52003AE1169

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een verordening van Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de EG-concentratieverordening)" (COM(2002) 711 def. — 2002/0269 (CNS))

Publicatieblad Nr. C 010 van 14/01/2004 blz. 0029 - 0036


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een verordening van Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen ('de EG-concentratieverordening')"

(COM(2002) 711 def. - 2002/0269 (CNS))

(2004/C 10/10)

De Raad heeft op 14 januari 2003 besloten, overeenkomstig artikel 308 van het EG-Verdrag, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het voornoemde voorstel.

De gespecialiseerde afdeling "Interne markt, productie en consumptie", die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 2003 goedgekeurd; rapporteur was mevrouw Sanchez Miguel.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 402e zitting op 24 en 25 september 2003 (vergadering van 24 september) het volgende advies uitgebracht, dat met 102 stemmen voor, 27 tegen, bij 16 onthoudingen werd goedgekeurd.

1. Inleiding

1.1. Met onderhavig voorstel wil de Commissie Verordening (EEG) nr. 4064/89 en de daarop bij de Aktes van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden en bij Verordening nr. 1310/97 aangebrachte wijzigingen in één tekst samenvoegen. Met dit nieuwe voorstel wil de Commissie enerzijds de regelingen begrijpelijker maken voor iedereen die bij concentraties van Europese ondernemingen is betrokken, en, anderzijds, voldoen aan haar wettelijke verplichting om de omzetdrempels, die bepalend zijn voor de communautaire dimensie van een concentratie, te herzien.

1.2. In het Groenboek over de herziening van Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad(1) stelde de Commissie een aantal gebieden voor waarop wijzigingen zouden moeten worden aangebracht: het functioneren van de omzetdrempels, de materiële criteria aan de hand waarvan zij concentraties beoordeelt en procedurekwesties. Het Comité sprak zich in een advies(2) over het Groenboek over deze drie aspecten uit.

1.3. Het Hof van Justitie heeft tijdens de looptijd van de concentratieverordening een serie uitspraken gedaan die van groot belang zijn voor de interpretatie van de concentratieregels en de bevoegdheidsverdeling tussen de lidstaten en de Commissie. In het licht van deze jurisprudentie moest de in het Groenboek voorgestelde herziening worden uitgebreid.

1.4. Het resultaat van de herziening zal moeten worden beoordeeld nadat de nieuwe verordening in werking is getreden. Gegeven de resultaten van de raadpleging door de Commissie van een groot aantal instanties staat momenteel wel vast dat herziening geboden is, omdat de in kaart gebrachte moeilijkheden afbreuk doen aan de efficiëntie van de regeling.

1.5. Voorts lijkt het cruciaal, de nieuwe verordening vóór de uitbreiding van de EU uit te vaardigen. Het valt namelijk niet uit te sluiten dat er zich in veel nieuwe lidstaten concentratietendenzen zullen voordoen. Deze kunnen worden vergemakkelijkt door de procedure te vereenvoudigen en vooral door de toepassing van de voor communautaire concentraties geldende omzetdrempels te verfijnen.

2. Inhoud van het voorstel

2.1. De belangrijkste onderdelen van het voorstel voor een nieuwe verordening zijn:

- bevoegdheidsvraagstukken;

- materiële vraagstukken;

- procedurekwesties;

- overige wijzigingen.

2.2. Bevoegdheidsvraagstukken

2.2.1. De Commissie stelt voor een efficiënt verwijzingssysteem in te voeren teneinde tot een optimale bevoegdheidsverdeling tussen de nationale autoriteiten en haarzelf te komen met als doel:

- verbetering van de verwijzingscriteria, zoals een nauwkeurige "spiegeling" van de criteria voor verwijzing in beide richtingen;

- toepasselijkheid van de artikelen 9 en 22 in de fase voorafgaand aan de aanmelding waardoor de uitoefening van het initiatiefrecht van aanmeldende partijen in deze fase wordt vergemakkelijkt;

- exclusieve bevoegdheid voor de Commissie indien alle betrokken lidstaten, of minstens drie ervan, instemmen met de verwijzing van een zaak overeenkomstig artikel 22;

- de mogelijkheid voor de Commissie om lidstaten te verzoeken zaken te verwijzen op grond van artikel 22; op die manier zou zij over een formeel recht van initiatief beschikken.

