52002IE0365

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over "De rol van de georganiseerde civiele samenleving bij immigratie en maatschappelijke integratie"

Publicatieblad Nr. C 125 van 27/05/2002 blz. 0112 - 0122


Advies van het Economisch en Sociaal Comité over "De rol van de georganiseerde civiele samenleving bij immigratie en maatschappelijke integratie"

(2002/C 125/21)

Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 31 mei 2001 besloten overeenkomstig artikel 23, lid 3 van zijn reglement van orde een advies op te stellen over "De rol van de georganiseerde civiele samenleving bij immigratie en maatschappelijke integratie".

De afdeling "Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap", die met de voorbereiding van de werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 27 februari 2002 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Pariza Castaños; co-rapporteur de heer Melícias.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 20 en 21 maart 2002 gehouden 389e zitting (vergadering van 21 maart) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.

1. Integratie en burgerschap

1.1. Toen de Europese landen in de jaren zestig en zeventig een actief immigratiebeleid voerden, heerste de mening dat deze migratie tijdelijk van aard zou zijn. Nu de immigranten zich hier definitief blijken te hebben gevestigd, is de overheid gaan inzien dat de immigranten in onze maatschappij zullen moeten worden geïntegreerd. De nieuwe beleidsmaatregelen(1) inzake immigratie(2) moeten zonder enige terughoudendheid van deze gedachte uitgaan.

1.2. In de Mededeling over het communautair immigratiebeleid poneert de Europese Commissie dat, gezien de economische vooruitzichten en de demografische ontwikkeling in Europa, immigratie fundamenteel en noodzakelijk voor onze ontwikkeling is geworden. In het overheidsbeleid moet dan ook worden weerspiegeld dat de Europese maatschappij van vandaag en morgen een maatschappij met een groot aantal immigranten is. Voorts is het zaak een helder en doeltreffend beleid ter bevordering van de maatschappelijke integratie van immigranten uit te stippelen. Ter verduidelijking: met "immigranten" worden álle immigranten bedoeld, i.e. niet alleen mensen die immigreren om hier werk te vinden, maar ook immigranten die in het kader van gezinshereniging of als vluchteling naar Europa komen of er om andere redenen van humanitaire aard worden opgevangen.

1.3. Om in alle landen van de Europese Unie met het begrip integratie uit de voeten te kunnen, moet het eerst goed worden gedefinieerd. Denkbeelden over maatschappelijke integratie (niet alleen die van immigranten en vluchtelingen) verschillen namelijk nogal, afhankelijk van culturele gewoonten en tradities.

1.4. Met "integratie" wordt in dit advies "integratie als burger" bedoeld. Basispremisse is de geleidelijke gelijkstelling van de immigranten met de rest van de bevolking. Dit impliceert gelijke kansen en gelijke behandeling; iedereen heeft dezelfde rechten en plichten en gelijke toegang tot goederen, diensten en kanalen voor burgerparticipatie. Zowel de Europese Unie als de lidstaten dienen bij het uitwerken van nieuwe wetgeving uit te gaan van een solide en positieve rechtsgrondslag, nl. het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

1.5. De voornaamste component van deze "integratie als burger" is niet zozeer cultuur, als wel burgerschap. Culturele diversiteit wordt immers, afhankelijk van het cultuurmodel dat zich in een land ontwikkeld heeft, telkens weer anders ingevuld, terwijl het principe gelijke rechten en plichten algemeen en ongewijzigd geldig is. M.a.w.: immigranten mogen verschillende culturele maatstaven hebben, zij moeten wel dezelfde rechten en plichten hebben als de rest van de bevolking.

1.6. Culturele diversiteit mag niet als reden worden aangehaald om de rechten van immigranten in twijfel te trekken. Het Comité wijst elke poging om immigranten op grond van culturele verschillen bepaalde rechten te ontzeggen, volledig van de hand. Zo geldt de vrijheid van godsdienst zowel voor immigranten als voor de overige burgers. Alle grondrechten, alsmede alle rechten die door wetgeving worden gewaarborgd, kunnen ook door immigranten worden ingeroepen; culturele achtergrond speelt hierbij geen enkele rol. Net zo min als de rechten, kunnen de wettelijke plichten aan de hand van culturele argumenten worden omzeild. Immigranten kunnen zich niet op culturele gronden onttrekken aan de wetten en regels die in een maatschappij gelden. Zij moeten de democratische waarden van de Europese samenleving respecteren en zich met het oog op hun maatschappelijke integratie inpassen in de democratische kanalen.

