52002XR0172

Resolutie van het Comité van de Regio's over "Duurzame ontwikkeling: Wereldtop over duurzame ontwikkeling — Johannesburg, 2002"

Publicatieblad Nr. C 278 van 14/11/2002 blz. 0048 - 0052


Resolutie van het Comité van de Regio's over "Duurzame ontwikkeling: Wereldtop over duurzame ontwikkeling - Johannesburg, 2002"

(2002/C 278/14)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Göteborg van 15 en 16 juni 2001;

gezien de beschikking van de Europese Raad van 4 maart 2002 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen (COM(2001) 579 def.);

gezien de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld "Tien jaar na Rio: voorbereiding op de wereldtop over duurzame ontwikkeling in 2002" (COM(2001) 53 def.);

gezien het advies van het Comité van de Regio's van 14 november 2001 over de Mededeling van de Commissie getiteld "Tien jaar na Rio: voorbereiding op de wereldtop over duurzame ontwikkeling in 2002" (CDR 37/2001 fin)(1);

gezien de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal en het Comité van de Regio's "Naar een wereldwijd partnerschap voor duurzame ontwikkeling" (COM(2002) 82 def.);

gezien de Mededeling van de Commissie van 5 december 2001 aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Het werkprogramma van de Commissie voor 2002" (COM(2001) 620 def.);

gezien de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over haar beleidsstrategie voor 2003 (SEC(2002)217/7 def.);

gezien de Mededeling van de Commissie van 15 januari 2002 voor de Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002, waarin een nieuwe impuls wordt gegeven aan de twee jaar eerder tijdens de Raad van Lissabon goedgekeurde strategie (COM(2002) 14 def.) om van Europa de meest dynamische, concurrerende en duurzame kenniseconomie ter wereld te maken;

gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002, waarin de Raad erop wijst dat er voor duurzame ontwikkeling wereldwijde oplossingen nodig zijn waarbij economie, sociale kwesties en milieu elkaar in evenwicht dienen te houden;

gezien het advies van het Comité van de Regio's over de goedkeuring van het Protocol van Kyoto, de tenuitvoerlegging door de Commissie van de eerste fase van het Europees programma inzake klimaatsverandering, en het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasuitstootrechten en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG (CDR 485/2001 fin)(2);

overwegende dat tien jaar na de VN-Conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED), gehouden in 1992 te Rio de Janeiro, de conclusie gerechtvaardigd is dat een verdere ontwikkeling nodig is van de internationale strategie voor een evenwichtige en samenhangende, in economisch, sociaal en milieu-opzicht aanvaardbare duurzame ontwikkeling (Agenda 21);

overwegende dat Agenda 21 een richtsnoer vormt voor de ontwikkeling van interne maatregelen - een programma van 15 jaar voor bepaalde beleidsterreinen om steun te bieden voor de interactie en samenwerking tussen het VN-systeem en andere subregionale, regionale en mondiale overheids- en niet-overheidsinstellingen op het gebied van milieu en ontwikkeling. Het internationale management is aan verbetering toe, waarbij allereerst de nadruk dient te liggen op meer samenwerking tussen de verschillende internationale organisaties;

overwegende dat in Agenda 21 is onderkend dat voor lokale en regionale overheden een belangrijke rol is weggelegd bij het opbouwen, laten functioneren en onderhouden van de economische, sociale en milieu-infrastructuur en bij het uitstippelen, vaststellen en handhaven van lokale en regionale regels en beleidsmaatregelen op milieugebied, alsmede bij het uitvoeren van nationale beleidsmaatregelen;

overwegende dat de ontwerptekst van de VN-Commissie voor duurzame ontwikkeling zal uitmonden in een actieprogramma dat de volgende punten dient te bevatten: een evenwichtig waterbeheer, een geïntegreerd landbouw- en plattelandsbeleid, het behoud van de biodiversiteit, maatregelen voor klimaatbeheersing, een "schoon" energie- en vervoersbeheer, en een duidelijk demografisch beleid. Lokale en regionale overheden en het maatschappelijk middenveld zijn belangrijke actoren en moeten dan ook bij de uitvoering van dit actieprogramma worden betrokken;

