52002PC0751

Voorstel voor een Besluit van het Europees Parlement en de Raad tot goedkeuring van een meerjarenprogramma (2004-2006) voor de doeltreffende integratie van informatie- en communicatietechnologie (ICT) in de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels in Europa (eLearning-programma) /* COM/2002/0751 def. - COD 2002/0303 */


Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot goedkeuring van een meerjarenprogramma (2004-2006) voor de doeltreffende integratie van informatie- en communicatietechnologie (ICT) in de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels in Europa (eLearning-programma)

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

1. Inleiding

In de afgelopen tien jaar is door de opmars van het internet een ongekende hoeveelheid aan informatie en bronnen toegankelijk geworden.

Voor de ontwikkeling van de Europese kennismaatschappij is het dan ook van cruciaal belang dat er gebruik wordt gemaakt van alle mogelijkheden die het internet voor de verbetering van de toegankelijkheid van het onderwijs en de beroepsopleidingen en de kwaliteit van het leren te bieden heeft. Niet alleen voor het onderwijs en de beroepopleidingen zelf, maar ook voor de samenhang in de maatschappij en het concurrentievermogen van Europa wordt het hoe langer, hoe belangrijker dat Europa zijn onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels zodanig bijstelt dat de mogelijkheden van het internet ten volle benut kunnen worden.

In het eLearning-actieplan [1] wordt "e-learning" gedefinieerd als "het gebruik van de nieuwe multimediatechnologieën en internet om de kwaliteit van het leren te verbeteren door middel van het vergemakkelijken van de toegang tot middelen en diensten, alsmede door uitwisseling en samenwerking op afstand". De term "e-learning" staat tegenwoordig voor een visie, die het leren met behulp van informatie- en communicatietechnologie (ICT) als een onlosmakelijke component van het onderwijs- en beroepsopleidingssysteem beschouwt. In dit scenario wordt het vermogen om met ICT om te gaan een nieuwe vorm van geletterdheid, de zogenaamde "digitale geletterdheid". Digitale geletterdheid wordt even belangrijk als het kunnen lezen, en schrijven (de "klassieke" geletterdheid) honderd jaar geleden was. Zonder deze geletterdheid kunnen burgers noch volwaardig meedraaien in de maatschappij, noch de vaardigheden en kennis verwerven die voor de 21ste eeuw noodzakelijk zijn.

[1] COM (2001) 172 def.

De Europese Raad heeft dit op zijn bijeenkomsten in Lissabon, Stockholm en Barcelona [2] erkend en de lidstaten en de Gemeenschap, vanuit de overtuiging dat de samenhang in de maatschappij moet worden veiliggesteld, om niet aflatende inspanningen voor de integratie van ICT in de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels verzocht.

[2] Lissabon: CS(2000)6557; Stockholm: CS(2001)7001; Barcelona: CS(2002)6856-1.

2. ICT in onderwijs en beroepsopleidingen: het eu-beleid

De conclusies van de bijeenkomst van de Europese Raad in Lissabon vormen een keerpunt in de samenwerking op het gebied van het onderwijs en de beroepsopleidingen. In deze conclusies worden het onderwijs en de beroepsopleidingen bovenaan op de politieke agenda van de EU geplaatst en wordt met nadruk om de aanpassing van de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels aan de eisen van de kennismaatschappij en vooral om een doeltreffende integratie van de informatie- en communicatietechnologie gevraagd. Op de volgende bijeenkomsten van de Europese Raad in Stockholm in 2001 en in Barcelona in 2002 zijn de conclusies van Lissabon verder uitgewerkt en is het grote belang van een betere en doeltreffende benutting van ICT voor de Europese kennismaatschappij nog eens onderstreept.

In de actieplannen eEurope 2002 [3] en eEurope 2005 [4], die op de genoemde bijeenkomsten van de Europese Raad goedgekeurd zijn, heeft e-learning de allerhoogste prioriteit gekregen en zijn vijf ambitieuze doelstellingen voor de infrastructuur, de uitrusting en de basisscholing vastgelegd, die een conditio sine qua non voor de invoering van e-learning vormen.

[3] eEurope 2002 COM (2000) 783.

[4] eEurope2005 COM (2002) 263 def.

Deze doelstellingen zijn in het eLearning-initiatief [5] vanuit de optiek van het onderwijs verder uitgewerkt en daarbij is de noodzaak van nieuwe onderwijskundige benaderingen en ambitieuze doelstellingen voor de kwaliteit van het leren en van goed toegankelijke middelen en diensten voor e-learning onderstreept. Daarnaast is ook zeer veel nadruk gelegd op de uit de weg te ruimen hindernissen van structurele aard die vernieuwingen in de weg staan - bijvoorbeeld organisatorische en wettelijke hindernissen - en de manier waarop kennis en competenties geëvalueerd en gecertificeerd worden.

[5] COM (2000) 318 def.

De Raad van Ministers heeft het eLearning-initiatief en de grote betekenis van ICT voor het onderwijs en de beroepsopleidingen in zijn resolutie betreffende e-learning van 13 juli 2001 [6] onderschreven en de lidstaten opgeroepen om "te blijven streven naar werkelijke integratie van ICT in de onderwijs- en opleidingsstelsels als een belangrijk onderdeel van de aanpassing van de onderwijs- en opleidingsstelsels". Deze resolutie volgde op het verslag van de Raad van de ministers van onderwijs met de titel "De concrete doelstellingen voor de onderwijs- en opleidingsstelsels" [7], waarin het belang van ICT voor moderne onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels onderstreept wordt en bevestigd wordt dat ICT in open leeromgevingen en voor het virtuele onderwijs steeds belangrijker aan het worden is.

[6] Resolutie van de Raad over e-learning: PB C204 van 20.07.2001, blz. 6-7.

[7] COM (2001) 59 def.

De bestrijding van de digitale kloof heeft specifieke aandacht gekregen. In het kader van het Luxemburg-proces heeft de Raad de lidstaten verzocht om te blijven streven naar "het ontwikkelen van e-learning voor alle burgers" [8]. En in zijn resolutie van 18 oktober 2001 [9] heeft de Raad de lidstaten om maatregelen op het gebied van e-learning gevraagd, waardoor kansarme groepen volwaardig in de kennismaatschappij kunnen gaan meedraaien. In de jaarlijkse nationale actieplannen voor de werkgelegenheid wordt verslag uitgebracht over de bijdrage die ICT bij de vergroting van de inzetbaarheid en de flexibiliteit en in verband met de specifieke behoeften van kansarme groepen en risicogroepen levert. Aan de activiteiten op dit gebied wordt een groot deel van de gelden van de Structuurfondsen besteed.

[8] COM(2001)669 def. "Gewijzigd voorstel voor een beschikking van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten voor 2002".

[9] PB C292 van 18/10/2001, blz. 06-08.

Al deze inspanningen laten reeds bemoedigende resultaten zien. Uit de benchmarkingoperaties in verband met eEurope voor het jaar 2001 en 2002 ("European youth into the digital age" [10]) blijkt dat de oorspronkelijke doelstellingen van eEurope, namelijk internet-aansluitingen voor alle scholen en scholing van een voldoende aantal leerkrachten, allemaal nagenoeg verwezenlijkt zijn. De aandacht dient nu dan ook uit te gaan naar de uitwerking van een beter raamwerk voor e-learning, de integratie van ICT in de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels, en naar een betere kwaliteit van de infrastructuur op telecommunicatiegebied (breedband).

[10] SEC(2001)1583.

Het Europees Parlement heeft het eLearning-initiatief in zijn Verslag over eLearning [11] niet alleen onderschreven, maar ook voorgesteld om geld op de begroting te reserveren voor de bestudering van de vraag welke mogelijkheden er voor innovatieve Europese activiteiten op dit terrein zijn. Met dit geld is in de afgelopen twee jaar een aantal projecten en onderzoeken van strategische aard gerealiseerd. Uit de uitkomsten tot nu toe blijkt dat de activiteiten van de Gemeenschap een positieve impact hebben en het Europees Parlement heeft dan ook opnieuw om een specifiek eLearning-programma verzocht.

[11] A5-152/2001.

Al deze recente activiteiten zijn gebaseerd op successen uit het verleden. De Europese Commissie is namelijk al lang geleden begonnen met baanbrekend werk voor de invoering van nieuwe technologie in het onderwijs. De algemene doelstellingen voor de Europese samenwerking op dit gebied zijn reeds te vinden in de resoluties van de Raad [12] van 1983 over maatregelen voor de introductie van nieuwe informatietechnologie in het onderwijs.

[12] CS(1983)7469.

Ook in het kader van de opeenvolgende Kaderprogramma's voor Onderzoek en Ontwikkeling, te beginnen met het DELTA-programma [13], heeft de Europese Commissie impulsen voor de toepassing van nieuwe technologie in het onderwijs gegeven. In het kader van het programma Technologieën van de informatiemaatschappij (IST-programma) is reeds een groot aantal projecten rond de thema's flexibele universiteiten, leren op het werk, de lerende burger en de school van morgen gerealiseerd. En in langer lopend onderzoek is specifieke aandacht aan Experimentele schoolomgevingen (Experimental School Environments) besteed.

[13] DELTA - ESPRIT; COM (1987) 359 def.

In 1996 is in de resolutie van de Raad van de ministers van onderwijs inzake educatieve software en multimedia [14] voor het eerst om een integrale aanpak voor alle relevante programma's verzocht.

[14] COM (1996) 120 def.

Daarnaast is ook in de voornaamste onderwijs- en beroepsopleidingsprogramma's van de EU, het Socrates-programma [15] en het Leonardo da Vinci-programma [16], die beide hun tweede fase zijn ingegaan, veel plaats ingeruimd voor nieuwe technologie. In het Socrates-programma is een specifieke actielijn voor het open leren, het leren op afstand en het ICT-gebruik in het onderwijs, getiteld Minerva opgenomen. Dit is van doorslaggevende betekenis geweest voor de oprichting en onderlinge koppeling van Europese netwerken voor samenwerking op de verschillende onderwijsniveaus. In de Socrates-activiteiten voor het hoger onderwijs en het onderwijs op school, de zogenaamde Erasmus- en Comenius-activiteiten wordt intensief met nieuwe technologie gewerkt. In Grundtvig, de nieuwe actielijn van het Socrates-programma die op volwassenenonderwijs en levenslang leren gericht is, wordt nieuwe technologie als vanzelfsprekend beschouwd. Uit het Leonardo da Vinci-programma, dat altijd al op innovatie gericht was, komt een groeiend aantal producten, diensten en netwerken voort, waarvan bij de verbetering van de opleidingsmogelijkheden op de verschillende niveaus en het levenslang leren gebruik kan worden gemaakt.

[15] COM (1994) 502.

[16] COM (1994) 215 def.

Wordt er naar de lidstaten gekeken, dan blijken de meeste landen eigen actieplannen ter bevordering van het ICT-gebruik in het onderwijs en de beroepsopleidingen te hebben. In het kader van die actieplannen wordt vaak rechtstreeks steun verleend aan plaatselijke experimenten op de verschillende onderwijs- en beroepsopleidingsniveaus, en met name aan experimenten met opleidingen voor onderwijsgevenden en praktijkopleiders. Er is reeds veel ervaring opgedaan en in sommige gevallen wordt er al met een derde of vierde "generatie" beleidsdocumenten gewerkt, die voortbouwen op evaluaties van de inspanningen uit het verleden en gebaseerd zijn op breed overleg met al degenen die in de praktijk bij het onderwijs betrokken zijn. In alle lidstaten wordt een specifiek beleid voor de integratie van ICT in het onderwijs en de beroepsopleidingen noodzakelijk geacht.

In het kader van het eLearning-initiatief is reeds op verscheidene terreinen, zoals de opleidingen voor leerkrachten, het wetenschappelijk onderwijs, nieuwe leeromgevingen of virtuele universiteiten, een begin gemaakt met nauwe samenwerking met de lidstaten. Aan deze samenwerking moet in het nieuwe eLearning-programma een vervolg worden gegeven. Doel daarbij moet zijn om de reeds opgedane ervaringen te analyseren en te benutten en om "good practices" en de verschillende benaderingen voor vraagstukken van gemeenschappelijk belang in kaart te brengen.

3. Uitdagingen en kansen

3.1. De modernisering van de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels in Europa

3.1.1. Het hoger onderwijs

Universiteiten en instellingen voor hoger onderwijs spelen een hoofdrol bij de productie en verspreiding van kennis, bij sociaal, onderwijskundig en technologisch onderzoek, bij de opleiding van onderwijsgevenden en praktijkopleiders, en bij een van de kenmerken van de kennismaatschappij, namelijk voortdurende professionele ontwikkeling. Ze maken hoe langer, hoe meer gebruik van e-learning om de studie van de eigen studenten een meerwaarde te geven en om op en buiten de campus, met behulp van webgebaseerde middelen, flexibele en virtuele leermogelijkheden aan te bieden. Om in te spelen op de zich veranderende onderwijsmarkt en de uitdagingen van de concurrentie wereldwijd gaan sommige universiteiten partnerships van strategische aard aan en worden nieuwe bedrijfsmatige concepten overgenomen. De grootste successen worden tot nu toe evenwel nog steeds geboekt door aloude, gerenommeerde instellingen en niet zozeer door nieuwe wereldwijd opererende bedrijven. Deze laatste zijn er veelal niet in geslaagd zijn om duurzame bedrijfsconcepten of hoge standaards op het gebied van het leren uit te werken. Bij 'e-learning' blijkt eerder sprake te zijn van een belangrijke ontwikkeling dan van een omwenteling.

Op Europees niveau is reeds een begin gemaakt met veelbelovende samenwerking tussen de universiteiten. Ruim 700 Europese universiteiten waren betrokken bij grootschalige samenwerkingsprojecten en bij uitvoerige discussies en debatten over de organisatievorm van universiteiten en de onderwijskundige vereisten waaraan bij de invoering van nieuwe benaderingen en modellen in het onderwijs moet worden voldaan. Onderlinge concurrentie is in sommige gevallen een hinderpaal voor de bereidheid tot samenwerking, maar leidt ook tot nieuwe financierings- en onderzoeksmogelijkheden voor de universiteiten in Europa.

Ook bij de modelprojecten op het gebied van e-learning (open leren, leren op afstand, virtuele campussen, virtuele universiteiten, virtuele mobiliteit) was er volop gelegenheid om na te denken over de organisatievorm van de universiteiten, de curricula of een Europese strategie, om een evaluatie te maken van de impact van ICT voor de onderlinge verhouding tussen docenten en studenten, om de deuren van de universiteiten open te gooien voor nieuwe doelgroepen, en om maatregelen te nemen in de richting van voortdurende professionele ontwikkeling en levenslang leren. Uit andere modelprojecten kwam naar voren dat kwalitatief goede e-learningdiensten mensen met deskundigheid op een bepaald vakgebied of afnemers in het bedrijfsleven grote mogelijkheden bieden en een goede nieuwe bron van inkomsten voor de universiteiten kunnen zijn.

Op het gebied van het afstandsonderwijs is door vertegenwoordigers van tien netwerken, zoals de European Association of Distance Teaching Universities (EADTU) en de European Federation for the Education of the Children of the Occupational Travellers (EFECOT), een "Liaison Committee of the European Open and Distance Learning Networks" [17] opgericht. De European Association of Universities, waarin ruim 500 universiteiten verenigd zijn, is permanent waarnemer in dit "comité de liaison".