2.2.2. De inhoudelijke criteria worden, met name op verwijzingsvlak, verbeterd door schrapping van de verplichting voor de lidstaten om ex artikel 9, lid 2, sub a), te onderzoeken of een concentratie al dan niet een machtspositie dreigt te doen ontstaan of te versterken en deze te vervangen door de mogelijkheid een zaak te verwijzen op grond van het feit dat de mededinging op een afzonderlijke markt in een bepaalde lidstaat op significante wijze wordt belemmerd. Tevens zijn op verzoek van partijen of wanneer minstens drie lidstaten zich geraakt voelen, de artikelen 9 en 22 in de fase voorafgaand aan de aanmelding van toepassing.

2.2.3. Verder wordt voorgesteld de procedureregels inzake gezamenlijke verwijzingen in het licht van de opgedane ervaringen(3) te verduidelijken en efficiënter te maken door deze te voorzien van uiterste termijnen voor het indienen van verwijzingsverzoeken door lidstaten en voor andere lidstaten die zich bij dergelijke verzoeken willen aansluiten.

2.2.4. In de definitie van een concentratie (artikel 3) wordt expliciet het criterium opgenomen dat er sprake dient te zijn van een duurzame wijziging van zeggenschap. Verder wordt voorgesteld om twee of meer transacties die van elkaar afhangen of nauw verweven zijn, te beschouwen als een en dezelfde concentratie.

2.3. Materiële vraagstukken

2.3.1. Wat de materiële criteria voor het optreden van de Commissie betreft, werd in het Groenboek met name de toets betreffende "substantiële concurrentievermindering" ter sprake gebracht. De Commissie wil de rechtszekerheid verhogen en heeft daarom een nieuw artikel 2, lid 2, voorgesteld. Daarin wordt het begrip "machtspositie" verduidelijkt in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie(4), opdat het ook van toepassing is op vermeende oligopolistische structuren (zonder dat daarbij sprake is van onderling afgestemde feitelijke gedragingen)(5).

2.3.2. Tevens is in dit verband met het oog op een efficiënte fusiecontrole in artikel 2, lid 1, sub b) rekening gehouden met "de ontwikkeling van de technische en economische vooruitgang voor zover deze in het voordeel van de consument is en geen belemmering vormt voor de mededinging".

2.4. Procedurekwesties

2.4.1. De aanmeldingstermijn van één week (artikel 4, lid 1) wordt geschrapt, maar de verplichting om vooraf aan te melden wordt duidelijk geformuleerd.

2.4.2. Verder stelt de Commissie in de volgende twee gevallen een automatische ontheffing voor van de regel dat de totstandbrenging van een aangemelde concentratie wordt opgeschort totdat zij een goedkeuringsbeschikking heeft gegeven:

- voor overnames via de beurs;

- voor concentraties die onder de vereenvoudigde procedure vallen.

2.4.3. Termijnen worden uitgedrukt in werkdagen.

2.4.4. De ervaring heeft geleerd dat voor bepaalde ingewikkelde zaken de tijdsdruk zowel in fase I als in fase II te groot is en daarom wordt het volgende, flexibelere, tijdschema voorgesteld:

- fase I: 35 werkdagen indien corrigerende maatregelen zijn voorgesteld;

- fase II: facultatieve verlenging met 20 en automatische verlenging met vijftien werkdagen.

2.4.5. Wat de procedure na vernietiging van een beschikking van de Commissie door het Hof van Justitie betreft, wordt voorgesteld artikel 10, lid 5, duidelijker te formuleren om recht te doen aan de nieuwe eisen die aan concentraties worden gesteld.

2.4.6. Ten aanzien van de bepalingen inzake rechtshandhaving, dat wil zeggen zowel procedurele als strafbepalingen, wordt onder meer het volgende voorgesteld:

- de handhavingsbepalingen moeten stroken met de antitrustregelgeving;

- de maximumgeldboeten in verband met het feitenonderzoek worden verhoogd;

- de maximumbedragen van dwangsommen in verband met de handhaving van bepaalde soorten Commissiebeschikkingen worden eveneens verhoogd;

- de Commissie krijgt de bevoegdheid verklaringen op te nemen.