1.7. Cultuur is van groot belang. Culturele diversiteit is één van de kenmerken van het democratische en pluralistische Europa. Immigratie uit derde landen levert een belangrijke bijdrage tot deze diversiteit en verrijkt onze samenleving op cultureel gebied. Cultuur dient niet als iets statisch te worden beschouwd, maar als iets wat voortdurend in beweging is en vanuit de meest uiteenlopende bronnen wordt gevoed. Vanuit deze optiek moet ook de culturele inbreng van de immigranten worden bekeken: als bijdrage aan de dynamiek van onze culturele ontwikkeling.

1.8. Het Comité wil dan ook de aandacht vestigen op de positieve bijdrage die de immigratie aan de culturele ontwikkeling van Europa levert en wijst met klem elk fundamentalistisch standpunt af, waarin gesproken wordt van het "gevaar voor culturele besmetting" of van de "verdediging van de essentiële Europese culturele waarden tegen externe culturele invloeden". Dergelijke standpunten druisen in tegen de principes van het democratisch pluralisme en zijn schadelijk voor de sociaal-culturele ontwikkeling van de Europese samenleving.

1.9. Er bestaat een nauwe relatie tussen maatschappelijke integratie en immigratie- en asielbeleid. Het integratieproces moet aanvangen zodra iemand immigreert. De manier waarop immigranten en asielzoekers worden ontvangen en de rechten die hun van meet af aan worden toegekend, zijn dan ook van groot belang. Het op onwettige manier binnenkomen van het land en het zwart gaan werken, vormen een belemmering voor de integratie. Het immigratiebeleid moet er dan ook op gericht zijn wettelijke toegang tot het land mogelijk te maken en uitvoerig te omschrijven welke rechten immigranten hebben. De Commissie heeft ontwerprichtlijnen(3) inzake deze onderwerpen uitgewerkt, waarover het Comité advies(4) heeft uitgebracht.

1.10. Immigranten moeten positief staan tegenover integratie, waarvoor kennis van taal, wetten en gebruiken van hun nieuwe land een pre is.

1.11. Aangezien kennis van de taal van het nieuwe land van cruciaal belang is voor de integratie van immigranten, moeten zij de kans krijgen om deze taal te leren.

2. Het beleid van de Europese instellingen ten aanzien van de maatschappelijke integratie van immigranten

2.1. In overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en binnen het politieke raamwerk dat tijdens de Europese Raad van Tampere is vastgesteld, heeft de Europese Commissie een groot aantal beleidsinitiatieven genomen, waar het Comité positief tegenover staat. Anderzijds stelt het Comité vast dat de werkzaamheden in de Raad zeer traag vorderen en dat de politieke standpunten die daar worden ingenomen, te restrictief zijn. In Laken hebben de staatshoofden en regeringsleiders zich ertoe verbonden het gemeenschappelijk immigratie- en asielbeleid een nieuw elan te geven. Het Comité dringt er bij de Raad op aan de daad bij het woord te voegen en de desbetreffende Commissie-initiatieven te steunen.

2.2. De overheidsinstellingen van de EU-lidstaten hebben de laatste tientallen jaren beleidsmaatregelen voor de maatschappelijke integratie van immigranten uitgewerkt. Doordat ervan werd uitgegaan dat migratie een fenomeen van korte duur zou zijn, heeft de uitvoering van deze beleidsmaatregelen een aanzienlijke achterstand opgelopen.

2.3. De Europese instellingen zijn al jaren actief op het vlak van maatschappelijke integratie van immigranten. De maatregelen die de Unie in dit verband heeft genomen, zijn met name gericht op integratie in de arbeidsmarkt, onderwijs en bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en discriminatie.

