27.10.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 267/36


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De betrekkingen tussen de Europese Unie en India”

(2005/C 267/06)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 27 januari 2004 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een advies op te stellen over: „De betrekkingen tussen de Europese Unie en India.

De gespecialiseerde afdeling „Externe betrekkingen”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 14 maart 2005 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Sharma.

Het Comité heeft tijdens zijn 417e zitting (vergadering van 12 mei 2005) het volgende advies uitgebracht, dat met 145 stemmen vóór en 2 onthoudingen is goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

Het eerste EESC-document over de Europees-Indiase betrekkingen (een informatief rapport van de afdeling „Externe betrekkingen”, doc. CES 947/2000) werd uitgebracht in december 2000, kort vóór het van start gaan, in januari 2001 in New Delhi, van het „rondetafeloverleg” tussen het Europese en het Indiase maatschappelijk middenveld. Europa wordt bij dit overleg vertegenwoordigd door leden van het EESC; de Indiase delegatie van haar kant bestaat uit vertegenwoordigers van diverse geledingen van het Indiase middenveld (zie bijlage I).

1.2

Sinds die eerste bijeenkomst in 2001 is het rondetafeloverleg uitgegroeid tot een belangrijk instrument voor de verdere ontwikkeling van de Europees-Indiase betrekkingen. In juni en december 2004 hebben in Srinagar (Kashmir) en Londen respectievelijk de zevende en de achtste bijeenkomst plaatsgehad. In een open maar constructieve dialoog zijn daar enkele gevoelige thema's aangekaart, zoals kinderarbeid en gelijke behandeling van mannen en vrouwen op de werkplek (zie par. 5).

1.3

Het Comité heeft besloten de Europees-Indiase betrekkingen nogmaals onder de loep te nemen omdat deze in de afgelopen vijf jaar een steeds hogere vlucht hebben genomen. Met name in 2004 hebben zich enkele belangrijke ontwikkelingen voorgedaan.

1.4

Dit advies is meer dan een bijwerking van het informatief rapport uit december 2000. Het is ook een pleidooi voor nog nauwere samenwerking op het niveau van het maatschappelijk middenveld. Het Comité, dat de dialoog tussen het Europese en het Indiase middenveld mee op de rails heeft helpen zetten, wil de positieve houding van de Europese en Indiase politieke wereld tegenover een intensivering van deze samenwerking te baat te nemen om nieuwe initiatieven te ontplooien. Zo wil het, met name via het rondetafeloverleg, meewerken aan het opstellen van het aangekondigde „actieplan voor een strategisch partnerschap”.

1.5

In juni 2004 heeft de Europese Commissie de Raad, het Europees Parlement en het Comité een Mededeling met vérgaande voorstellen voor een strategisch partnerschap met India voorgelegd. Omdat de Europees-Indiase betrekkingen de laatste jaren zowel in omvang als in intensiteit een exponentiële ontwikkeling hebben doorgemaakt, stelde zij voor om een gezamenlijk actieplan op te stellen en dit op de zesde Europees-Indiase top door de politieke leiders te laten bekrachtigen.

1.6

In reactie op deze Mededeling heeft de Indiase regering in augustus 2004 voorgesteld om een comité op ministerieel niveau op te richten en dit met het opstellen van het gezamenlijk actieplan te belasten.

1.7

De Raad van zijn kant heeft in oktober 2004 verklaard dat hij de algemene doelstellingen van deze „uitvoerige en alomvattende” Mededeling onderschrijft en „zich samen met de Europese Commissie zal beijveren om deze te realiseren”.

1.8

Eveneens in oktober 2004 heeft het Europees Parlement de Raad aanbevolen „de Europees-Indiase betrekkingen op te waarderen tot een strategisch partnerschap” en ook „de noodzakelijke praktische stappen daartoe” te ondernemen.

1.9

Op de vijfde Europees-Indiase top, in november 2004 in Den Haag, hebben de politieke leiders beide partijen opgeroepen om „samen een alomvattend actieplan voor een strategisch partnerschap en een nieuwe gezamenlijke politieke verklaring op basis van de Mededeling van de Europese Commissie, de conclusies van de Raad en het document van de Indiase autoriteiten op te stellen en hun dit op de zesde Europees-Indiase top ter goedkeuring voor te leggen”.

1.10

Met het oog op de zesde top hebben de deelnemers aan het rondetafeloverleg in december 2004 in Londen een reeks aanbevelingen goedgekeurd, waarin zij „erkennen dat het Europees-Indiase strategische partnerschap mogelijkheden biedt om via het rondetafeloverleg de rol van het maatschappelijk middenveld te versterken en te verruimen”. Zij wijzen erop dat „het maatschappelijk middenveld een integrerend deel van dit nieuwe partnerschap dient uit te maken” en verklaren dat zij „bereid zijn actief deel te nemen aan de uitvoering van het gezamenlijk actieplan”.

1.11

Uit de omvang van de Mededeling van de Europese Commissie en van de reactie hierop van de Indiase autoriteiten zou men kunnen concluderen dat er nog veel werk aan de winkel is, maar toch is er al heel wat vooruitgang geboekt, zoals uit de drie genoemde documenten blijkt. De Unie en India werken namelijk al nauw met elkaar samen binnen het kader van een „partnerschap dat is gebaseerd op een solide fundering van gedeelde waarden en inzichten”, zoals het in de slotverklaring wordt geformuleerd.

1.12

In de loop der jaren hebben de Europees-Indiase betrekkingen een hele ontwikkeling doorgemaakt: de economische en ontwikkelingssamenwerking uit de beginjaren heeft er gaandeweg een politiek-strategische dimensie bijgekregen door het feit dat beide partijen belangrijke spelers op het wereldtoneel zijn en er bovendien ook dezelfde multilateralistische wereldvisie op nahouden. Zij voeren een intensieve politieke dialoog, met een periodieke (sinds enkele jaren zelfs jaarlijkse) top, jaarlijkse bijeenkomsten op ministerieel niveau (de zgn. „trojka-bijeenkomsten”), halfjaarlijkse bijeenkomsten van een politieke werkgroep voor terrorismebestrijding (de zgn. „COTER Troika”, een uitvloeisel van de in 2001 aangenomen gezamenlijke verklaring over terrorismebestrijding), bijeenkomsten van een werkgroep „Consulaire zaken”, halfjaarlijkse bijeenkomsten op hoog ambtelijk niveau (sinds 2000) en halfjaarlijkse bijeenkomsten in het kader van het rondetafeloverleg.

1.13

Handel en investeringen zijn nog steeds een hoeksteen van de Europees-Indiase betrekkingen: de Unie is India's voornaamste handelspartner en India's voornaamste bron van buitenlandse investeringen. Toch zitten handel en investeringen nog ver onder hun potentiële niveau, reden waarom Europese en Indiase bedrijfsleiders in het kader van een „Gezamenlijk initiatief ter bevordering van handel en investeringen” een aantal aanbevelingen voor concrete acties in acht sectoren hebben geformuleerd. Op basis van deze aanbevelingen zal een programma ter bevordering van handel en investeringen worden opgezet, waarvoor 13,4 mln euro zal worden uitgetrokken. Inmiddels is er ook al een douanesamenwerkingsovereenkomst gesloten, eveneens met de bedoeling de onderlinge handel te stimuleren, en wordt er onderhandeld over een scheepvaartovereenkomst, die de ontwikkeling van de Europese en Indiase rederijen moet bevorderen.