[17] Internetsite en links naar 13 organisaties, waarbij het merendeel van de Europese universiteiten aangesloten is: http:www.odl-liaison.org

Bij de voorbereidingen voor dit eLearning-programma is een werkgroep voor e-learning opgericht, waarin vertegenwoordigers van traditioneel werkende universiteiten en open universiteiten zitting hebben. De deelnemers in deze werkgroep zijn tot de conclusie gekomen dat een nieuw programma voor e-learning tot meer helderheid over het 'hoe' en 'waarom' van ICT-gebruik in het onderwijs moet bijdragen en dat de nadruk moet komen te liggen op nieuwe onderwijsmethoden en -omgevingen. Met virtuele campussen en webgebaseerde middelen kunnen nieuwe studenten worden bereikt en kan worden voldaan aan onderwijsbehoeften, waarin tot nu toe niet voldoende voorzien is. De deelnemers bevelen aan om nog intensiever gebruik te maken van de ervaring die reeds door de universiteiten is opgedaan, om voor een betere monitoring te zorgen en om voort te bouwen op dat wat reeds voorhanden is. De verschillende scenario's voor virtuele universiteiten moeten beter geanalyseerd worden, zodat ze eventueel in heel Europa overgenomen kunnen worden.

3.1.2. Het onderwijs op school

Op school wordt hoe langer, hoe meer nadruk gelegd op de kwaliteit van e-learningproducten en -diensten en de onderwijskundige context waarin ze worden gebruikt. Naast vraagstukken in verband met de connectiviteit en infrastructuur gaat de aandacht steeds meer uit naar vraagstukken die te maken hebben met e-learning-content, de opleiding van leerkrachten en de implicaties op organisatorisch vlak, met inbegrip van de nieuwe vormen van sociale interactie binnen en buiten school.

Bij de opleiding van leerkrachten en op het gebied van het schoolmanagement is de trend dat er minder nadruk op de 'e' van e-learning en meer nadruk op het 'lerende' element in het proces wordt gelegd. Of er op succesvolle wijze gebruik wordt gemaakt van nieuwe e- learning-content en -diensten hangt voor een groot deel af van de manier waarop het onderwijs gegeven wordt en het engagement van de onderwijsgevenden. In het geval er voortgezette opleidingen gegeven worden, vinden leerkrachten ondersteuning om nog meer met elkaar samen te werken, om eigen onderwijsmateriaal te ontwikkelen, het eigen onderwijs te evalueren en zodanig gebruik te maken van technologie dat hun eigen benaderingen van onderwijs en leren erop vooruitgaan. De onderwijskundige context is in dit verband zeer belangrijk en er moet dan ook meer inzicht worden verkregen in de vraag welke factoren bepalend zijn voor het succes van goede manieren van werken ("good practice").

Ook in het kader van de scholen is een begin gemaakt met veelbelovende Europese samenwerking. Ruim 5.000 scholen hebben direct of indirect deelgenomen aan de activiteiten, waaraan in het kader van Europese onderwijsprogramma's steun wordt verleend. Uit het merendeel van de modelexperimenten komt naar voren dat vernieuwingen het resultaat van wisselwerkingen tussen drie categorieën factoren zijn, namelijk ICT-gebruik, benaderingen voor het leren, en specifieke onderwijscontexten. Dit brengt vraagstukken met zich mee naar bijvoorbeeld de ruimte en tijd die momenteel op school voor het leren wordt ingeruimd.

Van alle veelbelovende voorbeelden van samenwerking moet hier vooral de oprichting en ontwikkeling van het Europese schoolnet (EUN) genoemd worden, dat in 1998 in het leven geroepen is om tot samenwerking tussen de Europese ministeries van onderwijs bij ICT en onderwijsvraagstukken te komen en nu 23 ministeries van onderwijs uit heel Europa telt. Het EUN runt een aantal belangrijke onderzoeksprojecten, een netwerk van scholen die met vernieuwingen werken, verscheidene bewustmakingscampagnes en communicatiediensten. De EUN-portalen [18] bevatten ook links naar de meewerkende ministeries van onderwijs en naar e-learningmateriaal dat door leerkrachten ontwikkeld is.

[18] www.eun.org en schoolnet.eun.org.

In de voorbereidingsfase van het eLearning-programma zijn verscheidene workshops gehouden. De conclusie van deze workshops was dat het van groot belang is dat er een betere analyse wordt gemaakt van het leerproces en de specifieke bijdrage die ICT in de verschillende contexten kan leveren. De nadruk ligt nu meer dan ooit op de te evalueren en inzichtelijk te maken toegevoegde waarde van ICT voor het leren en de aandacht verschuift van technologische aspecten naar het leren zelf en naar de communicatie-aspecten. In andere in het verlengde van het "Verslag over de concrete doelstellingen van de onderwijsstelsels" gehouden workshops is om monitoring, evaluaties en peer-reviews van de manieren van werken en reeds opgedane ervaringen in het onderwijs verzocht.

Op de bijeenkomst van de Europese Raad in Barcelona hebben de staatshoofden en regeringsleiders de Commissie om een verslag over de haalbaarheid van jumelages tussen scholen op Europees niveau gevraagd. In het verslag [19] van de Commissie wordt beschreven hoe ICT zinvol zou kunnen worden gebruikt om de virtuele en fysieke mobiliteit te bevorderen en om alle jonge Europeanen in hun tijd op school de gelegenheid te geven om, tezamen met de docenten, deel te nemen aan een onderwijsproject met leerlingen en leraren in andere Europese landen. Hier ligt een kans die voor de bevordering van de Europese dimensie in het onderwijs een mijlpaal zou kunnen worden en jongeren bewust kan maken van het veeltalige en multiculturele Europese maatschappijmodel. Internetgebaseerde gemeenschappen voor e-learning kunnen tot verbeteringen in het leren van vreemde talen, de dialoog tussen de culturen en het onderlinge begrip leiden.

[19] Verslag over jumelages: COM(2002)283/F-1.

3.1.3. Leren op het werk

In de wereld van het werk ligt de nadruk op kostenbesparingen en op in de werkomgeving ingebedde, just-in-time opleidingen. Nu vaardigheden en competenties in verband met de snel veranderende behoeften van ondernemingen en de arbeidsmarkt telkens moeten worden bijgesteld, blijkt e-learning als kosteneffectieve oplossing heel populair te zijn (e-learning voorziet op het ogenblik bijvoorbeeld in ruim 60% van de opleidingsbehoeften van de belangrijkste spelers in de ICT-branche). "Bedrijfsuniversiteiten" zijn hier, vooral in de sector van de informatietechnologie, het meest ver mee. Maar ook voor kleine en middelgrote ondernemingen biedt e-learning duidelijk in het oog springende voordelen, daar zij zich vanuit het oogpunt van kosten en tijd geen scholingsmaatregelen voor het eigen personeel kunnen veroorloven. Er zullen evenwel nog meer inspanningen nodig zijn, om ervoor te zorgen dat kleine ondernemingen inzicht verwerven in de instrumenten en methoden voor e-learning, daaraan overeenkomstig de eigen behoeften vorm leren geven en daarmee ook leren werken.

Vooral als het om het telkens opnieuw aanpassen van informatie en cursussen aan zich snel veranderende markteisen, milieu-voorschriften en wet- en regelgeving gaat, heeft e-learning grote voordelen te bieden. De inhoud van een e-learningcursus voor vakmensen in kleine gieterijen, bijvoorbeeld, kan snel op de nieuwste stand worden gebracht, als de regelgeving voor het werk met chemische stoffen gewijzigd is.

In de mededeling over eEconomie [20] wordt onderstreept dat het aan de tijd is om iets aan de tekorten aan vaardigheden op het gebied van ICT en e-business te doen en de uitwerking van e-learningoplossingen te bevorderen. Ook op de topconferentie over e-vaardigheden is om meer investeringen in levenslang leren met behulp van e-learning verzocht. [21]

[20] COM (2001) 711 def. van 29.11.2001.

[21] Verklaring van de Europese top over e-vaardigheden, 16-18 oktober 2002, Kopenhagen, (definitieve ontwerptekst).

Van mensen wordt in toenemende mate geëist dat ze meer verantwoordelijkheid voor hun eigen leren nemen en dat eigen leren ook zelf in de hand nemen. Ondernemingen stappen hoe langer, hoe meer van centrale, gestandaardiseerde scholingsmaatregelen af en gaan over op een systeem waarin in het zelfleren van de werknemers geïnvesteerd wordt. Dit proces waarbij de lerende de mogelijkheid krijgt om een goede afstemming te vinden tussen de eigen behoefte aan persoonlijke ontwikkeling en de zich snel veranderende eisen in de wereld van het werk wordt door e-learning eenvoudiger. E-learning levert zo een positieve bijdrage aan de ontwikkeling van het human capital en aan de verbetering van de kwaliteit van het werk. [22]

[22] COM(2001)313 def. van 20.6.2001, Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's Werkgelegenheids- en sociaal beleid: een kader voor het investeren in kwaliteit.

3.2. Levenslang leren: een nieuw paradigma

In de mededeling van de Commissie 'Een Europese ruimte voor levenslang leren realiseren' [23], alsook in het werkdocument van de Commissie en in de resolutie van de Raad over integratie in de kennismaatschappij (e integratie) [24] is vastgesteld dat e-learning een belangrijk instrument voor de verwezenlijking van beide doelstellingen is.

[23] COM (2001) 678 def.

[24] SEC(2001)1428 (18.09.2001).

Door werkgroepen is erop gewezen dat er ten aanzien van e-learningmethoden en -middelen in toenemende mate behoefte is aan informatie en begeleiding en aan openbaar toegankelijke toegangspunten tot het internet. Dergelijke gebruikersvriendelijke toegangspunten zouden moeten worden ondergebracht in bibliotheken, bij culturele instellingen en op andere goed toegankelijke plaatsen. Lokale en regionale overheidsinstanties hebben hier een belangrijke rol te spelen. Daarnaast is er tevens dringend behoefte aan een overheidsbeleid, dat bij de bevordering van de motivatie om te leren en de waardering van het leren als motor kan fungeren.

Om ervoor te zorgen dat e-learningmiddelen een betere bijdrage aan de leerprocessen leveren, is het van groot belang dat de producten en methoden voor e-learning toegesneden worden op de individuele behoeften en leerstijlen van mensen en er niet uitgegaan wordt van "een uniform" concept, dat alle lerenden als een enkele "standaardeenheid" beschouwt.

Wil e-learning een doeltreffende bijdrage aan de realisatie van de centrale doelstelling uit 'Een Europese ruimte voor levenslang leren realiseren' leveren, dan zullen leerkrachten en praktijkopleiders niet alleen een cruciale rol moeten spelen bij het gebruik van de middelen voor e-learning, maar ook bij de ontwikkeling daarvan. Zij zullen de producenten van het materiaal ideeën, feedback en adviezen moeten verstrekken over de kwaliteit van de middelen en over de mogelijkheden om daarmee op uiteenlopende behoeften in te spelen. De producten en diensten voor e-learning moeten daarenboven afgestemd zijn op individuele leerstijlen en ertoe bijdragen dat mensen hun verantwoordelijkheid op het gebied van het leren kunnen nemen en aan het proces van het levenslange leren kunnen deelnemen.

3.3. Partnerships tussen de publieke en de private sector

De behoefte aan mogelijkheden voor levenslang leren en aan scholingsmogelijkheden brengt op zijn beurt weer mee dat er nieuwe modellen uitgewerkt moeten worden voor de voorziening met leermiddelen en de financiering daarvan. Op de bijeenkomst van de Europese Raad in Lissabon is bijvoorbeeld om de oprichting van databanken over leermogelijkheden en om een koppeling met databanken over arbeidsmogelijkheden gevraagd. Daarnaast is geappelleerd aan de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen, die het verzoek gekregen hebben om mee te helpen voorzien in de nieuw ontstane behoeften. Uiteindelijk levert dit voor de ondernemingen ook grote winst op; ze krijgen namelijk de beschikking over goed opgeleid personeel. Het Comité van de Regio's heeft er met nadruk op gewezen dat lokale en regionale overheidsinstanties, niet-gouvernementele organisaties (NGO's) en de sociale partners betrokken zouden moeten worden bij een partnership tussen de publieke en de private sector, aangezien zij als centrale spelers een belangrijke rol bij de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van het leren te spelen hebben.

Op de eLearning Summit [25], die op 10 en 11 mei 2001 plaatsvond, is een begin gemaakt met veelbelovende samenwerking in de richting van succesvolle partnerships tussen overheidsinstanties en ondernemingen die werkzaam zijn op het gebied van ICT, e-learning en media. Dit heeft ertoe geleid dat de op dit terrein werkzame ondernemingen in april 2002 een zelfstandige werkgroep, de zogenaamde eLearning Industry Group (eLIG), in het leven geroepen hebben, die samen met de Europese Commissie, de nationale regeringen en de academische wereld aan vernieuwingsprojecten zal werken die de invoering van e-learning in Europa stimuleren.

[25] Slotverklaring (18.05.2001) van de Europese topconferentie over e-learning (La Hulpe, 10 en 11.05.2001).

De eLearning Industry Group [26] zal de Europese Commissie en de nationale regeringen in heel Europa van advies voorzien over vraagstukken als ICT-infrastructuur, open standaards voor een eenvoudigere uitwisseling van e-learning-content, de totstandbrenging van een duurzame markt voor e-learning-content, en de ontwikkeling van de belangrijkste arbeidsmarktrelevante en persoonlijke vaardigheden. De werkgroep heeft met het oog op de ontwikkeling van e-learning in Europa voor vier projecten gekozen, die in de pas lopen met de algemene prioriteiten van de Europese programma's op het gebied van onderzoek en onderwijs. Het gaat om: connectiviteit; open standaards voor e-learning; professionele ontwikkeling van leerkrachten en praktijkopleiders, en Europese platforms ter verspreiding en uitwisseling van content.

[26] De initiatiefnemers en belangrijkste leden van de eLIG zijn: 3Com, Accenture, Apple, BT, Cisco, Digitalbrain, IBM, Intel, Line Communications, NIIT, Nokia, Online Courseware Factory, Sanoma WSOY, Sun Microsystems en Vivendi Universal Publishing.

3.4. E-learning-content en -diensten van hoge kwaliteit

Voor de verbetering van het onderwijs en de beroepsopleidingen heeft informatie- en communicatietechnologie (ICT) een groot aantal mogelijkheden te bieden. Informatie- en communicatietechnologie ondersteunt het leerproces, doordat er dankzij ICT meer mogelijkheden voor communicatie, ontdekkingen, simulaties, verkenningen, het oplossen van problemen, enz. ontstaan. In het kader van het programma zal bijzondere aandacht worden besteed aan de specifieke bijdrage die ICT in de verschillende contexten kan leveren en aan de voorwaarden die de ontwikkeling van e-learning-content en -diensten van hoge kwaliteit kunnen bevorderen. Door nieuwe leermethoden kunnen zich ingrijpende en nog nader te verkennen veranderingen voordoen in onderwijsinhoud en onderwijsvakken, in de capaciteiten - die mensen met behulp van verschillende media ontwikkelen - en in de kennismechanismen, waarop bij de verschillende vakken een beroep wordt gedaan.