2.4. Reeds in de Commissiemededeling uit 1994(5) over immigratie- en asielbeleid wordt maatschappelijke integratie genoemd als een van de drie centrale thema's van het immigratiebeleid (de twee andere zijn samenwerking met de landen van herkomst en beheersing van de migratiestromen). De voorstellen die in de mededeling(6) over het nieuwe communautaire immigratiebeleid met het oog op de maatschappelijke integratie van onderdanen van derde landen worden gedaan, zijn gericht op gelijkberechtiging, vrij verkeer, verbetering van de economische en sociaal-culturele situatie van de immigranten en bestrijding van vreemdelingenhaat en rassendiscriminatie.

2.5. Eén van de talrijke communautaire initiatieven in dit verband is het programma Integra, dat als doel heeft de integratie in de arbeidsmarkt van groepen die met maatschappelijke uitsluiting worden bedreigd, te bevorderen. Dankzij dit programma is een groot aantal voor immigranten bestemde projecten ontwikkeld. Met Equal(7) worden soortgelijke doelen nagestreefd. Tot slot zij nog gewezen op de Europese werkgelegenheidsstrategie, die tijdens de Europese Raad van Luxemburg in 1997 is vastgesteld, en waarin het probleem van discriminatie op het werk aan de orde wordt gesteld.

2.6. De bestrijding van vreemdelingenhaat en discriminatie - een aspect dat voor de maatschappelijke integratie van enorm groot belang is - is door de Europese instellingen, met name na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam, ter hand genomen. Er zijn al twee richtlijnen met bijhorend actieprogramma van kracht: één inzake gelijke behandeling ongeacht etnische herkomst en de andere inzake gelijke behandeling op het werk. Tezamen vormen deze een solide basis voor een anti-discriminatiebeleid. Het Comité maakt zich echter zorgen over de niet te rechtvaardigen achterstand die sommige lidstaten bij de omzetting van de richtlijnen in nationaal recht hebben opgelopen.

2.7. Zeer belangrijk is de oprichting, in 1997, van de Europese Waarnemingspost voor racisme en vreemdelingenhaat. Deze EU-instantie heeft tot taak analyses te verrichten en voorstellen te doen om de strijd tegen racisme en andere vormen van discriminatie op het grondgebied van de Gemeenschap doeltreffender aan te pakken.

2.8. Hoewel de overheidsinstanties zich duidelijk inzetten voor maatschappelijke integratie, staat buiten kijf dat de beleidsmaatregelen die zij tot dusverre hebben genomen, onvoldoende zijn. Immigranten worden nog steeds gediscrimineerd. Dit uit zich maatschappelijk o.m. in achterstelling bij aanwervingen op de arbeidsmarkt, segregatie in stedelijke gebieden en conflicten bij het samenleven met andere groepen (getuige de incidenten op verschillende plaatsen in Europa).

2.9. Het maatschappelijke-integratiebeleid heeft behoefte aan een krachtige impuls, waaraan alle instellingen - op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau - hun medewerking moeten verlenen. Ook de civiele samenleving moet haar steentje bijdragen, aangezien er alleen op die manier voor kan worden gezorgd dat het beleid daadwerkelijk effect sorteert. Het Economisch en Sociaal Comité is bereid tot de ontwikkeling van nieuwe beleidsmaatregelen ter bevordering van maatschappelijke integratie bij te dragen en de Europese civiele samenleving daarbij te betrekken.

3. Integratiebeleid

3.1. Het beleid ter bevordering van integratie van immigranten moet door de overheid en de particuliere sector, in nauwe samenwerking met maatschappelijke organisaties, worden uitgewerkt. Doel van dit beleid moet zijn de belemmeringen uit de weg te ruimen waarmee immigranten worden geconfronteerd; dit gaat van toegang tot goederen, diensten en kanalen voor burgerparticipatie, over integratie in het arbeidscircuit, tot toegang tot huisvesting en tot basis-, beroeps- en universitair onderwijs.

3.2. Deze beleidsmaatregelen moeten er ook op gericht zijn discriminerende standpunten in de samenleving van het ontvangende land te bestrijden, de communicatie en harmonie tussen de immigranten en de samenleving waarin zij worden ontvangen, te bevorderen en culturele uitwisseling, wederzijdse kennis en wederzijdse participatie op de meest uiteenlopende maatschappelijke terreinen te stimuleren. Het integratiebeleid moet dus op zowel de immigranten als de autochtone bevolking gericht zijn.