1.14

De Indiase IT-export naar de Unie, in 2003 goed voor meer dan 2 mrd euro, vertegenwoordigt 20 % van de totale Indiase uitvoer van software. Zo'n 900 Europese en Indiase bedrijven en organisaties hebben in maart 2004 in New Delhi deelgenomen aan het „Europees-Indiase Forum over de informatiemaatschappij”. Op basis van de in 2001 aangenomen „Gezamenlijke Europees-Indiase Verklaring over de ontwikkeling van de informatiemaatschappij en de informatie- en communicatietechnologie” is inmiddels ook een „informatiemaatschappij-dialoog” gestart. De bedoeling is het onderzoek in zes prioritaire sectoren te stimuleren en een diepgaande discussie over wet- en regelgeving op het vlak van de informatiemaatschappij en elektronische communicatie op gang te brengen.

1.15

Sinds midden jaren '80 van de vorige eeuw is ook de samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie steeds verder toegenomen, met als gevolg dat wetenschap en technologie inmiddels een van de meest veelbelovende samenwerkingssectoren is geworden. De in 2002 gesloten overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking biedt Europese en Indiase wetenschappers de mogelijkheid om deel te nemen aan elkaars programma's. Bovendien is India een „doelland” voor samenwerking op basis van het zesde O&O-kaderprogramma van de Unie.

1.16

De Unie en India zijn momenteel bezig met de voorbereiding van een samenwerkingsovereenkomst rond het Europese satellietnavigatieproject Galileo. Gelet op India's expertise op het gebied van satelliet- en navigatietechnologie mag men ervan uitgaan dat deze overeenkomst de industriële samenwerking in tal van high tech-sectoren een krachtige impuls zal geven. De Europese en Indiase ruimtevaartorganisaties ESA en ISRO werken al sinds jaar en dag samen bij de vreedzame exploratie en exploitatie van de kosmische ruimte. De Unie heeft inmiddels ook belangstelling getoond voor India's onbemande maanmissie Chandrayaan-1.

1.17

Ook op het vlak van de ontwikkelingssamenwerking is er het een en ander in beweging. India is zich aan het ontwikkelen tot een atypische speler op dit terrein, een speler die niet alleen ontwikkelingshulp ontvangt maar ook zelf hulp geeft. Deze koerswijziging is duidelijk naar voren gekomen in de nasleep van de tsunami die op 26 december 2004 de kusten rondom de Indische Oceaan verwoestte: het land heeft toen buitenlandse noodhulp geweigerd en heeft zelf op grote schaal noodhulp verleend in Sri Lanka. India wil nog slechts van een selecte groep van bilaterale donoren ontwikkelingshulp aannemen. Tot deze groep behoren de Europese Unie, de G8-landen en nog enkele kleinere bilaterale donoren buiten de G8 die voor hun ontwikkelingssamenwerking met India minstens 25 mln dollar per jaar veil hebben. De Unie heeft voor de periode 2001-2006 in totaal 225 mln euro uitgetrokken, waarvan viervijfde bestemd is voor armoedebestrijding. De EU-hulp gaat voornamelijk naar de deelstaten Rajasthan en Chattisgarh, waar er vooral onderwijs- en gezondheidsprogramma's mee geworden gefinancierd.

1.18

Het Comité dient op een adequate manier op deze vloed van politiek relevante ontwikkelingen, die zich allemaal in een half jaar tijd — de eerste helft van 2005 — hebben voorgedaan, in te spelen. De Europese Commissie heeft in haar Mededeling van juni 2004 voorgesteld om het rondetafeloverleg „volledig te integreren in de institutionele architectuur” en de co-voorzitters „uit te nodigen niet-bindende beleidsaanbevelingen te doen op de topbijeenkomst”. De Raad heeft zich positief uitgesproken over het voorstel van de Europese Commissie om „de samenwerking tussen politieke partijen, vakbonden, verenigingen van ondernemers, universiteiten en maatschappelijke organisaties te stimuleren ten einde het onderlinge begrip te vergroten”. Op de top in Den Haag ten slotte hebben de politieke leiders van beide partijen formeel afgesproken de nodige initiatieven te nemen om „de samenwerking tussen politieke partijen, vakbonden, verenigingen van ondernemers, universiteiten en maatschappelijke organisaties te bevorderen”.

1.19

In dit advies wordt ook nagegaan hoe het rondetafeloverleg efficiënter kan worden gemaakt en hoe de website van de Rondetafel, het „India-EU Civil Society Internet Forum”, kan worden gebruikt om niet alleen de efficiëntie van het overleg te vergroten maar ook om nog veel méér Europese en Indiase middenveldorganisaties bij het overleg te betrekken.

2.   Bijdrage aan het strategische partnerschap

2.1

De deelnemers aan het rondetafeloverleg hebben zich tijdens hun bijeenkomst in Londen in december 2004 lovend over het voorgestelde strategische partnerschap uitgesproken en hebben ook meteen concrete afspraken gemaakt om een eigen bijdrage te leveren aan het gezamenlijke actieplan dat in 2005, in de aanloop naar de zesde Europees-Indiase top, zal worden opgesteld. Zij zijn overeengekomen „voorstellen te doen op terreinen waar het maatschappelijk middenveld voor een duidelijke toegevoegde waarde kan zorgen, met name met het oog op de realisatie van de millenniumdoelstellingen, de bevordering van duurzame ontwikkeling en de sturing van het globaliseringsproces”. Verder hebben zij van gedachten gewisseld over de manier waarop het maatschappelijk middenveld het best kan helpen de gezamenlijke verklaring over culturele betrekkingen in praktijk te brengen.

2.2

Net als het Comité kan de Rondetafel een eigen bijdrage leveren aan de tenuitvoerlegging van het strategische partnerschap. Sinds haar eerste bijeenkomst in januari 2001 in New Delhi heeft zij heel wat thema's uit de desbetreffende Mededeling behandeld en heeft zij met betrekking tot deze thema's aanbevelingen ten behoeve van de Europees-Indiase topconferenties opgesteld. Tijdens haar bijeenkomst in Londen heeft zij erkend dat het voorgestelde strategische partnerschap „mogelijkheden biedt om via het rondetafeloverleg de rol van het maatschappelijk middenveld te versterken en te verruimen”. Zij heeft al tijdens haar tweede bijeenkomst in juli 2001 in Brussel van gedachten gewisseld en aanbevelingen opgesteld over zaken als globalisering, handel, investeringen, WTO, intellectuele eigendom, media en cultuur. Later heeft zij deze thema's verder uitgediept en nog een aantal andere onderwerpen aangesneden, zoals samenwerking op het niveau van de agro- en voedingsindustrie, mensenrechten op de werkplek, duurzame ontwikkeling en toerisme. Op de eerstvolgende bijeenkomst zal de culturele problematiek nog wat verder worden uitgediept. Dit keer staat er een discussie over cultureel en religieus pluralisme in democratische samenlevingen op de agenda.