Aangezien er niet voldoende rekening is gehouden met de behoeften van de lerenden en de aard van datgene wat geleerd moet worden, is met tal van eerdere inspanningen op het gebied van e-learning geen succes geboekt. Doordat er geen of niet voldoende mogelijkheden voor sociale interactie waren, kwamen de lerenden vaak in een isolement terecht. Wat mensen moesten leren, was precies voorgeschreven. Er was geen sprake van flexibiliteit en voor aanpassingen aan de behoeften van de afzonderlijke lerende was geen enkele ruimte. Nu we echter meer inzicht beginnen te krijgen in e-learning (met name in de vraag hoe en wanneer er met e-learning moet worden gewerkt) en de technologie voortdurend verder ontwikkeld wordt ( met name de grote mogelijkheden van het internet), worden de voordelen van e-learning steeds duidelijker zichtbaar. Door de combinatie van traditionele onderwijsformules met vernieuwende onderwijstrajecten ontstaan er voor de lerenden hoe langer, hoe meer mogelijkheden om onderling contacten - zowel face to face als op afstand - aan te knopen.

In verband met deze 'gemengde', flexibele aanpak van e-learning is het van essentieel belang dat er nieuwe benaderingen voor e-learning-content en -diensten ontwikkeld worden.

Hoewel de Commissie zelf geen content kan produceren en ook geen nieuwe e-learningdiensten op kan zetten, kan ze er wel in hoge mate toe bijdragen dat er goede voorwaarden voor duurzame markten en investeringen van de zijde van de publieke sector ontstaan. Daarbij moet met name aandacht worden besteed aan de vraagstukken die te maken hebben met intellectuele eigendomsrechten, overeenkomsten op het gebied van de auteursrechten, nieuwe distributiemethoden en de verspreiding van internationaal aanvaarde standaards en open software.

Op de wereldmarkt voor e-learningproducten en -diensten zal zich naar verwachting in de komende jaren een enorme groei voordoen. Dit is zowel een uitdaging als een kans voor de Europese onderwijssystemen en de desbetreffende economische sectoren, zoals de sector van de multimedia publishing. Uit de recente teruggang in de ICT-sector en de fusies op de markt voor e-learningproducten is evenwel gebleken dat het een en ander wellicht niet zo snel en probleemloos zal verlopen als oorspronkelijk verwacht werd.

De Europese multimedia-sector heeft hierdoor ook volop de gelegenheid om zijn opgelopen achterstand weg te werken. Voorwaarde hiervoor is dat er inzicht wordt verworven in de vraag hoe met publieke en private investeringen een onderwijsoutput van hoge kwaliteit kan worden bereikt en dat er vanuit die nieuw verworven inzichten verder gewerkt wordt.

3.5. Bestrijding van de digitale kloof

De totstandbrenging van een kennismaatschappij en een kenniseconomie brengt het risico met zich mee dat er een nieuw soort sociale achterstand - een digitale kloof - gaat ontstaan. Het niet gemakkelijk toegang hebben tot het internet of het niet zeker kunnen omgaan met ICT-tools is een hinderpaal voor sociale intergratie en persoonlijke ontwikkeling aan het worden. In een paar jaar tijd is het kunnen omgaan met ICT-gebaseerde tools bij het merendeel van de banen in de productiesector en dienstverlening een absolute vereiste geworden. Dankzij e-overheid hebben burgers nu veel gemakkelijker en gebruikersvriendelijker toegang tot overheidsdiensten. Hetzelfde kan gezegd worden van e-gezondheidszorg Maar wat voor de een vooruitgang is, is voor de ander er nog weer een hinderpaal bij. Dit geldt vaak voor mensen en groepen die reeds onder de een of andere vorm van sociale uitsluiting te lijden hebben.

Een belangrijke stap bij de bestrijding van de digitale kloof moet in het onderwijs gezet worden. Het gaat hier om de bevordering van de digitale geletterdheid. Er zal moeten worden voorzien in alle behoeften die op het gebied van de digitale geletterdheid bestaan en daarbij zal rekening moeten worden gehouden met de vele facetten die verbonden zijn aan de vraag hoe ervoor gezorgd kan worden dat het omgaan met internet en elektronische apparatuur een gewone alledaagse bezigheid wordt. Om gebruik te kunnen maken van het internet, zijn enerzijds grondige kennis van de moedertaal en andere talen en elementaire computervaardigheden vereist. Anderzijds ontstaat er ook vraag naar een heel scala aan nieuwe competenties, zoals mediacompetenties, het vermogen om nieuwe digitale diensten te ontwikkelen, tot stand te brengen en te benutten, en het vermogen om nieuw materiaal voor het onderwijs en spelletjes te ontwerpen. De landen in Europa moeten aandacht besteden aan het hele scala aan vereiste kennis en kunde en het op de verwerving van basisvaardigheden gerichte onderwijs opnieuw tegen het licht houden. Alleen als dit gedaan wordt, kunnen de fysieke grenzen van het klaslokaal doorbroken worden en kan het internet met al zijn toegangsmogelijkheden tot verschillende informatie- en communicatie-omgevingen als stimulans voor het leren gaan fungeren.

In de conclusies van de bijeenkomst van de Europese Raad te Lissabon, waarin de politieke richtsnoeren voor de ontwikkeling van de Europese kennismaatschappij uiteengezet worden, wordt het belang van een sociaal samenhangende aanpak onderstreept, waarmee het ontstaan van een digitale kloof voorkomen kan worden. De activiteiten van de Gemeenschap op dit gebied lopen grotendeels via de Structuurfondsen. In het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling worden "regionale initiatieven voor de informatiemaatschappij" (RISI) en innovatieve acties gefinancierd, waarin in veel gevallen ook onderdelen opgenomen zijn die met onderwijs en beroepsopleidingen te maken hebben. Het Europees Sociaal Fonds is op de behoeften van kansarme groepen gericht, en in het bijzonder op werklozen, mensen die het risico lopen om werkloos te worden, mensen in geïsoleerde gebieden of gebieden met een ontwikkelingsachterstand, of mensen die bijzondere problemen of behoeften hebben. Van de ervaring die met dit soort activiteiten is opgedaan, moeten ook andere regio's en gebruikers kunnen gaan profiteren. Daartoe moet de uitwisseling van "good practices" eenvoudiger worden gemaakt en dienen er links te worden gelegd met het algemene onderwijs- en beroepsopleidingsbeleid.

4. Het waarom van specifieke activiteiten

Uit het voorgaande blijkt hoe belangrijk het is dat de uitdagingen op het gebied van e-learning, waarmee we op dit moment te maken hebben, opgepakt worden.

De Gemeenschap beschikt over een heel breed scala aan instrumenten en programma's voor de ontwikkeling van e-learning, van het regionale beleid of het telecommunicatiebeleid tot technologisch onderzoek of de verordening voor intellectuele eigendom toe, om de onderwijs- en beroepsopleidingsprogramma's maar even buiten beschouwing te laten. Al deze activiteiten worden, ondanks hun mogelijke synergie-effecten, vaak los van elkaar tot uitvoering gebracht en de resultaten ervan zijn dikwijls ook niet op grote schaal bekend. Het eLearning-actieplan, dat op méér zichtbaarheid en samenhang gericht was, beoogde om precies op dit soort problemen een antwoord te geven.

Het onderhavige voorstel, dat het actieplan omvormt tot een programma, moet de monitoring- en coördinatie-activiteiten uit het actieplan aanvullen met een selecte reeks strategische activiteiten op een aantal terreinen, die hoge prioriteit hebben. Deze activiteiten moeten tot meer inzicht leiden in de vraag wat de daadwerkelijke impact van ICT en het internet op de prioritaire terreinen is, wat de daadwerkelijke problemen en mogelijkheden van ICT zijn, welke factoren tot een succesvol ICT-gebruik leiden en hoe met deze factoren moet worden gewerkt. De activiteiten moeten voorts uitmonden in een betere structurering van de Europese samenwerking op de genoemde terreinen, de ontwikkeling van methoden, content en diensten voor e-learning bevorderen, en samenwerking en discussies stimuleren.

De voorgestelde activiteiten zijn zodanig van aard dat de traditionele grenzen tussen het op school gegeven onderwijs, het hoger onderwijs, de beroepsopleidingen en de volwasseneneducatie overschreden worden. Door e-learning wordt namelijk een heel scala aan partnerships - partnerships binnen de publieke sector, partnerships tussen de publieke en private sector, partnerships binnen de private sector - haalbaar. Scholen zullen bijvoorbeeld nauwer kunnen gaan samenwerken met andere instellingen waar kennis aanwezig is, zoals musea, culturele centra, fabrieken, ziekenhuizen, bibliotheken, enz. Universiteiten en centra voor beroepsopleidingen kunnen samen met het bedrijfsleven aan virtuele leerplaatsen voor leerling-werknemers en aan méér mogelijkheden voor contextgerelateerd leren werken. Kleine en middelgrote ondernemingen zouden tezamen met lokale en regionale overheidsinstanties en belangenorganisaties van het bedrijfsleven in gezamenlijke opleidingsbehoeften kunnen voorzien.

Hoewel in het kader van de huidige onderwijs- en beroepsopleidingsprogramma's (Socrates en Leonardo da Vinci) al steun wordt verleend voor de invoering van nieuwe technologie in het onderwijs, resp. bij de beroepsopleidingen, kunnen de voordelen van e-learning alleen gestalte krijgen in een programma dat de grenzen van het onderwijs en de beroepopleidingen overstijgt en een echt perspectief voor levenslang leren biedt. Daarnaast biedt een nieuw programma ook de mogelijkheid om nieuwe, flexibelere manieren van werken uit te testen, die beter aansluiten op het innovatieve karakter van e-learning.

5. prioriteiten en doelstellingen

Voorgesteld wordt om een programma voor financiële steun goed te keuren, dat voornamelijk tot doel heeft om de kwaliteit en toegankelijkheid van de Europese onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels door middel van een doeltreffende integratie van nieuwe technologie (e-learning) te verbeteren en om zo de activiteiten van de lidstaten op dit terrein te ondersteunen en aan te vullen. Het is de bedoeling dat dit programma een substantiële bijdrage levert aan de invulling van de strategie, die in Lissabon overeengekomen is. Daar er zeer weinig ruimte op de begroting is, dient er voor het programma voor een beperkt aantal prioritaire terreinen te worden gekozen. Deze keuze is gemaakt na afloop van uitgebreid overleg met Europese onderwijsnetwerken, werkgroepen en deskundigen en haakt in op de ervaringen die met het actieplan zijn opgedaan. De vier prioritaire terreinen worden tezamen met de afzonderlijke doelstellingen voor iedere prioriteit hieronder uiteengezet. Het eLearning-programma beoogt elk van deze prioritaire terreinen op coherente en consistente wijze aan te pakken en daarbij relevante informatie voor het te ontwikkelen beleid te leveren, de uitwisseling van ervaringen en "good practice" te bevorderen, en voort te bouwen op de waardevolle middelen voor e-learning waarover Europa beschikt:

- Bestrijding van de digitale kloof. Hier wordt aandacht besteed aan de bijdrage die ICT op het gebied van het leren kan leveren en daarbij wordt met name gekeken naar degenen die - door hun woonplaats in geografisch afgelegen gebieden, hun sociale situatie of specifieke behoeften - geen gebruik kunnen maken van de traditionele onderwijs- en beroepsopleidingsvoorzieningen. Doel is om de aandacht te vestigen op en inzicht te krijgen in de vraag hoe ICT deze kansarme groepen bij de verwerving van de nieuwe basisvaardigheden en competenties voor de kennismaatschappij kan helpen. In dit kader zullen goede praktijkvoorbeelden in kaart worden gebracht en zullen synergie-effecten ontwikkeld worden tussen het grote aantal nationale en Europese projecten voor de genoemde doelgroepen.

- Universiteiten en instellingen voor hoger onderwijs. Hier wordt prioriteit gegeven aan een betere integratie van de virtuele dimensie in de fysieke mobiliteit, kwaliteitsborging en de programma's voor onderlinge erkenning in het kader van het Bologna-proces. Doel is om de ontwikkeling van nieuwe organisatiemodellen voor Europese universiteiten (virtuele campussen) en Europese uitwisselingsprogramma's (virtuele mobiliteit) te stimuleren, daarbij voort te bouwen op de bestaande raamwerken voor samenwerking (het Erasmus-programma, het Bologna-proces) en de hier te hanteren instrumenten (ECTS, Europese Master-opleidingen; kwaliteitsborging; mobiliteit) een "op e-learning gerichte dimensie" te geven.

- Jumelages tussen scholen via internet. Deze prioriteit geeft een invulling aan het verzoek van de Europese Raad, die op zijn bijeenkomst in Barcelona vastgesteld heeft dat jumelages tussen scholen jongeren de mogelijkheid geven om ICT-vaardigheden te verwerven en toe te passen en hen bewuster maken van het meertalige en multiculturele maatschappijmodel in Europa. Doel is om het netwerken van scholen - met name door middel van een heel Europa omvattend jumelage-programma - te bevorderen en verder uit te bouwen. Dit programma moet het voor alle scholen in Europa mogelijk maken om met scholen elders in Europa onderwijspartnerships aan te gaan, en dient zo het leren van talen en de dialoog tussen de culturen te bevorderen.

- Transversale activiteiten ter bevordering van e-learning in Europa, die voortbouwen op de monitoring-activiteiten van het eLearning-actieplan. Het doel van de activiteiten is het verspreiden, bevorderen en invoeren van "good practices" en producten uit het grote aantal projecten en programma's dat op Europees niveau of door de lidstaten gefinancierd is, alsook het versterken van de samenwerking tussen de verschillende betrokken actoren, met name door de stimulering van partnerships tussen de publieke en de private sector.

Om de doelstellingen te kunnen verwezenlijken, wordt in het kader van het programma financiële steun verstrekt voor de volgende categorieën activiteiten:

- een reeks activiteiten van strategische aard die verband houden met de hierboven genoemde doelstellingen, zoals analyses van het nut van de tot stand gebrachte open leercentra en uitwisseling van de daarmee opgedane ervaringen in Europees verband; uitwerking van specifieke « e-learningoplossingen» voor de samenwerkingsovereenkomsten tussen universiteiten in het kader van het Erasmus-programma; totstandbrenging van een regionaal netwerk voor steun en onderwijskundige begeleiding voor de jumelages tussen scholen;

- een reeks activiteiten van strategische aard die, door middel van gerichte workshops, seminars, studies, rapporten, enz. en met behulp van een Europese "virtuele infrastructuur" voor samenwerking en uitwisseling (zoals bijvoorbeeld een Europees portaal voor e-learning) tot een stelselmatige identificatie, analyse en uitwisseling van "good practices" leiden;

- ontwikkeling en totstandbrenging van monitoring-, analyse- en prognose-instrumenten voor e-learning in Europa, incl. specifieke surveys, studies en bijeenkomsten van deskundigen die een beeld opleveren van de daadwerkelijke toepassing van e-learning binnen de uiteenlopende onderwijscontexten, alsook samenwerking met bestaande internationale projecten (zoals bijvoorbeeld PISA van de OECD);

- uitwerking van een virtuele structuur voor de tijdige verspreiding van relevante informatie over e-learning in Europa, die op de behoeften van de academische wereld, het bedrijfsleven en de beleidsmakers afgestemd is en voortbouwt op de hierboven genoemde activiteiten; in dit verband ook samenwerking met Eurostat, de Europese Investeringsbank en de OECD;

- monitoring van het eLearning-actieplan; bundeling van relevante e-learningprojecten uit, onder andere, de onderwijs-, beroepsopleidings- en onderzoeksprogramma's en van de projecten in het kader van de Structuurfondsen om doeltreffende synergie-effecten te realiseren en de « kritische massa » te bereiken die nodig is voor de invoering van e-learning in de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels; op basis hiervan eventueel totstandbrenging van nieuwe platforms voor samenwerking met alle belanghebbenden bij het onderwijs;

- gerichte evenementen (conferenties, seminars, workshops, enz.) om de aandacht op de activiteiten van het eLearning-programma te vestigen, de samenwerking tussen betrokken partijen en lidstaten te bevorderen, en een doeltreffende transfer van e-learningmethoden, -content en -diensten uit het publieke domein mogelijk te maken.