overwegende dat er voor een duurzaam evenwicht moet worden gezorgd tussen de belangen van de Europeanen die in stedelijke gebieden wonen (80 % van de totale Europese bevolking) en de belangen van de Europeanen die in plattelandsgebieden wonen (deze gebieden beslaan 80 % van het hele EU-grondgebied);

overwegende dat armoede en achteruitgang van het milieu sterk met elkaar samenhangen. Veel milieuproblemen worden veroorzaakt door een gebrek aan sociale gelijkheid en economische ontwikkeling, en tal van milieuproblemen staan de economische ontwikkeling en de bestrijding van armoede in de weg;

overwegende dat de bestrijding van sociale uitsluiting meer aandacht dient te krijgen en dat de bestrijding van armoede moet worden geïntensiveerd;

overwegende dat in het kader van het onderzoeksbeleid van de EU de nodige maatregelen nodig zijn op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling, niet alleen om nieuwe technologie, maar ook om besluitvormingsinstrumenten en evaluatie- en controlemethoden te ontwikkelen,

heeft tijdens zijn 44e zitting van 15 en 16 mei 2002 (vergadering van 16 mei) met algemene stemmen de volgende resolutie aangenomen.

Het Comité van de Regio's

1. onderschrijft de beleidsverklaringen van de Europese Raden van Göteborg en Barcelona over een strategie inzake duurzame ontwikkeling en maant de EU-instellingen hiervan in de praktijk werk te maken. Beslist voorkomen moet worden dat de huidige economische groei de groeikansen van toekomstige generaties in gevaar brengt;

2. dringt er bij de Europese Commissie op aan het Comité van de Regio's en zijn lokale en regionale vertegenwoordigers in de vijftien lidstaten uit te nodigen een actieve rol te spelen bij de voorbereiding van de Wereldtop over duurzame ontwikkeling die van 26 augustus tot 4 september in Johannesburg zal worden gehouden. Het Comité verzoekt op de conferentie van Johannesburg vertegenwoordigd te worden, omdat er voor hem een belangrijke rol zal zijn weggelegd bij de uitvoering van de besluiten die er zullen worden genomen;

3. verwacht van de Commissie dat zij het subsidiariteitsbeginsel steevast in acht neemt. In plaats van een rechtlijnige top-down- of bottom-up-benadering te hanteren, zouden de verschillende bestuurslagen moeten samenwerken in het besef van hun onderlinge afhankelijkheid;

4. vraagt de Commissie erop toe te zien dat alle belangrijke voorstellen die in Johannesburg worden ingediend, in overeenstemming zijn met de EU-strategie inzake duurzame ontwikkeling;

5. merkt op dat veel van de tien jaar geleden op de conferentie van Rio omschreven doelstellingen niet gehaald zijn en vindt dat de EU-delegatie zich zou moeten richten op het bereiken van een overeenkomst om deze doelstellingen alsnog te verwezenlijken en zou moeten optreden tegen landen die zich niet houden aan de doelstellingen van Rio;

6. betoogt dat de strategie voor de tenuitvoerlegging van doelstellingen en richtsnoeren die uit het proces rond de internationale Agenda voortvloeien, gebaseerd zou moeten zijn op de nieuwe besluitvormingsaanpak die de Commissie binnen het kader van de bestaande EU-bevoegdheden heeft uitgewerkt;

7. is het eens met de stemmen die in internationaal verband opgaan voor een mondiale aanpak bij het oplossen van problemen, de vaststelling van milieuprioriteiten inzake duurzame ontwikkeling, de bestrijding van klimaatverandering, de verzuring en eutrofiëring, duurzame vervoerswijzen (betere aansluiting van weg- en spoorvervoer, stimulering van spoorvervoer), de bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, aanvullende maatregelen om volksgezondheidsriscio's tegen te gaan en een verstandiger beheer van natuurlijke hulpbronnen;

8. verzoekt de Commissie met voorstellen ter verbetering van de besluitvorming over duurzame ontwikkeling te komen. Deze voorstellen zouden bevorderlijk moeten zijn voor de tenuitvoerlegging van beginselen inzake goed bestuur, die niet ondermijnd mogen worden door het gebruik van middelen die niet in de EU-Verdragen zijn voorzien;

