a. qua omvang), met dezelfde belangrijke problemen worden geconfronteerd.

1.2

Het zou goed zijn om een geïntegreerd communautair beleidskader te ontwikkelen met het oog op een coherente aanpak van alle problemen waarmee de Europese eilandgebieden te kampen hebben.

1.3

Er is degelijk bestuur nodig om het hoofd te kunnen bieden aan problemen inzake informatie en communicatie; kwantificatie en kwalificatie van gegevens; de ontwikkeling van een gemeenschappelijke strategische visie; de bevordering van netwerken en clusters; of de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld. Met het oog op dat bestuur is het zaak de gunstige voorwaarden te scheppen die nodig zijn om de lokale instellingen van eilandgebieden de mogelijkheid te geven te bepalen hoeveel hun insulaire situatie hen kost. Daarom zijn er in eilandgebieden zowel lokale instellingen voor de statistiek als prijsindexeringen nodig. Uiteindelijk zou er een gemeenschappelijke evaluatiemethodologie moeten ontstaan uit die van alle lokale instellingen voor de statistiek van de Europese eilandgebieden.

1.4

Met betrekking tot de tenuitvoerleggingsfase dient van elk communautair initiatief m.b.t. de interne markt te worden geanalyseerd welke impact het op eilandgebieden heeft; daarbij moet op elk Europees beleidsterrein aandacht worden besteed aan de problematiek van eilandgebieden (de „Island touch”) en moeten de administratieve formaliteiten worden vereenvoudigd, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen.

1.5

Aangezien bereikbaarheid voor eilanden van fundamenteel belang is, benadrukt het Comité het belang van goede territoriale continuïteit. De EU zou hier meer aandacht aan moeten besteden. Het perspectief dat hierbij dient te worden ingenomen is dat van het eilandgebied naar het vasteland, en niet omgekeerd.

1.6

Het EESC dringt erop aan dat de Europese Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Comité van de Regio's en het EESC zelf een jaarverslag voorlegt waarin wordt geëvalueerd en gecontroleerd of de maatregelen die bedoeld zijn om de problemen van de Europese eilandgebieden aan te pakken, doeltreffend zijn. Dit verslag moet ook voorstellen bevatten voor acties van de Commissie. Zo wordt met onderhavig advies een dynamisch proces van lange adem op gang gebracht.

2.   Inleiding

2.1

Volgens de definitie van Eurostat moet een eiland de volgende kenmerken hebben:

De oppervlakte bedraagt minstens 1 km2;

Het moet minstens 1 km van het vasteland verwijderd zijn;

Het telt een permanente bevolking van minstens 50 personen;

Het heeft geen vaste verbinding met het vasteland; en

Er is geen hoofdstad van een Europese lidstaat op gevestigd.

2.2

Deze definitie moet echter herzien en actueel gemaakt worden, om de eenvoudige reden dat een eiland een gebied is dat niet te voet kan worden bereikt. Bovendien heeft de definitie in paragraaf 2.1 geen rechtsgrondslag en dient deze alleen als een referentie in afwachting van een betere definitie die rekening houdt met de nieuwe realiteit in de uitgebreide Europese Unie, waarvan ook insulaire lidstaten deel uitmaken.

2.2.1

Bij het definiëren van eilandgebieden moet ook rekening worden gehouden met Verklaring 33 van het Verdrag van Lissabon, m.n.: „De [Intergouvernementele] Conferentie is van oordeel dat de woorden „insulaire gebieden” in artikel 174 ook betrekking kunnen hebben op insulaire staten in hun geheel, mits aan de vereiste criteria wordt voldaan”.

2.3

Momenteel maken de eilandgebieden van de EU deel uit van veertien EU-lidstaten. De EU-eilandgebieden tellen ongeveer 21 miljoen inwoners. Dankzij deze gebieden is de Europese Unie zowel economisch als geopolitiek in bijna elke oceaan op aarde aanwezig en,vormen ze een actieve grens met veel werelddelen.

2.4

Net als de lidstaten zelf zijn ook eilandgebieden onderling verschillend. Daarom wil het EESC de hierna volgende karakterisering voorstellen.

2.4.1

Eilandgebieden verschillen op structureel vlak, aangezien er perifere en ultraperifere eilanden (de kenmerken van deze laatste worden opgesomd in art. 299, lid 2 van het EU-Verdrag), evenals kleine (met soms minder dan 50 inwoners) en grote eilanden zijn.

2.4.2

Eilandgebieden verschillen ook op institutioneel vlak, aangezien sommige insulaire staten zijn, andere een regionale status hebben, terwijl nog andere als kusteilanden deel uitmaken van een grotere regionale eenheid op het vasteland.