2.3

In plaats van álle thema's uit de Mededeling onder de loep te nemen heeft de Rondetafel in Londen beslist dat zij zich beter kan concentreren op terreinen waarop het maatschappelijk middenveld een specifieke bijdrage kan leveren. Met het oog op deze beslissing worden in het onderstaande enkele mogelijke onderwerpen op een rijtje gezet — stuk voor stuk thema's waaraan de Europese Commissie bijzondere aandacht wil schenken in het kader van het strategische partnerschap.

2.3.1

Conflictpreventie en naoorlogse wederopbouw. De Europese Commissie wijst erop dat India op deze twee terreinen een belangrijke rol speelt, zowel in multilateraal (Verenigde Naties) als in bilateraal (Afghanistan) verband. Daarom stelt zij voor dat de Unie en India samen bekijken op welke manier zij „tot een geformaliseerde regelmatige samenwerking (kunnen) komen”. Verder stelt zij voor dat de Unie en India „als medesponsor optreden van een VN-conferentie over conflictpreventie en naoorlogs bestuur” en „een dialoog openen over de bijdrage van regionale integratie tot conflictpreventie”.

2.3.2

Migratie. „Onder invloed van de globalisering is de internationale migratie toegenomen”, met als gevolg „een toename van de overmakingen door migranten”, maar ook „toenemende problemen ten gevolge van illegale migratie en mensensmokkel”, zo merkt de Europese Commissie in de Mededeling op. Zij pleit dan ook voor een „brede dialoog”, niet alleen over legale migratie (arbeidsmigratie, verkeer van werknemers, visakwesties), maar ook over de strijd tegen mensensmokkel en -handel, de terugkeer en terugname van illegale migranten en andere aspecten van de migratieproblematiek.

2.3.3

Democratie en mensenrechten. De Europese Commissie pleit ervoor om de dialoog met India uit te breiden tot onderwerpen als afschaffing van de doodstraf, discriminatie op grond van geslacht, kinderarbeid, rechten van werknemers, sociale verantwoordelijkheid van bedrijven en godsdienstvrijheid. Zij is bereid om in het kader van het Europees initiatief voor democratie en mensenrechten Indiase projecten te financieren. Het Comité is van oordeel dat ook de discriminatie op grond van het kastenstelsel moet worden aangepakt.

2.3.4

Milieu. De Europese Commissie is van oordeel dat de Unie en India zich samen dienen in te zetten voor een gezamenlijke aanpak van wereldwijde milieuvraagstukken. Zij denkt daarbij onder meer aan de VN-conventies inzake biodiversiteit, een terrein waarop volgens haar een constructieve dialoog over „Access and Benefit Sharing” (eerlijke verdeling van de voordelen van het gebruik van genetische bronnen — ABS) op gang zou kunnen worden gebracht. Verder zou India volgens de Europese Commissie moeten worden verzocht om een Europees-Indiaas Milieuforum te organiseren waar onder meer vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven ideeën, knowhow en wetenschappelijke en technische informatie kunnen uitwisselen. Het Comité is van mening dat in de nabije toekomst bij het rondetafeloverleg ook thema's als energiebeleid en energiezekerheid aan de orde moeten worden gesteld.

2.3.5

Duurzame ontwikkeling. De Europese Commissie pleit voor een dialoog over duurzame ontwikkeling, waarbij volgens haar thema's als handel in duurzaam geproduceerde goederen, etikettering en duurzaamheidsbeoordeling zouden moeten worden aangesneden. Zij is ook van oordeel dat vaker een beroep zou moeten worden gedaan op het Centrum voor duurzame handel en innovatie (STIC).

2.3.6

Ontwikkelingssamenwerking. India werkt nog samen met zes bilaterale donoren (de Europese Unie, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, de Verenigde Staten, Japan en Rusland) en is ook zélf donor. De Europese Commissie is van oordeel dat de Unie India moet helpen de millenniumdoelstellingen te realiseren. Zij pleit ervoor om prioriteit te geven aan het versterken van de sociale en economische samenhang, uitgaande van de ervaring die in het verleden is opgedaan in het kader van met EU-steun opgezette programma's ten behoeve van het basisonderwijs en de basisgezondheidszorg. Ten slotte is zij nog van mening dat meer nadruk moet worden gelegd op het helpen van gemarginaliseerde groepen en het doen naleven van de fundamentele IAO-conventies. Het Comité is in dit verband van oordeel dat India werk dient te maken van de ratificatie van de drie fundamentele IAO-conventies die het nog niet heeft geratificeerd.

2.3.7

Culturele samenwerking. De Europese Commissie pleit voor nauwere culturele samenwerking, met name op het gebied van film en muziek. Ter gelegenheid van iedere politieke of zakentop zou ook een culturele week moeten worden georganiseerd. Het Comité vestigt er in dit verband de aandacht op dat het Jaar van de interculturele dialoog (2006) de Rondetafel een goede gelegenheid biedt om deze kwestie aan te snijden.

2.3.8

Zichtbaarheid. De Europese Commissie is van oordeel dat de Indiase publieke opinie moet worden geïnformeerd over álles wat met de Europese Unie te maken heeft, dus niet alleen over handelsaangelegenheden. Zij is van plan onderzoek te laten doen naar doelgroepen, inhouden en instrumenten, en naar de manier waarop het beschikbare instrumentarium het best kan worden ingezet. Zij nodigt de lidstaten en het Europees Parlement uit een eigen bijdrage te leveren aan het verbeteren van de beeldvorming over de Unie in India. Van de Indiase overheid verwacht zij dat deze een eigen communicatiestrategie uitwerkt.

2.3.9

Handel en investeringen. Volgens de Europese Commissie vormen handel en investeringen „een fundamenteel aspect van de betrekkingen tussen de EU en India”. De Mededeling bevat dan ook behoorlijk wat voorstellen voor initiatieven op deze twee terreinen, zowel in multilateraal als in bilateraal verband. Zo is de Europese Commissie van oordeel dat de Unie ernaar dient te streven het Europese en het Indiase standpunt ten aanzien van de sleutelelementen van de Ontwikkelingsagenda van Doha meer op één lijn te krijgen. Zij pleit ook voor een bilaterale dialoog over — onder meer — intellectuele eigendomsrechten, met als doel te komen tot een „gemeenschappelijke interpretatie” van het TRIPs-verdrag.

2.4

Onder het kopje „Bevorderen van samenwerking tussen bedrijven” merkt de Europese Commissie op dat de Unie zou kunnen helpen bij het opzetten van een Rondetafel van bedrijfsleiders, een voorstel dat inmiddels de steun van de Europese Raad heeft gekregen (top van Den Haag). Intussen heeft het „Gezamenlijk initiatief ter bevordering van handel en investeringen” geleid tot een rechtstreekse dialoog tussen bedrijfsleven en politiek. Overigens hebben Indiase bedrijfsorganisaties al eens eerder, ter gelegenheid van een Europees-Indiase politieke top, een Europees-Indiase zakentop georganiseerd, waarvan de aanbevelingen toentertijd aan de politieke leiders zijn voorgelegd.