9. wijst erop dat een uitgebreide EU duurzame ontwikkeling van meet af aan volledig moet integreren in al haar werkzaamheden, vooral in het economisch, sociaal en milieubeleid. Aangezien de biodiversiteit na de uitbreiding groter zal worden in de EU, moet speciale aandacht worden geschonken aan in dit opzicht waardevolle regio's en aan regio's met een kwetsbaar milieu;

10. pleit voor maatregelen om milieubescherming en armoedebestrijding beter op elkaar af te stemmen, waarbij partnerschap op lokaal en regionaal niveau de meest doeltreffende manier lijkt om uitsluiting tegen te gaan en een geïntegreerde benadering van duurzame ontwikkeling aan te moedigen;

11. is van mening dat het recht van iedereen om overal ter wereld toegang te krijgen tot openbare voorzieningen een concrete invulling moet krijgen en erkent in dit verband ten volle de rol die door diensten van algemeen belang wordt gespeeld, alsook de bijdrage die zij tot de levenskwaliteit van de bevolking en tot een in economisch, sociaal en milieu-opzicht duurzame ontwikkeling van onze samenleving opzicht leveren. De situatie op dit gebied moet worden onderzocht, maar dit dient per geval en per dienst te gebeuren, waarbij korte- en langetermijndoelstellingen en economische en sociale factoren tegen elkaar moeten worden afgewogen om de meest geschikte oplossing te vinden;

12. vindt net als het Europees Parlement dat de bijdrage van lokale en regionale overheden tot duurzame ontwikkeling in de Commissiemededelingen onvoldoende uit de verf komt;

Thematisch gerangschikte werkterreinen

13. is van oordeel dat waterbeheer deel moet uitmaken van transnationale ruimtelijke-ordeningsstrategieën en in de nabije toekomst uit te werken regionale en structurele lokale actieprogramma's, waarbij het zwaartepunt dient te worden gelegd bij de bescherming tegen overstromingen door zowel de binnengaatse als buitengaatse beschermingsconstructies te versterken;

14. is voorstander van acties waarmee tot een duurzaam gebruik van water en het aquatisch milieu wordt aangezet. Hoofddoel moet zijn water als onmisbare natuurlijke hulpbron op duurzamere wijze te gebruiken. Hiertoe is het absoluut zaak om technieken voor het opvangen, zuiveren en distribueren van water te promoten die het ecosysteem niet aantasten. Bij de watervoorziening moet ervoor gezorgd worden dat water voor iedereen gelijkelijk toegankelijk wordt. Verder moeten er beleidsmaatregelen worden uitgewerkt voor een zo groot mogelijke bescherming tegen de vervuiling van zout- en zoetwater. Het komt er vooral op aan in het kader van de volksgezondheid de hoogste prioriteit te verlenen aan veilig drinkwater en behoorlijke sanitaire voorzieningen;

15. vindt dat EU-lidstaten die hun officiële ontwikkelingshulp nog steeds niet op het VN-streefpercentage van 0,7 % van het BNP hebben gebracht, hun steunverlening aanzienlijk moeten opvoeren;

16. wijst erop dat op bepaalde soorten land bedreven landbouw als een economische activiteit moet worden behandeld, waarbij de natuurlijke bodemkwaliteit niet mag worden aangetast en het milieu niet mag worden vervuild door overbemesting of het gebruik van niet-biologisch afbreekbare verdelgingsmiddelen;

17. pleit voor (financiële) ondersteuning van duurzame landbouwactiviteiten, omdat die ten goede komen aan het behoud van de natuur en de instandhouding van biodiversiteit en landschappen (vooral in kwetsbare gebieden), een stimulans vormen voor een milieuvriendelijk en duurzaam boerenbedrijf, en bevorderlijk zijn voor de sociale cohesie in plattelandsgebieden. De landbouw in Europa moet borg staan voor een hoge mate van voedselveiligheid. De voorschriften inzake traceerbaarheid en etikettering moeten worden nageleefd;

18. stemt ermee in dat de kwaliteit van de wereldvoedselproductie moet worden verhoogd door een betere regelgeving (controles en sancties) aangaande (bio)technologie. Aan de toepassing van bepaalde methoden kunnen onbekende risico's kleven en er is wellicht nog onvoldoende gediscussieerd over daarmee verband houdende ethische vraagstukken (met name GGO's);