2.5

Naast al deze verschillen hebben eilandgebieden kenmerken die sterk kunnen verschillen van die van de vastelandgebieden, b.v. op het vlak van cultuur, onderwijs, vervoer en milieu. Deze aspecten moeten nader worden onderzocht, zodat met betrekking tot deze gebieden een beleid kan worden ontwikkeld dat zowel rekening houdt met de gemeenschappelijke kenmerken als met de specifieke eigenschappen van ieder eiland waardoor de mogelijkheden en uitdagingen van eiland tot eiland kunnen verschillen. Het EESC is van plan hier later op terug te komen.

2.6

Met haar nieuwe mededeling „Een interne markt voor de 21e eeuw” (20 november 2007) heeft de Europese Commissie het debat over de toekomstige interne markt geopend (1). In dit verband moet ook speciale aandacht gaan naar de situatie van eilanden.

3.   Achtergrond

3.1

Sinds de ingebruikname van de nieuwe governance-methode die gekenmerkt wordt door een geïntegreerde aanpak (met name in het kader van het groenboek en de blauwboeken over het toekomstige maritieme beleid) mogen internemarktaangelegenheden niet gescheiden worden van regionale thema's. De interne markt is geen doel op zich, maar een instrument waarmee de belangen van regio's en burgers moeten worden gediend.

3.2

Aangezien eilandgebieden steeds hebben gezocht naar manieren om te evolueren binnen de interne markt, moeten zij anticiperen op toekomstige veranderingen.

3.3

Regionaal beleid is een nuttig instrument voor eilanden. Toch moet dit instrument verder worden ontwikkeld en verbeterd in een geïntegreerd EU-kader, opdat eilanden niet alleen juridisch deel uitmaken van de interne markt, maar daarin ook in economisch en sociaal opzicht een grotere rol gaan spelen. Als de Commissie na de inwerkingtreding van het Lissabonverdrag een nieuw beleid inzake territoriale samenhang gaat ontwikkelen, moet dit aspect worden meegenomen.

3.4

Naast het regionaal en het cohesiebeleid omvat dit geïntegreerde communautaire beleidskader vooral ook de volgende beleidsvormen: vervoer; energie en water; onderwijs en werkgelegenheid; onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie; mededinging; industriebeleid; milieu; landbouw en visserij.

3.5

In de huidige context moeten eilanden eerst worden onderzocht in het licht van het vierde cohesieverslag.

3.5.1

Hoewel de EU-instellingen achter een geïntegreerde benadering van hun beleid staan, is het verbazingwekkend dat de Commissie niet beschikt over een geïntegreerde analyse van de problemen van eilandgebieden.

3.5.2

Volgens de Commissie is bereikbaarheid een „specifiek probleem” dat eilanden moeten aanpakken.

3.5.3

Terecht benadrukt de Commissie ook het probleem van de schaarse bevolking van eilandgebieden. Eilanden hebben bijgevolg een kleine lokale markt, zodat de groeicapaciteit van kleine en middelgrote bedrijven beperkt is omdat er geen schaalvoordelen mogelijk zijn. Vooral hun kansen om Europese markten te veroveren worden hierdoor belemmerd.

3.5.4

Een ander gevolg hiervan is dat de meeste eilandgebieden niet kunnen steunen op hun thuismarkt (2), aangezien deze meestal te klein is voor een volledige en doeltreffende economie. Bijgevolg is de enige oplossing voor lokale kleine en middelgrote ondernemingen zich te richten op uitvoer.

3.5.5

Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met een hele reeks moeilijkheden waarmee eilandgebieden te kampen hebben vanwege hun natuurlijke handicap: alle problemen die het gevolg zijn van hun insulaire karakter. De hoge meerkosten voor vervoer tasten hun concurrentievermogen aan. Paradoxaal genoeg leidt het feit dat die hoge vervoerskosten eilandmarkten kunnen „beschermen” tegen de concurrentie van producten van het vasteland, in de praktijk tot monopolievorming in de eilandgebieden.

3.5.6

Insulariteit brengt ook de volgende problemen met zich mee (die doorwegen in de ontwikkelingsperspectieven op lange termijn):

Essentiële hulpbronnen (b.v. drinkwater, energie, grondstoffen, leefruimte en akkerland) zijn slechts in beperkte mate beschikbaar, met schaarste en beperkte economische diversificatie als gevolg. Dat dit ook leidt tot een problematische mono-activiteit, wordt uiteengezet in de analyse van de insulaire en ultraperifere regio's van de Europese Unie (3), waarin vooral wordt gewezen op het gebrek aan drinkwater dat in de zomer, als er veel toeristen zijn, leidt tot acute problemen op de mediterrane eilanden. Er zijn ontziltingsinstallaties gebouwd, maar de traditionele modellen hiervan verbruiken heel veel elektriciteit. Op vele eilandgebieden is de energietoevoer onvoldoende en moeten er fossiele brandstoffen of elektriciteit via onderzeese kabels worden aangevoerd;

Natuurlijke risico's hebben op eilanden ernstigere gevolgen dan elders: het milieu van eilandgebieden is erg kwetsbaar.