2.5. Overige wijzigingen

2.5.1. De Commissie moet de Raad vóór 1 juli 2007 verslag uitbrengen over de toepassing van de drempels.

2.5.2. De termijnen voor de verwijzingsprocedures voorafgaand aan de aanmelding worden bijgesteld zoals in artikel 1.

2.5.3. Wat de bevoegdheden van de Commissie betreft om een concentratie achteraf te verbieden, kan zij ex artikel 8, lid 4, de scheiding van de betrokken ondernemingen of samengevoegde activa, de beëindiging van gezamenlijke zeggenschap of elke andere passende maatregel gelasten om daadwerkelijke mededinging te herstellen.

2.5.4. Nevenrestricties zijn beperkingen die rechtstreeks verband houden met een concentratie en daarom wordt voorgesteld dat de Commissiebeschikking geacht wordt betrekking te hebben op deze beperkingen.

3. Algemene opmerkingen

3.1. Het Comité staat positief tegenover het voorstel voor een nieuwe concentratieverordening waarmee ernaar wordt gestreefd de regelgeving te vereenvoudigen. Er worden namelijk verschillende regelingen gebundeld, waardoor deze gemakkelijker kunnen worden toegepast op de interne markt(6). Uit de raadpleging over het Groenboek kwam naar voren dat er behoefte bestaat aan flexibele en begrijpelijke voorschriften die niet alleen het werk van de Commissie en de nationale autoriteiten vergemakkelijken, maar het ook, en vooral, voor het bedrijfsleven simpeler maken om een beroep te doen op deze regeling. Het is de bedoeling dat op die manier rechtsonzekerheid en schadelijke effecten voor alle bij concentraties betrokken partijen worden voorkomen.

3.2. Er zij op gewezen dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de toepassing van de herhaaldelijk gewijzigde regels in het voorstel is verwerkt. Dit zal de uitvoerbaarheid van de voorgestelde regeling zeker ten goede komen. Ondernemingen wendden zich in het verleden namelijk regelmatig tot het Hof met interpretatieproblemen als gevolg van de onnauwkeurige formulering van een aantal bepalingen. Met betrekking tot de afbakening van de bevoegdheden van de betrokken autoriteiten enerzijds en de economische criteria aan de hand waarvan de bevoegdheid van de Commissie ter zake kan worden bepaald, anderzijds.

3.3. De beoordeling van concentraties op basis van de huidige regels is zonder meer een ingewikkelde zaak en wordt er alleen maar moeilijker op door de snel veranderende economische omstandigheden als gevolg van andere aspecten van de globalisering. Deze omstandigheden nopen tot het ontwikkelen van economische en productiestructuren waarmee het concurrentievermogen van de economie van de Unie kan worden verhoogd.

3.4. Bij concentratiecontrole dient ook rekening te worden gehouden met wereldwijde economische aspecten, zoals wordt aangegeven in artikel 1, lid 3, onder a), om het hoofd te kunnen bieden aan de voortdurende groeiende internationale concurrentiedruk waarmee de Europese bedrijven worden geconfronteerd. Het Comité wijst dan ook op de noodzaak om overnames te beoordelen op basis van een gedetailleerde analyse van de wereldmarkt en zich dus niet te beperken tot de Europese situatie.

3.5. Daarom dienen de gevolgen voor het concurrentievermogen centraal te blijven staan in de overwegingen in het kader van concentratiecontrole. Concurrentievermogen moet dus niet uitsluitend in het licht van de Europese situatie worden benaderd, maar moet ook, zoals opgemerkt in par. 3.4, in internationaal perspectief worden geplaatst omdat de mondiale economische context in toenemende mate van belang is. Mededingingsbeleid dient met name ter behartiging van de consumentenbelangen. Het Comité is zich uiteraard bewust van de grote variëteit aan economische en sociale vraagstukken waarmee structurele veranderingen gepaard gaan en is derhalve van opvatting dat ook met de belangen van andere marktdeelnemers rekening moet worden gehouden.