-

2002/0303 (COD)

Voorstel voor een BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot goedkeuring van een meerjarenprogramma (2004-2006) voor de doeltreffende integratie van informatie- en communicatietechnologie (ICT) in de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels in Europa (eLearning-programma)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid artikel 149, lid 4 en artikel 150, lid 4,

Gezien het voorstel van de Commissie [27],

[27] PB C [...], [...], blz. [...].

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [28],

[28] PB C [...], [...], blz. [...].

Gezien het advies van het Comité van de Regio's [29],

[29] PB C [...], [...], blz. [...].

Volgens de procedure in artikel 251 van het Verdrag,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De verdere ontwikkeling van open leren en leren op afstand en de invoering van informatie- en communicatietechnologie maken deel uit van de doelstellingen van het Socrates-programma [30] voor het onderwijs en het Leonardo da Vinci-programma [31] voor de beroepsopleidingen.

[30] Besluit Nr. 253/2000/EG van 24 januari 2000, PB L28 van 3.2.2000, blz. 1-15.

[31] Besluit Nr. 382/1999/EG van 26 april 1999, PB L146 van 11.6.1999, blz. 33-47.

(2) In de conclusies van de bijeenkomst van de Europese Raad in Lissabon op 23 en 24 maart 2000 ("de Raad van Lissabon") wordt onderstreept dat de Europese onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels in moeten spelen op de behoeften van de kennismaatschappij. Als een van de drie hoofdelementen van de nieuwe aanpak wordt de bevordering van nieuwe basisvaardigheden, en met name van vaardigheden op het gebied van de informatietechnologie, genoemd.

(3) In de conclusies van de bijeenkomst van de Europese Raad in Lissabon wordt ertoe opgeroepen om in mensen te investeren en wordt onderstreept dat voorkomen moet worden dat de opkomende nieuwe economie de reeds bestaande werkloosheids-, uitsluitings- en armoedeproblematiek nog verergert. Daarnaast wordt om de bevordering van de digitale geletterdheid in de hele Unie gevraagd.

(4) In het actieplan eEurope 2002 [32], waarin de in Lissabon uitgestippelde strategie verder uitgewerkt wordt, is als onderwijsonderdeel een eLearning-initiatief gelanceerd en een reeks ambitieuze doelstellingen gepresenteerd, zoals aansluiting van scholen aan het internet en scholing van een voldoende aantal leerkrachten. E-learning maakt daarnaast ook deel uit van de beleidsmaatregelen die in het actieplan eEurope 2005 [33] opgenomen zijn.

[32] COM (2000) 330 def.

[33] COM (2002) 263 def.

(5) Als reactie op de bijeenkomst van de Europese Raad te Lissabon heeft de Commissie in mei 2000 het initiatief "eLearning: het onderwijs van morgen uitdenken" [34] gepresenteerd. De Europese Raad heeft dit initiatief in juni 2000 op zijn bijeenkomst te Feira onderschreven. In maart 2001 heeft de Europese Raad te Stockholm tevens nota genomen van de positieve resultaten van het initiatief.

[34] COM(2000) 318 def.

(6) In het "eLearning-actieplan" [35] hebben de vier actielijnen uit het eLearning-initiatief (infrastructuur en uitrusting, scholing, Europese content en diensten van hoge kwaliteit, samenwerking op alle niveaus) een vertaling gekregen in tien belangrijke actiepunten. Daarbij zijn alle verschillende programma's en instrumenten van de Gemeenschap met het oog op een grotere samenhang, synergie-effecten en een betere toegankelijkheid voor de gebruikers bij elkaar gebracht.

[35] COM(2001) 172 def.

(7) Over beide mededelingen is door het Europees Parlement een resolutie aangenomen [36], waarin erkend wordt dat het eLearning-initiatief een bijdrage levert aan de verbreiding van het idee van 'één enkele Europese onderwijsruimte', die een aanvulling op de Europese ruimte voor onderzoek en de interne markt vormt. Er wordt toe opgeroepen om het initiatief door middel van een nieuw specifiek en op zichzelf staand programma met een duidelijke rechtsgrondslag verder uit te bouwen, overlappingen met bestaande programma's te vermijden en voor meer zichtbaarheid en meerwaarde van de activiteiten van de Gemeenschap te zorgen.

[36] COM(2000) 318 - C5-0741/2000 en COM(2001) 172 - C5-0151/201 - 2000/23337 (COS).

(8) Het Europees Parlement [37], het Europees Economisch en Sociaal Comité [38] en het Comité van de Regio's [39] hebben positieve adviezen over het eLearning-initiatief uitgebracht.

[37] A5-152/2001 def. van 27 april 2001.

[38] PB C36 van 8.2.2002, blz. 63-71.

[39] PB C144 van 16.5.2001, blz.34-37.

(9) De Raad heeft het bovenstaande in zijn resolutie over e-learning [40] van 13 juli 2001 onderschreven en de Commissie verzocht om de activiteiten op dit terrein voort te zetten en te intensiveren.

[40] PB C 204 van 20.7.2001, blz. 3-5.

(10) De Commissie heeft op 21 november 2001 een mededeling getiteld "Een Europese ruimte voor levenslang leren realiseren" [41] aangenomen. In deze mededeling wordt erop gewezen dat e-learning grote mogelijkheden voor de uitwerking en realisatie van nieuwe onderwijsformules voor levenslang leren te bieden heeft.

[41] COM (2001) 678 def.

(11) De sociale uitsluitingsproblematiek die een gevolg is van het feit dat sommige mensen niet ten volle kunnen profiteren van de mogelijkheden die informatie- en communicatietechnologie (ICT) en het internet in de kennismaatschappij te bieden hebben, moet worden aangepakt. Van deze zogenaamde "digitale kloof" hebben dikwijls jongeren en sociale groepen te lijden, die al slachtoffer van andere vormen van sociale uitsluiting zijn. E-learning kan de samenhang in de maatschappij versterken en tegengaan dat nog meer mensen met sociale uitsluiting te maken krijgen.

(12) Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan het vraagstuk van de sekseverschillen bij e-learning en aan de bevordering van gelijke kansen op dit gebied.

(13) Met behulp van e-learning kan de Unie de uitdagingen van de kennismaatschappij oppakken. Daarnaast kan e-learning de kwaliteit van het leren verbeteren, de toegankelijkheid van leermiddelen vergroten, in specifieke behoeften - en met name in de behoeften van gehandicapten - voorzien, en het leren en opleiden op het werk, met name in kleine en middelgrote ondernemingen, doeltreffender en doelmatiger maken.

(14) In de verklaring van Bologna, die op 19 juni 1999 door 29 Europese ministers van onderwijs ondertekend is, wordt onderstreept dat het hoger onderwijs in Europa een Europese dimensie dient te krijgen en dat het van groot belang is dat er, vooral in verband met de curriculumontwikkeling, de uit te werken erkenningssystemen, de kwaliteitsborging, de mobiliteitsprogramma's, en integrale studie-, opleidings- en onderzoeksprogramma's voor docenten, onderzoekers en administratief personeel, een op e-learning gerichte dimensie ontwikkeld wordt.

(15) De Europese Raad heeft in de conclusies van zijn bijeenkomst te Barcelona in maart 2002 om activiteiten in de richting van jumelages tussen scholen in heel Europa gevraagd. In het verlengde van dit verzoek heeft de Commissie op de bijeenkomst van de Europese Raad in Sevilla een verslag over jumelages tussen scholen via internet [42] voorgelegd.

[42] COM (2002)283 def.

(16) Het onderwijs en de beroepsopleidingen hebben behoefte aan veeltalige, multiculturele en betaalbare Europese content en diensten van hoge kwaliteit. Daarnaast moet er een dynamische, publieke en private Europese markt [43] opgebouwd worden en dient er voor gezorgd te worden dat er gemakkelijker toegang kan worden verkregen tot multimedia voor leerdoeleinden.

[43] Beschikking nr. 2001/48/EG van de Raad tot vaststelling van een communautair meerjarenprogramma ter stimulering van de ontwikkeling en het gebruik van Europese digitale inhoud op de mondiale netwerken en ter bevordering van de taalkundige verscheidenheid in de informatiemaatschappij, PB L14 van 18.1.2001, blz.32.

(17) Om een grotere toegevoegde waarde bij de activiteiten van de Gemeenschap te bereiken, moet er voor coherentie en complementariteit tussen de activiteiten van onderhavig besluit en van ander relevant beleid en andere relevante instrumenten en activiteiten van de Gemeenschap worden gezorgd. Dit geldt met name voor de thematische prioriteit Technologie van de informatiemaatschappij in het zesde Kaderprogramma voor Onderzoek en Ontwikkeling [44].

[44] Besluit nr. 1513/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende het zesde kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, ter bevordering van de totstandbrenging van de Europese onderzoeksruimte en van innovatie (2002 to 2006), PB L232 van 29.8.2002, blz. 1.

(18) De kandidaat-lidstaten voor toetreding tot de Europese Unie en de EVA/EER-landen moeten aan het programma kunnen deelnemen. Deskundigen en onderwijsinstellingen uit andere derde landen moeten, in het kader van de bestaande samenwerking met derde landen, aan de uitwisseling van ervaringen deel kunnen hebben.

(19) Om bijstellingen en met name bijstellingen op het punt van de prioriteiten voor de implementatie van de maatregelen mogelijk te maken, dienen de Commissie en de lidstaten het programma regelmatig te evalueren en te monitoren. In het kader van deze evaluaties dient ook een externe evaluatie door onafhankelijke, onpartijdige instanties plaats te vinden.

(20) Daar het doel van de voorgestelde activiteiten - namelijk het bevorderen van de Europese samenwerking bij de verbetering van de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs en de beroepsopleidingen door middel van een doeltreffende invoering van e-learning - gezien de transnationale dimensie van de noodzakelijke activiteiten en maatregelen niet in afdoende mate door de lidstaten gerealiseerd kan worden, kan de Gemeenschap met inachtneming van artikel 5 van het Verdrag maatregelen nemen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel dat in het genoemde artikel vervat is, beperkt het onderhavige besluit zich tot dat wat voor de verwezenlijking van deze doelstellingen noodzakelijk is.

(21) In het onderhavige besluit wordt voor de gehele looptijd van het programma een financieel raamwerk vastgelegd. Dit raamwerk is in de zin van punt 33 van het op 6 mei 1999 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gesloten Interinstitutionele Akkoord met betrekking tot de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure het belangrijkste referentiepunt voor de begrotingsautoriteit.

(22) De maatregelen die voor de uitvoering van dit besluit noodzakelijk zijn, dienen te worden genomen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [45].

[45] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

BESLUITEN:

Artikel 1

Invoering van het programma

1. Bij dit besluit wordt een eLearning-programma ingevoerd, d.w.z. een meerjarenprogramma ter verbetering van de kwaliteit en toegankelijkheid van de Europese onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels door de doeltreffende integratie van informatie- en communicatietechnologie, hierna te noemen "het programma".

2. Dit programma wordt ten uitvoer gebracht in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2006.

Artikel 2

Doelstellingen van het programma

1. Hoofddoel van het programma is om een doeltreffend gebruik van informatie- en communicatietechnologie in de Europese onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels te bevorderen en eenvoudiger te maken en zo een bijdrage aan onderwijs van goede kwaliteit te leveren en een invulling te geven aan een essentieel element van het aanpassingsproces van de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels aan de eisen van de kennismaatschappij en het Europese model van maatschappelijke samenhang.

2. De specifieke doelstellingen van het programma zijn:

(a) wegen en middelen verkennen en bevorderen, die het mogelijk maken om e-learning voor de versterking van de samenhang in de maatschappij, de bevordering van de persoonlijke ontwikkeling, de stimulering van de dialoog tussen de culturen en de bestrijding van de digitale kloof in te zetten;

(b) de invoering van e-learning als sleutelfactor voor de implementatie van het idee van levenslang leren in Europa bevorderen en verder uitbouwen;

(c) de mogelijkheden van e-learning oppakken om de Europese dimensie in het onderwijs te versterken;

(d) gestructureerdere vormen van samenwerking op het gebied van e-learning mogelijk maken tussen de verschillende programma's en instrumenten van de Gemeenschap en de activiteiten van de lidstaten;

(e) mechanismen tot stand brengen die tot verbeteringen in de kwaliteit van producten en diensten leiden en een doeltreffende verspreiding en uitwisseling van "good practices" mogelijk maken.

Artikel 3

Programmaterreinen

1. De doelstellingen van het programma worden op de volgende terreinen en aan de hand van de in de bijlage beschreven actielijnen nagestreefd:

(a) Bestrijding van de digitale kloof: In de activiteiten op dit terrein wordt aandacht besteed aan de bijdrage die ICT op het gebied van het leren kan leveren en daarbij ligt de nadruk in het bijzonder op degenen die - door hun woonplaats in geografisch afgelegen gebieden, hun sociale situatie of specifieke behoeften - geen gebruik kunnen maken van de traditionele onderwijs- en beroepsopleidingsvoorzieningen. In dit kader worden goede praktijkvoorbeelden in kaart gebracht en synergie-effecten ontwikkeld tussen het grote aantal nationale en Europese projecten voor de genoemde doelgroepen. De activiteiten op dit terrein zullen vergezeld gaan van onderzoek en begeleid worden door een werkgroep van vooraanstaande deskundigen.

(b) Europese virtuele campussen: De activiteiten op dit terrein zijn op een betere integratie van de virtuele dimensie in het hoger onderwijs gericht. Doel is om de ontwikkeling van nieuwe organisatiemodellen voor Europese virtuele universiteiten (virtuele campussen) en Europese uitwisselingsprogramma's (virtuele mobiliteit) te stimuleren, daarbij voort te bouwen op de bestaande raamwerken voor Europese samenwerking (het Erasmus-programma, het Bologna-proces), en de in dit kader te hanteren instrumenten (ECTS, Europese Master-opleidingen; kwaliteitsborging; mobiliteit) een "op e-learning gerichte dimensie" te geven.