3.5.7

Over bereikbaarheid dient het volgende te worden gezegd:

Ten eerste heeft de Commissie gelijk met haar opvatting dat de moeilijke bereikbaarheid van eilandgebieden het gevolg is van de grotere reistijd met de auto of trein vanwege de extra tijd die nodig is voor het oversteken van de zee. Hierdoor worden eilandbewoners en hun kleine en middelgrote bedrijven geconfronteerd met hoge vervoerkosten, moeilijke verbindingen, en sociaal en klimatologisch ongunstige situaties ten gevolge van het feit dat ze zich op een eiland bevinden (4).

Ten tweede heeft de Commissie ook gelijk als ze „vervoer” en „communicatie” aanduidt als belangrijke factoren voor het concurrentievermogen van gebieden. Als de ontwikkeling van stedelijke centra afhangt van een drievoudige bereikbaarheid (over land/per spoor/door de lucht) (5), dan is dit dus nog meer het geval voor eilandgebieden, die in vele gevallen ook moeilijk bereikbaar zijn voor HDSL-verbindingen (6). Deze problematiek krijgt een extra dimensie vanwege het feit dat een van de belangrijkste maatstaven voor potentiële beleggers de internationale verbindingen met andere belangrijke economische centra zijn (7).

Ten slotte is het voor eilandgebieden erg moeilijk om toegang te verwerven tot de uitgebreide Europese markt. Zoals gezegd worden zij geconfronteerd met hoge vervoerkosten, waardoor kleine en middelgrote bedrijven in eilandgebieden niet interessant zijn. Ze lijden ook onder het feit dat zij niet dezelfde productiewijzen kunnen toepassen als bedrijven op het vasteland. Vanwege de leveringskosten kunnen zij niet just-in-time werken, waardoor de productiekosten hoger zijn.

3.6

Al deze elementen tonen aan hoe ongunstig de situatie van eilandgebieden is als het erop aankomt zich te integreren in de interne markt: zij voldoen niet aan alle voorwaarden die nodig zijn om alle voordelen te genieten die deze markt van ongeveer 500 miljoen consumenten biedt.

3.6.1

De EU mag niet een beleid voeren waarin iedereen over één kam wordt geschoren en zou de hoger vermelde geïntegreerde aanpak moeten bevorderen. Eilanden bevinden zich in een complexe situatie, omdat zij te kampen hebben met verschillende handicaps tegelijk. Zij moeten echter de troeven uitspelen die zij ook hebben en die de basis kunnen vormen voor een geïntegreerde sociaal-economische ontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn visbestanden, hernieuwbare energiebronnen, economische activiteiten m.b.t. toerisme, een sterke culturele identiteit, natuurlijk en cultureel erfgoed.

3.6.2

Daarnaast dient te worden benadrukt dat de Commissie in een document bij de reeds vermelde mededeling over „Een interne markt voor de 21e eeuw” voor toegang tot diensten van algemeen belang in de hele Europese Unie pleit. Volgens de Commissie is dit „van wezenlijk belang voor de bevordering van de territoriale samenhang in de Europese Unie”. Bovendien zegt de Commissie dat „gebieden met geografische of natuurlijke handicaps zoals ultraperifere gebieden, eilanden, bergachtige en dun bevolkte gebieden en externe grenzen (…) op het vlak van de toegang tot diensten van algemeen belang vaak onder druk [komen] te staan, omdat zij verwijderd zijn van belangrijke markten of wegens de aanzienlijke verbindingskosten. Met deze specifieke behoeften dient rekening gehouden te worden”. De Commissie lijkt zich dus terdege bewust van het probleem: het is dan ook niet onvoorstelbaar dat op dit terrein initiatieven worden ontplooid.

3.7

Dit verklaart waarom de integratie van eilandgebieden in de interne markt nog altijd een probleem vormt sinds de inwerkingtreding van de Europese Akte. Eilandgebieden zijn nog altijd kwetsbaar. Zoals reeds gezegd, kunnen zij meestal niet steunen op hun thuismarkt; kleine en middelgrote bedrijven uit eilandgebieden moeten hun producten en diensten op het Europese vasteland verkopen. Niettemin vormen de moeilijke bereikbaarheid en het probleem van de mono-activiteit obstakels voor hun concurrentievermogen.

