52003AB0018

Advies van de Europese Centrale Bank van 1 september 2003 op verzoek van de Raad van de Europese Unie betreffende een aanbeveling voor een besluit van de Raad tot goedkeuring van bepaalde wijzigingen die moeten worden aangebracht in de artikelen 3 en 7 van de Monetaire Overeenkomst tussen de Italiaanse Republiek, namens de Europese Gemeenschap, en Vaticaanstad en namens deze de Heilige Stoel, en tot machtiging van de Italiaanse Republiek om uitvoering te geven aan deze wijzigingen (COM(2003) 387 def.) (CON/2003/18)

Publicatieblad Nr. C 212 van 06/09/2003 blz. 0010 - 0011


Advies van de Europese Centrale Bank

van 1 september 2003

op verzoek van de Raad van de Europese Unie betreffende een aanbeveling voor een besluit van de Raad tot goedkeuring van bepaalde wijzigingen die moeten worden aangebracht in de artikelen 3 en 7 van de Monetaire Overeenkomst tussen de Italiaanse Republiek, namens de Europese Gemeenschap, en Vaticaanstad en namens deze de Heilige Stoel, en tot machtiging van de Italiaanse Republiek om uitvoering te geven aan deze wijzigingen (COM(2003) 387 def.)

(CON/2003/18)

(2003/C 212/06)

1. Op 17 juli 2003 ontving de Europese Centrale Bank (ECB) een verzoek van de Raad van de Europese Unie om een advies inzake een aanbeveling voor een besluit van de Raad tot goedkeuring van bepaalde wijzigingen die moeten worden aangebracht in de artikelen 3 en 7 van de Monetaire Overeenkomst tussen de Italiaanse Republiek, namens de Europese Gemeenschap, en Vaticaanstad en namens deze de Heilige Stoel, en tot machtiging van de Italiaanse Republiek om uitvoering te geven aan deze wijzigingen (COM(2003) 387 def.) (hierna de "aanbeveling").

2. De bevoegdheid van de ECB om een advies uit te brengen is gebaseerd op artikel 111, lid 3 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en artikel 12, derde alinea van de Monetaire Overeenkomst tussen de Italiaanse Republiek, namens de Europese Gemeenschap, en Vaticaanstad en namens deze de Heilige Stoel(1) (hierna de "Monetaire Overeenkomst"). Overeenkomstig de eerste zin van artikel 17.5 van het Reglement van Orde van de ECB is dit advies door de raad van bestuur van de ECB goedgekeurd.

3. Luidens de aanbeveling strekken de in artikel 3 en artikel 7 van de Monetaire Overeenkomst aan te brengen wijzigingen ertoe het aan Vaticaanstad toegestane totale uitgifteplafond voor euromunten per 1 januari 2004 te verhogen van 670000 EUR tot 1000000 EUR per jaar. Ook de waarde van de extra hoeveelheden euromunten die Vaticaanstad onder drie speciale omstandigheden (in het jaar waarin de pauselijke zetel vacant wordt, in elk jubeljaar en in het jaar waarin een oecumenisch concilie wordt geopend) mag uitgeven, zal per 1 januari 2004 worden verhoogd van 201000 EUR tot 300000 EUR. De Italiaanse Republiek rechtvaardigt deze door haar voorgestelde nieuwe plafonds door te stellen dat de maximumhoeveelheid munten die Vaticaanstad krachtens de Monetaire Overeenkomst mag slaan, kleiner is dan de maximumhoeveelheid munten waarvan de uitgifte uitdrukkelijk bij het vorige Monetair Verdrag (hierna het "Monetair Verdrag") tussen de Italiaanse Republiek en Vaticaanstad(2) onder normale en speciale omstandigheden was toegestaan.

