52006DC0508




[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 15.9.2006

COM(2006) 508 definitief

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT

Ontwikkeling van agromilieu-indicatoren voor de monitoring van de integratie van milieuaspecten in het gemeenschappelijk landbouwbeleid {SEC(2006) 1136}

1. INLEIDING

In deze mededeling wordt op initiatief van de Commissie verslag uitgebracht over de werkzaamheden op het gebied van de ontwikkeling van indicatoren voor de monitoring van de integratie van milieuaspecten in het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).

Daarbij wordt de politieke context voor de ontwikkeling van agromilieu-indicatoren beschreven, wordt geanalyseerd waarom het in het licht van het voortgaande proces van hervorming van het GLB nodig is dergelijke indicatoren te ontwikkelen, wordt een overzicht gegeven van de vorderingen die met de ontwikkeling ervan zijn gemaakt, en wordt aangegeven wat met betrekking tot de toekomstige werkzaamheden de belangrijke uitdagingen en acties zijn. Op basis van die elementen is de Commissie van mening dat, om aan de toenemende beleidsbehoeften te kunnen voldoen, het informatiesysteem voor de monitoring van de integratie van milieuaspecten in het GLB verder ontwikkeld, versterkt en geconsolideerd moet worden, vooral door een permanente en stabiele regeling voor het beheer ervan op te zetten.

Deze mededeling gaat vergezeld van een werkdocument van de diensten van de Commissie waarin de werkzaamheden op het gebied van de ontwikkeling en compilering van de agromilieu-indicatoren uitvoeriger worden beschreven, de belangrijkste bevindingen worden behandeld en nader wordt ingegaan op de in deze mededeling geschetste voorstellen.

2. DE BELEIDSCONTEXT VOOR DE ONTWIKKELING VAN AGROMILIEU-INDICATOREN

In Cardiff (juni 1998) heeft de Europese Raad het beginsel onderschreven dat de milieudimensie moet worden geïntegreerd in alle beleidstakken van de Gemeenschap. Hij heeft er ook het belang beklemtoond van de ontwikkeling van geschikte milieu-indicatoren om de impact van verschillende economische sectoren – waaronder de landbouw – op het milieu te beoordelen en de vorderingen bij de integratie van milieuaspecten te monitoren.

In Helsinki (december 1999) heeft de Europese Raad de strategie voor de integratie van de milieudimensie in het GLB goedgekeurd. In deze strategie zijn doelstellingen inzake milieu-integratie bepaald voor de terreinen water, grondgebruik en bodem, klimaatverandering en luchtkwaliteit, en landschap en biodiversiteit, waarbij erop is gewezen dat het behoud van de natuurlijke hulpbronnen een essentieel element is voor de duurzaamheid op lange termijn van de landbouw. De Europese Raad heeft er in zijn conclusies om verzocht regelmatig over de vorderingen inzake de integratie te rapporteren op basis van agromilieu-indicatoren.

In Göteborg (juni 2001) heeft de Europese Raad zijn steun gegeven aan de strategie van de EU voor duurzame ontwikkeling[1], volgens welke strategie bij de besluitvorming rekening moet worden gehouden met de economische, sociaal-maatschappelijke en milieu-effecten van alle beleidstakken. Hij heeft er ook de conclusies van de Raad Landbouw (april 2001) over milieu-integratie en duurzame ontwikkeling bij het GLB goedgekeurd, waarbij hij de Commissie heeft verzocht de integratiestrategie van de Raad regelmatig te monitoren en te evalueren en waarbij hij tevens een beroep op de Commissie heeft gedaan om haar inspanningen voor het verder verbeteren van de set agromilieu-indicatoren en voor het definiëren van de statistische behoeften voor die indicatoren voort te zetten.

In antwoord op de verzoeken van de Europese Raad is de Commissie met twee mededelingen gekomen. In de eerste mededeling "Indicatoren voor de integratie van milieuaspecten in het gemeenschappelijk landbouwbeleid"[2] werd een lijst van 35 agromilieu-indicatoren bepaald en werd een analytisch kader voor de ontwikkeling ervan gepresenteerd.

In de tweede mededeling "Statistische informatie voor indicatoren voor de integratie van milieuaspecten in het gemeenschappelijk landbouwbeleid"[3] werd nader op het indicatorconcept ingegaan en werden mogelijkheden genoemd wat de voor het operationeel maken van de indicatoren benodigde informatiebronnen en gegevens betreft.

