27.10.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 256/31


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over Het bepalen van een energiebeleid voor Europa (Lissabonstrategie)

(2007/C 256/07)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 26 oktober 2006, overeenkomstig artikel 31 van zijn reglement van orde, besloten om een informatief rapport op te stellen over: Het bepalen van een energiebeleid voor Europa (Lissabonstrategie).

Tijdens de zitting van 14 en 15 maart 2007 is besloten om het informatieve rapport om te zetten in een initiatiefadvies (artikel 29, lid 2, van het reglement van orde).

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 19 juni 2007 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw Sirkeinen.

Het Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2007 gehouden 437e zitting (vergadering van 12 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 126 stemmen voor en geen stemmen tegen, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen

1.1

Energie is uitgegroeid tot een onderwerp dat de politiek beheerst en nauw verband houdt met de Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid.

Energie wordt steeds bepalender voor de Europese economie Wil de EU met haar energiebeleid het hoofd kunnen bieden aan de klimaatverandering en aan problemen op het gebied van de energievoorziening en het concurrentievermogen, dan moet zij ervoor zorgen dat haar economie veel efficiënter en koolstofarm wordt.

Daarvoor is een globale aanpak nodig en moet de EU nadenken over het beheersen van de Europese energievraag, het veiligstellen van de energievoorziening met verschillende soorten bronnen, toegang tot netwerken, een eendrachtig optreden in energiebetrekkingen met derde landen en andere mogelijke maatregelen.

Voor de ontwikkeling en toepassing van innovaties, die deze omschakeling mogelijk zullen maken, zijn bepaalde voorwaarden en maatregelen van de EU, de lidstaten, regio's en gemeenten nodig.

1.2

Meer en betere banen — daar draait de Lissabonstrategie vooral om. Door veranderingen op de markt gaan bepaalde banen in de energiesector verloren. Tegelijkertijd kunnen nieuwe energie-oplossingen heel wat hoogwaardige banen helpen creëren. Onderwijs en opleiding spelen hierbij een cruciale rol.

1.2.1

Naast werkgelegenheid staan ook andere aspecten van de sociale dimensie van energie centraal in de Lissabonstrategie, zoals — met name — een goede publieke dienstverlening tegen betaalbare prijzen. Het maatschappelijk middenveld, inclusief de sociale partners, moeten actief worden betrokken bij de ontwikkeling van het energiebeleid.

1.3

Samen met nationale sociaal-economische raden komt het EESC met de volgende aanbevelingen voor het energiebeleid in het kader van de Lissabonstrategie, „Energiebeleid voor een kennismaatschappij”:

Toets energiebeleid en andere relevante randvoorwaarden aan het streven van de EU naar een efficiënte, koolstofarme economie.

Zorg door middel van een hoogwaardig onderwijsstelsel voor goed opgeleide en goed gemotiveerde arbeidskrachten.

Zorg voor evenveel publieke investeringen in O&O als bij de grootste concurrenten het geval is en stimuleer particuliere investeringen in O&O.

Ontwikkel vooral met andere grote partijen internationale samenwerking op het gebied van energietechnologie. Houd systematisch bij wat de grootste concurrenten en belangrijkste partners op dit terrein ondernemen.

Zorg voor risicokapitaal voor de ontwikkeling en start up van kleine en middelgrote bedrijven én voor investeringen in nieuwe technologie.

Zie toe op gezonde concurrentie op de energiemarkten, zodat bedrijven tot innoveren worden aangezet. Wat duurzame energie betreft is toegang tot netwerken waarschijnlijk cruciaal voor succesvol innoveren.

Pak factoren aan die belemmerend werken voor investeringen die nodig zijn om nieuwe technologie in gebruik te kunnen nemen. Eisen inzake planning en vergunningen hebben een vertragend effect op investeringen en staan deze zelfs in de weg. Om investeringsrisico's te verlagen is er een voorspelbaar en stabiel regelgevingskader nodig.

Zorg ervoor dat nieuwe technologie de EU-markt en internationale markten op kan.

Zorg internationaal voor gelijke voorwaarden voor iedereen, bijvoorbeeld een wereldwijde CO2-prijs. Tegelijkertijd moet ervoor gewaakt worden dat het een doodgewoon handelsartikel wordt; de reductie ervan is namelijk bepalend voor het overleven van de planeet;

Ambitieuze doelstellingen kunnen bijdragen aan een sterke positie van de EU op de internationale markten voor technologieën voor energie-efficiënte en duurzame energie. Met doelstellingen en de bijbehorende deadlines moet echter zorgvuldig worden omgegaan; de mogelijkheid om ze te verwezenlijken moet reëel zijn.

Om de aanpak te laten renderen, moet een zorgvuldige keuze worden gemaakt uit de volgende maatregelen, die neerkomen op een actieve ondersteuning van innovatie:

O&O-financiering

Onderwijs en opleiding

Voorlichting aan het publiek

Prijsmechanismes, heffingen

Subsidies

Bindende doelstellingen en verplichtingen

Regulering en bindende normen

Vrijwillige normen, vrijwillige afspraken

Openbare aanbestedingen.