(c) Europese jumelages tussen scholen via internet: Met de activiteiten op dit terrein wordt het netwerken van scholen, met name door middel van een heel Europa omvattend programma voor jumelages tussen scholen, bevorderd en verder uitgebouwd. Dit jumelage-programma moet alle scholen in Europa de mogelijkheid bieden om onderwijspartnerships met andere scholen in Europa aan te gaan en bevordert zo het leren van talen en de dialoog tussen de culturen en vestigt de aandacht op het meertalige en multiculturele maatschappijmodel in Europa.

(d) Transversale activiteiten: De activiteiten op dit terrein zijn op de bevordering van e-learning in Europa gericht en bouwen voort op de monitoring-activiteiten van het eLearning-actieplan. Het doel van deze activiteiten is het verspreiden, bevorderen en invoeren van "good practices" en producten uit het grote aantal projecten en programma's dat op Europees niveau of door de lidstaten gefinancierd is, alsook het versterken van de samenwerking tussen de verschillende betrokken actoren, met name door de stimulering van partnerships tussen de publieke en de private sector.

2. De activiteiten op deze terreinen worden ten uitvoer gebracht overeenkomstig de in de bijlage beschreven procedures en met behulp van de volgende maatregelen die, waar nodig, met elkaar gecombineerd kunnen worden:

(a) steun voor strategische modelprojecten die een belangrijke impact kunnen hebben en duidelijk het vooruitzicht bieden dat er duurzaamheid op de lange termijn bereikt wordt;

(b) steun voor verder onderzoek naar en voor analyses en monitoring van de methoden, instrumenten en werkwijzen die bij de uitwerking en invoering van 'e-learningmodellen' in het onderwijs en de beroepopleidingen gehanteerd worden en van de trends die zich op dit gebied voordoen;

(c) steun voor strategische activiteiten van Europese netwerken en partnerships, die bevorderlijk zijn voor innovaties en tot een goede kwaliteit leiden bij de uitwerking en invoering van producten en diensten, die op een zinvolle toepassing van informatie- en communicatietechnologie (ICT) in het onderwijs en de beroepsopleidingen gericht zijn;

(d) steun voor Europese platforms voor informatieverspreiding, samenwerking en uitwisseling van "good practice";

(e) ondersteuning van technische en administratieve aard.

Artikel 4

Uitvoering van het programma en samenwerking met de lidstaten

1. De Commissie:

(a) ziet, overeenkomstig de bepalingen in de bijlage, toe op de uitvoering van de activiteiten van de Gemeenschap die onder dit programma vallen;

(b) streeft naar synergie-effecten met andere programma's en activiteiten van de Gemeenschap op het gebied van onderwijs, onderzoek, sociaal beleid en regionale ontwikkeling;

(c) stimuleert samenwerking en maakt samenwerking mogelijk met internationale organisaties die op het gebied van e-learning werkzaam zijn.

2. De lidstaten:

(a) nemen in nauwe samenwerking met de Commissie de vereiste stappen, vooral waar het om relevante informatie over e-learning en de manieren van werken op dit gebied gaat;

(b) nemen stappen om ervoor te zorgen dat er op het niveau van de lidstaten potentiële synergie-effecten met andere programma's van de Gemeenschap worden bereikt.

Artikel 5

Uitvoeringsmaatregelen

1. De onderstaande uitvoeringsmaatregelen in verband met het besluit worden overeenkomstig de in artikel 6, lid 2 vervatte beheersprocedure genomen:

(a) een jaarlijks werkprogramma, met inbegrip van prioriteiten, selectiecriteria en selectieprocedures;

(b) een jaarlijkse begroting met een uitsplitsing van de financiële middelen over de verschillende programmaterreinen, overeenkomstig artikel 9 en artikel 10;

(c) monitoring- en evaluatiemaatregelen voor het programma en maatregelen met het oog op de verspreiding en de transfer van de resultaten.

2. Alle andere uitvoeringsmaatregelen voor het besluit worden overeenkomstig de in artikel 6, lid 3 vervatte raadplegingsprocedure genomen.

Artikel 6

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité, dat uit vertegenwoordigers van de lidstaten bestaat en dat voorgezeten wordt door de vertegenwoordiger van de Commissie.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 4 en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing met inachtneming van de bepalingen in artikel 8.

De in artikel 4, lid 3 van Besluit 1999/468/EG genoemde termijn wordt vastgesteld op twee maanden.

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 3 en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing met inachtneming van de bepalingen in artikel 8.

4. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 7

Samenwerking met andere programmacomités en informatie over andere initiatieven van de Gemeenschap

1. Om de in artikel 8 bedoelde samenhang tussen dit programma en andere maatregelen te bereiken, brengt de Commissie het comité regelmatig op de hoogte van de initiatieven die de Gemeenschap op het gebied van het onderwijs, de beroepsopleidingen en jongeren, alsook bij de samenwerking met internationale organisaties, neemt.

2. De Commissie zorgt er voor dat informatie in verband met de uitvoering van het programma regelmatig aan andere betrokken programmacomités doorgegeven wordt.

Artikel 8

Samenhang en complementariteit

1. De Commissie draagt, in samenwerking met de lidstaten, zorg voor samenhang en complementariteit tussen het programma en ander relevant beleid en andere relevante instrumenten en activiteiten van de Gemeenschap, met name het Socrates-programma voor het onderwijs, het Leonardo da Vinci-programma voor de beroepsopleidingen en het programma Jeugd.

2. De Commissie zorgt voor een doeltreffende koppeling - en waar nodig voor gecoördineerde activiteiten - tussen dit programma en de programma's en activiteiten waarin de aandacht naar nieuwe technologie voor het onderwijs en de beroepsopleidingen uitgaat, en met name met de op onderzoek en technologische ontwikkeling gerichte activiteiten en demonstratieprojecten uit het zesde Kaderprogramma voor Onderzoek en Ontwikkeling [46].

[46] PB L 232 van 29.8.2002, blz.1

Artikel 9

Financiering

1. Voor de uitvoering van dit programma in de in artikel 1 bedoelde periode wordt 36 miljoen euro uitgetrokken.

2. De jaarlijkse kredieten worden binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten goedgekeurd door de begrotingsautoriteit.

Artikel 10

Uitsplitsing van de begrotingsmiddelen

1. De begrotingsmiddelen worden als volgt over de verschillende activiteiten verdeeld:

(a) e-learning ter bestrijding van de digitale kloof: zo'n 25% van de totale begroting

(b) Europese virtuele campussen: zo'n 30% van de totale begroting

(c) Europese jumelages tussen scholen via internet: zo'n 25% van de totale begroting

(d) transversale activiteiten en monitoring van e-learning: zo'n 10% van de totale begroting

(e) ondersteuning van technische en administratieve aard: zo'n 10% van de totale begroting.

Artikel 11

Deelname van de EVA/EER-landen en de kandidaat-lidstaten van de Europese Unie

De voorwaarden en regelingen voor deelname aan dit programma door EVA/EER-landen en landen die kandidaat zijn voor toetreding tot de Europese Unie worden vastgesteld aan de hand van de desbetreffende bepalingen in de regelingen voor de betrekkingen tussen de Europese Gemeenschap en de genoemde landen.

Artikel 12

Samenwerking met derde landen

Op initiatief van de Commissie kunnen deskundigen uit andere derde landen dan de in artikel 11 genoemde landen uitgenodigd worden voor conferenties en bijeenkomsten, met uitzondering van de bijeenkomsten van het comité.

Aan de onder de geldende regelingen van de Commissie uit te betalen vergoedingen voor reis- en verblijfkosten mag niet meer dan 0,02% van de totale programmabegroting besteed worden.

Artikel 13

Monitoring en evaluatie

1. De Commissie zal het programma, in samenwerking met de lidstaten, regelmatig monitoren. De bevindingen van het monitoring- en evaluatieproces worden bij de uitvoering van het programma meegenomen.

In het kader van de monitoring wordt ook aandacht besteed aan de in lid 3, onder punt a) beschreven verslagen en specifieke activiteiten.

2. De Commissie draagt er zorg voor dat er zowel halverwege de looptijd als na afloop van het programma een externe evaluatie wordt gemaakt. In het kader van deze evaluatie worden de relevantie, doeltreffendheid en impact van de afzonderlijke activiteiten, alsook de effecten van het programma in zijn geheel onderzocht. Er dient tevens bijzondere aandacht uit te gaan naar de vraagstukken in verband met de maatschappelijke samenhang en de seksegelijkheid.

Bij de evaluatie wordt eveneens aandacht besteed aan de complementariteit tussen de activiteiten van dit programma en de activiteiten die plaatsvinden in het kader van ander relevant beleid en andere relevante instrumenten en initiatieven van de Gemeenschap.

3. De Commissie legt het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's de volgende documenten voor:

(a) vóór eind 2005: een tussentijds evaluatieverslag over de bereikte resultaten en de kwalitatieve aspecten van de programma-uitvoering tot 30 juni 2005;

(b) vóór 31 december 2007: een verslag van de evaluatie ex post.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

BIJLAGE

1. Actielijnen

Aan de verwezenlijking van het hoofdoel van het programma - het bevorderen van de verdere ontwikkeling van e-learning en de passende invoering daarvan in Europa en het ondersteunen van de inspanningen van de lidstaten op dit gebied - wordt door middel van een aantal actielijnen gewerkt. Deze actielijnen zijn gegroepeerd rond de vier terreinen van het programma.

1.1. Actielijn 1: "e-learning ter bestrijding van de digitale kloof"

Hier staat de bijdrage centraal, die e-learning bij de aanpak van de vraagstukken in verband met de digitale kloof kan leveren. Bij de digitale kloof gaat het om een nieuwe of bijkomende vorm van sociale uitsluiting, die een gevolg is van het feit dat sommige mensen niet ten volle gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die ICT en het internet in de kennismaatschappij te bieden hebben. De activiteiten moeten zowel op conceptuele als op praktische vraagstukken gericht zijn. Er moet niet alleen een goed inzicht verworven worden in dat wat digitale geletterdheid inhoudt, maar er moet ook worden vastgesteld wat er aan remedial teaching voor specifieke doelgroepen moet worden gedaan.

a) Inzicht verwerven in digitale geletterdheid. Digitale geletterdheid behoort tot de allerbelangrijkste vaardigheden en competenties die nodig zijn om actief deel te kunnen hebben aan de kennismaatschappij en de nieuwe mediacultuur. Digitale geletterdheid heeft ook te maken met mediageletterdheid en sociale competenties, daar de doelstellingen hiervan, zoals een actief burgerschap en een verantwoorde omgang met ICT, met elkaar overeenkomen. De activiteiten in dit kader moeten tot méér aandacht voor en een beter inzicht in deze buitengewoon belangrijke vaardigheden en competenties leiden en tevens duidelijk maken hoe ICT ertoe zou kunnen bijdragen dat de genoemde vaardigheden en competenties in een proces van levenslang leren verworven kunnen worden. Er moet aandacht worden besteed aan de verschillende manieren en niveaus waarop ICT gebruikt zou kunnen worden voor het leren, het werken, het burgerschap en de persoonlijke ontplooiing van mensen. In dit verband zal worden gewerkt aan:

* de oprichting van een netwerk van vooraanstaande deskundigen, die bij de activiteiten de nodige begeleiding en adviezen kunnen geven en medewerking bij de selectie van de projecten kunnen verlenen.

* de financiering van gerichte seminars, workshops, rapporten en surveys.

b) "Good practices" bij de bestrijding van de digitale kloof met behulp van e-learning in kaart brengen en verspreiden. Deze activiteiten moeten relevante gegevens opleveren over de manieren waarop de verschillende e-learningmodellen zouden kunnen worden gebruikt. Goede praktijkvoorbeelden op dit gebied moeten bestudeerd en in casestudy's gedocumenteerd worden. Aandachtspunten hier zijn:

* het verbeteren van de toegankelijkheid van leermiddelen voor al degenen die niet goed van ICT gebruik kunnen maken door middel van openbaar toegankelijke centra waar leermiddelen voor e-learning aanwezig zijn en waar, indien nodig, ook begeleiding en assistentie kan worden verstrekt;

* het inspelen op de behoeften van jonge lerenden en met name van degenen die steeds meer aan de rand van de maatschappij komen te staan, zoals voortijdige schoolverlaters of kansarme immigranten;

* het inspelen op de verschillen in cognitieve en didactische benaderingen en uiteenlopende leerstijlen; in dit kader moet, met het oog op de gelijkheid tussen de seksen, aandacht worden besteed aan de uiteenlopende behoeften en houdingen van vrouwen en mannen ten aanzien van nieuwe media;

* het inspelen op specifieke behoeften, zoals bijvoorbeeld de behoeften van kinderen die in het ziekenhuis liggen of gehandicapten;

* het benutten van algemeen toegankelijke media, zoals televisie, in het onderwijs (zowel thuis als in leermiddelencentra) en het verder ontwikkelen van de mogelijkheden die digitale media te bieden hebben;

* het ontwikkelen van nieuwe instrumenten en onderwijsinhoud voor jongeren, die bijvoorbeeld op de uitgangspunten van interactieve spelletjes gebaseerd zijn;

* het ontwikkelen van nieuwe instrumenten en onderwijsdiensten die in behoeften van algemene aard voorzien, zoals onderwijs met het oog op volwaardig burgerschap of onderwijs ter bevordering van de dialoog tussen de culturen;

* het ontwikkelen van nieuwe instrumenten en diensten die - voortbouwend op de activiteiten van de lidstaten in het kader van het actieplan eEurope 2005 - volwassenen tot bij- en nascholing voor de kennismaatschappij motiveren en hen daarbij de nodige ondersteuning bieden.

c) Bewustmakings- en informatieactiviteiten met behulp van relevante Europese netwerken. In dit kader wordt steun verstrekt voor activiteiten die door Europese netwerken, verenigingen, overheidsinstanties, partnerships tussen de publieke en de private sector en andere soorten samenwerkingsverbanden ter bestrijding van de digitale kloof ten uitvoer worden gebracht. Er wordt steun verleend voor contacten en de uitwisseling van "good practice". Hieronder valt, waar nodig, ook steun voor de oprichting van nieuwe netwerken van bijvoorbeeld Europese projecten, die in het kader van de uiteenlopende programma's van de Gemeenschap gerealiseerd worden.

1.2. Actielijn 2: "Europese virtuele campussen"

Deze actielijn beoogt een "op e-learning gerichte dimensie" aan de Europese initiatieven op het gebied van het hoger onderwijs te geven. De activiteiten in dit kader leveren een bijdrage aan de tot stand te brengen Europese Ruimte voor het hoger onderwijs en haken in het bijzonder in op het Bologna-proces.

a) Ondersteuning van het Bologna-proces. Deze activiteiten hebben tot doel om de met e-learning verband houdende aspecten binnen de verschillende onderdelen van het Bologna-proces verder te ontwikkelen. Het gaat hierbij in het bijzonder om het volgende:

* virtuele mobiliteit ter aanvulling en vergroting van de fysieke mobiliteit (ERASMUS-virtueel);

* erkennings- en valideringssystemen (ECTS) voor e-learningcursussen;

* voorlichtings- en begeleidingsdiensten en alle andere mogelijke synergie-effecten tussen het virtuele en traditionele opleidingsaanbod van de universiteiten die bij het Bologna-proces betrokken zijn.