2.5

Daar vele deelnemers aan het rondetafeloverleg vertegenwoordigers van bedrijfs- en werkgeversorganisaties zijn, kunnen zij beter dan wie ook bepalen hoe de Rondetafel het best aan deze gezamenlijke initiatieven van het Europese en Indiase bedrijfsleven kan deelnemen. Het is duidelijk dat de Rondetafel een eigen bijdrage dient te leveren aan het versterken van het door de Europese Commissie bepleite economische partnerschap. Daarom heeft zij in Londen beslist dat zij zich, als bijdrage aan de tenuitvoerlegging van het gezamenlijke actieplan, voornamelijk zal toeleggen op het bevorderen van duurzame ontwikkeling en het in goede banen leiden van het globaliseringsproces.

2.6

Bij het rondetafeloverleg zijn ook vertegenwoordigers van de academische wereld betrokken. Daarom zou de Rondetafel er wellicht goed aan doen ook een bijdrage te leveren aan de in de Mededeling genoemde academische programma's, nl. het Programma voor Europese Studies aan de Jawaharlal Nehru Universiteit in New Delhi en het Studiebeurzenprogramma dat in beginsel vanaf het academiejaar 2005/2006 van start gaat en waarvoor 33 mln euro wordt uitgetrokken. Laatstgenoemd programma is gekoppeld aan het Erasmus Mundus-programma en is erop gericht Indiase studenten een postdoctorale opleiding te bieden.

3.   Het Europese en Indiase maatschappelijk middenveld

Het Comité heeft er in een eerder advies op gewezen dat het niet mogelijk is een eenduidige definitie van het begrip „civil society” op te stellen: „Het enige bindende element (is) dat voor een democratisch systeem wordt opgekomen. De civil society is een verzamelnaam voor alle vormen van niet uit de staat voortkomend en niet door de staat geleid maatschappelijk handelen van individuen of groepen.” (1). Indiase voorvechters van het maatschappelijk middenveld zijn het er ongetwijfeld mee eens dat het maatschappelijk middenveld alleen in een democratisch bestel echt kan gedijen. Sommige leiders van Indiase maatschappelijke organisaties zoeken hun inspiratie vooral in Europa en de Verenigde Staten, terwijl anderen zich veeleer laten inspireren door het maatschappelijk-politieke activisme van Mahatma Gandhi.

3.1   Het maatschappelijk middenveld in India

3.1.1

Het maatschappelijk middenveld wordt een steeds belangrijkere speler in de Indiase samenleving, want de laatste jaren schieten de vrijwilligersorganisaties er als paddestoelen uit de grond (in India wordt de voorkeur gegeven aan de term „vrijwilligersorganisaties”; de term „niet-gouvernementele organisatie” of „ngo” is er pas de laatste twintig jaar doorgebroken). Hun aantal werd zo'n tien jaar geleden tussen de 50 000 en de 100 000 geraamd en is sindsdien zeker nog toegenomen. Middenveldorganisaties zijn in het hele land en op de meest uiteenlopende terreinen actief. Tot het Indiase middenveld behoren ook bedrijfs- en beroepsorganisaties en vakbonden.

3.1.2

Het Indiase middenveld wordt gevormd door organisaties die:

zich bezighouden met traditionele ontwikkelingsactiviteiten als alfabetisering, medische hulpverlening en ondersteuning van handwerkslieden (b.v. wevers), o.m. bij het aan de man brengen van hun producten; door hun lokale verankering spelen zij ook een rol bij de tenuitvoerlegging van het overheidsbeleid op decentraal niveau;

diepgaand onderzoek doen, met de bedoeling hun stempel te drukken op het beleid van de centrale overheid, de deelstaatregeringen en/of het bedrijfsleven;

het politieke bewustzijn van diverse sociale groepen trachten te vergroten en hen aanmoedigen om voor hun rechten op te komen;

specifieke bevolkingsgroepen, zoals gehandicapten, bejaarden en vluchtelingen, vertegenwoordigen;

de gebaande paden verlaten en naar een nieuwe aanpak en nieuwe oplossingen voor sociale problemen zoeken;

de belangen van werkgevers, werknemers, coöperatieve verenigingen en onderlinge waarborgmaatschappijen behartigen;

opkomen voor de belangen van landbouwers;

de verspreiding van HIV/aids trachten tegen te gaan;

sinds de jaren '70 van de vorige eeuw zijn ook activisten een steeds belangrijkere rol gaan spelen: zij zijn geleidelijk aan brede maatschappelijke bewegingen gaan vormen, zoals boeren-, vrouwen-, consumenten- en milieubewegingen.

3.1.3

Met name op het vlak van ontwikkelingsvraagstukken vinden zowel de ngo's als de overheid dat zij met elkaar moeten samenwerken. Daarom heeft de Nationale Planningcommissie op verschillende tijdstippen vrijwilligersorganisaties in het leven geroepen. In het laatste vijfjarenplan (het tiende) staat het volgende te lezen:

„De plannen moeten worden afgestemd op de concrete behoeften van de bevolking en moeten in economisch en sociaal opzicht aansluiten bij de leefwereld van de bevolkingsgroepen waarvoor zij zijn bedoeld. De mensen moeten het gevoel hebben dat het hun eigen plannen zijn, want dan zullen zij zich actiever voor de zaak inzetten. Nu verwachten zij dat de overheid alles wel zal regelen, maar de ervaring heeft geleerd dat meer heil valt te verwachten van programma's en projecten waarbij de bevolking actief wordt betrokken. Het is dan ook tijd om het roer om te gooien.”

3.1.4

De Planningcommissie heeft onder meer een cel Vrijwilligerswerk, die haar in staat stelt haar oor te luisteren te leggen bij de vrijwilligerssector. Zij heeft intussen ook besloten tot de oprichting van „adviesgroepen bestaande uit gewone burgers uit alle delen van het land, die weten wat er bij de bevolking leeft en die advies kunnen geven over wat er moet veranderen en hoe daarbij te werk moet worden gegaan”, aldus mevrouw Sayeeda Hameed, lid van de Planningcommissie (2).

3.1.5

Aangezien de Congrespartij het maatschappelijk middenveld altijd al een warm hart heeft toegedragen, mag worden aangenomen dat de Planningcommissie bij de huidige — door de Congrespartij geleide — regeringscoalitie in een beter blaadje zal staan dan bij de vorige. Kort na haar installatie heeft de nieuwe regering al met organisaties uit het maatschappelijk middenveld overleg gevoerd over haar „Common Minimum Programme” (de gemeenschappelijke beleidsverklaring van de regeringscoalitie). Zij heeft ook besloten een Nationale Adviesraad onder leiding van mevrouw Gandhi, leider van de Congrespartij, in te stellen. Een vooraanstaand lid van de Congrespartij, dat bij de oprichting van de Nationale Adviesraad was betrokken, heeft verklaard dat „de Nationale Adviesraad als schakel tussen de coalitieregering en het maatschappelijk middenveld gaat fungeren en een frisse wind door het regeringsbeleid — dat doorgaans niet met frisse ideeën wordt geassocieerd — moet laten waaien” (3). De Nationale Adviesraad, waarvan de twaalf leden door premier Manmohan Singh zijn aangewezen, moet deze adviseren over de tenuitvoerlegging van het „Common Minimum Programme” van de regeringscoalitie. Terwijl regeringsadviseurs vaak gepensioneerde ambtenaren of diplomaten zijn, bestaat de Nationale Adviesraad voor de helft uit mensen die nog steeds actief zijn in sectoren buiten de overheidssfeer (4). Mevrouw Gandhi wil in eerste instantie prioriteit geven aan landbouw, onderwijs, gezondheidszorg en werkgelegenheid.