1.4

Om de dringend noodzakelijke omschakeling van de energiesector te bewerkstelligen moet het innovatietempo worden opgevoerd. Het Comité dringt erop aan dat speciale aandacht wordt geschonken aan het volgende:

maatregelen om een adequate economische prijs voor CO2-emmissies vast te stellen:

publiek en particulier gefinancierd O&O moet worden uitgebreid ter ondersteuning van nieuwe vormen van energie en energie-efficiëntie;

de energie-efficiëntie van allerlei producten moet d.m.v. regelgeving (of andere maatregelen indien die kosteneffectiever uitvallen) sneller worden verbeterd;

openbare aanbestedingen moeten op veel proactievere wijze worden ingezet om tot scherpere energie-efficiëntienormen te komen, met name in de bouw.

2.   Inleiding

2.1

Begin 2008 moet het EESC met een samenvattend, in samenwerking met nationale SER's op te stellen rapport komen over de prioriteiten van de Lissabonstrategie voor economische groei en werkgelegenheid. Dit advies over het energiebeleid maakt deel uit van dat rapport en wordt ook opgesteld in samenwerking met nationale SER's, waarbij met name de Franse, Italiaanse en Maltese SER's actieve bijdragen leveren.

2.2

Dit advies heeft betrekking op Deel B („Micro-economische hervormingen om het groeipotentieel van Europa te versterken”) van de Geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid (2005-2008), en dan vooral op richtsnoer 8 over versterking van het concurrentievermogen, richtsnoer 12 over O&O, richtsnoer 13 over innovatie en ICT, en richtsnoer 14 over een duurzaam gebruik van hulpbronnen (1).

De Europese Raad van maart 2006

2.3

In de conclusies van de vergadering die op 23 en 24 maart 2006 in Brussel plaatsvond, sprak de Europese Raad zijn waardering uit voor „de initiatieven van het Europees Parlement, het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité om die belanghebbenden meer zeggenschap [over de hernieuwde Lissabonstrategie voor banen en economische groei] op communautair niveau te geven. Hij moedigt het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's aan om hun werkzaamheden voort te zetten, en verzoekt hun om begin 2008 samenvattende verslagen voor te leggen ter ondersteuning van het partnerschap voor werkgelegenheid en groei” (punt 12 van de conclusies van het voorzitterschap).

2.4

Volgens de Raad ziet Europa zich geconfronteerd met „toegenomen buitenlandse concurrentie, vergrijzing, hogere energieprijzen en de noodzaak energiezekerheid te garanderen” (punt 7). De Raad stelt verder dat „de geïntegreerde richtsnoeren 2005-2008 voor werkgelegenheid en groei geldig blijven. Binnen dat kader is er in de Europese Raad overeenstemming over: specifieke gebieden voor prioritaire actie in verband met investeren in kennis en innovatie, ondernemingspotentieel, vooral bij het midden- en kleinbedrijf (MKB), en arbeidskansen voor prioritaire categorieën […], alsmede het bepalen van een energiebeleid voor Europa” (punt 16).

2.5

De Europese Raad nam er nota van dat Europa op energiegebied voor een aantal uitdagingen staat: de aanhoudende moeilijke situatie op de olie- en gasmarkt, de toenemende afhankelijkheid van invoer en de nog beperkte diversificatie, de hoge en schommelende energieprijzen, de groeiende mondiale vraag naar energie, veiligheidsrisico's die een weerslag hebben op de landen van productie en doorvoer alsook op de transportroutes, de toenemende dreiging van klimaatverandering, de trage vorderingen op het vlak van energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie, de noodzaak van grotere transparantie op de energiemarkten en van verdere integratie en interconnectie van de nationale energiemarkten tegen de achtergrond van de bijna voltooide liberalisering van de energiemarkt (juli 2007), en de geringe coördinatie tussen de energiespelers terwijl grote investeringen in energie-infrastructuur vereist zijn (punt 43).

2.6

Als respons op deze uitdagingen, en op basis van de klare taal in het Groenboek van de Commissie over een Europese strategie voor duurzame, veilige en concurrerende energie en in de bijdrage van de Raad, bepleitte de Europese Raad een Energiebeleid voor Europa, dat gericht is op een doeltreffend communautair beleid, coherentie in het optreden van de lidstaten en consistentie van de maatregelen op de verschillende beleidsterreinen en dat op uitgebalanceerde wijze de drie doelstellingen voorzieningscontinuïteit, concurrentievermogen en milieuduurzaamheid verwezenlijkt (punt 44).

2.7

De Europese Raad benadrukte dat het energiebeleid aan de eisen op tal van beleidsterreinen tegemoet moet komen, wil het die consistentie zowel in het interne als in het externe beleid van de EU verwezenlijken. Als onderdeel van een strategie voor groei en tegen de achtergrond van open en concurrerende markten stimuleert energiebeleid investeringen, technologische ontwikkeling, binnenlandse en buitenlandse handel. Energiebeleid is niet los te zien van milieubeleid en hangt nauw samen met werkgelegenheidsbeleid, regionaal beleid, en vooral met vervoersbeleid. Bovendien winnen aspecten van het buitenlands en het ontwikkelingsbeleid steeds meer aan belang, in het kader van de bevordering van de energiedoelstellingen met andere landen (punt 45).

2.8

Het Energiebeleid voor Europa (EBE) moet gebaseerd worden op gedeelde vooruitzichten inzake vraag en aanbod voor de lange termijn, en op een objectieve, transparante beoordeling van de voor- én nadelen van elke energiebron, en moet op evenwichtige wijze bijdragen aan de drie hoofddoelstellingen van dit beleid, te weten (punt 46 en 47):

grotere voorzieningscontinuïteit;

het garanderen van het concurrentievermogen van de Europese economieën en van een betaalbare energievoorziening ten voordele van bedrijven en consumenten, in een stabiel regelgevingskader;

de bevordering van milieuduurzaamheid.

