52004AB0010

Advies van de Europese Centrale Bank van 31 maart 2004 op verzoek van de Raad van de Europese Unie betreffende een voorstel voor een verordening van de Raad over de omrekeningskoersen tussen de euro en de munteenheden van de lidstaten die de euro aannemen (gecodificeerde versie) (CON/2004/10)

Publicatieblad Nr. C 088 van 08/04/2004 blz. 0020 - 0020


Advies van de Europese Centrale Bank

van 31 maart 2004

op verzoek van de Raad van de Europese Unie betreffende een voorstel voor een verordening van de Raad over de omrekeningskoersen tussen de euro en de munteenheden van de lidstaten die de euro aannemen (gecodificeerde versie)

(CON/2004/10)

(2004/C 88/10)

1. Op 2 februari 2004 ontving de Europese Centrale Bank (ECB) van de Raad van de Europese Unie een verzoek om een advies inzake een voorstel voor een verordening van de Raad over de omrekeningskoersen tussen de euro en de munteenheden van de lidstaten die de euro aannemen (hierna "de ontwerpverordening" te noemen).

2. De ECB is bevoegd om een advies uit te brengen, aangezien de ontwerpverordening is gebaseerd op artikel 123, lid 4, derde zin van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, welke bepaling de raadpleging van de ECB stipuleert. Overeenkomstig de eerste zin van artikel 17.5 van het Reglement van orde van de ECB is dit advies door de raad van bestuur van de ECB goedgekeurd.

3. Ten einde gewijzigde communautaire wetgeving te verduidelijken en te vereenvoudigen, codificeert de ontwerpverordening zonder enige inhoudelijke wijziging Verordening (EG) nr. 2866/98 van de Raad van 31 december 1998 over de omrekeningskoersen tussen de euro en de munteenheden van de lidstaten die de euro aannemen(1), en het instrument ter wijziging ervan, in één tekst. Verordening (EG) nr. 2866/98 stelde onherroepelijk de omrekeningskoersen vast tussen de euro en de munteenheden van de 11 lidstaten die de euro op 1 januari 1999 hebben aangenomen, welke verordening werd gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1478/2000 teneinde de omrekeningskoers tussen de euro en de Griekse drachme op te nemen. De ECB heeft de Adviezen CON/98/61(2) en CON/00/12(3) inzake respectievelijk de Verordeningen (EG) nr. 2866/98 en nr. 1478/2000 uitgebracht.

4. In het algemeen verwelkomt de ECB de codificatie van het acquis communautaire, en met name op het gebied van de economische en monetaire unie, hetgeen bijdraagt tot een duidelijk, doeltreffend en handzaam juridische kader.

5. Het behaagt de ECB tevens op te merken dat de ontwerpverordening de inhoud van de Verordeningen (EG) nr. 2866/98 en nr. 1478/2000 niet wijzigt. Overwegende dat Verordening (EG) nr. 2866/98 slechts éénmaal gewijzigd werd om de omrekeningskoers van de Griekse drachme op te nemen, stelt de ECB voor het woord "ingrijpend" in overweging 1 van de ontwerpverordening te schrappen.

6. De ECB merkt voorts op dat de Verordeningen (EG) nr. 2866/98 en nr. 1478/2000 met eenparigheid van stemmen werden aangenomen op basis van de eerste zin van respectievelijk artikel 123, lid 4, en artikel 123, lid 5, van het Verdrag. Daarentegen bestaat het voornemen de ontwerpverordening op basis van de derde zin van artikel 123, lid 4, van het Verdrag vast te stellen. Artikel 123, lid 4, derde zin bepaalt dat de Raad met gekwalificeerde meerderheid de overige maatregelen neemt die nodig zijn voor een spoedige invoering van de euro als enige munteenheid. De ECB meent dat deze "overige maatregelen" geen maatregelen inzake de omrekeningskoersen omvatten.

7. De ECB merkt op dat codificatie een procedure is volgens welke de wetteksten die het voorwerp van codificatie vormen, worden ingetrokken en formeel worden vervangen door één enkele nieuwe wettekst(4). De ECB is van mening dat weliswaar codificatie niet beoogt wetteksten inhoudelijk te wijzigen, maar zulks er niet aan in de weg staat dat de wettekst die het voorwerp van codificatie vormt, wordt vastgesteld op basis van de rechtsgrondslag die vereist wordt door de inhoud van de wettekst. Gezien paragraaf 6 inzake de reikwijdte van de in de derde zin van artikel 123, lid 4 van het Verdrag genoemde maatregelen, vraagt de ECB zich af of deze bepaling de juiste rechtsgrondslag vormt voor de codificatie van verordeningen inzake omrekeningskoersen, zoals bijvoorbeeld de Verordeningen (EG) nr. 2866/98 en nr. 1478/2000. Overwegende dat Verordening (EG) nr. 2866/98 slechts éénmaal gewijzigd werd, zou een alternatieve oplossing kunnen zijn de Verordeningen (EG) nr. 2866/98 en nr. 1478/2000 te codificeren, wanneer de volgende verordening van de Raad wordt vastgesteld op basis van artikel 123, lid 5, van het Verdrag, d.w.z. indien en wanneer de derogatie van een niet tot eurogebied behorende lidstaat wordt ingetrokken. Indien, om welke (beleids)reden dan ook, een directe codificatie is vereist, zou de eerste zin van artikel 123, lid 4, van het Verdrag, bij voorkeur in samenhang met artikel 123, lid 5, van het Verdrag, een geschiktere rechtsgrond voor het vaststellen van de gecodificeerde verordening vormen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 31 maart 2004.

De president van de ECB

Jean-Claude Trichet

(1) PB L 359 van 31.12.1998, blz. 1. Verordening, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1478/2000 (PB L 167 van 7.7.2000, blz. 1).

(2) PB C 412 van 31.12.1998, blz. 1.

(3) PB C 177 van 27.6.2000, blz. 11.

(4) Zie Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994, paragraaf 1 (PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2).