3.6. Voorts dient erop te worden gewezen dat er enige discrepantie bestaat tussen de overwegingen en het corpus van het voorstel: in de overwegingen is een aantal reacties op het Groenboek en commentaar van sociaal-economische en andere organisaties verwerkt, maar in het voorstel zelf vinden deze geen enkele weerklank. Illustratief in dit verband zijn de overwegingen 32 en 42 betreffende de rechten van werknemers van de bij een concentratie betrokken onderneming: in de tekst van de ontwerpverordening wordt op geen enkele wijze gewag gemaakt van deze rechten, die overigens wel in het Verdrag(7) zijn erkend. Daarbij moet nog eens worden beseft dat concentraties grote gevolgen hebben voor de werkgelegenheid in de betrokken ondernemingen. De Commissie dient haar aanpak dan ook bij te stellen in het licht van de fundamentele doelstellingen van artikel 2 van het Verdrag en daartoe behoort de versterking van de economische en sociale samenhang binnen de Gemeenschap (zie artikel 130 A van het Verdrag).

3.7. Daarnaast verschillen de taalversies van het voorstel. Dit verdient alle aandacht omdat de correcte toepassing van de voorschriften hierdoor gevaar kan lopen. Alle taalversies zullen immers rechtsgeldig zijn.

3.8. Het Comité zal hierna, bij de analyse van het voorstel, dezelfde indeling als de Commissie aanhouden, zodat een vergelijking met het EESC-advies over het Groenboek kan worden gemaakt. In ieder geval vergemakkelijkt de bundeling van de reeds bestaande teksten een meer systematische kijk op de afzonderlijke onderwerpen en ook zullen de voorschriften daardoor beter kunnen worden uitgevoerd.

3.9. Over de bevoegdheidsvraagstukken is naar aanleiding van de voorstellen van het Groenboek uitgebreid gediscussieerd. Voorliggend resultaat kan dan ook als redelijk bevredigend worden beschouwd. Dit geldt zowel voor de definitie van "concentratie" als voor de verwijzingsregels (zelfs al dient nogmaals te worden overwogen of er altijd sprake is van een communautaire dimensie in de zin van het Groenboek wanneer twee of meer lidstaten zijn betrokken) en daarmee voor de bevoegdheidsverdeling tussen de Commissie en de lidstaten. Toch kunnen er twee opmerkingen worden gemaakt.

3.9.1. Wat het besluit betreft, een concentratie met communautaire dimensie te verwijzen naar de autoriteiten van een of meer lidstaten die beter in staat zouden zijn om de zaak te onderzoeken, wordt in het Groenboek voorgesteld om het criterium dat de door de concentratie geraakte markt "geen wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt vormt" (artikel 9, lid 2, onder b) te vervangen door het bewijs dat de gevolgen van de concentratie tot de lidstaat in kwestie beperkt blijven. Die wijziging is in onderhavig voorstel echter niet terug te vinden. Het Comité pleit toch voor die wijziging omdat daarmee de bevoegdheden tussen de nationale en de EG-autoriteiten efficiënter kunnen worden verdeeld.

3.9.2. Verder opent het voorgestelde artikel 4, lid 4, de mogelijkheid dat partijen voor aanmelding van een concentratie de Commissie verzoeken, de zaak naar de nationale autoriteiten te verwijzen. Men kan zich afvragen of het nagestreefde doel met de voorgestelde formulering kan worden bereikt in die zin dat de Commissie zich het recht voorbehoudt om een zaak niet alleen in zijn geheel maar ook gedeeltelijk naar nationale autoriteiten te verwijzen. Ingeval van gedeeltelijke verwijzing worden partijen geconfronteerd met de situatie dat één enkele operatie, die zij op één enkele manier door één enkele autoriteit beoordeeld wensen te zien, uiteindelijk door twee verschillende instanties zal worden onderzocht. Het Comité acht het wenselijk dat de Commissie slechts de bevoegdheid krijgt om een zaak in zijn geheel naar de nationale autoriteiten te verwijzen. Mocht zij op verzoek van de betrokken ondernemingen besluiten dat de concentratie een communautaire dimensie heeft, dan kan zij de lidstaten niet de mogelijkheid geven om deze te verbieden en moet zij bijgevolg de zaak zelf onderzoeken.