2.9

Om deze hoofddoelstellingen te verwezenlijken moet het Energiebeleid voor Europa:

transparantie en non-discriminatie op de markten garanderen;

consistent zijn met mededingingsregels;

consistent zijn met de openbaredienstverplichtingen;

de soevereiniteit van de lidstaten over primaire energiebronnen en hun keuze van een energiemix volledig eerbiedigen.

Het „Energiepakket” 2007

2.10

Met ingang van 2007 wordt de Commissie geacht om op gezette tijden een strategische toetsing van het energiebeleid te publiceren. Op 10 januari 2007 publiceerde zij de eerste toetsing alsmede een mededeling aan de Raad en het Europees Parlement getiteld „Een energiebeleid voor Europa” (het „energiepakket”).

2.11

Het Europese energiebeleid is gebaseerd op drie uitgangspunten: de klimaatverandering bestrijden, de werkgelegenheid en groei bevorderen en de kwetsbaarheid van de EU ten gevolge van olie- en gasinvoer van buiten de EU beperken.

2.12

De belangrijkste pijler van het nieuwe beleid is de broeikasgasemissies in de EU tegen 2030 met 20 % te doen dalen. De doelstelling van de EU moet worden gezien in het kader van de behoefte aan internationale actie van geïndustrialiseerde landen op het gebied van de klimaatverandering. Als een dergelijke verbintenis tot stand komt, moet de EU meer doen. Daarom moet ernaar worden gestreefd de doelstelling op te trekken tot een vermindering met 30 % tegen 2020 en met 60-80 % tegen 2050.

2.13

Naast de klimaatverandering zijn ook de continuïteit van de energiebevoorrading van Europa, de economie en het welzijn van de burgers punten van bezorgdheid. Zelfs indien er geen sprake zou zijn van klimaatverandering zijn er goede redenen om de door de Europese Commissie voorgestelde maatregelen te nemen. De verwezenlijking van de doelstelling kan immers de blootstelling van de EU aan de toegenomen volatiliteit en de stijgende olie- en gasprijzen beperken, de energiemarkt van de EU concurrerender maken en stimulansen bieden op het vlak van technologie en werkgelegenheid.

2.14

Om de algemene doelstelling van de vermindering van de broeikasgasemissies te halen, moet de EU de hoeveelheid CO2-emissies ten gevolge van energiegebruik in de loop van de volgende 13 jaar met minstens 20 %, en waarschijnlijk met meer, doen dalen. Dit betekent dat de EU op wereldschaal een voortrekkersrol moet spelen bij het tot stand brengen van een nieuwe industriële revolutie.

2.15

De Commissie stelt voor dit doel te verwezenlijken door te focussen op een aantal energiegerelateerde maatregelen: het verbeteren van de energie-efficiëntie, het verhogen van het aandeel duurzame energie in de energiemix; het nemen van nieuwe maatregelen om te garanderen dat iedereen profijt kan trekken van de voordelen van de interne energiemarkt, het versterken van de solidariteit tussen de lidstaten, een langetermijnvisie voor de ontwikkeling van energietechnologie, nieuwe aandacht voor nucleaire veiligheid en beveiliging en vastberaden inspanningen om de EU „met één stem te laten spreken” met haar internationale partners, zoals energieproducenten, energie-importeurs en ontwikkelingslanden.

2.16

De toetsing omvat een energieactieplan met tien punten en een kalender met maatregelen om de EU op weg te zetten naar de verwezenlijking van de nieuwe strategische doelstelling. Samen met het actieplan is een eerste pakket concrete maatregelen voorgesteld, waaronder:

een verslag over de toepassing door de lidstaten van de interne gas- en elektriciteitsmarkt en de resultaten van een onderzoek naar het concurrentievermogen in deze twee sectoren;

een plan voor prioritaire interconnecties in de elektriciteits- en gasnetwerken van de lidstaten, zodat een Europees netwerk een realiteit wordt;

voorstellen om de duurzame opwekking van energie uit fossiele brandstoffen te promoten;

een stappenplan en andere initiatieven om hernieuwbare energiebronnen te promoten, met name biobrandstoffen voor vervoer;

een analyse van de situatie op het gebied van kernenergie in Europa;

een werkplan voor een toekomstig Europees strategisch technologieplan inzake energie.

2.17

Het actieplan inzake energie-efficiëntie, dat op 19 oktober 2006 door de Commissie is vastgesteld, maakt ook deel uit van het actieplan. De mededeling van de Commissie „Beperking van de klimaatverandering tot 2 graden Celsius — Beleidsopties voor de EU en de wereld voor 2020 en daarna” en de strategische toetsing vullen elkaar aan en versterken elkaar.

2.18

Tijdens de voorjaarsbijeenkomst van 8 en 9 maart 2007 is de Europese Raad zonder reserves akkoord gegaan met de voorstellen van de Commissie. Op basis van de conclusies van deze bijeenkomst zal de Commissie gedetailleerde wetsvoorstellen en andere relevante voorstellen het licht doen zien. Aangezien de staatshoofden en regeringsleiders zich ertoe verbonden hebben de energiekwesties regelmatig te bespreken, wordt over twee jaar in een tweede strategische toetsing van het energiebeleid opnieuw verslag uitgebracht over de vooruitgang.