3.2   Het maatschappelijk middenveld in de Europese Unie (5)

3.2.1

In de Europese Unie is het maatschappelijk middenveld met zijn talloze organisaties op lokaal, nationaal en Europees niveau net zo dynamisch als in India, maar anders dan zijn Indiase evenknie heeft het Europese middenveld het grote voordeel dat het een eigen overkoepelend orgaan heeft, het Europees Economisch en Sociaal Comité. Dit in Brussel gevestigde overkoepelend orgaan is bovendien een integrerend onderdeel van het institutionele bestel dat in 1957 bij het Verdrag van Rome — het verdrag waarbij de Europese Economische Gemeenschap werd opgericht, die aanvankelijk zes leden telde, tegenover 25 nu — werd ingesteld (6). De 317 leden van het Comité zijn afkomstig uit de 25 lidstaten. Zij worden benoemd door de Raad van Ministers, op voordracht van de lidstaten. Zij vormen drie groepen, die resp. de werkgevers, de werknemers en de andere belangensectoren — landbouwers, MKB, ambachtelijke sector, vrije beroepen, coöperaties, consumentenverenigingen, milieubeweging, gezins- en vrouwenorganisaties, wetenschappers en docenten, ngo's, enz. — vertegenwoordigen.

3.2.2

Het Comité is een niet-politiek adviesorgaan dat als taak heeft de Europese besluitvormingsinstanties te informeren over hoe de in het Comité vertegenwoordigen kringen tegen voorstellen voor nieuwe EU-wetgeving aankijken. Op 14 beleidsterreinen kunnen de Raad of de Europese Commissie pas na raadpleging van het Comité een besluit nemen (landbouw, vrij verkeer van personen en diensten, sociaal beleid, onderwijs, beroepsopleiding en jeugdzaken, volksgezondheid, consumentenbescherming, industriebeleid, milieu, onderzoek en technologische ontwikkeling). De Raad, de Europese Commissie en het Europees Parlement kunnen het Comité ook over andere onderwerpen raadplegen als zij dit wenselijk achten. Verder kan het Comité op eigen initiatief advies uitbrengen over onderwerpen die het belangrijk vindt. Het onderhavige advies over de Europees-Indiase betrekkingen is zo'n „initiatiefadvies”.

3.2.3

Het werkterrein van dit forum voor overleg met het maatschappelijk middenveld strekt zich tot ver buiten de Europese Unie uit. Het Comité neemt actief deel aan de dialoog met de landen in het Middellandse-Zeegebied, de zgn. ACS-landen (een groep landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan waarmee de Unie een samenwerkingsovereenkomst, de Overeenkomst van Cotonou, heeft gesloten), de Latijns-Amerikaanse landen (met name de Mercosur-landen) en last but not least India (via het rondetafeloverleg) en China.

4.   Recente ontwikkelingen in de Unie en India

4.1

Een volledig verslag van alle recente ontwikkelingen in de Unie en India zou honderden pagina's in beslag nemen. Daarom worden in het onderstaande alleen díe ontwikkelingen vermeld die het Comité de mogelijkheid geven om een effectieve bijdrage te leveren aan de verdere uitbouw van de Europees-Indiase betrekkingen. Aan EU-zijde zijn dit met name de uitbreiding van de Unie tot 25 lidstaten, de lancering van het zgn. „nabuurschapsbeleid” in het kader van het „grotere Europa”-project en de tenuitvoerlegging van de in maart 2000 door de Europese Raad van Lissabon vastgestelde „strategie van Lissabon”, die de Unie in tien jaar tijd moet omvormen tot de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld en die ook Europa's streven naar duurzame ontwikkeling handen en voeten moet geven. Een andere cruciale ontwikkeling is de totstandkoming van een akkoord over een Europese grondwet, dat nu nog door de 25 EU-lidstaten moet worden geratificeerd.

4.2

De recente uitbreiding van de Unie, die op 1 mei 2004 haar beslag heeft gekregen, heeft het politieke en economische landschap in Europa drastisch gewijzigd. De politieke gevolgen van deze nieuwe uitbreidingsronde zullen waarschijnlijk een stuk ingrijpender zijn dan de economische, al was het maar omdat de economische integratie van de tien nieuwe lidstaten in de Unie al lang vóór hun formele toetreding een aanvang heeft genomen. Door de uitbreiding is de EU-bevolking toegenomen van 380 tot 455 miljoen zielen, d.i. 7,3 % van de wereldbevolking, en is het BBP van de Unie gestegen van 9,3 tot 9,7 biljoen euro, d.i. 28,7 % van het mondiale BBP. Daar staat echter tegenover dat het BBP per hoofd van de bevolking is gedaald van 24 100 tot 21 000 euro. Ook de waarde van de handel met niet-EU-lidstaten is afgenomen (van 2 tot 1,8 biljoen euro), een gevolg van het feit dat de handel met de tien voormalige kandidaat-lidstaten sinds de toetreding van deze landen deel uitmaakt van de intra-EU-handel.

4.3

Met de uitbreiding zijn de buitengrenzen van de Unie een eind opgeschoven. Al vóór de uitbreiding heeft de Unie een nieuw beleid opgezet dat haar moet helpen zich te omringen met een „kring van bevriende landen”. Dit nieuwe beleid, dat bekend staat als het „Europees nabuurschapsbeleid”, richt zich op zes Oost-Europese landen (Oekraïne, Moldavië, Georgië, Armenië, Azerbeidzjan en Wit-Rusland), negen zuid-mediterrane landen (Algerije, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Libië, Marokko, Syrië en Tunesië) en de Palestijnse Autoriteit. De Raad heeft het doel ervan als volgt omschreven: „De Raad bevestigt dat het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) tot doel heeft de voordelen van een verruimde EU met de aangrenzende landen te delen teneinde bij te dragen tot meer stabiliteit, veiligheid en welvaart in de Europese Unie en haar buurlanden. Het ENB biedt het vooruitzicht op een steeds nauwere band (…) met een beduidende mate van economische integratie en een verdieping van de politieke samenwerking, opdat er niet opnieuw scheidslijnen tussen de verruimde EU en haar buurlanden ontstaan.”  (7)

4.4

In India was dé gebeurtenis van de afgelopen tijd de volkomen onverwachte nederlaag van de door de Bharatiya Janata Partij geleide coalitieregering van premier Atal Behari Vajpayee in de algemene verkiezingen van mei 2004, die een door de Congrespartij geleide coalitieregering onder leiding van premier Manmohan Singh aan de macht brachten. De hoge opkomst, de succesvolle overstap op elektronisch stemmen en de rimpelloze machtsoverdracht in New Delhi hebben duidelijk gemaakt dat India terecht aanspraak maakt op het predikaat „grootste democratie ter wereld”, ondanks de politieke beroering die de verkiezingsresultaten met zich mee hebben gebracht.