3.10. Bij de materiële vraagstukken gaat het om de basisinstrumenten van het mededingingsbeleid, met name de "machtspositietoets" en de toets betreffende de "substantiële concurrentievermindering". Het Hof van Justitie heeft in dit verband ruim geïnterpreteerd(8) en daardoor strekt de verordening zich ook uit tot twijfelgevallen als oligopolies. Op die manier komt het voorgestelde artikel 2, lid 2, de nagestreefde duidelijkheid inderdaad ten goede, hoewel door de omzetdrempels van artikel 1 een groot aantal concentraties aan communautaire controle worden onttrokken, terwijl deze toch duidelijk economische gevolgen voor de interne markt hebben. In ieder geval moeten de in de voorgaande paragrafen 3.4 en 3.5 gemaakte opmerkingen voor ogen worden gehouden bij de analyse van deze materiële vraagstukken.

3.10.1. Los daarvan is het Comité van mening dat bij het op één lijn brengen van de voorgestelde bepalingen en de overwegingen aangaande deze materiële aspecten, rekening moet worden gehouden met de belangen van de werknemers en de gevolgen voor de werkgelegenheid van concentraties. Aan het recht op informatie en consultatie van de werknemers in de EU mag namelijk geen afbreuk worden gedaan.

3.10.2. Voorts dienen artikel 3, lid 4, en artikel 5, lid 2, op elkaar te worden afgestemd. Krachtens eerstgenoemde bepaling worden twee of meer transacties die van elkaar afhangen of die zo nauw verweven zijn dat de economische ratio ervan de behandeling als één enkele transactie rechtvaardigt, als één en dezelfde concentratie beschouwd. Het verdient aanbeveling om in artikel 5, lid 2, (berekening van de omzet) hiernaar te verwijzen.

3.11. De procedurekwesties zijn grondig herzien. Niet alleen zijn bestaande regelingen gebundeld, maar ook is de inhoud ervan bijgewerkt om de aanvraag- en aanmeldingsprocedure te actualiseren en te vereenvoudigen.

3.11.1. De Commissie wil de uitvoerbaarheid van de procedure voor verwijzing naar de nationale autoriteiten verhogen en stelt voor de termijnen te verlengen (artikel 9, lid 4, en volgende). Verlenging van iedere fase van de procedure kan echter zeker ook een obstakel vormen.

3.11.2. Verzoeken partijen binnen 15 werkdagen na het begin van de tweede fase om verlenging, dan is de dan geldende termijn te strikt. Het verzoek kan immers slechts aan het begin van de procedure worden ingediend en het valt niet uit te sluiten dat partijen in die fase nog niet weten welke bezwaren de Commissie eventueel tegen de aangemelde transactie zal inbrengen. Verder moet worden aangegeven of de termijnen van 15 en 20 dagen cumulatief zijn of dat de tweede pas begint te lopen wanneer tot verlenging besloten is. In het eerste geval, dat wil zeggen wanneer de Commissie een besluit moet nemen, zou de procedure wel eens lang kunnen gaan duren.

3.12. De overige wijzigingen zijn over het algemeen toereikend voor de regeling van aangelegenheden die van groot belang voor de mededinging en de interne markt zijn. Het Comité is evenwel van mening dat twee kwesties moeten worden herzien:

3.12.1. Zijn nevenrestricties geboden, dan blijven deze onderworpen aan de toestemming die de Commissie aan de concentratie hecht. Zij hoeft zich echter niet expliciet over deze restricties uit te spreken, maar het ontbreken van een uitdrukkelijk standpunt harerzijds doet afbreuk aan de rechtszekerheid van het bedrijfsleven. In dit geval valt te denken aan de constructie dat de nationale autoriteiten vraagtekens bij het accessoire karakter van de restricties plaatsen. Worden deze als onafhankelijke restricties beschouwd, dan zullen partijen zich tot de nationale rechter moeten wenden om de rechtsgeldigheid ervan bevestigd te zien.

3.12.1.1. Het is dus wenselijk en in lijn met de jurisprudentie van het Hof van Justitie(9) dat de Commissie verplicht blijft, expliciet aan te geven of zij de door partijen aangemelde beperkingen inderdaad als nevenrestricties beschouwt.

3.12.2. Wordt deze verplichting niet gehandhaafd, dan dient ter wille van het behoud van een aanvaardbaar niveau van rechtszekerheid (i) de bewijslast ter zake van het niet-accessoire karakter van de beperking bij de klagende derde te berusten en (ii) moeten de reeds door de Commissie gepubliceerde beginselen en richtsnoeren(10) dwingende rechtskracht krijgen.