Eerdere EESC-adviezen over het energiebeleid

2.19

In de mandaatsperiode 2002-2006 heeft het EESC diverse adviezen uitgebracht over het energiebeleid, waarbij het vooral aandacht besteedde aan de kenmerken en de rol van verschillende energiebronnen en -technologieën. Tijdens zijn zitting van september 2006 hechtte het EESC zijn goedkeuring aan een verkennend advies — „De energievoorziening van de EU: een strategie voor een optimale energiemix” (2) — dat grotendeels gebaseerd is op die eerdere adviezen. De belangrijkste conclusies van dit verkennende advies, dat een groot aantal van de onderwerpen bestrijkt die de Raad in maart 2006 aanroerde, luiden als volgt:

2.20

Europa moet een strategische doelstelling vaststellen: een gediversifieerde energiemix die strookt met doelstellingen op het gebied van de economie, de voorzieningszekerheid en het klimaat. Ten aanzien van deze doelstellingen hebben alle energiebronnen en -technologieën voor- en nadelen, waarmee op een transparante en uitgebalanceerde wijze rekening moet worden gehouden.

2.21

Het potentieel van duurzame energie voor de elektriciteitsproductie moet worden benut. Maar zelfs als de doelstelling wordt gehaald en duurzame energie in 2020 20 % van de energiemix uitmaakt, zal deze vorm van energie waarschijnlijk niet in staat zijn om de traditionele energiebronnen binnen afzienbare tijd volledig te vervangen.

2.22

Alle opties moeten worden opengehouden. De in het advies beschreven scenario's voor de EU-25 houden zich duidelijk aan dit motto. Zelfs in het scenario waarin de energie-efficiëntie en het gebruik van duurzame energie het snelst toenemen, geldt dat geen enkele energietechnologie als verouderd kan worden afgedaan, omdat dat slecht is voor het milieu of de economie.

2.23

De huidige energiemix moet door de politiek in die zin worden aangepast dat de afhankelijkheid van derde landen afneemt en in Europa meer bronnen beschikbaar komen die geen emissies veroorzaken. Hierbij moet er rekening mee worden gehouden dat marktpartijen besluiten nemen over investeringen in diverse technologieën.

2.24

Er zou een strategie voor een optimale energiemix moeten worden uitgewerkt, waarbij duidelijk moet zijn welke rol is weggelegd voor respectievelijk de EU, de lidstaten, onafhankelijke instanties en marktpartijen.

Volgens het EESC zou de strategie voor een optimale energiemix uit de volgende elementen moeten bestaan:

energie-efficiëntie, inclusief warmtekrachtkoppeling

duurzame energie, inclusief het gebruik van biobrandstoffen in het vervoer

energie-efficiëntie in het voervoer

nog veiligere kerncentrales en een oplossing voor het kernafvalprobleem

technologieën voor een schone exploitatie van steenkool en een hernieuwde intensieve exploitatie van de steenkoolreserves in de EU

prikkels voor investeringen in LNG-terminals

juiste wettelijke kader voor voldoende investeringen in de opwekking en het transport van energie

de EU zou als een van de internationale grootmachten met één mond moeten spreken

nagaan welk effect huidige en toekomstige klimaatbeschermings- en milieumaatregelen zullen hebben op de andere doelstellingen van het energiebeleid

na Kioto moet er een wereldwijde politieke aanpak komen van het klimaatprobleem, waarbij in ieder geval de landen met de grootste uitstoot worden betrokken

intensiveer O&O-activiteiten en besteed meer EU-middelen aan O&O op energiegebied, op zowel de korte als de middellange termijn.

3.   Commentaar van het EESC op een energiebeleid voor Europa tegen de achtergrond van de Lissabonstrategie

3.1

In de moderne samenleving is energie een eerste levensbehoefte. Om te kunnen voorzien in onze behoefte aan voedsel, warmte in een koud klimaat, licht, vervoer, grondstoffen, consumptiegoederen en — in toenemende mate — telecommunicatie en informatieverwerking, hebben we een energie-aanvoer nodig waar we van op aan kunnen. Maar wat dit betreft kunnen en moeten we wel veranderingen doorvoeren. Gezien de huidige problemen — met name klimaatverandering — dienen we in onze economieën zo snel mogelijk over te schakelen op een uiterst efficiënte, koolstofarme energievoorziening.

3.2

Er loopt een rode lijn van energie naar de Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid: om de doelstellingen van deze strategie te kunnen verwezenlijken hebben we behoefte aan voldoende energie tegen betaalbare en concurrerende prijzen. Tegelijkertijd kunnen nieuwe energie-oplossingen het Europese concurrentievermogen een impuls geven en heel wat hoogwaardige banen helpen creëren, vooral als zij zich bewijzen op de wereldmarkt.

3.3

De algemene doelstellingen van het energiebeleid: concurrentievermogen, voorzieningszekerheid en duurzaamheid zijn en blijven relevant. Willen we de klimaatverandering aanpakken, dan moeten we de groei van de energievraag beteugelen door de energie-efficiëntie aanzienlijk te verbeteren en het aandeel van duurzame en andere koolstofarme technologie (bijvoorbeeld eventueel het afvangen en opslaan van CO2) te vergroten. De voorzieningszekerheid vaart eveneens wel bij een betere energie-efficiëntie en heeft daarnaast baat bij een diversificatie van energiebronnen en een EU die met één stem naar buiten treedt. Het concurrentievermogen moet versterkt worden door een open markt met een goed functionerende en eerlijke mededinging, inclusief de toegang tot netwerken, en een hoogwaardige openbare dienstverlening.