4.5

De overwinning van de Congrespartij leidde tot speculaties dat een door de Congrespartij geleide coalitieregering niet lang zou standhouden of door haar coalitiepartners, met name de Communistische Partij, zou worden gedwongen de hervormingen terug te draaien. Er zij evenwel op gewezen dat de hervormingen — o.m. afschaffing van invoerrestricties en openstelling van de kapitaalmarkten — in 1991 werden gelanceerd door een regering onder leiding van de Congrespartij en dat de nieuwe premier, Manmohan Singh, en de nieuwe minister van Financiën, Palaniappan Chidambaram, de voornaamste architecten van de hervormingen waren. Laatstgenoemde ziet zichzelf overigens als de „minister van investeringen” in de door de Congrespartij geleide coalitieregering. Men kan er dan ook van uitgaan dat organisaties uit het bedrijfsleven en de bankensector — het soort organisaties dat deelneemt aan het rondetafeloverleg — met hem zullen samenwerken bij het uitbouwen van India's kennissectoren.

4.6

De nieuwe Indiase regering is echter vooral geïnteresseerd in een „economische strategie met een menselijk gezicht” om de naar schatting 300 miljoen Indiërs met een inkomen van minder dan één dollar (0,75 euro) per dag uit de armoede te halen. Daarom streeft zij naar een jaarlijkse groei van 7 à 8 %, gaat zij speciale aandacht schenken aan de situatie van boeren en wil zij vrouwen mondiger maken en de uitgaven voor gezondheidszorg en onderwijs opvoeren.

4.7

De uitdagingen waarmee het Indiase middenveld wordt geconfronteerd, bieden Europese en Indiase middenveldorganisaties een goede gelegenheid om — in eenieders belang — met elkaar samen te werken. In eerste instantie kan deze samenwerking beperkt blijven tot de deelnemers aan het rondetafeloverleg, maar er kunnen ook vrij snel andere organisatie bij worden betrokken. Daarbij valt niet alleen te denken aan organisaties waarmee de deelnemers aan het rondetafeloverleg nauwe banden onderhouden, maar ook aan EESC-leden met ervaring op het gebied van — b.v. — plattelandsontwikkeling, gezondheidszorg en onderwijs. Deze samenwerking „op het terrein” zou de op ervaring gebaseerde aanbevelingen van de Rondetafel ten behoeve van de jaarlijkse politieke top een meer praktisch karakter geven.

5.   De dialoog tussen het Europese en het Indiase middenveld: terugblik

5.1

Alvorens een koers voor de toekomst uit te stippelen is het zaak even terug te blikken op de weg die al is afgelegd. Wil men de dialoog tussen het Europese en het Indiase middenveld verder uitbouwen, dan moet eerst worden nagegaan wat er totnogtoe op het institutionele vlak is geregeld en welke resultaten dit in de praktijk heeft opgeleverd. Daarom volgt nu eerst een korte evaluatie van het rondetafeloverleg, waarbij ook zal worden bekeken hoe de doelstellingen van dit overleg het best kunnen worden gerealiseerd. Daarbij zal ook aandacht worden geschonken aan aanverwante ontwikkelingen, zoals het in Den Haag genomen besluit om niet alleen de samenwerking op het niveau van het maatschappelijk middenveld maar ook de samenwerking tussen politieke partijen, vakbonden, werkgeversorganisaties en universiteiten te stimuleren.

5.2

Om duidelijk te maken dat het rondetafeloverleg een cruciale bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een gezamenlijk actieplan, werd al gewezen op de vele thema's die sinds het van start gaan van het overleg in 2001 aan de orde zijn gekomen. De resultaten van de recente bijeenkomsten geven een duidelijk beeld van de continuïteit in de werkzaamheden van de Rondetafel, de reikwijdte van de behandelde thema's en de sfeer van vertrouwen die het overleg kenmerkt.

5.3

Zo werd tijdens de zesde bijeenkomst in Rome onder meer gepleit voor initiatieven ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, speciale steunmaatregelen ten behoeve van kleine en middelgrote bedrijven, rationalisatie van de regelingen inzake tijdelijke migratie van Indiase kenniswerkers naar de Unie en EU-steun voor bedrijfsclusters in een aantal sectoren met een aanzienlijk uitvoer- en ontwikkelingspotentieel. Er werden ook twee rapporteurs aangewezen, die moeten nagaan hoe het maatschappelijk middenveld een eigen stempel kan drukken op het beleid ter bevordering van handel en duurzame ontwikkeling.

5.4

Dit thema stond ook op de agenda van de zevende bijeenkomst in juni 2004 in Srinagar, waar werd besloten om in het eindrapport, dat tijdens de negende bijeenkomst zal worden goedgekeurd, een aantal Europese én Indiase praktijkvoorbeelden te behandelen om tot een beter begrip van het concept „duurzame ontwikkeling” te komen. Verder is er ook van gedachten gewisseld over samenwerking ter bevordering van het toerisme, uitgaande van uiteenzettingen van zowel EESC-leden als Indiase delegatieleden. Conclusie van de discussie was dat middenveldorganisaties een belangrijke rol hebben te spelen bij het tot stand brengen van een duurzame vorm van toerisme, d.w.z. een vorm van toerisme die niet alleen de sociaal-economische ontwikkeling maar de hele bevolking ten goede komt.

5.5

Zowel in Rome als in Srinagar, en onlangs ook in Londen, is verder nog gesproken over het in Bangalore bepleite Internetforum. De deelnemers waren het erover eens dat dit forum, dat is bedoeld als permanent discussieplatform voor de deelnemers aan het rondetafeloverleg, de dialoog tussen Europese en Indiase middenveldorganisaties kan stimuleren.

5.6

In Rome is ook een voorlopige balans van het rondetafeloverleg opgemaakt, waarbij erop werd gewezen dat men niet alleen naar de in praktijk gebrachte aanbevelingen mag kijken, al was het maar omdat een aantal daarvan handelt over zaken waarvoor het maatschappelijk middenveld niet bevoegd is. Bij deze evaluatie is gebleken dat al over de meest uiteenlopende onderwerpen aanbevelingen werden uitgebracht of afspraken werden gemaakt, ook over onderwerpen die als gevoelig of zelfs controversieel kunnen worden beschouwd. Tot de bereikte resultaten behoren ook een aantal concrete samenwerkingsinitiatieven, zoals de oprichting van het Internetforum, hoorzittingen met vertegenwoordigers van lokale middenveldorganisaties (tijdens de halfjaarlijkse bijeenkomsten) en incidentele vormen van samenwerking, zoals de door de Indiase delegatie verleende assistentie bij de voorbereiding van het EESC-advies over het Stelsel van Algemeen Preferenties.

5.7

Gegeven het feit dat 60 à 70 % van de Indiase beroepsbevolking officieel of informeel in de landbouw werkzaam is, werd het bij de bespreking van onderwerpen met betrekking tot de landbouw- of plattelandsontwikkelingsproblematiek als een handicap ervaren dat de Indiase delegatie geen enkele vertegenwoordiger van de Indiase landbouwsector telde.