3.8

Om al deze redenen pleit het EESC ervoor dat bij nieuwe wetgeving alle voorstellen die betrekking hebben op eilanden aan een speciale evaluatie worden onderworpen. Bij de volgens het EESC noodzakelijke geïntegreerde aanpak van de problematiek van eilandgebieden moet vooral rekening worden gehouden met de fundamentele beginselen van evenredigheid en subsidiariteit waarop eilandgebieden zich kunnen beroepen.

4.   Een geïntegreerde aanpak die de troeven van de Europese eilandgebieden uitspeelt

4.1

Zoals reeds aangegeven, pleit het EESC voor een geïntegreerde aanpak van de problemen waarmee de Europese eilandgebieden te kampen hebben, gekoppeld aan een geïntegreerd communautair beleidskader.

4.2

Eilandgebieden moeten aan bod komen bij de herziening van de interne markt (8). In de mededeling van 20 november 2007 wordt net als in het tussentijdse verslag van februari 2007 het belang erkend van bedrijfsvriendelijke richtsnoeren.

4.3

Kleine en middelgrote ondernemingen moeten worden aangemoedigd om grensoverschrijdende activiteiten te ontwikkelen. Met het oog hierop moet er echter een instrument „territoriale continuïteit” bestaan dat Europese eilandbewoners kan helpen om via hun (lid-)staat op het vasteland of via een naburige (lid-)staat markten te bereiken. Hiervan bestaan concrete en geslaagde voorbeelden. Zo maakt het Deense eiland Bornholm gebruik van een door de overheid gesubsidieerde zeeverbinding met het Zweedse Ystad. Ook tussen het Franse vasteland en Corsica bestaat territoriale continuïteit.

4.3.1

Dankzij een gesubsidieerde zeeverbinding is de kwaliteit van het vervoer tussen deze twee Franse gebieden verbeterd. Het zou ook goed zijn een dergelijke verbinding met Italië tot stand te brengen (aangezien het Europese vasteland voor Corsicanen gemakkelijker bereikbaar is via Italië dan via Frankrijk). Daarom zou het volgens het EESC interessant zijn om de mogelijkheid te bestuderen om dergelijke praktijken voor alle eilandgebieden te ontwikkelen en in heel Europa toe te passen. Uit ervaring blijkt dat die „territoriale continuïteit” bezien vanuit het eilandgebied naar het vasteland, en niet omgekeerd, moet worden verwezenlijkt.

4.3.2

Als dit instrument voor territoriale continuïteit in heel Europa zou worden gebruikt, betekent dit de verwezenlijking van grensoverschrijdende integratie waarop de Commissie hamert in haar mededeling „Een interne markt voor de 21e eeuw”.

4.4

Dankzij een interne markt waarin de kennismaatschappij centraal staat, wat zich onder meer vertaalt in de verspreiding van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën in de EU, zou de economie van eilandgebieden zich kunnen diversifiëren.

4.5

Er mag niet uit het oog worden verloren dat eilandgebieden beschikken over een natuurlijk milieu met heel wat potentieel voor innovatie (o.m. op het vlak van hernieuwbare energiebronnen en blauwe biotechnologie). Uitgaand van de in het 4e cohesieverslag gelegde link tussen economische mogelijkheden en de mogelijkheid om te innoveren, hebben eilandgebieden veel speelruimte.

4.6

Rekening houdend met het feit dat de meeste eilandgebieden actief zijn in de visserij, kan bio-energie interessant zijn voor viskwekers of uitvarende vissers. Het overheidsbeleid moet middelen ter beschikking stellen om op dit terrein initiatieven te ontwikkelen en eilandgebieden helpen bij het aanboren van hernieuwbare maritieme hulpbronnen (b.v. getijdenenergie, energie uit zeestromingen, of vooral in ultraperifere eilandgebieden — OTEC, Ocean Thermal Energy Conversion, ofwel winning van energie uit oceanische warmte).

4.7

Met betrekking tot landbouw moet een zekere flexibiliteit worden toegestaan bij de tenuitvoerlegging van de twee pijlers van het GLB, zodat landbouwers uit eilandgebieden er meer voordeel uit kunnen halen.

4.8

Dit soort energie is van essentieel belang voor eilandgebieden, omdat hun bodemgebruik reeds onder hoge druk staat en hun geografische afhankelijkheid van fossiele brandstoffen hun ontwikkeling afremt. Deze afhankelijkheid kan worden doorbroken door hernieuwbare energiebronnen te ontwikkelen voor deze gebieden. In dit verband vormen eilandgebieden de uitgelezen plek voor experimenten en ontwikkeling, waardoor ze heel Europa vooruit kunnen helpen. Réunion heeft dan ook onlangs aangekondigd dat het zich wil engageren voor een beleid dat „100 procent hernieuwbare energiebronnen” nastreeft: er is reeds een aanzienlijke hoeveelheid hernieuwbare maritieme hulpbronnen gevonden. Windenergie is een ander goed voorbeeld. El Hierro op de Kanarische Eilanden zal vóór 2009 al zijn energie halen uit een combinatie van windturbines en hydro-elektriciteit.