3.4

Het scheppen van meer en betere banen is de belangrijkste doelstelling van de Lissabonstrategie. Aangezien hogere productiviteit een vereiste is om te kunnen concurreren moeten ook energiebedrijven efficiënter worden. Werknemers in de energiesector die hun baan kwijtraken moeten adequate steun krijgen. Tegelijkertijd zou het aantal banen in energieverbruikende sectoren kunnen toenemen. Met name het streven naar een hogere energie-efficiëntie, naar het gebruik van duurzame energie en naar de toepassing van andere zich ontwikkelende technologieën zal tal van nieuwe, merendeels hoogwaardige arbeidsplaatsen met zich meebrengen.

3.4.1

De sociale dimensie van het energiebeleid moet ook aandacht krijgen in de Lissabonstrategie. Deze dimensie omvat zaken als werkgelegenheid en de beschikbaarheid van energie voor iedereen tegen betaalbare prijzen, ofwel een publieke dienstverlening van hoge kwaliteit. Het maatschappelijk middenveld, inclusief de sociale partners, moeten actief worden betrokken bij de ontwikkeling van het energiebeleid.

3.5

In een aantal recente adviezen heeft het EESC gedetailleerd uiteengezet hoe het denkt over al deze cruciale aspecten van het energiebeleid. Te zijner tijd zijn ook adviezen te verwachten over de wetgevings- en andere gedetailleerde voorstellen die de Commissie zal opstellen naar aanleiding van de conclusies van de Europese Raad inzake het energiepakket.

3.6

Om dubbel werk te voorkomen en het energiedebat van zoveel mogelijk meerwaarde te voorzien gaat het EESC in dit advies vooral in op het verband tussen het energiebeleid en de visie die ten grondslag ligt aan de Lissabonstrategie, namelijk Europa als een kennissamenleving. Dit advies gaat over het verband tussen het energiepakket en innovaties.

De rol van technologie en innovatie bij het aanpakken van de energieproblemen van deze eeuw

3.7

Politieke doelstellingen en maatregelen vormen het kader, maar technologie en andere vormen van innovatie (inclusief veranderde gedragspatronen) zijn bepalend voor echte vooruitgang, zoals een betere energie-efficiëntie bij zowel omzetting als gebruik. Innovaties kunnen een verdere diversificatie van de energiemix mogelijk maken en zo de afhankelijkheid van externe energiebronnen helpen verminderen. Innovaties zijn zeker ook nodig om de emissies van broeikasgassen terug te dringen door de ontwikkeling en het gebruik van duurzame energie, „schone” technologie op het gebied van kolen en andere fossiele brandstoffen en veilige kernenergie.

3.8

Innovatie komt neer op vernieuwing in de ruime zin van het woord. Innovatie betekent dat nieuwe ideeën worden uitgedacht en brede toepassing vinden, waarbij ze een economische waarde krijgen. Innovatie heeft betrekking op zowel technologie als nieuwe managementvormen en andere organisatorische oplossingen, en vindt niet alleen plaats in het bedrijfsleven, maar ook in de diensten- en de publieke sector. Vaak, maar zeker niet altijd, ligt onderzoek ten grondslag aan innovaties. In dit verband verwijst het EESC ook naar zijn advies „Onderzoeksbehoeften met het oog op de voorzieningszekerheid en -duurzaamheid van energie” (3).

3.8.1

Energietechnologieën, zoals efficiëntere verbranding, windmolens en zonnecollectoren of (voor de toekomst) brandstofcellen, waterstoftechnologie en kernfusie, staan in het middelpunt van de belangstelling. Even belangrijk zijn flankerende technologieën zoals de ontwikkeling van materialen of de meteorologie; betere weersvoorspellingen verhogen de efficiency.

3.8.2

Voor een efficiënter energiegebruik is er een schier oneindig aantal technologische mogelijkheden: betere isolatie, zuinigere elektrische apparaten, lichtere materialen, betere product- en procesplanning in de industrie, efficiëntere machines. In dit verband is de rol van energie-intensieve industrieën van belang: als deze door middel van investeringen en expertise geen vraag genereren, zullen in de EU innovaties in tal van voor de industrie bestemde energie-efficiënte technologieën uitblijven.

3.8.3

De informatie- en communicatietechnologie biedt grote mogelijkheden. ICT kan de productie, omzetting en distributie van energie efficiënter en productiever maken en ook voor een veiliger en betrouwbaarder bedrijfsvoering zorgen, met name wat transmissienetwerken betreft. Bovendien helpt ITC consumenten om hun energieverbruik binnen de perken te houden. Een goed voorbeeld, waar tal van voordelen aan verbonden zijn, betreft bijvoorbeeld piekbelastingen; die zouden kunnen worden afgevlakt als consumenten voortdurend zicht hebben op de financiële consequenties van hun energieverbruik en daar onmiddellijk op kunnen reageren. Meer in het algemeen zou ITC het telewerken en televergaderen kunnen bevorderen en zo de behoefte aan vervoer kunnen doen afnemen.