3.3. Beleidsmaatregelen ten behoeve van de maatschappelijke integratie van immigranten mogen er niet toe leiden dat deze mensen "een speciale behandeling" krijgen. Hoewel specifiek overheidsoptreden voor immigranten soms nodig is, moeten immigranten er in het algemeen toe worden aangezet om - op voet van gelijkheid met de rest van de bevolking - gebruik te maken van de gewone kanalen en diensten, en van de goederen die de maatschappij aanbiedt.

3.4. De politieke impuls die voor de integratie van de immigranten noodzakelijk is, moet worden vertaald in een verhoging van de openbare middelen. Op alle bestuursniveaus - Europees, nationaal, regionaal en lokaal - moeten actieplannen ten behoeve van de integratie worden opgesteld. Wat tot nu toe is gedaan, is immers duidelijk onvoldoende. Het huidige peil van de maatschappelijke integratie van de immigranten kan onmogelijk bevredigend worden genoemd. Het moge duidelijk zijn dat niet alleen de lidstaten, maar ook de kandidaat-lidstaten worden opgeroepen om zich intensiever voor het integratiebeleid in te spannen.

3.5. Het Comité werkt aan een advies(8) over de open coördinatiemethode voor het immigratiebeleid.

3.6. Een communautair kaderprogramma

3.6.1. Er moet onverwijld een zo ruim mogelijk, in het EU-beleid ingebed Europees initiatief komen om nieuwe beleidsmaatregelen voor maatschappelijke integratie te bevorderen. Op communautair niveau moet de Europese Commissie het initiatief nemen tot een breed opgezet Kaderprogramma ter bevordering van de maatschappelijke integratie van immigranten en vluchtelingen. Een dergelijk programma moet als motor dienen om de overige instellingen, op alle niveaus, ertoe te bewegen hun beleidsmaatregelen inzake integratie uit te breiden. Bij dit kaderprogramma moeten de organisaties van de civiele samenleving zoveel mogelijk worden betrokken. In dit verband is een belangrijke rol weggelegd voor het Economisch en Sociaal Comité.

3.6.2. Het overheidsbeleid moet alle fasen van het integratieproces bestrijken: vanaf het moment dat de immigranten in het land van ontvangst worden opgevangen tot het moment waarop zij daadwerkelijk dezelfde rechten en plichten hebben als de andere burgers. Hiertoe moeten op talrijke terreinen maatregelen worden genomen. Aangezien deze in dit advies niet allemaal de revue kunnen passeren, worden in de volgende paragrafen alleen de belangrijkste toegelicht.

3.6.3. Voor de eerste opvang moeten de nodige middelen beschikbaar zijn om de immigrant, waar in Europa hij zich ook vestigt, de kans te geven zich te integreren. Het Comité pleit in zijn advies(9) over het voorstel voor een richtlijn betreffende voorwaarden inzake toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op arbeid, voor gunstige voorwaarden voor de opvang van deze immigranten. Ook heeft het Comité advies uitgebracht over een richtlijnvoorstel inzake de voorwaarden voor de opvang van asielzoekers(10). In de desbetreffende adviezen breekt het Comité o.m. een lans voor menswaardige huisvesting, juridische bijstand, voorlichting in verschillende talen, taalcursussen waaraan iedere pas aangekomen immigrant kan deelnemen en beroepskeuzevoorlichting.

3.6.4. Opneming in het arbeidscircuit is ongetwijfeld een van de belangrijkste componenten van maatschappelijke integratie. Een werkloze immigrant zal ook op andere terreinen van het maatschappelijk leven niet integreren. In het werkgelegenheidsbeleid moet dan ook rekening worden gehouden met het nieuwe immigratiebeleid en moeten maatregelen worden genomen om de toegang tot de arbeidsmarkt voor de immigranten te vergemakkelijken(11).

3.6.5. Huisvesting en de stedelijke woonomgeving zijn een betrouwbare graadmeter voor maatschappelijke integratie en uitsluiting. Op veel plaatsen zijn huisvesting en stedelijke woonomgeving alarmerende bewijzen van de erbarmelijke leefomstandigheden en de maatschappelijke uitsluiting van zowel pas aangekomen als reeds lang verblijfhoudende immigranten.