4. De ECB merkt op dat het tweede lid van het enig artikel van de aanbeveling de Italiaanse Republiek machtigt, namens de Gemeenschap de nodige wijzigingen in de Monetaire Overeenkomst aan te brengen, zulks in afwijking van de procedures vastgesteld in artikel 7 en artikel 8 van de Beschikking 1999/98/EG van de Raad van 31 december 1998 met betrekking tot het standpunt dat de Gemeenschap zal innemen ten aanzien van een overeenkomst over de monetaire betrekkingen met Vaticaanstad(3). De ECB wijst er evenwel op dat de derde alinea van artikel 12 van de Monetaire Overeenkomst een specifieke procedure stipuleert voor wijzigingen van de Monetaire Overeenkomst, luidens welke "vigerende procedures en vigerend Gemeenschapsrecht van toepassing zijn". De ECB is van mening dat de in de derde alinea van artikel 12 van de Monetaire Overeenkomst bedoelde "vigerende procedures" de in Beschikking 1999/98/EG vastgestelde procedures zijn. Deze procedures voorzien niet alleen in de consultatie van de ECB, maar vereisen onder meer dat zij volledig betrokken wordt bij de binnen de bevoegdheidssfeer van de ECB vallende onderhandelingen tussen Vaticaanstad en de Italiaanse Republiek. Te dien aanzien, wijst de ECB tevens op het feit dat de Monetaire Overeenkomst tussen de regering van de Franse Republiek, namens de Europese Gemeenschap, en de regering van Zijne Doorluchtigheid de Vorst van Monaco(4) (hierna de "Monaco Overeenkomst") specifiek stipuleert (in artikel 15, lid 2) dat ingeval van wijzigingen in de Monaco Overeenkomst, de procedures "vastgesteld bij Beschikking 1999/96/EG van de Raad(5) van 31 december 1998 worden gevolgd". Artikel 7 van Beschikking 1999/96/EG bepaalt dat de ECB volledig wordt betrokken bij de onderhandelingen die binnen haar bevoegdheidssfeer vallen. De ECB is van mening dat de uitdrukkelijke verwijzing naar Beschikking 1999/96/EG in de Monaco Overeenkomst, die werd afgesloten na de Monetaire Overeenkomst, eens te meer bevestigt dat de in alinea 3 van artikel 12 van de Monetaire Overeenkomst genoemde "vigerende procedures" de bij Beschikking 1999/98/EG vastgestelde procedures zijn.

5. De ECB begrijpt dat de Commissie bij het doen van haar aanbeveling voor een besluit van de Raad tot goedkeuring van bepaalde wijzigingen die moeten worden aangebracht in artikel 3 en artikel 7 van de Monetaire Overeenkomst, de mening toegedaan is dat deze wijzigingen niet kunnen worden gebaseerd op de vigerende Beschikking 1999/98/EG en op de derde alinea van artikel 12 van de Monetaire Overeenkomst. Zulks zou impliceren dat alle toekomstige wijzigingen van de Monetaire Overeenkomst ook dienen te worden gebaseerd op een nieuw besluit van de Raad. Zulks doet twijfels rijzen ten aanzien van de interpretatie en de relevantie van de derde alinea van artikel 12 van de Monetaire Overeenkomst. De aanpak van de Commissie moge gezien de puur technische aard van de voorgestelde wijzigingen in het onderhavige geval welis waar aanvaardbaar zijn, maar, teneinde deze aangelegenheid op te helderen en met het oog op een passende procedure voor toekomstige wijzigingen van de Monetaire Overeenkomst, stelt de ECB voor overweging 7 van de aanbeveling te vervangen door de volgende tekst:

"De procedure volgens welke onderhandeling en afsluiting van de Monetaire Overeenkomst plaatsvonden, is vastgesteld in artikel 7 en artikel 8 van Beschikking 1999/98/EG van de Raad van 31 december 1998 met betrekking tot het standpunt dat de Gemeenschap zal innemen ten aanzien van een overeenkomst over de monetaire betrekkingen met Vaticaanstad(6). Luidens de derde alinea van artikel 12 van de Monetaire Overeenkomst zijn vigerende procedures en vigerend Gemeenschapsrecht van toepassing, indien wijzigingen van bepalingen van deze overeenkomst wenselijk blijken te zijn. De term 'vigerende procedures' dient te worden uitgelegd als een verwijzing naar Beschikking 1999/98/EG.".

Daarenboven dient het enig artikel, artikel 1 te worden en dient aan de aanbeveling een nieuw artikel 2 te worden toegevoegd dat als volgt luidt:

"Indien verdere wijzigingen van de bepalingen van de Monetaire Overeenkomst in de toekomst daadwerkelijk passend geacht worden, voert de Italiaanse Republiek, namens de Gemeenschap, de onderhandelingen en komt zij de noodzakelijke wijzigingen met Vaticaanstad overeen, conform de procedures van artikel 7 en artikel 8 van Beschikking 1999/98/EG van de Raad van 31 december 1998 met betrekking tot het standpunt dat de Gemeenschap zal innemen ten aanzien van een overeenkomst over de monetaire betrekkingen met Vaticaanstad(7).".

Gezien deze wijzigingen zou het tevens passend zijn de zinsnede "artikelen 3 en 7 van" uit de titel van de aanbeveling te schrappen.