4.9

Wil men een interne markt die steunt op goede Europese regelgeving (9), dan moet worden nagegaan hoe de huidige Europese wetgeving ten uitvoer wordt gelegd en of hiermee inderdaad de beoogde resultaten worden bereikt. Gelet op de reeds vermelde problemen i.v.m. regelgeving zou een dergelijk initiatief zeker positief uitwerken voor eilandgebieden. Misschien kan in dit verband het volgende proefproject worden uitgevoerd: krachtens de Dienstenrichtlijn moet de Commissie top 28 december 2011, en vervolgens om de drie jaar, aan het Europees Parlement en de Raad een uitgebreid verslag over de toepassing van deze richtlijn voorleggen; dit verslag zou vanuit een territoriale aanpak kunnen worden opgesteld, waarbij de situatie van eilandgebieden zou kunnen worden vergeleken met die van andere gebieden.

4.10

Al deze elementen dragen ertoe bij dat er oplossingen zullen worden gevonden om eilandgebieden voortaan beter te integreren in de interne markt. Deze integratie hangt af van de verwezenlijking van twee doelstellingen: aantrekkelijkheid en diversificatie.

5   Een goede tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen in de Europese eilandgebieden

5.1

Met het oog op de verwezenlijking van de twee hoger genoemde doelstellingen, hangt een goede tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen af van de volgende initiatieven:

5.1.1

D.m.v. vervoer en een innovatiebeleid moeten er betere verbindingen tot stand komen tussen eilandgebieden en vasteland.

5.1.1.1

Talrijke ondernemers uit eilandgebieden klagen over de meerkosten waarmee zij te maken krijgen voordat hun goederen in een haven op het vasteland aankomen (vanwege het vervoer). Sommige studies maken gewag van 20 % meerkosten. Omdat de producten echter onderling verschillen, moeten er nauwkeurige studies worden uitgevoerd (aan de hand van een methode zoals die welke wordt toegepast op ultraperifere gebieden). Om dit tot stand te kunnen brengen, is het zaak de juiste voorwaarden te scheppen opdat de lokale instellingen van eilandgebieden de meerkosten van insulariteit kunnen berekenen. Daarom zijn er in eilandgebieden lokale instellingen voor de statistiek en prijsindexeringen nodig. Dit proces zou moeten uitmonden in een gemeenschappelijke methode voor alle lokale instellingen voor de statistiek in de Europese eilandgebieden.

5.1.1.2

Meer in het algemeen hebben eilandgebieden doeltreffende diensten van algemeen belang nodig.

5.1.2

Het initiatief voor een betere regelgeving vereist een geografische benadering, met inbegrip van het volgende:

Een impactevaluatie van elk communautair initiatief m.b.t. de interne markt in eilandgebieden. Niet alleen transsectoraal, maar ook geografisch; met ook aandacht voor de specifieke situatie van eilandgebieden op alle communautaire beleidsterreinen (de „Island touch”).

Een flexibele toepassing van Europese regelgeving;

Vereenvoudiging van administratieve formaliteiten, met name wat de toegang tot financiering voor kleine en middelgrote bedrijven betreft;

Openbare instellingen op nationaal, regionaal en lokaal niveau moeten dezelfde benadering volgen;

Daarom is het niet alleen van belang een en ander te vereenvoudigen, maar vooral ook om op de verschillende beleidsniveaus strategieën te hanteren die onderling coherent zijn.

5.1.3

Europese ambtenaren moeten worden aangespoord om opleidingen te volgen in eilandgebieden, zodat zij inzicht verwerven in de situatie van deze specifieke gebieden. Daarom is het EESC erg te vinden voor het „Enterprise Experience Program” en verzoekt het kleine en middelgrote ondernemingen in eilandgebieden om Europese ambtenaren te ontvangen. Dit biedt hun ook de gelegenheid om op het terrein rechtstreeks met eilandbewoners over Europese onderwerpen te discussiëren. De studiegroepvergadering die op 7 en 8 april 2008 in Ajaccio werd gehouden, heeft dit bewezen. Ontmoetingen met Europese burgers in de lidstaten bevorderen het inzicht in en discussies over de EU en het Europese beleid.