Deze twee mededelingen van de Commissie hebben de conceptuele inbreng verschaft om in september 2002 van start te kunnen gaan met de operatie IRENA (Indicator Reporting on the Integration of Environmental Concerns into Agriculture Policy – verslaglegging aan de hand van indicatoren voor de integratie van milieuaspecten in het landbouwbeleid). Deze operatie, die tot doel had een stel agromilieu-indicatoren te ontwikkelen, werd eind 2005 afgerond.

In de hernieuwde strategie van de EU voor duurzame ontwikkeling, die de Europese Raad in juni 2006 heeft goedgekeurd, is nogmaals bevestigd dat duurzame ontwikkeling in de beleidsvorming op alle niveaus moet worden geïntegreerd door de coherentie tussen alle beleidstakken van de EU te bevorderen en ervoor te zorgen dat belangrijke beleidsbeslissingen worden genomen met volledige kennis van zaken wat de economische, sociaal-maatschappelijke en milieu-impact ervan betreft.

3. INTEGRATIE VAN MILIEUASPECTEN IN HET GLB

3.1. Vorderingen bij de integratie van het milieu in het GLB

Doordat de landbouw een groot deel van het grondgebied van de Europese Unie beheert[4], speelt hij een belangrijke rol in het behoud van de milieuhulpbronnen van de EU. Eeuwenlang heeft de landbouw bijgedragen tot het ontstaan en voortbestaan van een breed scala van seminatuurlijke habitats en agrarische landschappen die het leefgebied of de groeiplaats zijn van een rijke verscheidenheid van wilde dieren en planten en die middelen van bestaan verschaffen aan plattelandsgemeenschappen van uiteenlopende aard.

In de afgelopen decennia is de Europese landbouw sterk veranderd en in de toekomst zal hij verder veranderen. Technologische ontwikkelingen (bv. verbeterde landbouwchemicaliën en veredelde planten- en dierenrassen) hebben de landbouwbedrijven in staat gesteld de fysieke opbrengsten te verhogen, waardoor de landbouw concurrerender is geworden. Met specialisatie en intensivering verbonden veranderingen van het grondgebruik en van de landbouwmethoden zijn echter ook gepaard gegaan met negatieve gevolgen voor het water, de bodem, de lucht, de biodiversiteit en de habitats. Tegelijk vormt het opgeven van de landbouw in marginale gebieden onder invloed van sociaal-maatschappelijke en economische factoren een ernstige bedreiging voor de door de landbouw geschapen milieus en voor de rurale landschappen.

Bij de jongste hervormingen van het GLB is gereageerd op de dubbele uitdaging die erin bestaat de door de landbouw uitgeoefende milieudruk te verminderen en de milieudienstverlening door de landbouw te bevorderen.

Vanaf 1992 is het GLB in toenemende mate aangepast om het beter tot de nagestreefde duurzaamheid te laten bijdragen door een proces van fundamentele hervormingen dat erop is gericht over te schakelen van een beleid dat de prijzen en de productie ondersteunt, naar een beleid waarbij wordt gewerkt met rechtstreekse inkomenssteun en met maatregelen voor plattelandsontwikkeling. De volgende stap in dat hervormingsproces was Agenda 2000, in het kader waarvan werd besloten dat het GLB niet alleen tot taak had de landbouw in de EU concurrerender te maken, de voedselveiligheid en -kwaliteit te garanderen en de inkomens in de landbouw te stabiliseren, maar dat het ook in de hele Europese Unie voor milieuvoordelen, mooiere rurale landschappen en concurrerender plattelandsgebieden diende te zorgen.

De hervorming[5] van het GLB in 2003 betekende een stap voorwaarts bij de integratie van milieuaspecten in het GLB. Door die hervorming is zowel in de eerste pijler (markt- en inkomensbeleid) als in de tweede pijler (beleid inzake plattelandsontwikkeling) sprake van een versterking van maatregelen ter bevordering van vormen van grondgebruik en werkwijzen die verenigbaar zijn met de bescherming van milieuhulpbronnen.