Dit soort projecten moet op overeenkomsten tussen de onderwijsinstellingen gebaseerd worden. Waar mogelijk moeten de bestaande samenwerkingsovereenkomsten in het kader van het Erasmus-programma of het Erasmus World-programma met dit soort projecten aangevuld en uitgebreid worden.

b) Transnationale virtuele campussen. In het kader van het programma kan steun worden verleend voor een beperkt aantal strategische projecten, waarvoor instellingen voor hoger onderwijs uit minimaal drie lidstaten een voorstel hebben ingediend. De samenwerkingsmodellen voor e-learning moeten betrekking hebben op het volgende:

* uitwerking van transnationale graden door meerdere universiteiten en instellingen voor hoger onderwijs, met inbegrip van standaardovereenkomsten voor academische erkenning;

* grootschalige experimenten met virtuele mobiliteit als aanvulling op fysieke mobiliteit;

* uitwerking van vernieuwende, op twee methoden (de traditionele methode en de methode voor on-line leren) stoelende curricula.

c) Europese e-learningmodellen voor het hoger onderwijs. De projecten in dit verband moeten tot nieuwe samenwerkingsmodellen voor het hoger onderwijs leiden en met name inspelen op:

* de rol die virtuele universiteiten zouden kunnen spelen bij bij- en nascholing en professionele ontwikkeling, alsook bij de totstandbrenging van diensten die ondersteuning bieden bij het leren (zoals gestructureerde toegang tot leermogelijkheden, zoals bibliotheken, musea, onderzoekscentra);

* de rol die virtuele universiteiten zouden kunnen spelen bij de opleidingen die onderwijsgevenden, praktijkopleiders en andere betrokkenen bij het onderwijs moeten volgen om in het onderwijs met e-learning te kunnen werken;

* de verwerving van meer inzicht in de vraag welke organisatorische veranderingen de invoering van e-learning in het hoger onderwijs met zich meebrengt en in de gevolgen die e-learning voor de beoordelingen en de begeleiding heeft;

* de uitwerking van Europese modellen voor e-learningpartnerships tussen de publieke en private sector in het hoger onderwijs, die garanderen dat hoger onderwijs van goede kwaliteit toegankelijk blijft en er gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die uit de nieuwe partnerships en financieringsmodellen voortvloeien. Bij de selectie van de projecten zullen belangstelling en engagement van de zijde van de publieke en private partners en de door de projecten te leveren bijdrage aan de verwezenlijking van de algemene doelstellingen op onderwijsgebied en sociaal terrein van doorslaggevend belang zijn.

d) Het netwerken van initiatieven op het gebied van virtuele campussen. In het kader van deze activiteiten wordt steun verleend voor de oprichting van en stimulering van netwerken van virtuele campussen en daarbij worden zowel de uitwisseling van "good practices" als het debat over nieuwe modellen, uitdagingen en risico's gestimuleerd.

1.3. Actielijn 3: "Jumelages tussen scholen via internet"

Deze actielijn beoogt het aangaan van jumelages tussen scholen via internet eenvoudiger te maken. De scholen in Europa zullen ertoe gestimuleerd worden om onderwijspartnerships met scholen elders in Europa aan te gaan en daarbij zal het leren van talen en de dialoog tussen de culturen in Europa bevorderd worden. Er zal van start worden gegaan met de scholen voor voortgezet onderwijs. In de toekomst kan dan bekeken worden of een uitbreiding met de scholen op andere onderwijsniveaus mogelijk is.

a) Bestaande initiatieven in kaart brengen en analyseren. In dit kader moet een analyse worden gemaakt van de manieren waarop nu te werk wordt gegaan, zodat er conclusies zullen kunnen worden getrokken voor nieuw te organiseren activiteiten. Het een en ander dient uit te monden in rapporten over het volgende:

* demonstratieprojecten die duidelijk maken welke bijdrage onderwijs-multimedia en communicatienetwerken bij jumelages tussen scholen en met name bij meertalige en multiculturele projecten kunnen leveren;

* richtsnoeren voor onderwijsgevenden over de manieren waarop bij vernieuwende vormen van samenwerking met ICT kan worden gewerkt (bijvoorbeeld multidisciplinaire benaderingen of werk met gemeenschappelijke onderwijsinstrumenten en -middelen);

* thema's die geschikt zijn voor samenwerkingsprojecten op terreinen die voorrang hebben, zoals het natuurwetenschappelijke onderwijs, de kunstzinnige vorming, mediageletterdheid of het onderwijs met het oog op de rol die mensen als burger te spelen hebben.

b) Opbouw van een ondersteunend netwerk in samenwerking met de lidstaten. Dit netwerk moet gaan bestaan uit onderwijsgevenden en onderwijskundigen die ervaring met Europese samenwerking hebben. Het moet onderwijskundige steun en begeleiding verlenen, instrumenten en diensten voor het zoeken naar partners ter beschikking stellen en richtsnoeren en methoden voor de uitwisseling van ervaringen leveren.

c) Ontwikkeling van een internet-platform als spil voor de jumelages tussen scholen. In dit kader moet een veeltalige website ontwikkeld worden, die als samenwerkings- en communicatieplatform voor de deelnemers kan gaan fungeren en "good practices" voor het voetlicht brengt.

d) Pr-activiteiten en communicatie-activiteiten. Dynamische activiteiten op communicatiegebied zullen bepalend zijn voor het succes van het initiatief. Onder de communicatie-activiteiten, die op de website een vaste plaats zullen krijgen, valt onder andere het volgende: het uitwerken van een aantrekkelijke visuele presentatie, publicaties, perscommuniqués, fact-sheets over projecten van scholen, openings- en slotevenementen, en wedstrijden en prijzen.

1.4. Actielijn 4: Transversale activiteiten en monitoring van e-learning

Daarenboven zal er financiering worden verstrekt voor transversale activiteiten. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het volgende:

a) Steunverlening voor de actieve monitoring van het eLearning-actieplan om meer samenhang in en een duidelijkere zichtbaarheid van de EU-activiteiten op het gebied van e-learning te bereiken. Hiervoor is het volgende nodig:

* doeltreffende verspreiding van relevant materiaal, zoals rapporten en studies, onder de verschillende doelgroepen en deelnemers aan het programma;

* bundeling van projecten die op gelijksoortige doelstellingen gericht zijn of met gelijksoortige methoden werken;

* steun voor de uitwisseling van ervaringen, peer-reviews, werkzaamheden in netwerken, en andere mogelijke synergie-effecten met de activiteiten uit het actieplan.

b) Een portaal voor e-learning inrichten en op de nieuwste stand houden. Dit portaal moet op eenvoudige en gebruikersvriendelijke wijze toegang bieden tot álle Europese activiteiten op het terrein van e-learning, tot alle bestaande informatiebronnen daarover (registers, databanken, en tools voor het opslaan en beheer van kennis, de zgn. "knowledge repositories") en tot de programma's, projecten, studies, rapporten en werkgroepen van de EU.

c) Organisatie van een jaarlijkse conferentie over e-learning. Op deze conferentie moet een evaluatie worden gemaakt van de geboekte vooruitgang en dienen succesvolle projecten gepresenteerd te worden, die aantonen welke meerwaarde e-learning voor de verschillende gebruikers en opleidingsbehoeften te bieden heeft.

d) Bewustmakings- en informatie-activiteiten via Europese netwerken. In dit kader wordt steun verstrekt aan Europese netwerken op het gebied van e-learning en hiermee verband houdende activiteiten, zoals gerichte conferenties, seminars of workshops over belangrijke vraagstukken op het gebied van e-learning (bijvoorbeeld kwaliteitsborging), en aan mechanismen die de discussie en de uitwisseling van "good practice" in Europa bevorderen.

e) Deelname aan internationale projecten die op een goed en doeltreffend gebruik van ICT in het onderwijs en bij de beroepsopleidingen gericht zijn, zoals bijvoorbeeld de projecten van de OECD (PISA), de IEA (TIMSS, SITES), of de UNESCO (digitale geletterdheid) [47].

[47] PISA: Programme for International Student Assessment; TIMSS: Third International Mathematics and Science Study; SITES: Second Information Technologies in Education Study; and IEA: International association for the evaluation of educational achievement.

f) Monitoring-, analyse- en prognose-instrumenten voor e-learning in Europa ontwerpen en ontwikkelen, incl. specifieke surveys, studies en bijeenkomsten van deskundigen die een beeld opleveren van de daadwerkelijke toepassing van e-learning binnen de uiteenlopende onderwijscontexten. Op deze wijze ontstaat een virtuele structuur waardoor, in samenwerking met Eurostat, de Europese Investeringsbank en internationale organisaties (bijv. de OECD), tijdig relevante informatie over e-learning in Europa kan worden verstrekt die afgestemd is op de behoeften van de academische wereld, het bedrijfsleven en de beleidsmakers.

1.5. Ondersteunende activiteiten van technische aard

De uitvoering van het programma zal daarnaast gepaard gaan met activiteiten die op de bekendmaking van de resultaten van het programma gericht zijn (bijvoorbeeld publicaties, internet-referenties, en projecten en evenementen die veel aandacht kunnen trekken) en, waar nodig, met strategische onderzoeken naar problemen, mogelijkheden en andere belangrijke vraagstukken op het gebied van e-learning in Europa. In het kader van het programma zal ook steun worden verleend voor een voortdurende feedback in de richting van programma-deelnemers en degenen die van e-learning gebruik maken, alsook voor de slotevaluatie die extern gemaakt zal worden.

2. Programma-uitvoering en wijze van financiering uit de begroting

De financiering zal worden verstrekt in het verlengde van oproepen tot het indienen van projectvoorstellen en oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling.

Ingekochte diensten (bijvoorbeeld studies, publicaties of deskundigen) en de eventuele bijdrage voor een uitvoerend agentschap, waarvan de oprichting nog in studie is, worden voor de volle honderd procent gefinancierd.

De activiteiten worden als volgt gefinancierd:

- subsidies voor mede uit andere publieke en/of private bronnen te financieren samenwerkingsprojecten (zoals bijvoorbeeld vernieuwingsprojecten van structurele aard) ten hoogte van maximaal 80% van de subsidiabele kosten (actielijn 2);

- subsidies ten hoogte van maximaal 80% van de subsidiabele kosten van e-learningpartnerships, die onder leiding van instellingen voor hoger onderwijs staan en tot doel hebben om de bestaande afspraken in het kader van het Bologna-proces een "op e-learning gerichte dimensie" te geven en op nieuwe virtuele modellen voor het hoger onderwijs in Europa gericht zijn (actielijn 2);

- financiering voor de volle honderd procent van een ondersteunende structuur voor de jumelages tussen scholen (m.i.v. een website), een Europees netwerk voor onderwijskundige ondersteuning (in samenwerking met de lidstaten), pr-werk en activiteiten met het oog op de verspreiding van de resultaten, en andere ondersteunende werkzaamheden, zoals reviews van bestaande jumelage-programma's of de ontwikkeling van een instrument waarmee "ad hoc" naar een partnerschool kan worden gezocht. Voor pr-werk en activiteiten met het oog op de verspreiding van de resultaten is voorzien in subsidies tussen 50 % en 80 % (actielijn 3);

- subsidies ter financiering van 50 tot 80% van de kosten in verband met informatie- en communicatiewerkzaamheden, zoals conferenties, seminars, gezamenlijke rapporten, peer reviews en andere soortgelijke activiteiten die op de verspreiding en uitwisseling van kennis gericht zijn (actielijn 4).

De uitvoeringsmodaliteiten van het voorstel lopen over het algemeen in de pas met de gebruikelijke manier van werken van de Gemeenschap, d.w.z. met de verstrekking van beurzen en medefinanciering op basis van gedetailleerde financieringaanvragen. Er zijn ook programma-onderdelen, zoals het ondersteunende netwerk en de centrale website voor de jumelages tussen scholen, die volledig door de Gemeenschap gefinancierd worden. De financiering zal worden verstrekt in het verlengde van oproepen tot het indienen van projectvoorstellen en oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling

De Commissie is belast met het centrale programmabeheer en wordt daarbij eventueel geassisteerd door een uitvoerend agentschap, waarvan de oprichting momenteel nog in studie is. De hier gereserveerde begrotingsmiddelen moeten voorzien in de uitgaven voor onderzoeken, bijeenkomsten van deskundigen, informatie-activiteiten, conferenties en publicaties die rechtstreeks verband houden met de doelstelling van het programma, alsook in alle andere uitgaven die gedaan worden in verband met de te verlenen bijstand van technische en administratieve aard (met uitzondering van uit te voeren overheidstaken).

Een aantal mede te financieren activiteiten (bijvoorbeeld actielijn 3) kan ten uitvoer worden gebracht met behulp van specifieke netwerken (zoals het Europese schoolnet, het EUN en de European Association of Universities, de EUA), die in feite een monopoliepositie hebben. Het EUN is een netwerk van de ministeries van onderwijs van alle lidstaten en van verscheidene kandidaat-lidstaten. Van de European Association of Universities maken zo'n 500 universiteiten deel uit.

FINANCIEEL MEMORANDUM BIJ HET BESLUIT

Beleidsterrein(en): Onderwijs en cultuur

Activiteit(en): Onderwijs

Titel: Programma ter verbetering van de kwaliteit en toegankelijkheid van de Europese onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels door de doeltreffende integratie van informatie- en communicatietechnologie (eLearning-programma)

1. BEGROTINGSPLAATS(EN) + OMSCHRIJVING(EN)

Nieuwe begrotingsonderdelen: B3-1008 en B3-1008A

2. TOTAALCIJFERS

2.1. Totale begroting voor de activiteiten (deel B): miljoen euro aan vastleggingskredieten

36 miljoen euro

2.2. Looptijd:

Van 1 januari 2004 tot 31 december 2006

2.3. Meerjarenraming van de totale uitgaven:

a) Tijdschema vastleggingskredieten/betalingskredieten (financiering uit de begroting)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

b) Uitgaven voor bijstand en ondersteuning van technische en administratieve aard (zie punt 6.1.2.)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

c) Totale financiële gevolgen van personeelsuitgaven en overige huishoudelijke uitgaven (zie punt 7.2. en 7.3.)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2.4. Verenigbaarheid met de financiële programmering en de financiële vooruitzichten

|X| Het voorstel is verenigbaar met de bestaande financiële programmering.

| | Het voorstel vereist een herprogrammering van de desbetreffende rubriek van de financiële vooruitzichten.

| | inclusief, in voorkomend geval, een beroep op de bepalingen van het interinstitutioneel akkoord.

2.5. Financiële gevolgen voor de ontvangsten:

|X| Geen enkele financiële implicatie (betreft technische aspecten in verband met de uitvoering van een maatregel).

3. BEGROTINGSKENMERKEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. RECHTSGRONDSLAG

Artikel 149 en artikel 150 van het Verdrag.

Besluit nr .../..../EG van het Europees Parlement en de Raad m.b.t. de goedkeuring van een meerjarenprogramma ter bevordering van Europese modellen voor de integratie van informatie- en communicatietechnologie in de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels (eLearning-programma).