3.8.4

Er zijn ook nieuwe manieren — innovaties — nodig om energiesystemen goed te laten functioneren. Het streven is: hoogwaardige dienstverlening tegen betaalbare prijzen. Voorbeelden zijn het veilige beheer van productie- en transmissiesystemen, onderhoud, het runnen van de markt (handel), het managen van piekbelastingen en aanpassing aan daglicht. En niet in de laatste plaats kan een efficiënte logistiek het nodige betekenen voor de vraag naar energie en het brandstofbeheer.

3.8.5

We moeten ook ons gedrag „innoveren”. Voor consumenten is een sleutelrol weggelegd: we kunnen stuk voor stuk kiezen voor een intelligenter energiegebruik, en hiervoor zijn nieuwe ideeën en meer kennis nodig. Een belangrijke taak in dit verband is om consumenten goed voor te lichten, zodat zij bewustere keuzes kunnen maken. Ruimtelijke ordening op regionaal en stedelijk niveau, architectonische oplossingen en bouweisen kunnen de energiekeuzes van de bevolking in hoge mate ondersteunen. Met het oog hierop zouden campagnes voor energiezuinig gebruik en energiebesparing moeten worden opgezet.

3.9

Er moeten radicaal nieuwe oplossingen voor problemen komen; verandering is dringend geboden. Radicale veranderingen hebben tijd nodig, en daarom moeten nu meteen al middelen worden toegewezen. Intussen dienen technologieën die zich bewezen hebben een brede verspreiding krijgen, bijvoorbeeld om het energieverbruik van huishoudens terug te dringen.

3.10

Om innovaties en investeringen in een rendabele richting te sturen zou moeten worden nagegaan hoe rendabel upstream-technologieën zijn. Een belangrijk voorbeeld zijn de kosten van verschillende technologieën om de uitstoot van 1 ton CO2 te vermijden. Windmolens kosten bijvoorbeeld veel meer dan woningisolatie.

Voorwaarden en beleidsmaatregelen om innovatie te stimuleren

3.11

Voor het tot stand brengen en gebruiken van innovaties zijn bepaalde voorwaarden en beleidsmaatregelen nodig op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau. Aangezien de EU wereldwijd de toon wil aangeven als het om energie-efficiëntie en koolstofarme technologie gaat, is het van cruciaal belang dat energiemaatregelen en andere relevante randvoorwaarden in het licht van deze doelstelling worden bekeken.

3.12

De eerste voorwaarde voor succesvol innoveren zijn goed opgeleide en goed gemotiveerde arbeidskrachten, ondersteund door een hoogwaardig onderwijsstelsel. Voor de ontwikkeling van nieuwe technologieën zijn voldoende O&O-inspanningen nodig en moeten startende kleine en middelgrote bedrijven aan risicokapitaal kunnen komen. Gezonde concurrentie dwingt bedrijven om te innoveren. Toegang tot de (wereldwijde) markt is noodzakelijk. Wat duurzame energie betreft zou de toegang tot netwerken wel eens cruciaal kunnen zijn voor succesvolle innovaties. De regelgeving moet innovaties stimuleren, bijvoorbeeld door innoverende bedrijven specifiek te belonen (voorbeeld: bedrijven die al in een vroeg stadium hun emissies hebben verminderd worden daarvoor binnen het ETS nu niet beloond). Te veel regels hebben een verstikkende invloed op innovaties.

3.12.1

Voor de toepassing van nieuwe technologieën zijn investeringen nodig. Bedrijven moeten winst maken om te kunnen investeren. Dit geldt ook voor investeringen in energie-efficiëntie, zelfs al is de terugverdientijd kort. De energiesector is de afgelopen jaren zeer winstgevend geweest, maar het investeringsniveau ligt nog altijd laag. Het is bekend dat investeringen vertraging oplopen of zelfs helemaal niet doorgaan als gevolg van allerlei eisen inzake planning en vergunningen. Om de investeringsrisico's te verlagen moet de regelgeving stabiel en betrouwbaar zijn. Aangezien investeringen in energie-infrastructuur meestal vaak pas op langere termijn renderen, zou het goed zijn als er op de een of andere manier voor die termijn contracten kunnen worden gesloten.

3.12.2

Wil een bedrijf investeren in de ontwikkeling of het gebruik van nieuwe technologie, dan moeten de markten waar het hiermee winst wenst te maken groot genoeg zijn. Nationale markten hebben wat dit betreft meestal niet de vereiste omvang; toegang tot internationale markten is steeds meer een voorwaarde om überhaupt te investeren. Evenzeer van belang zijn een wereldwijde vraag en gelijke voorwaarden voor alle partijen. Door unilaterale EU-maatregelen ontstaat elders in de wereld geen vraag, al zou dat na verloop van tijd wel kunnen gebeuren. Een CO2-heffing zou bijvoorbeeld een belangrijke stimulans kunnen zijn, maar die moet dan wel wereldwijd worden ingevoerd.

3.12.3

De EU zou haar sterke positie op de internationale markten voor technologie op het gebied van energie-efficiëntie en duurzame energie verder moeten uitbouwen. Haar streven om een voortrekkersrol te vervullen als het gaat om klimaatbeleid (door middel van ambitieuze doelstellingen), energie-efficiëntie en duurzame energie, kan haar hierbij van pas komen. Dit gaat echter niet vanzelf. Met doelstellingen en de bijbehorende deadlines moet zorgvuldig worden omgegaan; de mogelijkheid om ze te verwezenlijken moet reëel zijn, anders leiden ze mogelijk alleen maar tot extra kosten en verlies van banen. Relevante technologieën moeten bijvoorbeeld al zo ver ontwikkeld zijn dat ze op tijd klaar zijn om de doelstellingen te kunnen halen. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de investeringscycli van de verschillende sectoren.