3.6.6. Onbelemmerde toegang tot goed onderwijs is een andere doorslaggevende factor voor de maatschappelijke integratie van immigranten. Met gebruikmaking van passende Europese instrumenten moeten de betrokken autoriteiten academische titels en beroepskwalificaties die de immigrant in zijn land van herkomst heeft verworven, erkennen; zij dienen hierbij elke zweem van discriminatie te vermijden.

3.6.7. Gezondheidszorg en andere openbare sociale dienstverlening moeten voor immigranten en andere burgers tegen dezelfde voorwaarden toegankelijk zijn. Dit betekent dat elke vorm van discriminatie moet verdwijnen en dat diensten en verstrekkingen aan deze egalitaire manier van zorgverlening moeten worden aangepast.

3.6.8. Er moeten op alle niveaus actieprogramma's komen om immigranten tegen racisme, vreemdelingenhaat, geweld en elke vorm van discriminatie te beschermen. Om deze maatschappelijke problemen te voorkomen, moeten overheid, bedrijven, particuliere instellingen, sociale partners en de gehele civiele samenleving beslist aan deze programma's meewerken. Preventie is zonder twijfel de beste manier om te vermijden dat dergelijke problemen de kop opsteken.

3.6.9. Overheid en georganiseerde civiele samenleving hebben o.m. tot taak de contacten tussen verschillende culturen te bevorderen en de waarden van multiculturaliteit uit te dragen. Van culturele integratie is pas sprake, als de waarden en culturele tradities van immigranten en hun kinderen worden gerespecteerd. Gestreefd moet worden naar interculturaliteit, aangezien is gebleken dat deze vorm van samenleven het gemakkelijkst door de bevolking van het gastland wordt geaccepteerd.

3.6.10. Er moet voor worden gezorgd dat ook immigranten in de samenleving kunnen participeren. Immigranten moeten onder dezelfde voorwaarden als de rest van de bevolking toegang hebben tot het verenigingsleven, het culturele leven en maatschappelijk leven in het algemeen. Dit doel kan langs verschillende kanten worden bereikt. Zo moeten immigranten lid kunnen worden van verenigingen die in het ontvangende land reeds aanwezig zijn: buurtverenigingen, schoolverenigingen, werkgeversverenigingen, vakbonden, politieke partijen en bewegingen, sportbonden, organisaties van vrije beroepen, NGO's, enz. Deze verenigingen moeten zelf alle discriminerende opvattingen laten varen en de gelijke behandeling van immigranten concreet bevorderen.

3.6.11. Bij het organiseren van culturele evenementen, sportmanifestaties, religieuze activiteiten en feesten, moet rekening worden gehouden met de samenstelling van de bevolking, zodat ook immigranten gestimuleerd worden eraan deel te nemen.

3.6.12. De organisaties van de "sociale economie" kunnen een zeer positieve bijdrage tot de maatschappelijke integratie van immigranten leveren. Als immigranten op dezelfde manier als de andere burgers aan de samenleving kunnen deelnemen, wordt het voor alle betrokkenen gemakkelijker om met elkaar in contact te komen.

3.6.13. Om de integratie van immigranten te bevorderen en te vermijden dat zij en hun nakomelingen slachtoffer van sociale uitsluiting en isolement worden - een fenomeen dat zich momenteel in veel Europese steden voordoet - is zowel op politiek niveau als op andere vlakken een voortgezet beleid nodig. Immigranten van de tweede en derde generatie, die intussen de nationaliteit van een lidstaat hebben verworven, krijgen soms nog steeds met xenofoob en racistisch discriminerend gedrag af te rekenen.

3.7. Follow-up

3.7.1. Naast het communautaire kaderprogramma moet er een follow-upsysteem komen om de resultaten van het beleid ter bevordering van maatschappelijke integratie te toetsen. Hiervoor zijn de volgende elementen onontbeerlijk: kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, streefdoelen en concrete scenario's en aanbevelingen voor de overheid en de civiele samenleving op nationaal en Europees niveau.