Wat de eerste pijler betreft, zijn de belangrijkste maatregelen de ontkoppeling, de verplichte toepassing van randvoorwaarden en de modulatie. Doordat het merendeel van de rechtstreekse betalingen is ontkoppeld van de productie, zijn vele van de stimulansen voor een intensieve productie die de milieurisico's hebben vergroot, kleiner geworden. De randvoorwaarden houden in dat de rechtstreekse betalingen slechts volledig kunnen worden toegekend als op het hele landbouwbedrijf wordt voldaan aan een aantal uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen, waaronder milieunormen, en als alle landbouwgrond in een goede landbouw- en milieuconditie wordt gehouden. Dankzij de modulatie wordt steun overgeheveld van de eerste naar de tweede pijler, waardoor meer begrotingsmiddelen beschikbaar kunnen komen voor agromilieumaatregelen.

De koerswijziging die het GLB in 2003 heeft ondergaan, is bevestigd door de hervorming van de marktregelingen voor tabak, olijfolie, katoen en hop in 2004 en de hervorming van de suikerregeling in 2005.

Tot de tweede pijler behoort een aantal maatregelen om de bescherming van het agrarische milieu te bevorderen. De nieuwe verordening inzake plattelandsontwikkeling voor de periode 2007–2013[6] koppelt de milieumaatregelen aan de doelstellingen van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap[7]. In de communautaire strategische richtsnoeren[8] worden drie prioritaire terreinen voor maatregelen ter verbetering van het milieu en het platteland aangegeven: biodiversiteit en de instandhouding en ontwikkeling van landbouw- en bosbouwsystemen met een hoge natuurwaarde en van traditionele agrarische landschappen, water en de klimaatverandering. De belangrijkste nieuwe maatregelen betreffen het feit dat explicieter steun wordt verleend aan de landbouwers in Natura 2000-zones en andere gebieden met een grote natuurwaarde. De steun in gebieden met handicaps en voor agromilieumaatregelen wordt gehandhaafd. In de toekomst zullen de randvoorwaarden ook gelden voor het merendeel van de milieumaatregelen.

Door deze ontwikkelingen van het GLB is er behoefte aan een betere monitoring van de evolutie van de landbouwproductiesystemen en grondgebruikspatronen op regionaal niveau en van de effecten van die evolutie op het milieu. Hoewel andere indicatorenlijsten van de EU (bv. Structurele Indicatoren, indicatoren voor duurzame ontwikkeling en voor plattelandsontwikkeling) en van andere internationale organisaties (bv. OESO, Verdrag inzake biologische diversiteit) enkele agromilieu-indicatoren bevatten, is een geheel van op het meten van de vorderingen bij de integratie van milieuaspecten in het GLB gerichte indicatoren noodzakelijk om de impact van beleidsbeslissingen te kunnen beoordelen, om tekortkomingen van bestaande maatregelen en behoeften aan nieuwe beleidsinitiatieven te kunnen opsporen en om de maatregelen in voorkomend geval beter op de plaatselijke omstandigheden te kunnen richten en afstemmen.

3.2. De noodzaak van agromilieu-indicatoren ter ondersteuning van het beleidsproces

De integratie van milieuaspecten in het GLB is een dynamisch proces dat regelmatige monitoring vergt. Agromilieu-indicatoren zijn essentiële hulpmiddelen voor die monitoring. Zij kunnen nuttig zijn voor allerlei beleidsdoeleinden:

- het verschaffen van informatie over de huidige toestand van het agrarische milieu en de aan de gang zijnde veranderingen van dat milieu;

- het volgen van de impact die de landbouw heeft op het milieu;

- het beoordelen van de impact van het landbouw- en milieubeleid op het milieubeheer op landbouwbedrijven;

- het verschaffen van informatie ten behoeve van beleidsbeslissingen op landbouw- en milieugebied;

- het voor het bredere publiek verduidelijken van de relaties tussen landbouw en milieu.

Een coherent stelsel van agromilieu-indicatoren moet in staat zijn om de belangrijke positieve en negatieve effecten van de landbouw op het milieu te registreren en om de gevolgen te laten zien van regionale verschillen in economische structuur en in natuurlijke omstandigheden. Op deze wijze zal dat stelsel waardevolle informatie verschaffen voor de beoordeling van het landbouwbeleid uit het oogpunt van de bijdrage die dit beleid levert tot de instandhouding van de milieuhulpbronnen waarvan de toekomst van de landbouw en van de samenleving als geheel afhankelijk is.