5. OMSCHRIJVING EN MOTIVERING

5.1. Het waarom van activiteiten van de zijde van de Gemeenschap

5.1.1. Nagestreefde doelstellingen en activiteiten van de Gemeenschap

Hoofddoel van het programma is om de kwaliteit en toegankelijkheid van de Europese onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels door een doeltreffende integratie van nieuwe technologie (e-learning) te verbeteren en de activiteiten van de lidstaten op dit terrein te ondersteunen en aan te vullen.

Uit dien hoofde zal het programma de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels tot een creatieve en vernieuwende inzet van ICT stimuleren en er zo in belangrijke mate toe bijdragen dat deze stelsels op de kennismaatschappij zullen kunnen inhaken. Daarnaast zullen de wegen en manieren verkend en bevorderd worden, die het mogelijk maken om e-learning in te zetten voor de versterking van de samenhang in de maatschappij, de bevordering van de persoonlijke ontwikkeling, de stimulering van de dialoog tussen de culturen en de bestrijding van de digitale kloof.

Het programma is voorts op de verdere ontwikkeling van de Europese dimensie in het onderwijs gericht. Het wil alle Europese scholieren en studenten de mogelijkheid geven om in hun tijd op school of aan de universiteit deel te nemen aan een Europees project, waarbij leeftijdgenoten uit andere landen betrokken zijn.

In het hoger onderwijs moet het eLearning-programma een bijdrage leveren aan de versterking en uitbreiding van de bestaande programma's voor fysieke mobiliteit en uitwisselingen (Erasmus-programma, Bologna-proces). Daarnaast moet het al degenen die om uiteenlopende redenen niet mobiel kunnen worden een alternatief in de vorm van virtuele mobiliteit bieden.

Voor de scholen zal een heel Europa omvattend programma voor jumelages via internet worden opgestart. Daarbij zal in eerste instantie met de scholen voor voortgezet onderwijs begonnen worden. De jumelages tussen scholen geven een Europese dimensie aan het onderwijs, stimuleren het leren van talen, bieden een mogelijkheid voor een dialoog tussen de culturen en bereiden voor op het burgerschap in de kennismaatschappij.

Last, but not least omvat het programma ook een actielijn met transversale activiteiten, die op een dynamische verspreiding van informatie en actieve steun voor de doelstellingen van de het programma gericht zijn. In dit verband zal in de eerste plaats gewerkt worden aan de monitoring van het eLearning-actieplan en daarbij zullen links worden gelegd met de andere programma's en instrumenten van de Gemeenschap die voor e-learning van belang zijn. Ook de ontwikkeling van transnationale projecten, de uitwisseling van "good practices", en de totstandbrenging van informatie- en communicatie-platforms op Europees niveau worden in dit kader gestimuleerd.

De specifieke doelstellingen van het programma zijn:

* wegen en middelen verkennen en bevorderen, die het mogelijk maken om e-learning in te zetten voor de versterking van de samenhang in de maatschappij, de bevordering van de persoonlijke ontwikkeling, de stimulering van de dialoog tussen de culturen en de bestrijding van de digitale kloof;

* de invoering van e-learning als sleutelfactor voor de implementatie van het idee van levenslang leren in Europa bevorderen en verder uitbouwen;

* de mogelijkheden van e-learning oppakken om de Europese dimensie in het onderwijs te versterken;

* gestructureerdere vormen van samenwerking op het gebied van e-learning mogelijk maken tussen de verschillende programma's en instrumenten van de Gemeenschap en de activiteiten van de lidstaten;

* mechanismen tot stand brengen die tot verbeteringen in de kwaliteit van de producten en diensten leiden, een doeltreffende verspreiding daarvan mogelijk maken en de uitwisseling van "good practices" bevorderen.

Ter verwezenlijking van deze doelstellingen stelt de Gemeenschap voor om een actieprogramma in te voeren dat geen overlappingen met de andere programma's op het niveau van de Gemeenschap en de lidstaten heeft, maar deze programma's wel aanvult. In het kader van het programma zal financiële steun worden verleend voor:

- gezamenlijke activiteiten van de Commissie, de lidstaten, hoofdrolspelers op het gebied van onderwijs en innovaties, en deskundigen en wetenschappers in het veld die de monitoring, evaluatie en verspreiding van nationale ervaringen en "good practice" bij de bestrijding van de digitale kloof met behulp van e-learning tot doel hebben, zodat relevante gegevens voor de besluitvorming en goede praktijkvoorbeelden voor de betrokken actoren worden verkregen;

- multilaterale en meerjarige partnerships van instellingen voor hoger onderwijs in de lidstaten en andere hoofdrolspelers op het gebied van onderwijs en innovaties, zoals culturele en wetenschappelijke instellingen, overheidsinstanties en ondernemingen, die tot doel hebben om de Europese samenwerking op het gebied van e-learning in het hoger onderwijs te intensiveren en een bijdrage leveren aan de totstandbrenging van een Europese onderwijsruimte, met name waar het om Transeuropese studie-, opleidings-, en onderzoeksprogramma's en virtuele mobiliteit gaat;

- een heel Europa omvattend programma voor jumelages tussen scholen via internet, dat alle leerlingen in hun tijd op school wil laten profiteren van een onderwijsverband met een elders in Europa gevestigde school en op die manier het leren van talen en de dialoog tussen de culturen stimuleert;

- uit hoofde van het programma wordt steun verleend voor transversale activiteiten: een kader voor meer gestructureerde vormen van samenwerking op het gebied van e-learning, dat op de monitoringactiviteiten van het eLearning-actieplan inhaakt en tot betere synergie-effecten tussen de programma's en instrumenten van de Gemeenschap onderling en tussen deze programma's en de nationale onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels moet leiden. De activiteiten in dit verband zijn gericht op het bevorderen van contacten, monitoring, benchmarking, peer reviews, gezamenlijk uit te voeren of gecoördineerde onderzoeksprojecten, deelname aan internationale projecten en surveys, en de verspreiding van goede Europese manieren van werken ("good practice") op grote schaal.

Daarenboven zal in het kader van het programma ook steun van technische aard worden verleend voor onderzoeken, publicaties, gezamenlijk op te zetten communicatie-activiteiten, de gezamenlijke ontwikkeling van webgebaseerde en niet-webgebaseerde instrumenten waarmee activiteiten en maatregelen ter bestrijding van de digitale kloof, transeuropese onderwijs- en beroepsopleidingsprogramma's, programma's voor virtuele mobiliteit, en andere creatieve en vernieuwende werkzaamheden op het punt van e-learning in Europa bekendgemaakt, bevorderd en ondersteund kunnen worden.

Bij de uitvoering van het programma zal bij voorkeur worden voortgebouwd op dat wat reeds op Europees niveau en op het niveau van de lidstaten voorhanden is. Op het punt van de bewustmakings- en communicatie-activiteiten, die voor de bevordering van een beter en grootschaliger gebruik van ICT bij het leren van cruciaal belang zijn, zal - waar mogelijk - met behulp van reeds lang bestaande Europese verenigingen, netwerken en andere samenwerkingsverbanden worden gewerkt, daar de doelgroepen op deze wijze beter kunnen worden bereikt.

5.1.2. Maatregelen in verband met de uitgevoerde evaluatie ex ante

In het kader van de uitgevoerde evaluatie ex ante is naar een heel scala aan activiteiten gekeken, die in de periode 1996-2002 ten uitvoer gebracht zijn. Het onderhavige voorstel is een vervolg op de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de invoering van een eLearning-actieplan [48]. Dit actieplan beschrijft een aantal belangrijke activiteiten, die de integratie van ICT in onderwijs en beroepsopleidingen moeten bevorderen en in samenhang met en ter ondersteuning van de activiteiten van de lidstaten op dit gebied ten uitvoer worden gebracht. Het voorstel is ook een vervolg op de resolutie van de Raad over e-learning [49], waarin het hier genoemde actieplan en de tot nu toe uitgevoerde activiteiten onderschreven worden en waarin de Commissie verzocht wordt om de activiteiten voort te zetten en te intensiveren. Het is tevens een vervolg op de resolutie van het Europees Parlement [50], waarin om een wettelijke grondslag voor de verdere uitbouw van het eLearning-initiatief gevraagd wordt.

[48] COM(2001) 172 def.

[49] PB L 372 van 20.07.2001, blz. 3.

[50] A5-0102/2001 def.

Bij de uitwerking van dit voorstel is terdege rekening gehouden met de belangrijke discussies die plaatsgevonden hebben bij de Commissie-diensten die verantwoordelijk zijn voor de activiteiten in verband met de follow-up van eEurope en eLearning (zoals het Directoraat-generaal Informatiemaatschappij, het Directoraat-generaal Werkgelegenheid en het Directoraat-generaal Ondernemingen en Eurostat) en bij informatiediensten en waarnemingscentra (zoals Eurydice en de OECD), en met de verschillende studies en rapporten van deze diensten. Een brede en doeltreffende invoering van e-learning [51] wordt als een belangrijke factor voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU voor de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels [52] en voor de op te bouwen kennismaatschappij in Europa gezien.

[51] "e-learning" dat ook wel "blended learning" (de combinatie van verschillende opleidingsmethoden bij e-learning) genoemd wordt, is een algemeen begrip geworden, dat grosso modo naar alle verschillende vormen van technologiegebaseerde ondersteuning bij het leren verwijst. Er valt een heel breed scala aan apparatuur (van computers tot digitale televisie en radio toe) onder, en ook een heel breed scala aan hulpmiddelen en diensten en in bijzonder de nieuwe dimensie die al deze tools gekregen hebben, doordat ze via internet interconnectief en toegankelijk zijn geworden. Om consistent te zijn, wordt bij het onderhavige programma de definitie uit het eLearning-actieplan gehanteerd, die als volgt luidt: "het gebruik van de nieuwe multimediatechnologieën en internet om de kwaliteit van het leren te verbeteren door middel van het vergemakkelijken van de toegang tot middelen en diensten, alsmede door uitwisseling en samenwerking op afstand".

[52] COM (2001) 59.

In het voorstel is tevens recht gedaan aan de lange en uitvoerige discussies met de lidstaten, die plaats hebben gevonden in het kader van de werkgroep voor e-learning, en de conferenties en andere evenementen over ICT-gebruik in het onderwijs en bij de beroepsopleidingen die onder auspiciën van de voorzitterschappen van de EU georganiseerd zijn. Last, but not least bouwt het voorstel voort op de conclusies van een aantal ad-hocbijeenkomsten met deskundigen, die in het kader van de activiteiten uit het eLearning-actieplan hebben plaatsgevonden (bijvoorbeeld over virtuele universiteiten, opleidingen voor leerkrachten, nieuwe leeromgevingen, en natuurwetenschappelijk onderwijs), met beleidsmakers uit derde landen die reeds ver met ICT in het onderwijs zijn (zoals Australië en Canada) en met ondernemingen die op het gebied van e-learning werkzaam zijn.

Nu er steeds meer met e-learning gewerkt wordt, we steeds meer inzicht krijgen in de zwakke en sterke punten van e-learning, en de vraag naar e-learning en de markt daarvoor in Europa groeit, moet er aandacht worden besteed aan vraagstukken zoals effectiviteit, "good practices", kwaliteit, en duurzaamheid, en aan de veranderingen op organisatorisch vlak die nodig zullen zijn om ten volle profijt te kunnen trekken van de mogelijkheden die e-learning te bieden heeft.

Er zijn méér vernieuwingen op het gebied van e-learning nodig. Bovendien zullen we in de pas moeten blijven lopen met de vooruitgang die in de verschillende sectoren geboekt is, en met name met het veelzijdige debat over en onderzoek naar een onderwijskundig verantwoorde invoering van nieuwe technologie, waarin vaak vraagtekens bij de rol van de technologie worden gezet. We zullen dat wat fundamenteel is niet uit het oog mogen verliezen. Daarnaast moet een actieve verspreiding van de uitkomsten van het verrichte onderzoek en de gedane waarnemingen in de richting van beleidsmakers, andere onderzoekers en de mensen in het veld gestimuleerd worden.

Er is in het bijzonder dringend behoefte aan Europese content en diensten van hoge kwaliteit en aan wegen en manieren waarop een goed onderlinge afstemming daarvan kan worden bereikt. Het is ook hoog tijd dat de zichtbaarheid en toegankelijkheid van deze content en diensten verbeterd wordt en belangstellende gebruikers zowel langs commerciële als niet-commerciële weg méér mogelijkheden krijgen om ermee te werken. Bij al deze inspanningen, die op de voortbrenging en uitwisseling van kennis gericht zijn, moeten de verschillen in talen en culturen in het oog worden gehouden.

Op al deze specifieke vereisten spelen de bestaande programma's van de Gemeenschap niet in.

Het IST-programma kent weliswaar een specifiek actiepunt in verband met onderwijs en beroepsopleidingen (namelijk KA III multimedia-inhoud en -instrumenten), maar in dit actiepunt ligt de nadruk op zeer geavanceerd technologisch onderzoek, zoals bijvoorbeeld onderzoek naar "grid computing" (noot van de vertaler: bundeling van de capaciteit van verschillende, geografisch verspreide, computersystemen in een virtueel metasysteem). Bovendien ontbreekt het hier aan de noodzakelijke instrumenten en mechanismen voor een doeltreffende verspreiding van de resultaten in de richting van de praktijk, wat een overname door de onderwijsstelsels eenvoudiger zou maken. Het is noodzakelijk dat er een goed gestructureerde koppeling wordt gelegd tussen geavanceerd onderzoek en de invoering van e-learning door de onderwijs- en de beroepsopleidingsstelsels.

Ook in het Socrates-programma voor het onderwijs - met name in het kader van het Minerva-onderdeel - en in het Leonardo da Vinci-programma voor de beroepsopleiding kunnen ICT-projecten ten uitvoer worden gebracht. De nadruk ligt hier evenwel op onderzoeken en tests van meer fundamentele aard. Er is niet voorzien in gericht onderzoek en een meer op de praktijk afgestemde benadering, wat voor een doeltreffende beoordeling, inzet en invoering van e-learning noodzakelijk is. Aan deze programma's moet een specifieke aanvulling worden gegeven, zodat de mogelijkheden op het gebied van e-learning doeltreffend ontwikkeld en benut kunnen worden.

In het kader van het Europees Sociaal Fonds is, tot slot, veel geld beschikbaar voor de ontwikkeling van cursussen en onderwijs- en leermiddelen. Hierbij staan evenwel de bestrijding van de werkloosheid en andere doelstellingen op sociaal vlak centraal. Er is niet voorzien in aandacht voor het hele scala aan mogelijkheden op het gebied van e-learning en vooral niet in diepgaand onderzoek op onderwijskundig vlak. Aan de initiatieven op het gebied van de werkgelegenheid moet zowel in onderwijskundig opzicht als vanuit het oogpunt van de persoonlijke ontwikkeling een passend fundament worden gegeven en daarbij dient rekening te worden gehouden met de verschillen in leerstijlen, de culturele en sociale hindernissen die het leren in de weg staan, alsook met de vraagstukken in verband met het burgerschap in de kennismaatschappij. Er mag niet langer alleen maar naar de instrumentele functievereisten gekeken worden.