5.8

De Rondetafel heeft uitgebreid van gedachten gewisseld over de sociale dialoog en het overleg tussen werkgevers en werknemers in de Europese Unie, en met name over de keuze en representativiteit van de gesprekspartners en over de diverse fora waar de sociale dialoog zijn beslag krijgt. Zij heeft ook de situatie van werkgevers en werknemers in India onder de loep genomen, waarbij met name de volgende aspecten aan de orde zijn gekomen: structuur en samenstelling van het Indiase vakbondslandschap, het cao-overleg in India, het Indiase arbeidsrecht en India's houding tegenover de voorgestelde koppeling tussen arbeidsnormen en internationale handel. Daarbij is gebleken dat een groot deel van de Indiase werknemers in de informele sector werkzaam (kleine bedrijven, zelfstandigen, incidentele werkers) is en dat maatregelen moeten worden genomen om de situatie van de beroepsbevolking te verbeteren. Ten slotte heeft de Rondetafel gepleit voor een extra inspanning ten aanzien van de ratificatie en de naleving — niet alleen op papier, maar ook in de praktijk — van de fundamentele IAO-conventies.

6.   De dialoog tussen het Europese en het Indiase middenveld: vooruitblik

6.1

De tijd is nu rijp om de samenwerking tussen het Europese en het Indiase middenveld in een stroomversnelling te brengen. De politieke leiders hebben het belang van het rondetafeloverleg erkend en de Indiase regering heeft een aantal besluiten genomen die tot nauwere samenwerking met het maatschappelijk middenveld moeten leiden. De Europese Commissie van haar kant heeft in haar Mededeling van 16 juni 2004 verklaard dat „de Rondetafel volledig moet worden geïntegreerd in de institutionele architectuur”. Zij is ook van mening dat de twee co-voorzitters van de Rondetafel moeten worden uitgenodigd om deel te nemen aan de politieke topontmoetingen.

6.2

De Indiase regering heeft in haar eerste reactie op de publicatie van de Mededeling van 16 juni 2004 verklaard dat „op officieel niveau een aanzienlijke inspanning wordt geleverd om de recente ontwikkelingen in India en de Europese Unie bij te benen”, maar dat „er nog te weinig contacten op andere niveaus zijn, o.m. op dat van het maatschappelijk middenveld”.

6.3

Onvermijdelijk rijst daarbij de vraag hoe de Rondetafel een effectievere bijdrage kan leveren aan de besluitvorming over de Europees-Indiase betrekkingen, gelet op het feit dat zij directe toegang heeft tot de hoogste politieke leiders — de Indiase premier en de premier van het land dat het voorzitterschap van de Europese Unie waarneemt — tijdens de jaarlijkse Europees-Indiase top. In hoofdstuk twee van dit advies („Bijdrage aan het strategische partnerschap”) werd aangegeven op welke manier de Rondetafel kan bijdragen aan de uitwerking van het gezamenlijk actieplan voor een strategisch partnerschap. Deze problematiek zal evenwel slechts tot de zesde Europees-Indiase top, die in de tweede helft van 2005 wordt gehouden en waarop normaal gesproken het actieplan zal worden goedgekeurd, haar agenda bepalen.

6.4

Veel van de aanbevelingen van de Rondetafel aan de politieke leiders hebben betrekking op de middellange of lange termijn. De ervaring heeft geleerd dat de Rondetafel de politieke leiders ook moet zien warm te maken voor projecten die de Europese en Indiase middenveldorganisaties samen willen uitvoeren. Politieke steun zou de financiering en de diversiteit van de samenwerking ten goede komen (8).

6.5

Wil het rondetafeloverleg werkelijk van invloed zijn op de besluitvorming, dan moet de agenda ten dele worden afgestemd op thema's die ook op officieel niveau bovenaan op de agenda staan, zoals de problematiek rond de WTO en de Ronde van Doha. De Rondetafel kan haar invloed nog vergroten door samen te werken met de Europees-Indiase zakentop, aangezien deze door twee bij het overleg betrokken organisaties wordt georganiseerd, nl. het Indiaas Verbond van Kamers van Koophandel en Industrie en het Verbond van Indiase Ondernemingen. Zij moet er ook op aandringen dat zij wordt betrokken bij de door de Europese Commissie voorgestelde „Rondetafel van bedrijfsleiders”.

6.6

Aangezien ook vertegenwoordigers van de academische wereld aan het overleg deelnemen, kan de Rondetafel ook het in 2005 door de Europese Commissie gelanceerde studiebeurzenprogramma tot een succes helpen maken. Ook het Comité zelf kan allerlei initiatieven nemen om de onderlinge samenwerking te bevorderen. Zo heeft het eerder al de Indiase co-voorzitter van het rondetafeloverleg uitgenodigd om deel te nemen aan het seminar over „De WTO na Cancún”.

6.7

Het steeds frequentere overleg tussen overheid en bedrijfsleven over economische aangelegenheden mag er niet toe leiden dat de Rondetafel alleen nog maar economische thema's aansnijdt. Bovendien moeten alle behandelde onderwerpen niet alleen vanuit economisch oogpunt, maar ook vanuit andere invalshoeken — en met name vanuit sociaal oogpunt — worden bekeken. Vanuit deze gedachte is in Srinagar besloten om de problematiek rond duurzame ontwikkeling niet alleen vanuit een economisch perspectief, maar ook vanuit sociaal en milieuoogpunt te benaderen. Ook het thema outsourcing leent zich voor een dergelijke benadering. Outsourcing brengt in de Unie heel andere problemen met zich mee dan in India, maar zowel in de Unie als in India zijn de problemen van sociale aard het moeilijkst op te lossen. Als de Rondetafel ervoor wil zorgen dat bij typisch economische thema's de niet-economische aspecten net zo veel aandacht krijgen als de economische, dan zal zij dus voor een holistische aanpak moeten kiezen.

6.8

Een dergelijke accentverschuiving zal de Rondetafel in staat stellen om conferenties over sociale aangelegenheden te organiseren, ter aanvulling van de politieke en zakentoppen. De thema's voor deze conferenties kunnen worden gekozen uit de vele thema's die al tijdens het rondetafeloverleg aan de orde zijn gekomen, zoals gelijke behandeling van man en vrouw. Het belang van dergelijke conferenties voor een evenwichtige ontwikkeling van zowel de Europese als de Indiase samenleving kan niet genoeg worden benadrukt.

6.9

De Rondetafel zal ook meer aandacht moeten gaan schenken aan culturele thema's. Zij zou bijvoorbeeld kunnen meewerken aan de implementatie van de gezamenlijke verklaring over culturele betrekkingen. Verder zou zij van gedachten kunnen wisselen over het voorstel om een „dialoog tussen civilisaties, religies en culturen” op gang te brengen, een idee dat tijdens de Asia-Europe Meeting (de zgn. „ASEM-top”) in juni 2004 in Barcelona werd gelanceerd door de vertegenwoordigers van de Aziatische middenveldorganisaties (9). De ASEM-leiders hebben inmiddels al een „dialoog tussen civilisaties” opgestart. Aan deze bijeenkomst werd deelgenomen door de staatshoofden en regeringsleiders uit de Unie, maar niet door India, omdat dit land geen lid van de ASEM is. In zijn reactie op de publicatie van de Mededeling van de Europese Commissie heeft India verklaard bereid te zijn met de Unie een dialoog over de problemen met betrekking tot religieus extremisme en fundamentalisme aan te gaan.