4. VORDERINGEN BIJ DE ONTWIKKELING VAN AGROMILIEU-INDICATOREN

4.1. De operatie IRENA

De operatie IRENA had tot doel om voor de EU-15 het in de mededelingen van de Commissie COM(2000) 20 en COM(2001) 144 aangegeven stel van 35 agromilieu-indicatoren op de geschikte geografische niveaus te ontwikkelen en te compileren, zulks zoveel mogelijk op basis van bestaande informatiebronnen.

De operatie IRENA heeft het volgende opgeleverd:

1) 40 informatiebladen over indicatoren[9] en de daarbij behorende gegevensverzamelingen, die betrekking hebben op 42 indicatoren en subindicatoren;

2) een verslag over de indicatoren , waarin een overzicht van de interacties tussen landbouw en milieu wordt gegeven op basis van de resultaten voor de indicatoren en waarin de vorderingen worden beschreven die zijn gemaakt bij de ontwikkeling en compilatie van de agromilieu-indicatoren;

3) een op de indicatoren gebaseerd beoordelingsverslag over de integratie van milieuaspecten in het GLB, waarin het nut van het stelsel van indicatoren voor beleidsevaluatie wordt beoordeeld;

4) een evaluatieverslag , waarin de uitvoering van de operatie IRENA wordt geanalyseerd, de indicatoren en de gebruikte informatiebronnen worden geëvalueerd en terreinen voor toekomstige werkzaamheden worden aangegeven.

4.2. Belangrijkste resultaten op het gebied van de ontwikkeling van indicatoren

Dankzij de operatie IRENA zijn belangrijke vorderingen gemaakt bij de ontwikkeling van agromilieu-indicatoren op het niveau van de EU-15, vooral ten aanzien van de concepten, de bepaling van informatiebronnen en de compilatie van gegevensverzamelingen. Bijlage 1 bij het werkdocument van de diensten van de Commissie bevat een lijst van de betrokken 42 indicatoren en subindicatoren met de definities daarvan, de informatiebronnen, het geografische niveau waarop de gegevens zijn verzameld, en de gebruikte tijdreeksen.

De belangrijkste resultaten kunnen als volgt worden samengevat:

- volgens de evaluatie van de 42 (sub)indicatoren zijn 11 indicatoren nuttig, zijn 30 indicatoren potentieel nuttig en is er slechts één indicator die weinig mogelijkheden zou bieden. Binnen elke groep zijn er echter indicatoren die zich in verschillende stadia van ontwikkeling bevinden (zie deel 6);

- ongeveer een derde van de indicatoren is gebaseerd op gegevens op regionaal niveau (NUTS[10] 2 en 3). De indicatoren op nationaal niveau maken bijna twee derde uit. Verscheidene indicatoren voor de terreinen toestand/impact zijn ontwikkeld op basis van gemodelleerde gegevens of gevalstudies;

- wat de tijdschaal betreft, zijn voor ongeveer de helft van de indicatoren tijdreeksen gebruikt. 18 indicatoren bestrijken de periode tussen 1990 en 2000.

Bovendien heeft de operatie IRENA een aanzienlijke hoeveelheid kennis en deskundigheid opgeleverd op het gebied van de technische haalbaarheid en de interpretatie van de indicatoren. Er is veel informatie verzameld over de toestand en de trends wat de milieusituatie in de landbouw betreft en over de maatregelen die beschikbaar zijn om voor milieu-integratie te zorgen.

Dankzij de operatie IRENA zijn nauwe samenwerking en intensieve communicatie op het gebied van de agromilieu-indicatoren tot stand gebracht tussen de Commissie, het Europees Milieuagentschap (EMA) en de lidstaten. Deze laatste[11] hebben nuttige feedback over de informatiebladen en het verslag over de indicatoren gegeven, vooral wat de indicatorconcepten en de kwaliteit en de presentatie van de gegevens betreft.