Hieruit zijn de volgende twee conclusies voor de werkzaamheden te trekken:

- er bestaat overeenstemming over dat een Europese dimensie bij de ontwikkeling van een ICT-beleid voor het onderwijs en de beroepopleidingen een meerwaarde oplevert, en er met name behoefte is aan méér discussie, informatie en uitwisseling van "good practices".

- er bestaat overeenstemming over dat er behoefte is aan een nieuw Gemeenschapsinstrument, waarmee kan worden ingespeeld op specifieke, tijdens het consultatieproces naar voren gebrachte punten, met name de integratie van e-learningaspecten in het Bologna-proces en het uittesten van nieuwe formules, waardoor de Gemeenschap steun kan verlenen aan de Europese samenwerking op dit gebied.

Op basis van het voorgaande en met inachtneming van de lering die uit het werk met de andere programma's van de Gemeenschap getrokken is, hebben de diensten van de Commissie, aan de hand van de gids voor evaluaties ex ante (in december 2001 gepubliceerd door DG Begroting), een verslag over de gemaakte evaluatie ex ante opgesteld. Dit verslag is ten volle in de toelichting en het financieel memorandum gevloeid.

5.1.3. Maatregelen in verband met de uitgevoerde evaluaties ex post

Het voorstel bouwt voort op de opgedane ervaringen met en de lering die getrokken is uit programma's, zoals het Socrates-programma en de Minerva-actie, specifieke multimedia-activiteiten als CONNECT, andere programma's van de Europese Gemeenschap, zoals het IST-programma met zijn actiepunt KA III ten aanzien van multimedia-inhouden en instrumenten, en het eContent-programma. Ook is er rekening gehouden met de rapporten over de extern uitgevoerde evaluaties van deze programma's en met de rapporten over vraagstukken in verband met e-learning, zoals bijvoorbeeld het eindrapport van de task force "educatieve multimedia-software".

Het voorstel haakt tevens in op de ervaringen die opgedaan zijn met de voorbereidende werkzaamheden op het gebied van e-learning, die in 2001 en in 2002 hebben plaatsgevonden en die in 2003 zullen worden voortgezet. Uit deze ervaringen is duidelijk naar voren gekomen dat de hierboven getrokken conclusies juist zijn, namelijk dat er behoefte is aan een flexibelere en gerichtere aanpak die beter bij een zich snel ontwikkelend terrein als e-learning past.

Bij de uitwerking van het voorstel is eveneens gekeken naar de rapporten en analyses van Europese netwerken die over gedegen ervaring met EU-programma's hebben. Een andere belangrijke bron vormden de beleidsdocumenten en ervaringen van de lidstaten, die uitvoerig op de bijeenkomsten van de werkgroep e-learning met de lidstaten besproken zijn. Een aantal lidstaten hebben interessante evaluaties van de eerste fasen van hun ICT-beleid en activiteiten voor het onderwijs geleverd.

De lering die uit het verleden getrokken is, kan worden bekeken:

a) vanuit het oogpunt van de programma-opzet;

b) vanuit het oogpunt van het programmabeheer.

Wat de programma-opzet betreft wordt uitgegaan van werkzaamheden in Europese netwerken die door de Europese Gemeenschap gestimuleerd zullen worden. In de evaluaties van programma's, zoals het Socrates-programma, en in de hierboven genoemde rapporten is het nut van deze aanpak onomstotelijk aangetoond.

Op het punt van het programmabeheer zal de Commissie rekening houden met de lering die uit het verleden getrokken is en met de opmerkingen die in het kader van de evaluaties en audits gemaakt zijn. Bij de programma-uitvoering zal de Commissie ervoor trachten te zorgen dat het een en ander zo eenvoudig en gebruikersvriendelijk als mogelijk blijft, daar dit van doorslaggevend belang is voor de effectiviteit en voor een zo breed mogelijke toepassing van het programma in heel Europa. De gelegenheid zal worden aangegrepen om flexibelere en eenvoudigere manieren van werken uit te testen. Waar dit mogelijk is en aan de hand van een kosten-batenanalyse ook te verantwoorden is, zullen het programmabeheer en andere met de uitvoering van het programma verband houdende werkzaamheden (zoals bijvoorbeeld het monitoren en documenteren van de resultaten van de projecten) worden toevertrouwd aan een uitvoerend agentschap, waarvan de oprichting nog in studie is.

5.2. Voorgenomen activiteiten en wijze van financiering uit de begroting

Bij de voorgenomen activiteiten gaat het om het volgende:

1. gezamenlijke activiteiten ter bestrijding van de digitale kloof;

2. Europese virtuele campussen;

3. een Europees programma voor "jumelages tussen scholen via internet";

4. transversale activiteiten in het verlengde van de monitoring van het eLearning-actieplan plus steun voor projectevaluaties en te verlenen diensten op informatie- en communicatiegebied.

De financiering zal worden verstrekt in het verlengde van oproepen tot het indienen van projectvoorstellen en oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling.

Ingekochte diensten (bijvoorbeeld studies, publicaties of deskundigen) en de eventuele bijdrage voor een uitvoerend agentschap, waarvan de oprichting nog in studie is, worden voor de volle 100% gefinancierd. De activiteiten worden als volgt gefinancierd:

- subsidies voor mede uit andere publieke en/of private bronnen te financieren samenwerkingsprojecten (zoals bijvoorbeeld vernieuwingsprojecten van structurerende aard) ten hoogte van maximaal 80% van de subsidiabele kosten (actielijn 2);

- subsidies ten hoogte van maximaal 80% van de subsidiabele kosten van e-learningpartnerships, die geleid worden door instellingen voor hoger onderwijs en tot doel hebben om de bestaande afspraken in het kader van het Bologna-proces een "op e-learning gerichte dimensie" te geven en op nieuwe virtuele modellen voor het hoger onderwijs in Europa gericht zijn (actielijn 2);

- financiering voor de volle 100% van een ondersteunende structuur voor de jumelages tussen scholen (m.i.v. een website), een Europees netwerk voor onderwijskundige ondersteuning (in samenwerking met de lidstaten), pr-werk en activiteiten met het oog op de verspreiding van de resultaten, en andere ondersteunende werkzaamheden, zoals reviews van bestaande jumelage-programma's of de ontwikkeling van een instrument waarmee "ad hoc" naar een partnerschool kan worden gezocht. Voor pr-werk en activiteiten met het oog op de verspreiding van de resultaten is voorzien in subsidies tussen de 50 % en 80 % (actielijn 3);

- subsidies ter financiering van 50 tot 80% van de kosten in verband met informatie- en communicatiewerkzaamheden, zoals conferenties, seminars, gezamenlijke rapporten, peer reviews en andere soortgelijke activiteiten die op de verspreiding en uitwisseling van kennis gericht zijn (actielijn 4).

5.3. Programma-uitvoering

De uitvoeringsmodaliteiten van het voorstel lopen over het algemeen in de pas met de gebruikelijke manier van werken van de Gemeenschap, d.w.z. met de verstrekking van beurzen en medefinanciering op basis van gedetailleerde financieringaanvragen. Er zijn ook programma-onderdelen, zoals het ondersteunende netwerk en de centrale website voor de jumelages tussen scholen, die volledig door de Gemeenschap gefinancierd worden. De financiering zal worden verstrekt in het verlengde van oproepen tot het indienen van projectvoorstellen en oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling.

De Commissie is belast met het centrale programmabeheer en wordt daarbij eventueel geassisteerd door een uitvoerend agentschap, waarvan de oprichting momenteel nog in studie is. De hier gereserveerde begrotingsmiddelen moeten voorzien in de uitgaven voor onderzoeken, bijeenkomsten van deskundigen, informatie-activiteiten, conferenties en publicaties die rechtstreeks verband houden met de doelstelling van het programma, alsook in alle andere uitgaven die gedaan worden in verband met de te verlenen bijstand van technische en administratieve aard (met uitzondering van uit te voeren overheidstaken).

Een aantal mede te financieren activiteiten (bijvoorbeeld actielijn 3) kan ten uitvoer worden gebracht met behulp van specifieke netwerken (zoals het Europese schoolnet, het EUN en de European Association of Universities, de EUA), die in feite een monopoliepositie hebben. Het EUN is een netwerk van de ministeries van onderwijs van alle lidstaten en van verscheidene kandidaat-lidstaten. Van de European Association of Universities maken zo'n 500 universiteiten deel uit.

6. FINANCIËLE GEVOLGEN

6.1. Totale financiële gevolgen voor deel B - (voor de gehele looptijd)

6.1.1. Financiering

Vastleggingskredieten in miljoen euro (tot op drie decimalen nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

6.1.2 Uitgaven voor bijstand en ondersteuning van technische en administratieve aard en IT-uitgaven (vastleggingskredieten)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

6.2. Berekening van de kosten per voorgenomen activiteit in deel B (voor de gehele looptijd)

Vastleggingskredieten in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

* Jaarlijkse streefdoelen

** De gemiddelde kosten per eenheid zijn berekend aan de hand van de kosten van soortgelijke activiteiten in het verleden

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De jaarlijkse streefcijfers voor de output zijn berekend aan de hand van de volgende uitsplitsing van de programma-begroting:

- activiteiten ter bestrijding van de digitale kloof: ongeveer 25 % van de totale begroting

- e-learningpartnerships voor het hoger onderwijs: ongeveer 30% van de totale begroting

- jumelages tussen scholen via internet: ongeveer 25% van de totale begroting

- transversale activiteiten en monitoring van het actieplan voor e-learning: ongeveer 10% van de totale begroting

- ondersteuning van technische en administratieve aard: ongeveer 10% van de totale begroting.

De omvang van de gereserveerde begrotingsmiddelen voor 'ondersteuning van technische aard en dienstverlening op informatiegebied' was niet van tevoren vastgelegd, maar vloeit voort uit het soort activiteiten waarop de keuze is komen te vallen, met name de activiteiten die in discussies met de partners naar voren gebracht zijn en die tot doel hebben om het programma een meerwaarde voor de Gemeenschap te geven. Overeenkomstig de uitgevoerde evaluaties ex ante wordt prioriteit gegeven aan activiteiten die voortbouwen op dat wat reeds voorhanden is en aan het verspreiden van informatie over het werk dat in de verkenningsfase en in het kader van andere EU-programma's of activiteiten van de lidstaten gedaan is. Hierdoor zal er beter gebruik kunnen worden gemaakt van de resultaten van bestaande projecten, zodat voorkomen wordt dat nog weer eens hetzelfde wordt gedaan en er synergie-effecten ontstaan. Al dit soort activiteiten kunnen in het licht van het kleine bedrag dat ervoor uitgetrokken is en tegen de achtergrond van de verwachte multipliereffecten op het niveau van de Gemeenschap als bijzonder efficiënt worden beschouwd. Er dient in het oog te worden gehouden dat er voor de gehele programmabegroting slechts een beperkt bedrag voorhanden is en dat er voor deze activiteiten een laag bedrag beschikbaar is.

7. GEVOLGEN VOOR DE PERSONEELSUITGAVEN EN ADMINISTRATIEVE UITGAVEN

7.1. Gevolgen op personeelsgebied

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.2. Totale financiële gevolgen op personeelsgebied

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.3. Overige administratieve uitgaven in verband met de activiteiten

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

* Kosten per eenheid

Bij de bedragen gaat het om de totale uitgaven gedurende 12 maanden. Bovenstaande cijfers zijn voor 2004. In het eerste jaar zullen de personeelsuitgaven en administratieve uitgaven naar verhouding sneller stijgen dan de begroting van het programma.

Bij de bedragen gaat het om de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

In de behoeften aan personele en administratieve middelen zal worden voorzien door middel van de bedragen die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure worden toegekend aan het met het programmabeheer belaste Directoraat-generaal.

8. FOLLOW-UP EN EVALUATIE

8.1. Regelingen voor de follow-up

De uitvoering en monitoring van het programma zouden toevertrouwd kunnen worden aan een uitvoerend agentschap, dat reeds bij de start van het programma operationeel zou moeten zijn. De monitoring-activiteiten zullen, naar verwachting, pas ongeveer twaalf maanden na de inwerkingtreding van het programma van start gaan. In de tussentijd zullen instrumenten voor de verzameling en verwerking van de gegevens ontwikkeld worden.

De doorlopende monitoring van de programma's zal plaatsvinden aan de hand van de gegevens die door de begunstigden zelf verstrekt moeten worden. De begunstigden dienen tussentijdse en eindverslagen over hun activiteiten, alsmede financiële verslagen voor te leggen en daarin dienen de tijdens het selectieproces vastgelegde prestatiecriteria opgenomen te zijn.

Om voor een kwalitatief goede programma-uitvoering te zorgen, zullen er regelmatig bezoeken aan de projecten worden gebracht en zal regelmatig om feedback over de activiteiten van de programmadeelnemers worden verzocht.

Bij alle projecten en activiteiten moet worden voorzien in ingebouwde evaluaties dan wel in assessments door externe deskundigen of interne instanties. Daarnaast moeten er prestatie-indicatoren en richtlijnen voor de follow-up voorhanden zijn.

Bij eenmalige projecten, zoals seminars en conferenties, vindt de monitoring ter plekke plaats en worden op basis van toevallige steekproeven en/of aan de hand van risicofactoren grondige evaluaties door externe instanties gemaakt.

8.2. Regelingen en tijdschema voor de voorgeschreven evaluaties

In het tweede jaar van het programma wordt een tussentijdse evaluatie gemaakt. Aan het eind van het programma wordt een evaluatie ex post uitgevoerd, waarin de impact van de activiteiten centraal zal staan.

Voor de evaluatie zijn de volgende indicatoren vastgesteld:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

9. MAATREGELEN TER BESTRIJDING VAN FRAUDE

In alle financieringsbesluiten en contracten die tussen de Commissie en de begunstigden afgesloten worden, is vastgelegd dat de Commissie en de Rekenkamer ter plekke bij de begunstigden controles kunnen uitvoeren en tot vijf jaar na afloop van de contracttermijn alle bewijsstukken over uitgaven kunnen opeisen, die in het kader van dergelijke contracten, overeenkomsten of juridische verbintenissen gedaan zijn. Indien nodig worden er ter plekke audits uitgevoerd.

De begunstigden moeten rapport uitbrengen over hun activiteiten en een financieel verslag voorleggen. Deze verslagen worden vanuit het oogmerk van de door de Gemeenschap verstrekte financiering op inhoud en subsidiabiliteit van de uitgaven gecontroleerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de contractuele verplichtingen en de beginselen van een zuinig en gezond financieel beheer.

Bij de financieringsovereenkomsten wordt informatie van administratieve en financiële aard gevoegd, waarin beschreven staat welke uitgaven in het kader van de overeenkomsten subsidiabel zijn. Om de controles en audits (alsook de evaluaties voor selectiedoeleinden) van de gesubsidieerde projecten te vergemakkelijken, beperkt de Gemeenschap zich bij haar subsidies, waar nodig, tot de financiering van bepaalde reële, aantoonbare en in de boekhouding van de begunstigde controleerbare kosten.

In het geval er opdrachten geplaatst zijn, kan de Commissie, overeenkomstig het nieuwe Financiële Reglement (artikel 93 tot 96), administratieve of financiële boetes opleggen aan gegadigden of inschrijvers die onder een van de uitsluitingsbepalingen vallen.