5.1.4

Het belang van regionaal beleid voor overheidssteun verdient meer aandacht. Het EESC heeft zich daarom volledig achter de voorstellen van het Musotto-verslag met betrekking tot dit onderwerp geschaard:

Een flexibele tenuitvoerlegging van het bestaande en toekomstige staatssteunbeleid, met dien verstande dat deze flexibiliteit niet mag leiden tot onaanvaardbare marktverstoringen in de EU;

Verkenning van de mogelijkheid om in de volgende richtsnoeren voor regionale staatssteun de steunregeling uit te breiden tot alle eilandgebieden die geen insulaire staten of inlandse eilanden zijn.

5.1.5

De capaciteiten van kleine en middelgrote ondernemingen in eilandgebieden moeten worden versterkt.

5.1.5.1

Kleine en middelgrote ondernemingen moeten gemakkelijker toegang krijgen tot onderzoek en innovatie, bijvoorbeeld met behulp van instrumenten als JEREMIE. Er is in eilandgebieden een acuut tekort aan onderzoekers, laboratoria en patenten. Er is zo weinig onderzoek in de particuliere sector dat er meer overheidsonderzoek nodig is. De idee van vrije zones dient ook te worden onderzocht. Eilandgebieden lopen achter op het vasteland, tenzij de overheid een krachtdadig beleid voert of een bepaalde sector economisch zo belangrijk is dat de ontwikkeling of ondersteuning van onderzoeksactiviteiten tot de mogelijkheden behoren. In dit verband dient ook aandacht te worden besteed aan het behoud van traditionele kennis: deze dimensie van innovatie mag niet over het hoofd worden gezien.

5.1.5.2

De uitvoer naar derde landen dient te worden bevorderd. In haar tussentijds verslag over de herziening van de interne markt (februari 2007) pleit de Commissie immers voor een interne markt die openstaat voor de hele wereld. Hetzelfde standpunt is terug te vinden in de mededeling „Een interne markt voor de 21e eeuw”. Hierin pleit de Commissie voor een „Uitbreiding van het reguleringskader van de interne markt”. Dit idee kan in praktijk worden gebracht door samenwerkingsprogramma's tussen de EU en haar lidstaten en de buurlanden van de EU.

5.1.5.3

Eilandgebieden moeten kunnen beschikken over hoogopgeleide werknemers. Zij hebben te kampen met het fenomeen dat jonge mensen emigreren, omdat zij op het vasteland universitaire studies kunnen doen en beter betaalde banen kunnen krijgen. Zelfs al is het BBP niet perfect als indicator of criterium, toch benadrukt het 4e cohesieverslag dat de toename ervan afhangt van de productiviteit en de beroepsbevolking. Daarom moet de oprichting van universiteiten en andere instellingen voor hoger onderwijs in eilandgebieden worden bevorderd, zodat inwoners van eilandgebieden daar kunnen worden opgeleid. Een voorbeeld hiervan is de universiteit van Corsica, die sinds zijn heropening in 1981 het aantal studenten heeft zien toenemen en bijgevolg het regionale menselijk kapitaal zowel in aantal als in kwaliteit heeft vergroot. Hierdoor is een aantal verstoringen van de arbeidsmarkt minder groot geworden en hebben verschillende economische sectoren (o.a. voedselverwerking, toerisme en ICT) en ondernemingen zich uitgebreid.

5.1.5.4

Eilandgebieden moeten uitgaan van hun specifieke kenmerken om zich op de meest gepaste manier te ontwikkelen. In dit verband onderstreept de Europese Commissie in haar groenboek over maritiem beleid terecht dat de diversificatie van toeristische producten en diensten het concurrentievermogen van kust- en eilandgebieden ten goede kan komen. Deze diversificatie, die een (niet-)technologische dimensie van innovatie is en aansluit bij de behoefte aan een meer algemene diversificatie van de economische activiteiten in eilandgebieden (veel eilandgebieden worden gekenmerkt door een toeristische mono-activiteit), kan plaatsvinden indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

Een volledige inventaris van de situatie van elk Europees eilandgebied;

Een volledige lijst van alle handicaps waarmee eilandgebieden te kampen hebben in de toerismesector;

Evaluatie van de infrastructuurvoorzieningen van alle eilandgebieden;

Bevordering van uitwisselingen en van de ontwikkeling van hotel- en vervoerinfrastructuur door speciale contracten af te sluiten tussen de eilandgebieden en de Europese Unie;

Verkenning van de mogelijkheden voor steun en structurering met het oog op diversificatie van de toerismesector (cultureel, plattelands-, archeologisch, jeugd-, sport-, vis-, zakentoerisme, enz.);

Bestudering van het voorstel om regionale plannen voor de ontwikkeling van eilandtoerisme ten uitvoer te leggen, die kunnen voorafgaan aan Europese acties en verplicht kunnen worden om aanspraak te kunnen maken op specifieke Europese financiering voor Europese eilandgebieden die zich hebben opgegeven voor de doelstelling inzake regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid van de programmaperiode 2007-2013 van de structuurfondsen;

Identificatie van manieren waarop eilandgebieden hun natuurlijk milieu kunnen aanwenden om economische activiteiten te ontwikkelen (met name de ontwikkeling van strategieën om toeristen te ontvangen in eco-hotels en bio-restaurants, of te interesseren voor openluchtactiviteiten en natuurverkenningsexcursies). Deze initiatieven zijn vooral van toepassing op de thuiswerksector.