5. UITDAGINGEN VOOR DE TOEKOMSTIGE WERKZAAMHEDEN OP HET GEBIED VAN DE AGROMILIEU-INDICATOREN

Tijdens de operatie IRENA is duidelijk geworden dat sprake is van verscheidene beperkende factoren die een aantal indicatoren betreffen:

1) de gegevensverzamelingen voor bepaalde indicatoren vertonen tekortkomingen uit het oogpunt van harmonisatie (bv. beheer van landbouwbedrijven), kwaliteit van de gegevens (bv. genetische verscheidenheid), geografische dekking (bv. waterkwaliteit) en/of beschikbaarheid van gegevensreeksen (bv. oppervlakte waarop biologische landbouw wordt beoefend);

2) de modellen die ten grondslag liggen aan de berekening van bepaalde indicatoren, moeten methodologisch worden verbeterd of verder worden gevalideerd (bv. bodemerosie, bodemkwaliteit);

3) voor sommige indicatoren is nog een verdere conceptuele verbetering nodig (bv. beheer van landbouwbedrijven, toestand van het landschap, landbouwgebieden met een hoge natuurwaarde).

Deze beperkende factoren betekenen niet dat de indicatoren niet van nut zouden zijn voor de analyse van de relaties tussen landbouw en milieu. Zij duiden er integendeel op dat voor de betrokken indicatoren nog verdere werkzaamheden moeten worden verricht om betere concepten en methodologische benaderingen uit te werken, om de methoden voor het verzamelen van gegevens te verbeteren, om zo nodig nieuwe gegevensverzamelingen te ontwikkelen en om bestaande modelleringsinstrumenten te verbeteren/valideren.

De IRENA-indicatoren kunnen op basis van het ontwikkelingsstadium waarin zij verkeren, worden ingedeeld in drie categorieën (zie ook de tabel in de bijlage):

A. operationele indicatoren, waarbij de concepten en de meting welomschreven zijn en waarvoor op nationaal, en waar dat dienstig is regionaal, niveau gegevens beschikbaar zijn;

B. indicatoren die welomschreven zijn, maar nog niet hun volledige informatiepotentieel hebben bereikt door een gebrek aan regionale of geharmoniseerde gegevens of door tekortkomingen van de modelleerbenaderingen waarop zij zijn gebaseerd;

C. indicatoren die nog aanzienlijk moeten worden verbeterd om volledig operationeel te kunnen worden. Deze categorie omvat indicatoren die nog in conceptueel en methodologisch opzicht moeten worden verbeterd, indicatoren waarbij de kwaliteit van de bestaande gegevens moet worden verbeterd of nieuwe gegevens moeten worden verzameld, en indicatoren waarbij de modellen die eraan ten grondslag liggen, nog verder uitgewerkt en gevalideerd moeten worden.

Bovendien moeten de indicatoren worden uitgebreid tot de nieuwe lidstaten.

6. DE WEG VOORWAARTS: TOEKOMSTIGE WERKZAAMHEDEN OP HET GEBIED VAN DE AGROMILIEU-INDICATOREN

Op basis van de bovengenoemde elementen kunnen drie grote uitdagingen worden aangegeven wat de toekomstige werkzaamheden op het gebied van de agromilieu-indicatoren van de EU betreft:

- stroomlijning van het stel IRENA-indicatoren en versterking van de relevantie ervan voor beleidsdoeleinden;

- consolidatie van het geselecteerde stel indicatoren, uitbreiding ervan tot de nieuwe lidstaten en correctie van bestaande tekortkomingen;

- totstandbrenging van de permanente en stabiele regeling die nodig is voor het functioneren op lange termijn van het stelsel van indicatoren.

6.1. Stroomlijning van het stel IRENA-indicatoren en versterking van de beleidsrelevantie ervan

In het licht van de conceptuele en technische beperkingen van sommige indicatoren moet een kritische keuze worden gemaakt voor de samenstelling van een lijst van de indicatoren die moeten worden gehandhaafd en verder moeten worden ontwikkeld.

Een essentieel criterium bij deze keuze is de relevantie van de indicatoren als informatie-instrument voor de beleidsvorming. In dit verband moet er rekening mee worden gehouden dat bij de monitoring van de milieu-integratie sprake is van verscheidene analyse- en beoordelingsniveaus die in het kader van een algehele integratiestrategie betrekking hebben op bijvoorbeeld specifieke sectorale maatregelen, horizontale beleidsinstrumenten, programma's voor plattelandsontwikkeling, enz. Voor de uitvoering van de analyses op die verschillende niveaus is het belangrijk de beschikking te hebben over een coherent stel agromilieu-indicatoren dat een beeld geeft van de regionale verscheidenheid van de landbouwproductiesystemen (bv. specialisaties, productiepatronen, landbouwmethoden) en ook van de positieve en negatieve invloeden die deze systemen uitoefenen op de verschillende milieuhulpbronnen. Bovendien moet het hele stel indicatoren aanpasbaar aan toekomstige beleidsbehoeften blijven, bijvoorbeeld om te kunnen inspelen op het evoluerende waterbeleid, op nieuwe GLB-maatregelen of op trends in de bredere sociaal-economische context.