3.13. In het voorgestelde artikel 13 zijn de bepalingen van artikel 20 van Verordening 1/2003 van de Raad van 16 december overgenomen. Het is duidelijk dat niet aan de onderzoeksbevoegdheden van de Commissie mag worden getornd en dat deze moeten worden uitgebreid om rekening te houden met de specifieke kenmerken van elk geval apart. Wat vrijwillige aanmeldingen betreft, zouden deze bevoegdheden evenwel wat kunnen worden ingeperkt. In andere gevallen (geen aanmelding of niet-nakoming van procedurele verplichtingen) moet de verordening echter strikt worden toegepast, hetgeen echter ook geldt wanneer de Commissie zich richt tot anderen dan de aanmelders.

3.14. Voorts stelt de Commissie voor dat zij administratieve vergoedingen voor het indienen van aanmeldingen mag vaststellen (artikel 23, lid 1, onder e). Dat lijkt onaanvaardbaar.

3.15. Tot slot zou de Commissie via de nieuwe verordening de juridische consistentie van bepaalde begrippen moeten verbeteren en meer houvast bieden wanneer het gaat om de interpretatie van bepaalde aspecten bij de beoordeling van concentraties, wat al eerder ter sprake is gekomen in de diverse mededelingen terzake en m.n. in de ontwerpmededeling die op 31 december 2002 in PB C 331 is verschenen, door deze begrippen op te nemen in de definities en de procedurevoorschriften die zijn neergelegd in het voorstel voor een verordening.

4. Voorstellen voor wijzigingen

Ten einde een optimaal effect bij de toepassing van de verordening na te streven en vooral ter verbetering van de uitvoering in het licht van de toekomstige ontwikkelingen, stelt het Comité de Commissie de volgende wijzigingen voor:

4.1. Overweging 17: De nieuwe tekst "Bij de toepassing van ... met de gemeenschappelijke markt" moet worden geschrapt; zie par. 3.12.1 van dit advies.

4.2. Artikel 1, lid 2, onder b) dient als volgt te luiden:

"b) de totale omzet die, elk afzonderlijk, in de Gemeenschap door tenminste twee der betrokken ondernemingen is behaald, meer dan 250 miljoen euro per onderneming bedraagt,"

4.3. Artikel 2, lid 1, onder b), dient als volgt te luiden:

"b) met de marktpositie van de betrokken ondernemingen, hun economische en financiële macht, de keuzemogelijkheden van leveranciers en afnemers, hun toegang tot voorzieningsbronnen en afzetmarkten, het bestaan van juridische of feitelijke hinderpalen voor de toegang tot de markt, de ontwikkeling van vraag naar en aanbod van de betrokken producten en diensten en de prijzen daarvan, de belangen van de tussen- en eindverbruikers, de werkgelegenheidsontwikkeling in de desbetreffende economische sector en in de gebieden waarin de bij de concentratie betrokken ondernemingen vestigingen hebben, alsmede de ontwikkeling van de technische en economische vooruitgang voor zover deze in het voordeel van de consument is en geen belemmering vormt voor de mededinging."

4.4. In artikel 3, lid 6, onder a) moet "financiële instellingen" worden vervangen door "beleggingsondernemingen".

4.5. Aan artikel 4, lid 2, dient de volgende alinea te worden toegevoegd:

"Bij of terstond na aanmelding bij de Commissie dienen de aanmeldende personen of ondernemingen de vertegenwoordigers van de werknemers van de bij de concentratie betrokken ondernemingen van de aanmelding op de hoogte te stellen."

4.6. In artikel 4, lid 4, 1e alinea, op een na laatste regel, moeten de woorden "geheel of" worden geschrapt.

4.7. In artikel 4, lid 4, 3e alinea, eerste regel, moet de passage "Tenzij de betrokken lidstaat er niet mee instemt" worden geschrapt.