6.   Een degelijk bestuur waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de situatie van Europese eilandgebieden

6.1

Het EESC heeft de volgende suggesties met betrekking tot het wetgevingsproces:

6.1.1

Er is optimale informatie nodig over de situatie in eilandgebieden. Het belang van het updaten en opstellen van meer statistieken over eilandgebieden kan niet voldoende worden onderstreept. Dit zijn onontbeerlijke instrumenten voor een accuraat overheidsbeleid (op Europees, nationaal en regionaal niveau). De aanpak hiervan zou eerst geval per geval moeten worden beoordeeld, waarbij o.a. gelet dient te worden op de specifieke sociaal-economische situatie van eilandgebieden. Bij deze gelegenheid zou ook moeten worden geëvalueerd of het BBP wel een relevant criterium is bij de beoordeling van regionale problemen.

6.1.1.1

Een absolute voorwaarde voor de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van communautair beleid betreffende eilandgebieden is dus de beschikbaarheid van voldoende en betrouwbare statistische gegevens en van relevante indicatoren. Het criterium van het BBP geeft, net als werkloosheidscijfers alléén, duidelijk onvoldoende inzicht in de situatie van eilandgebieden en in de complexe mechanismen die ertoe leiden dat zij verschillen van de rest van de Europese Unie.

6.1.1.2

Deze situatie is niet nieuw, maar heeft lange tijd onvoldoende aandacht gekregen omdat het merendeel van de bevolking van Europese eilandgebieden toch de maximale hoeveelheid (doelstelling 1) steun kreeg en het aansnijden van dit complexe thema dus in de praktijk weinig zinvol was. Ten gevolge van het statistisch effect van de uitbreiding van de EU (waardoor voorheen achtergestelde regio's nu relatief beter scoren) is het nodig geworden om de situatie en de behoeften van eilandgebieden met behulp van betere en meer doelgerichte statistische indicatoren te beschrijven.

6.1.1.3

In het Musotto-verslag staat dat nog meer moet worden gezocht naar relevantere statistische indicatoren die een duidelijker statistisch beeld schetsen van het ontwikkelingsniveau van en een beter inzicht bieden in de situatie van gebieden met geografische en natuurlijke handicaps, en in het bijzonder van gebieden met meerdere handicaps tegelijk (b.v. bergketens, groepen eilanden of gevallen van dubbele insulariteit). Deze indicatoren moeten luidens het verslag ook een betere evaluatie mogelijk maken van de verschillen tussen deze gebieden en de rest van de EU, alsook van verschillen binnen deze gebieden zelf.

6.1.2

In de Commissie zou er een dienstenoverschrijdende groep voor eilandgebieden moeten worden opgericht met het oog op een geïntegreerde aanpak van hun problemen.

6.1.3

Het EESC moedigt lokale overheden en het maatschappelijk middenveld aan om samen te werken (en als ze dit al doen, om daarmee door te gaan) bij de ontwikkeling van gemeenschappelijke ontwikkelingsstrategieën. Eilandgemeenschappen hebben behoefte aan een duidelijk project in het kader van positief partnerschap.

6.2

Heet EESC meent dat degelijk bestuur gediend is met een regelmatig overzicht van de situatie op een eiland. Het dringt er daarom bij de Commissie op aan om aan het Europees Parlement, de Raad, het Comité van de Regio's en EESC zelf een jaarverslag voor te leggen waarin wordt geëvalueerd of de maatregelen die bedoeld zijn om de problemen van de Europese eilandgebieden aan te pakken, doeltreffend zijn. Dit jaarverslag moet ook voorstellen voor acties door de Commissie bevatten. Bijgevolg kan worden gezegd dat onderhavig advies de aanzet geeft tot een langdurig dynamisch proces.

7.   Slot

7.1

Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat de kwestie van een betere integratie van eilandgebieden in de interne markt de betrokken partijen kan aanzetten tot het verkennen van nog twee andere mogelijke oplossingen.