Voor sommige agromilieu-indicatoren geldt dat momenteel wordt overwogen deze op te nemen in het gemeenschappelijke toezicht- en evaluatiekader voor de programma's voor plattelandsontwikkeling voor de periode 2007–2013. Deze gemeenschappelijke indicatoren hebben betrekking op de prioritaire milieuthema's, namelijk biodiversiteit en gebieden met een hoge natuurwaarde, water en klimaatverandering[12].

Een verder criterium voor de selectie van de indicatoren waaraan dient te worden vastgehouden, is de technische haalbaarheid van de ontwikkeling ervan. Bij de operatie IRENA is gebleken dat voor bepaalde indicatoren geldt dat zij te ingewikkeld zijn of dat voor de ontwikkeling ervan een onevenredige investering van middelen nodig zou zijn.

Ten slotte wordt voorgesteld om in de toekomst sommige IRENA-indicatoren te behandelen als subindicatoren van andere indicatoren waarmee zij nauw zijn verbonden.

Met het doel de verschillende niveaus van de monitoring van de milieu-integratie te bestrijken en op basis van de tot nog toe verrichte werkzaamheden stelt de Commissie voor: een basisstel van 28 indicatoren te behouden, waarbij het gaat om 26 IRENA-indicatoren en 2 nieuwe indicatoren die nieuwe agromilieuonderwerpen betreffen (zie de in de bijlage opgenomen tabel). |

- 6.2. Consolidatie van het geselecteerde stel indicatoren, uitbreiding ervan tot de nieuwe lidstaten en correctie van bestaande tekortkomingen

Het doel van de operatie IRENA, dat erin bestond gebruik te maken van de beschikbare en gemakkelijk toegankelijke agromilieu-informatie en -gegevens op het niveau van de EU-15, is in grote trekken bereikt. Het is nu belangrijk verder te werken met het gestroomlijnde stel indicatoren, de desbetreffende databases te actualiseren en een en ander uit te breiden tot de nieuwe lidstaten.

Het is echter ook belangrijk iets te doen aan de factoren die momenteel het informatiepotentieel van sommige indicatoren beperken. Daartoe zijn gedurende een overgangsperiode inspanningen nodig om die indicatoren conceptueel en methodologisch te verbeteren en om de nodige gegevens te verzamelen of bestaande gegevens beter toegankelijk te maken, vooral op regionaal niveau. In dit verband zijn de volledige betrokkenheid en inzet van de lidstaten, die uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor het verzamelen van de gegevens, noodzakelijk.

De Commissie stelt voor dat de volgende acties ondernemen worden: bestaande regelgeving met betrekking tot landbouwgegevens van zowel statistische als administratieve aard verder ontwikkelen om de behoeften aan gegevens voor de agromilieu-indicatoren doeltreffender te dekken; nieuwe EU-enquêtes opzetten en ontwikkelen waar dat dienstig is, vooral met betrekking tot de bedrijfsvoering in de landbouw en het gebruik van landbouwinputs; in de context van het aan de gang zijnde proces van actualisatie van het Informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen (ILB) onderzoeken welke ruimte er is voor verbetering en uitbreiding van het gebruik van het ILB om te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar verslaglegging en analyses op agromilieugebied; de modelleringskaders verbeteren en valideren waar dat nodig is; verder zoeken naar betere indicatoren op het gebied van agrarische biodiversiteit, habitats en landschappen; nagaan wat de mogelijkheden zijn om betere gegevens te verzamelen: met behulp van systemen voor milieumonitoring, in het bijzonder in het kader van de nitraatrichtlijn, de kaderrichtlijn water en de vogel- en habitatrichtlijnen; dankzij spatialisatiemethoden (bv. herverdeling van op bestuurlijk niveau gemelde landbouwgegevens over andere geografische eenheden) en andere technieken die betrekking hebben op ruimtelijke gegevens (bv. enquêtes op basis van gebiedssteekproeven, methoden voor georeferering); door een beroep te doen op niet tot de overheid behorende aanbieders van gegevens (bv. pan-Europese database inzake de monitoring van alledaagse vogelsoorten); daartoe kan het nodig zijn bestaande gegevensverzamelingen te consolideren en te harmoniseren om ze doorzichtiger te maken en de kwaliteit ervan te verbeteren; door gebruikmaking van andere Europese initiatieven zoals het initiatief betreffende wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid (GMES) en het initiatief infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (INSPIRE); door gebruikmaking van het wereldwijde overkoepelende aardobservatiesysteem (GEOSS); de coördinatie met andere werkzaamheden op het gebied van indicatoren versterken[13]. |