3.7.2. Dit follow-upsysteem moet worden ingebed in de open-coördinatiemethode die de Raad m.b.t. het Europees immigratiebeleid zal aannemen.

3.7.3. Voor een goede werking van het systeem is de actieve deelname van de georganiseerde civiele samenleving, en met name van het Economisch en Sociaal Comité, een must.

4. De rol van de civiele samenleving bij de maatschappelijke integratie

4.1. Arbeid en arbeidsverhoudingen

4.1.1. Het beschikken over voldoende geld is een essentiële voorwaarde om niet in de marginaliteit te belanden. Arbeid is de meest gebruikelijke manier om geld te verdienen en werkervaring op te doen. Bovendien vormt arbeid - als zelfstandige of als loontrekkende - een fundamentele schakel in intermenselijke relaties.

4.1.2. Met het oog op een vlotte maatschappelijke integratie moet het voor immigranten gemakkelijker worden een beroepsopleiding te volgen, een baan te vinden en toegang tot de bijbehorende sociale zekerheidsvoorzieningen te krijgen. Zolang zij op de arbeidsmarkt worden gediscrimineerd, kan van integratie geen sprake zijn.

4.1.3. Bij het opzetten en leiden van een onderneming ondervinden immigranten door de bank genomen meer problemen dan andere burgers. Dit geldt ook voor het vinden van een (goede) baan. Het is weliswaar voor verscheidene maatschappelijke groepen en voor heel veel mensen moeilijk om een goede baan te krijgen, maar voor immigranten zijn de belemmeringen nog groter. Niet alleen mensen met geringe beroepskwalificaties, maar ook de hoogst opgeleiden stuiten op deze barrières. Beroepsverenigingen moeten er alles aan doen om immigranten op dezelfde voorwaarden als andere burgers - zonder aanzien des persoons - de kans te geven een beroep uit te oefenen.

4.1.4. De openbare diensten voor de arbeidsvoorziening moeten, in samenwerking met de sociale partners, steekhoudende criteria voor een adequaat beheer van de migratiestromen uitwerken. Werkzoekende immigranten moeten zich bij de openbare diensten laten inschrijven; hiertoe moeten zij over de nodige informatie beschikken. Voor vakbonden en andere maatschappelijke organisaties is bij de informatieoverdracht een belangrijke rol weggelegd. In gemeenten en regio's waar de immigranten bij het vinden van werk specifieke moeilijkheden hebben, moeten de openbare diensten voor de arbeidsvoorziening gerichte maatregelen nemen om de integratie op de arbeidsmarkt, zonder enige vorm van discriminatie, te vergemakkelijken.

4.1.5. Voor de sociale partners, die de werking van de arbeidsmarkt grotendeels bepalen en de belangrijkste steunpilaren van het Europese economische en sociale leven zijn, is bij het bevorderen van de integratie van immigranten een belangrijke rol weggelegd. In de praktijk blijkt immers dat veel immigranten op de arbeidsmarkt en wat arbeidsomstandigheden betreft te maken krijgen met discriminatie en met voorwaarden die indruisen tegen de arbeids- en sociale wetgeving.

4.1.6. Op het gebied van CAO-onderhandelingen en arbeidsverhoudingen moeten de sociale partners hun verantwoordelijkheid t.a.v. de integratie van de immigranten opnemen. Zo moeten zij ervoor zorgen dat elke vorm van directe of indirecte discriminatie uit de CAO's, de arbeidswetgeving en de arbeidspraktijk verdwijnt. De discriminatie kan verband houden met geslacht, etnische of nationale herkomst, cultuur, godsdienst, leeftijd, enz. In veel gevallen worden immigranten op meer dan één grond gediscrimineerd.

4.1.7. Het Economisch en Sociaal Comité stelt voor dat de sociale partners op Europees niveau - met inachtneming van hun autonomie - in het kader van de sociale dialoog nagaan of er steun moet worden verleend aan sociale akkoorden en initiatieven die tot doel hebben de integratie van de immigranten te bevorderen door de arbeidsverhoudingen en -voorwaarden te verbeteren en elke vorm van discriminatie te verbieden.