4.8. Artikel 4, lid 5, 4e alinea, dient als volgt te worden gewijzigd:

"Indien alle betrokken lidstaten, of ten minste twee daarvan, de Commissie verzoeken de concentratie te onderzoeken, wordt deze geacht een communautaire dimensie te hebben en dient zij overeenkomstig de leden 1 en 2 bij de Commissie te worden aangemeld;"

4.9. Artikel 4, lid 5, voorlaatste alinea, moet als volgt worden gewijzigd:

"Indien de Commissie besluit de concentratie te onderzoeken, kan zij verlangen dat overeenkomstig de leden 1 en 2 een aanmelding wordt ingediend. De betrokken lidstaat of lidstaten passen hun nationale mededingingswetgeving niet toe op de concentratie;"

4.10. Artikel 5, lid 2, 1e alinea, dient als volgt te worden gewijzigd:

"2. Vindt de concentratie plaats via de verwerving van delen van één of meer ondernemingen, welke delen al dan niet eigen rechtspersoonlijkheid bezitten, dan moet, in afwijking van lid 1, ten aanzien van de vervreemder of vervreemders alleen rekening worden gehouden met de omzet van de delen die het voorwerp zijn van de concentratie. Wel wordt bij de berekening van de totale omzet rekening gehouden met onderlinge afhankelijkheid of verbondenheid met andere delen van de geconcentreerde ondernemingen ex artikel 3, lid 4."

4.11. Artikel 5, lid 3, onder a, "opbrengsten uit effecten" te vervangen door:

"opbrengsten uit deelnemingen en uit aandelen".

4.12. In artikel 5, lid 3, onder a, dienen de woorden "financiële instelling" te worden vervangen door "beleggingsonderneming".

4.13. Artikel 6, lid 1, onder b, 2e alinea, moet als volgt worden gewijzigd:

"Een beschikking waarbij verklaard wordt dat de concentratie verenigbaar is, wordt geacht betrekking te hebben op beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van de concentratie en die in de aanmelding of de Commissiebeschikking zijn vermeld."

4.14. Artikel 8, lid 2, 3e alinea, dient als volgt te worden gewijzigd:

"Een beschikking waarbij verklaard wordt dat de concentratie verenigbaar is, wordt geacht betrekking te hebben op beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van de concentratie en die in de aanmelding, de gewijzigde aanmelding of de Commissiebeschikking zijn vermeld."

4.15. Artikel 9, lid 2, onder b) moet als volgt worden gewijzigd:

"b) nadelige gevolgen heeft voor de mededinging op een markt in die lidstaat die alle kenmerken vertoont van een afzonderlijke markt en geen grensoverschrijdende effecten heeft."

4.16. Artikel 9, lid 4: gegeven de hierboven uiteengezette argumenten is het aanbevelingswaardig, de in dit lid genoemde termijnen te verkorten.

Brussel, 24 september 2003.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

R. Briesch

(1) COM(2001) 745 def.

(2) PB C 241 van 7.10.2002.

(3) Zaken Promatech/Sulzer (Commissiebeschikking van 24 juli 2002) en GEES/Unison (beschikking van 17 april 2002).

(4) Zie de noten 17 en 18 van het onderhavige Commissiedocument.

(5) De Commissie heeft op basis van de huidige concentratieverordening voor horizontale "fusies" een ontwerpmededeling uitgebracht ( zie PB C 331 van 31 december 2002, blz. 18) en het Comité stelt daar momenteel een advies over op (CESE 1170/2003.

(6) Afgezien van de reeds genoemde teksten heeft de Commissie een hele reeks interpretatieve mededelingen uitgebracht, zoals de Mededeling inzake het begrip volwaardige gemeenschappelijke onderneming (PB C 66 van 2 maart 1998), de Mededeling betreffende het begrip "concentratie" (PB C 66 van 2 maart 1998), de Mededeling betreffende het begrip "betrokken ondernemingen" (PB C 66 van 2 maart 1998) en de Mededeling betreffende de berekening van de omzet (PB C van 2 maart 1998).

(7) Zie artikel 127, lid 2, van het EG-Verdrag: "Bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en de activiteiten van de Gemeenschap wordt rekening gehouden met de doelstelling van een hoog werkgelegenheidsniveau."

(8) In zaak T-112/96 (Gencor/Commissie) heeft het de definitie van machtspositie verduidelijkt.

(9) Zie zaak T-251/00 (20 november 2002 - Lagardère en Canal+/Commissie).

(10) Zie de Mededeling van 27 juni 2001.