- 6.3. Totstandbrenging van de permanente en stabiele regeling die nodig is voor het functioneren op lange termijn van het stelsel van indicatoren

De bepaling van de relevante indicatoren, van de berekeningsmethoden en van de informatiebronnen is slechts een deel van het werk dat nodig is voor het opbouwen van het informatiesysteem voor de monitoring van de milieu-integratie.

Om te komen tot een volledig operationeel systeem dat nuttig kan zijn voor de verschillende beleidsdoeleinden, moeten de werkzaamheden die in het kader van de operatie IRENA op tijdelijke basis zijn verricht, worden omgezet in een stabiel proces voor het systematisch verzamelen van de gegevens die nodig zijn voor de ontwikkeling, compilatie, instandhouding en actualisatie van de indicatoren. Dit vergt een permanente en stabiele regeling onder leiding van Eurostat op basis van nauwe samenwerking met de bureaus voor de statistiek van de lidstaten en de ministeries van Landbouw en Milieu en in samenwerking met andere Europese instanties (zoals het Europees Milieuagentschap).

De totstandbrenging van een dergelijke permanente en stabiele regeling dient een prioritaire taak te zijn in het kader van de toekomstige ontwikkeling van de betrokken indicatoren op EU-niveau. Deze taak omvat de bepaling en verdeling over de partnerinstellingen van duidelijke verantwoordelijkheden voor het beheer van het nieuwe informatiesysteem op permanente basis, zulks zonder dat nieuwe bureaucratische structuren in het leven worden geroepen.

De Commissie stelt voor: de permanente en stabiele regeling die nodig is voor het functioneren op lange termijn van het stelsel van indicatoren, tot stand te brengen. Dit is een project op lange termijn dat de steun en de volledige medewerking en inzet van de lidstaten vraagt, vooral waar het gaat om het verzamelen en verstrekken van de benodigde gegevens. |

- BIJLAGE

Voorstel voor een geconsolideerd stel agromilieu-indicatoren

DPSIR* | Nr. | Indicator | Stadium van ontwikkeling | Belangrijkste beperkende factoren/noodzakelijke verbeteringen1 (X) |

Marktsignalen en houding van de samenleving | 4 | Oppervlakte waarop biologische landbouw wordt beoefend | A |

* Engelse afkorting die staat voor de verschillende genoemde terreinen. |

[1] COM(2001) 264, "Duurzame ontwikkeling in Europa voor een betere wereld: een strategie van de Europese Unie voor duurzame ontwikkeling".

[2] COM(2000) 20 van 26 januari 2000.

[3] COM(2001) 144 van 20 maart 2001.

[4] Meer dan 40% van de grond in de EU-25 wordt gebruikt door de landbouw.

[5] Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1).

[6] Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1).

[7] Besluit 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1).

[8] Besluit 2006/144/EG van de Raad van 20 februari 2006 (PB L 55 van 25.2.2006, blz. 20).

[9] In mededeling COM(2000) 20 zijn 35 indicatoren aangegeven, maar sommige daarvan zijn verdeeld in subindicatoren. Bovendien is op verzoek van lidstaten een indicator betreffende de atmosferische uitstoot van ammoniak toegevoegd.

[10] Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek.

[11] De groep "Landbouw en Milieu" van Eurostat was het forum voor het overleg met de lidstaten over de operatie IRENA, zulks in samenwerking met de groep "Landbouw" van het EMA-EIONET.

[12] Het betreft de volgende indicatoren: populatie van akker- en weidevogels, gebieden met een hoge natuurwaarde, brutovoedingsstofsaldi en productie van hernieuwbare energie.

[13] Zie de laatste alinea van punt 3.1.