3.12.4

De EU lijkt vooral door middel van marktinterventies voor meer innovatie te willen zorgen, wat wel eens niet efficiënt genoeg zou kunnen zijn. De VS en een aantal andere landen vertrouwen meer op publieke investeringen in O&O. In Europa moeten zowel de publieke als de particuliere investeringen in O&O-activiteiten op energiegebied omhoog. Technologische samenwerking met de andere grootmachten moet op gang worden gebracht en hun beleidsmaatregelen moeten op de voet worden gevolgd. Bovendien is het zaak dat de lidstaten veel meer gaan samenwerken en dat hun activiteiten en die van de EU beter op elkaar worden afgestemd, zonder dat dit de concurrentie belemmert. Om er zeker van te zijn dat onderzoek leidt tot innovatie, moet zowel bij de planning als bij de uitvoering van onderzoeksactiviteiten de samenwerking tussen publieke onderzoeksinstituten en het bedrijfsleven worden opgevoerd. Hier zou een rol kunnen zijn weggelegd voor het voorgestelde EIT.

3.13

Voor een actieve ondersteuning van innovaties is meestal een combinatie van instrumenten nodig. Verschillende ontwikkelingsfases en verschillende marktsituaties vragen om verschillende maatregelen; uniforme maatregelen zijn niet effectief. Afhankelijk van het soort maatregelen dat nodig is om er succesvolle innovaties van te maken kunnen technologieën bijvoorbeeld in drie categorieën worden ingedeeld:

1)

Ver van de markt, in de O&O-fase. In dit geval is gerichte steun van O&O-activiteiten en demonstratie nodig. Prijssignalen, zoals CO2-heffingen, zijn niet genoeg.

2)

Dicht bij de markt: de technologie doet het, maar is nog te duur voor de markt. CO2-heffingen zouden hier voor de juiste stimulans kunnen zorgen, en hetzelfde geldt voor speciale steun om een snelle groei en zo grote productievolumes te garanderen.

3)

Een goed product op de markt, maar een geringe vraag (zoals met sommige energiezuinige technologieën het geval is). Hier gaat het erom de consument energiebewuster te maken, bijvoorbeeld met behulp van energie-audits en dergelijke.

3.14

Op EU-, nationaal en regionaal niveau is er al een breed scala aan maatregelen en instrumenten. De keuze van maatregelen voor het verwezenlijken van bepaalde doelstellingen moet met zorg gebeuren om voor voldoende rendement te kunnen zorgen. Om verspilling van middelen en onbedoelde gevolgen te vermijden moet goed worden gekeken naar de snelheid waarmee maatregelen worden genomen. Maatregelen die duidelijk zowel directe als indirecte doelstellingen helpen verwezenlijken (de zogenoemde no regrets-maatregelen) moeten zo snel mogelijk worden uitgevoerd. Gecompliceerdere maatregelen, die vaak nieuw in hun soort zijn, zoals manieren om een marktprijs voor CO2 vast te stellen, zouden eerst goed bestudeerd moeten worden. Om complicaties, onverwachte neveneffecten en suboptimale oplossingen te voorkomen moeten voor één doelstelling niet meerdere maatregelen worden gekozen. Bij de keuze van maatregelen moet ook rekening worden gehouden met de goede werking van de interne markt, wat tot dusverre niet altijd is gebeurd.

3.14.1

Financiering van O&O. Het EESC wijst in dit verband met name op zijn advies „Investeren in kennis en innovatie (Lissabonstrategie)”, INT/325. De hele EU loopt achter bij de VS en andere grote concurrenten. In het zevende O&O-kaderprogramma wordt in totaal voor een periode van zeven jaar vier miljard euro voor energie uitgetrokken (de bouw van ITER niet meegerekend), terwijl in de Amerikaanse Energy Bill wordt voorgesteld om hiervoor in de nationale begroting alleen al voor 2007 4,4 miljard dollar uit te trekken (en later meer). Naast meer publieke middelen voor O&O-activiteiten op energiegebied, zou er met stimulerende maatregelen voor gezorgd moeten worden dat ook meer particuliere middelen aan dit doel worden besteed en dat de lidstaten meer gaan samenwerken.

3.14.2

Onderwijs en opleiding. Naast maatregelen om het niveau van onderwijs en opleiding in Europa op te krikken is het ook nodig om jongeren ervan te doordringen dat banen in de energiesector aantrekkelijk zijn en goede perspectieven bieden. Omdat de techniek zich steeds sneller ontwikkelt, is een leven lang leren essentieel.

3.14.3

Voorlichting aan het publiek. Het valt niet mee om iedereen tot energiezuiniger gedrag aan te zetten. Voor scholen en campagnes is hier een rol weggelegd. Lessen hierover aan toekomstige burgers zouden al op de lagere school kunnen beginnen, want kinderen zijn zeer begaan met de toekomst van de planeet en willen graag iets doen. In beroepskringen en het bedrijfsleven hebben energie-audits (bijvoorbeeld op basis van vrijwillige overeenkomsten) goede resultaten opgeleverd.