BIJLAGE

bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

De volgende wijzigingsvoorstellen, waarvoor ten minste één kwart van de stemmen werd uitgebracht, werden tijdens de zitting verworpen:

Paragraaf 3.6

Schrappen

Motivering

De kritiek in paragraaf 3.6 is niet terecht. De afweging die de Commissie in de mededeling maakt snijdt hout: vanzelfsprekende opmerkingen dat de verordening moet worden geïnterpreteerd en toegepast met inachtneming van fundamentele rechten en beginselen en dat zij "op geen enkele wijze afbreuk [doet] aan de collectieve rechten van werknemers, zoals die in de betrokken ondernemingen zijn erkend, met name voor wat betreft een eventuele verplichting om op grond van het Gemeenschapsrecht of het nationale recht hun erkende vertegenwoordigers te informeren of te raadplegen", staan in de overwegingen. In een verordening zelf horen zulke opmerkingen niet thuis; daar zouden ze eigenlijk alleen maar onduidelijkheid kunnen scheppen over de doelstellingen van de verordening.

Uitslag van de stemming

Voor: 48, tegen: 71, onthoudingen: 11.

Paragraaf 3.10

Door het volgende vervangen:

"3.10. Wat de materiële vraagstukken betreft stelt de Commissie voor om vast te houden aan de machtspositietoets. Het EESC is het ermee eens dat niet moet worden overgestapt op de SCV-toets(1). Tegelijkertijd wordt in artikel 2 (2) een definitie opgenomen waardoor het begrip een nieuwe betekenis krijgt. Bedrijven die de concurrentieparameters merkbaar kunnen beïnvloeden hebben volgens het voorstel een machtspositie. Dit is wel heel vaag en rekbaar; een en ander zou niet alleen een aanzienlijke, maar onnodige uitbreiding van de controles met zich meebrengen, maar ook leiden tot grote onzekerheid, met alle mogelijke negatieve gevolgen van dien voor structurele veranderingen. In dit verband is het duidelijk van groot belang dat men weet waar men aan toe is.

3.10.1. Onduidelijke concentratieregelingen kunnen ernstige ongewenste afschrikkingseffecten hebben. Niet alleen de in economisch opzicht werkelijk schadelijke acquisities worden tegengewerkt, maar ook de volkomen legitieme, nuttige en noodzakelijke structurele operaties. Juist dit laatste moet worden voorkomen. Daarom dient het begrip 'machtspositie' zijn huidige betekenis te behouden, zodat het systeem goed afgebakend en stabiel genoeg blijft. Mocht het de bedoeling zijn om de verordening ook te laten gelden voor een zogenoemd niet-synergetische oligopolie - een op zichzelf al vreemde situatie - dan kan hier met een specifieke toevoeging voor worden gezorgd."

Motivering

Spreekt voor zichzelf.

Uitslag van de stemming

Voor: 39, tegen: 86, onthoudingen: 9.

Paragraaf 3.10.1

Schrappen.

Motivering

Het recht van werknemers op informatie is al ergens anders geregeld, en de Commissie moet zelf kunnen uitmaken hoe zij aan informatie komt om een besluit te nemen over een bepaald onderwerp. In de meeste gevallen ligt het voor de hand dat zij zich hierbij onder meer laat leiden door de standpunten van werknemersorganisaties. Het lijkt overbodig om dit in de verordening te regelen.

Werkgelegenheidseffecten mogen op zichzelf nooit een reden zijn om een geplande concentratie af te blazen. Alleen concentraties die de concurrentie duidelijk belemmeren moet op basis van de verordening een halt worden toegeroepen.

Uitslag van de stemming

Voor: 45, tegen: 84, onthoudingen: 11.

Paragraaf 4.3

Schrappen

Motivering

Werkgelegenheidseffecten mogen op zichzelf nooit een reden zijn om een geplande concentratie af te blazen. Alleen concentraties die de concurrentie duidelijk belemmeren moet op basis van de verordening een halt worden toegeroepen. Het voorgestelde artikel 2, lid 1, onder b, leidt slechts tot verwarring en het zal moeilijker in te schatten zijn welke beschikkingen op basis van de Verordening zullen worden genomen.

Uitslag van de stemming

Voor: 53, tegen: 76, onthoudingen: 8.

(1) Zie ook par. 3.2.13 van het EESC-advies van 17.7.2002; PB C 241, 7.10.2002.