6. Met het oog op een absoluut duidelijke verwijzing in de aanbeveling naar het Monetair Verdrag en, met name, naar de maximumhoeveelheid munten die uitdrukkelijk bij het Monetair Verdrag is toegestaan, zulks ter rechtvaardiging van de voorgestelde verhoging van het aan Vaticaanstad per 1 januari 2004 toegestane totale uitgifteplafond voor euromunten, is de ECB van mening dat deze verwijzing uitvoeriger zou moeten zijn. Te dien aanzien merkt de ECB op dat het maximum van de nominale waarde van de krachtens de Monetaire Overeenkomst uitgegeven euromunten reeds het bij het Monetair Verdrag toegestane niveau overschrijdt. Voorts, zou de voorgestelde verhoging van het maximum van de nominale waarde niet noodzakelijkerwijze leiden tot een stijging van de hoeveelheid munten die mag worden geslagen, die het bij het Monetair Verdrag toegestane niveau dicht benadert.

7. De ECB neemt nota van de voorgestelde wijziging van artikel 3 van de Monetaire Overeenkomst en begrijpt dat de tekst van lid 1, onder a), van het enig artikel van de aanbeveling slechts verwijst naar lid 1 van artikel 3 en als zodanig geen afbreuk doet aan de volgende leden die vereisen dat de door Vaticaanstad uitgegeven euromunten identiek zijn aan de euromunten die zijn uitgegeven door de lidstaten van de Europese Gemeenschap die de euro hebben aangenomen, zulks betreffende de nominale waarde, wettigheid als betaalmiddel, technische specificaties, artistieke kenmerken van de gemeenschappelijke zijde en de gemeenschappelijke artistieke kenmerken van de nationale zijde en tevens betreffende de mededeling vooraf door Vaticaanstad aan de bevoegde communautaire autoriteiten inzake de artistieke kenmerken van de nationale zijde die binnen haar bevoegdheid vallen. De ECB begrijpt dat het huidige lid 2 en lid 3 van artikel 3 van de Monetaire Overeenkomst na de wijziging van artikel 3 deel zullen blijven uitmaken van dat artikel. Dienaangaande ware het wenselijk dat de eerste zin van lid 1, onder a), als volgt wordt geherformuleerd: "Lid 1 van artikel 3 wordt als volgt vervangen: [...]".

8. De ECB is van mening dat de onderhavige herziening van de hoeveelheid euromunten die Vaticaanstad mag uitgeven, de in de tweede alinea van artikel 12 van de Monetaire Overeenkomst voorziene herziening van die hoeveelheid in 2004 door de bevoegde financiële organen van de Italiaanse Republiek en Vaticaanstad minder noodzakelijk maakt. Zulks doet geen afbreuk aan de in de tweede alinea van artikel 12 van de Monetaire Overeenkomst voorziene achtereenvolgende tweejaarlijkse herzieningen.

9. Tenslotte meent de ECB dat in overweging 3 en overweging 4(8) van de aanbeveling bij verwijzing naar de Italiaanse Lire de correcte ISO-code dient te worden gebruikt, en derhalve "LIT" dient te worden vervangen door "ITL". Bovendien dient het eerste woord "en" in overweging 4 te worden geschrapt(9).

10. Dit advies wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Frankfurt am Main, 1 september 2003.

De president van de ECB

Willem F. Duisenberg

(1) PB C 299 van 25.10.2001, blz. 1.

(2) Monetair Verdrag tussen Italië en Vaticaanstad door Italië bij wet 119/1994 geratificeerd. Gepubliceerd in het Staatsblad van de Italiaanse Republiek nr. 43 van 22 februari 1994.

(3) PB L 30 van 4.2.1999, blz. 35.

(4) PB L 142 van 31.5.2002, blz. 59.

(5) Beschikking 1996/96/EG van de Raad van 31 december 1998 met betrekking tot het standpunt dat de Gemeenschap zal innemen ten aanzien van een overeenkomst over de monetaire betrekkingen met het Vorstendom Monaco (PB L 30 van 4.2.1999, blz. 31).

(6) PB L 30 van 4.2.1999, blz. 35.

(7) PB L 30 van 4.2.1999, blz. 35.

(8) Deze opmerking betreft slechts de Griekse, Engelse en Nederlandse versie en de Deense versie slechts met betrekking tot overweging 4.

(9) Deze opmerking geldt niet voor de Duitse, Spaanse en Nederlandse versie.