7.2

Om te beginnen: meer samenwerking tussen lidstaten met eilandgebieden of insulaire lidstaten (Portugal, Spanje, Frankrijk, Italië, Griekenland, Malta, Cyprus, Verenigd Koninkrijk, Ierland, Nederland, Denemarken, Estland, Finland, Zweden). Vanwege de voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor de totstandkoming van die samenwerking om te komen tot een Europees beleid voor eilandgebieden, kan dit voorstel onmogelijk te verwezenlijken lijken. Aangezien het voorstel van de lidstaten zelf moet komen, moet er gekozen worden voor een aanpak vanuit de basis. Daarom zijn er, zoals reeds gezegd, dus ontwikkelingsstrategieën op lokaal niveau nodig. Met het oog hierop kunnen de operationele programma's (in het kader van de structuurfondsen voor de periode 2007-2013) beschouwd worden als een goede basis voor de toekomstige periode 2014-2020.

7.3

Verder kan het toekomstige Europese rechtskader dankzij — het Lissabonverdrag en de herformulering van art. 158 van het EG-Verdrag — tot een verbetering van de huidige oplossingen leiden.

7.3.1

Het nieuwe art. 158, zoals gewijzigd door het Lissabonverdrag, luidt als volgt:

a)

in de eerste paragraaf worden de woorden „economische en sociale samenhang” vervangen door „economische, sociale en territoriale samenhang”;

b)

in de tweede paragraaf worden de woorden „of eilanden, met inbegrip van de plattelandsgebieden”, geschrapt;

c)

de volgende nieuwe paragraaf wordt toegevoegd: „Wat betreft die regio's wordt bijzondere aandacht besteed aan de plattelandsgebieden, de regio's die een industriële overgang doormaken, en de regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de meest noordelijke regio's met een zeer geringe bevolkingsdichtheid, alsmede insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden.”.

7.3.2

Een dergelijke herformulering bevestigt het feit dat er dankzij het Lissabonverdrag (dat overigens nog moet worden geratificeerd) een territoriale dimensie is toegevoegd aan het cohesiebeleid van de EU. Deze erkenning van het belang van die dimensie illustreert dat de EU rekening wil houden met alle aspecten van de werkelijkheid op haar grondgebied. Het nieuwe art. 158 geeft een concrete invulling aan deze intentie.

7.3.3

Een definitie geven van „territoriale samenhang” is geen sinecure. Het toekomstige groenboek zal een interessante gelegenheid bieden om kennis te nemen van de verschillende benaderingen die er bestaan. In dit verband is het EESC van mening dat nadenken over territoriale samenhang inhoudt dat niet alleen met zuiver economische statistieken rekening wordt gehouden, maar ook met zichtbare geografische realiteiten van het gebied en de hierdoor veroorzaakte kwetsbaarheid die in sommige gebieden de sociaal-economische samenhang ernstig kan ondermijnen. De bevordering van territoriale samenhang houdt in dat gezocht wordt naar manieren om de samenwerking in eilandgebieden evenals tussen alle gebieden te stimuleren (er moet in ieder geval voor worden gepleit dat tijdens de programmaperiode na 2013 meer middelen uit de structuurfondsen voor deze doelstelling worden uitgetrokken) en om partnerschappen te bevorderen tussen alle betrokken partijen (overheden en maatschappelijke organisaties) bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen terzake.

Brussel, 10 juli 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  De Waarnemingspost interne markt (WIM) van het Europees Economisch en Sociaal Comité werkt momenteel aan een advies over dit pakket (INT/409, rapporteur: dhr. Cassidy, corapporteurs: dhr. Hencks en dhr. Cappellini) en aan een aanvullend advies over „De sociale en milieudimensie van de interne markt” (INT/416, rapporteur: dhr. Adamczyk). Nog niet bekendgemaakt in het PB (in september 2008 worden vastgesteld).

(2)  Hierbij dient te worden benadrukt dat dit punt met betrekking tot de ultraperifere gebieden gelukkig wordt onderkend in het 4e cohesieverslag (COM(2007) 273 final, p. 50).

(3)  Analyse (2000 CE.16.0.AT.118) van de insulaire en ultraperifere regio's van de Europese Unie, Planistat, maart 2003.

(4)  Met de geïntegreerde Europese betaalmarkt (Single European Payment Area), die op 28 januari 2008 tot stand is gekomen, worden grensoverschrijdende betalingen echter even eenvoudig als binnenlandse betalingen.

(5)  Zie 4e cohesieverslag (COM(2007) 273 final, p. 65).

(6)  Afkorting van high bit-rate digital subscriber line.

(7)  Zie 4e cohesieverslag (COM(2007) 273 final, p. 60).

(8)  Zie advies over de „Herziening van de interne markt” (PB C 93/25, 27.4.2007).

(9)  Zie de adviezen over „Beter wetgeven” (PB C 24/39, 31.1.2006) en over „Betere implementatie van Europese wetgeving” (PB C 24/52, 31.1.2006).