3.14.4

Prijsmechanismen, heffingen. Goed doordachte prijssignalen kunnen innovaties in belangrijke mate ten goede komen doordat zij het koopgedrag van consumenten sturen. Hogere prijzen zijn niet erg effectief als middel om het algemene energieverbruik terug te dringen; zoals bekend is de prijselasticiteit op energiegebied nogal gering.

3.14.5

Subsidies. Goed doordachte subsidies kunnen mensen tot de juiste keuzes aanzetten. In de vroege fase van leercurves zijn subsidies vaak nodig om de risico's, die anders wel eens te groot zouden kunnen blijken, te verkleinen. Om de concurrentieverhoudingen niet scheef te trekken mogen ze alleen worden gebruikt met het in de EU-wetgeving vastgelegde doel, namelijk om tekortkomingen van de markt te corrigeren. Subsidies mogen niet voor onbeperkte tijd gelden en moeten geleidelijk worden afgebouwd. Om energie-efficiëntie een impuls te geven moeten er stimuleringsmaatregelen worden uitgewerkt die kunnen helpen om de initiële extra kosten van energiezuinige apparaten, met vaak een korte terugverdientijd, te boven te komen.

3.14.6

Politieke doelen en plichten. Deze geven aan wat een wenselijke ontwikkelingsrichting is. Even belangrijk voor investeringsbeslissingen zijn de beleidsinstrumenten waarmee de doelstellingen moeten worden verwezenlijkt. Bij het uitwerken van doelstellingen mag men niet vergeten dat het bepaalde onderdelen van de economie meestal voor de wind gaat, terwijl andere onderdelen juist met problemen kampen. Al te ambitieuze doelstellingen kunnen dan ook meer kwaad dan goed doen. De huidige tendens lijkt te zijn om voor hetzelfde doel algemene doelstellingen vast te stellen en in aanvulling daarop subdoelstellingen. Bijvoorbeeld doelstellingen voor het terugdringen van CO2-emissies, en om die te verwezenlijken ook doelstellingen voor een uitgebreider gebruik van duurzame energie. Dit kan leiden tot suboptimale oplossingen om de overkoepelende doelstelling te halen. Zowel voor de doelstellingen als met name voor de gekozen instrumenten zijn gedegen effectbeoordelingen noodzakelijk, waarbij de afspraken met de industrie in Duitsland en Finland als voorbeeld kunnen gelden.

3.14.7

Emissiehandel, groene/witte certificaten. Als ze goed worden ontworpen, zijn dit efficiënte instrumenten om de doelstellingen te verwezenlijken. De kosten zijn op voorhand echter moeilijk in te schatten en kunnen sterk variëren. Hoe groter de markt en het aantal marktdeelnemers voor de handel in emissierechten en certificaten, hoe beter. Als het systeem wordt toegepast op wereldwijd opererende bedrijven zou het zelf ook een wereldwijd karakter moeten krijgen, omdat anders de concurrentieverhoudingen worden scheefgetrokken.

3.14.8

Regulering of bindende normen. Een zorgvuldige regelgeving kan goed zijn voor innovaties. Regelgeving kan met name een effectief middel zijn om van verouderde technologieën af te komen. Ambitieuze middellange-termijndoelstellingen voor de energiezuinigheid van producten kunnen de innovatie ook een impuls geven. Maar het risico dat innovaties worden tegengewerkt is altijd aanwezig. In ieder geval moet ervoor worden gezorgd dat de regelgeving geen marktbarrières opwerpt.

3.14.9

Vrijwillige normen, vrijwillige overeenkomsten, certificering. Deze beleidsinstrumenten hebben een positief effect op innovaties. Ze mogen misschien niet altijd precies het gewenste effect sorteren, maar ze maken wel grote vorderingen mogelijk, en bovendien is de kans op ongunstige neveneffecten vrijwel nihil.

3.14.10

Openbare aanbestedingen. Aanbestedingen kunnen van groot belang zijn voor het bevorderen van innovaties op energiegebied. Hiervoor moeten methoden worden ontwikkeld die daarna een brede verspreiding dienen te krijgen. Gewoonlijk zijn er voor „groene” aanbestedingen levenscyclusanalyses nodig, en voor deze en andere methoden moeten de autoriteiten vaak worden bijgeschoold. Krachtens de EU-regels voor openbare aanbestedingen, die in acht moeten worden genomen, dienen geavanceerde oplossingen te worden toegepast; op die manier voorzien ze in „groenere” aanbestedingen.

3.14.11

Om de dringend noodzakelijke omschakeling van de energiesector te bewerkstelligen moet het innovatietempo worden opgevoerd. Het Comité dringt erop aan dat speciale aandacht wordt geschonken aan het volgende:

maatregelen om een adequate economische prijs voor CO2-emmissies vast te stellen:

publiek en particulier gefinancierd O&O moet worden uitgebreid ter ondersteuning van nieuwe vormen van energie en energie-efficiëntie;

de energie-efficiëntie van allerlei producten moet d.m.v. regelgeving (of andere maatregelen indien die kosteneffectiever uitvallen) sneller worden verbeterd;

openbare aanbestedingen moeten op veel proactievere wijze worden ingezet om tot scherpere energie-efficiëntienormen te komen, met name in de bouw.

Brussel, 12 juli 2007

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Dimitris DIMITRIADIS


(1)  COM(2005) 141 fin, Geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid.

(2)  PB C 309 van 16.12.2006, blz. 51.

(3)  PB C 241 van 7.10.2002, blz. 13.