6.10

Het welslagen van een en ander staat of valt met de mogelijkheid om veel méér middenveldorganisaties bij het rondetafeloverleg te betrekken dan fysiek mogelijk is. De Rondetafel beschikt echter over het perfecte instrument om al deze organisaties te bereiken: haar Internetforum. Als het Forum ook voor andere Europese en Indiase middenveldorganisaties wordt opengesteld, kunnen ook déze bij het overleg worden betrokken. Gezien het grote aantal organisaties kan de toegang eventueel in eerste instantie worden beperkt tot organisaties die bij de leden van de Rondetafel bekend zijn. Verder blijft er nog de mogelijkheid om vertegenwoordigers van lokale middenveldorganisaties aan de bijeenkomsten te laten deelnemen.

6.11

Ook voor de deelnemers zelf is het Internetforum een goede zaak want dankzij dit Forum kunnen de Indiase deelnemers, die uit alle uithoeken van het land komen, gemakkelijker met elkaar communiceren en kan er tussen de halfjaarlijkse bijeenkomsten in al voorbereidend overleg plaatshebben. Zo kunnen rapporteurs hun ontwerprapport al vooraf op het Forum plaatsen, zodat de andere deelnemers aan het rondetafeloverleg er alvast commentaar op kunnen leveren. Dit kan alleen maar leiden tot kwalitatief hoogstaandere discussies tijdens de bijeenkomsten zelf, en daarmee ook tot gerichtere aanbevelingen aan de politieke leiders. Bovendien kunnen de deelnemers elkaar op de hoogte houden van hun activiteiten, zodat zij elkaars achtergrond beter kunnen leren kennen. En naarmate steeds meer organisaties toegang krijgen tot het Forum, kunnen organisaties met gelijke belangen nauwer met elkaar gaan samenwerken. Zij kunnen beginnen met ervaringen uit te wisselen en later zelfs gemeenschappelijke projecten op te zetten.

6.12

De Rondetafel heeft uitvoerig gediscussieerd over de bijdrage die de media kunnen leveren aan het versterken van het maatschappelijk middenveld en het stimuleren van de culturele samenwerking. Zij kan dan ook een waardevolle bijdrage leveren aan initiatieven van de Europese Commissie, het Europees Parlement en de lidstaten die het imago van de Unie in India, en met name bij het Indiase middenveld, moeten versterken, alsmede aan het uitwerken van het onderdeel „culturele samenwerking” van het actieplan, waarbij zij zich kan baseren op de gezamenlijke verklaring over culturele samenwerking van 8 november 2004.

7.   Conclusies

7.1

De Europese Unie en India zijn meer dan ooit vastbesloten hun samenwerking te verbreden en te verdiepen, getuige het feit dat de Europese Commissie en de Indiase delegatie bij de Unie onmiddellijk zijn begonnen met de voorbereiding van het actieplan voor een Europees-Indiaas strategisch partnerschap. Zowel de Unie als India verwachten van het maatschappelijk middenveld dat het dit actieplan mee helpt voorbereiden. Intussen heeft het Comité al de weg geëffend voor nauwere onderlinge contacten tussen het Europese en het Indiase middenveld, dankzij zijn actieve deelname aan het rondetafeloverleg, zijn financiële bijdrage aan het Internetforum en zijn uitnodiging aan het adres van de Indiase co-voorzitter van de Rondetafel, de heer Vohra, om deel te nemen aan EESC-activiteiten die verband houden met de Europees-Indiase betrekkingen.

7.2

Aangezien het Comité volledig achter het voorstel voor een Europees-Indiaas strategisch partnerschap staat, dient het actief deel te nemen aan de uitwerking van het daarmee samenhangende actieplan. De Rondetafel heeft tijdens haar recente bijeenkomst in Londen het voornemen kenbaar gemaakt „voorstellen te doen op terreinen waar het maatschappelijk middenveld voor een duidelijke toegevoegde waarde kan zorgen, met name met het oog op de realisatie van de millenniumdoelstellingen, de bevordering van duurzame ontwikkeling en de sturing van het globaliseringsproces”.

7.3

De Indiase regering staat positief tegenover de uitbreiding van de Unie. In het gezamenlijke perscommuniqué dat na de Top van Den Haag op 8 november 2004 is uitgebracht, heeft India nogmaals benadrukt dat „de verdieping en verbreding van de Europese Unie de betrekkingen tussen de Unie en India ten goede zal komen”. Als spreekbuis van het maatschappelijk middenveld is het Comité het dan ook aan zichzelf verplicht te zorgen voor een adequate vertegenwoordiging van het Europa van 25 bij het rondetafeloverleg en de Europees-Indiase betrekkingen een prominentere plaats te geven in zijn eigen werkprogramma. Het Europees Indiase rondetafeloverleg kan op die manier als model voor de betrekkingen van het Comité met andere ontwikkelingslanden en regio's in de wereld fungeren.

Brussel, 12 mei 2005

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  EESC-advies van 22 september 1999„De rol en bijdrage van de maatschappelijke organisaties bij de opbouw van Europa”, par. 5.1, PB C 329 van 17 november 1999

(2)  „Opening the Planning Commission to the People: Sayeeda Hameed”, door Rajashri Dasgupta. InfoChange News and Features, september 2004

(3)  „The Hindu”, 26 juni 2004. Ook Jaswant Singh, minister van Buitenlandse Zaken in de toentertijd door de Bharatiya Janata Partij geleide coalitieregering, heeft zich in deze zin uitgelaten toen hij in 2001 samen met Europees commissaris Chris Patten voor het eerst de deelnemers aan het Europees-Indiase rondetafeloverleg toesprak.

(4)  Tot de Nationale Adviesraad behoren onder meer de Belgisch-Indiase hoogleraar Jean Dreze, die heeft samengewerkt met Dr. Amartya Sen, en twee voormalige leden van de Planningcommissie, C.H. Hanumantha Rao en D. Swaminathan. Het middenveld is vertegenwoordigd door Aruna Roy (sociaal en maatschappelijk activiste), Jayaprakash Narayan (actief op het vlak van gezondheid en milieu), Mirai Chatterjee (medewerkster van de vrouwenvakbond SEWA) en Madhav Chavan (basisonderwijs).

(5)  Het lijkt misschien overbodig om ook aan het Europese middenveld een paragraaf te wijden, zeker als daarin alleen maar het Europees Economisch en Sociaal Comité wordt behandeld, maar het zal de Indiase middenveldorganisaties zeker interesseren te weten dat hun Europese evenknieën beschikken over wat in India een apex body wordt genoemd.

(6)  Zie artikel 193 van het Verdrag: „Het Comité bestaat uit vertegenwoordigers van alle sectoren van het economische en sociale leven, met name van de producenten, landbouwers, vervoerders, werknemers, handelaren en ambachtslieden, van de vrije beroepen en van het algemeen belang”.

(7)  Raad Algemene Zaken, 14 juni 2004, Europees nabuurschapsbeleid - Conclusies van Raad

(8)  Een voorbeeld van samenwerking rond een concreet project is het reeds genoemde Internetforum. Bij dit project neemt het Indiase ministerie van Buitenlandse Zaken de operationele kosten in India voor zijn rekening.

(9)  „The Barcelona Report. Recommendations from Civil Society on Asia-Europe Relations Adressed to the ASEM Leaders. Connecting Civil Society from Asia & Europe: an Informal Consultation”, 16-18 juni 2004, Barcelona, Spanje