19. acht het noodzakelijk om het juiste evenwicht aan te brengen tussen de doelgerichte, grootschalige promotie van bepaalde technologieën op energie- en vervoergebied en algemene innovatiebeleid, waarbij op duurzaamheid gerichte technologieën aan de marktwerking worden blootgesteld;

20. vindt dat er op alle beleidsterreinen toereikende evaluatiemethoden moeten worden uitgewerkt om aan de hand van objectieve criteria te kunnen uitmaken of er op de diverse gebieden van duurzame ontwikkeling vooruitgang is geboekt. Die criteria moeten specifiek, meetbaar, aanvaardbaar en realistisch zijn en op een bepaalde periode zijn toegespitst;

21. is van oordeel dat duurzame ontwikkeling voortaan in alle met EU-middelen gefinancierde programma's voor sectoren, regio's of het bedrijfsleven een centraal thema moet zijn. Lokale en regionale overheden moeten met het bedrijfsleven een dialoog aangaan en ondernemers ertoe aansporen om duurzame investeringen te doen;

22. vindt dat economische beleidsinstrumenten en fiscale milieumaatregelen van wezenlijk belang zijn voor milieubescherming en regionale ontwikkeling. Zo kan ervoor worden gezorgd dat hulpbronnen rationeler worden gebruikt, dat de uitstoot van schadelijke stoffen wordt beperkt en dat de nodige financiële middelen worden verschaft om eenieder gelijkelijke toegang te bieden tot voor duurzame ontwikkeling onontbeerlijke openbare voorzieningen;

23. vindt dat moet worden besloten om een evenwichtige aanpak te volgen, waarbij goede sociale omstandigheden hand in hand gaan met hoge productiviteit en hoogwaardige goederen en diensten, uitgaande van het beginsel dat meer en betere banen in een dynamische en concurrerende economie de sociale cohesie vergroten;

24. breekt een lans voor actieve burgerparticipatie als het gaat om sociale en milieuveranderingen, waarbij zeker wat onderwijs en voorlichtingscampagnes betreft maatregelen geboden zijn. Onderwijs en opleiding moeten, overeenkomstig het beginsel van levenslang leren, worden gezien als onontbeerlijke instrumenten om het aantal geschoolde werknemers te vergroten, zonder wie duurzame economische en sociale ontwikkeling ondenkbaar is;

25. benadrukt dat moet worden gewerkt aan een duurzame leefomgeving, met o.m. aandacht voor de duurzame exploitatie van bossen, het wonen in verstedelijkte gebieden en werkomstandigheden;

26. is van oordeel dat moet worden voortgegaan op de weg die is ingeslagen met het concept van de in Rio geïntroduceerde lokale agenda 21 en dat die agenda verder moet worden uitgebouwd. De positieve praktijkervaringen die daarmee in duizenden Europese dorpen, steden en districten zijn opgedaan, vormen het bewijs dat de lokale agenda 21 - als instrument waarin zowel economie als sociale betrekkingen en milieubescherming een rol spelen en dat een stimulans vormt voor de dialoog met en de actieve participatie van de lokale burgers - plaatselijke overheden helpt om duurzame ontwikkeling te verwezenlijken;

27. wijst erop dat het door de lokale agenda 21 op gang gebrachte proces, dat algemeen als een dialoog met de samenleving wordt beschouwd, op de voet moet worden gevolgd. Er moet niet alleen een nieuw maatschappelijk en creatief leerproces op gang worden gebracht, maar er dienen ook nieuwe methoden te komen om de manier waarop burgers samenleven, (bij) te sturen, en nieuwe instrumenten voor samenwerking. Op die manier kan worden uitgestegen boven de traditionele, vooral bureaucratische en regulerende bestuursprocedures.

Het Comité draagt zijn voorzitter op om deze resolutie aan de Commissie, het Europees Parlement, de Raad en de Spaanse en Deense voorzitterscolleges van de EU voor te leggen.

Brussel, 16 mei 2002.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Albert Bore

(1) PB C 107 van 3.5.2002, blz. 9.

(2) PB C 192 van 12.8.2002, blz. 59.