4.1.8. Hoewel de nationale methoden van collectieve onderhandeling, de nationale arbeidsverhoudingen en stelsels van sociale zekerheid van elkaar verschillen en met deze verschillen ook rekening moet worden gehouden, moeten in elk systeem door de sociale partners op de verschillende niveaus - staat, regio, sector, onderneming - evaluatie- en onderhandelingsmethoden worden uitgewerkt om de integratie van de immigranten in het arbeidscircuit te stimuleren.

4.1.9. Permanente educatie is een essentieel instrument om echte gelijkheid op de arbeidsmarkt te bevorderen. De sociale partners moeten meer doen om immigranten toegang tot permanente educatie te verschaffen, op dezelfde voorwaarden als de eigen burgers. Voor immigranten die de talen van het land waar zij verblijven, niet kennen, is het extra moeilijk om deel te nemen aan permanente educatie en om werk te vinden. Om die reden zijn voor anderstalige immigranten specifieke maatregelen op het gebied van permanente educatie noodzakelijk.

4.1.10. Veel mensen ondervinden in de loop van hun carrière extra problemen als gevolg van het feit dat zij immigrant zijn. Daarom moeten de sociale partners erop toezien dat niemand op grond van discriminatie in zijn loopbaan wordt tegengewerkt en dat iedereen gelijk loon voor gelijk werk krijgt.

4.1.11. In het communautaire kaderprogramma ter bevordering van de integratie van immigranten moeten voor de sociale partners, die aan het programma zouden moeten meewerken, specifieke doelstellingen en maatregelen worden opgenomen.

4.1.12. In de werkgelegenheidsrichtsnoeren(12) die elk jaar aan de hand van de open-coördinatiemethode worden opgesteld, moeten niet alleen criteria ter beheersing van de migratiestromen worden opgenomen, maar ook doelstellingen en maatregelen ter bevordering van de integratie van de immigranten door middel van werk.

4.2. De plaatselijke gemeenschap

4.2.1. Soms wonen immigranten in verwaarloosde, stedelijke getto's waar de overheid haar handen van heeft afgetrokken. Deze vorm van maatschappelijke uitsluiting doet zich helaas op veel plaatsen in Europa voor en is een bron van talrijke conflicten. Een "getto" kan omschreven worden als een buurt met een hoge concentratie bewoners met dezelfde nationaliteit of culturele achtergrond, die daarenboven zeer vaak door de overheid verwaarloosd wordt en gekenmerkt wordt door stedelijk en sociaal verval. Niet de concentratie is voor de gettovorming verantwoordelijk, maar het falen van de overheid en de discriminatie bij de toegang tot goederen en overheidsdiensten en tot het maatschappelijke en gemeenschapsleven.

4.2.2. Mensen die in die omstandigheden leven, ondervinden de ernstige gevolgen van extreme ongelijkheid en discriminatie aan den lijve. Voor de Europese civiele samenleving en de overheid moet de maatschappelijke integratie van de immigranten in de plaatselijke gemeenschap bovenaan de prioriteitenlijst staan.

4.2.3. Immigranten moeten zich laten inschrijven in het bevolkingsregister van de plaats waar zij wonen, omdat zij aan dit bestuursrechtelijke feit bepaalde rechten en plichten als burger ontlenen, die een eerste stap op weg naar integratie betekenen.

4.2.4. Overal in Europa zijn maatschappelijke organisaties actief die zich, samen met de plaatselijke overheid, inspannen voor een betere levenskwaliteit en voor betere sociale contacten tussen buurtbewoners. Deze organisaties mogen dan traditioneel van land tot land verschillen, allemaal hebben zij als organisaties van de plaatselijke civiele samenleving een belangrijke taak te vervullen.

4.2.5. Deze organisaties moeten hun deuren open zetten voor immigranten, en de behoeften, problemen en meningen van deze mensen een plaats geven in hun programma's en activiteiten. Het doel moet zijn iedereen, ook immigranten, op basis van gelijkheid, actief in de plaatselijke gemeenschap te laten participeren. De activiteiten van vrijwilligersorganisaties waarin immigranten en andere burgers samenwerken, zijn uitermate integratiebevorderend.

4.2.6. Vaak is het voor immigranten enorm moeilijk een behoorlijke woning te vinden. Soms worden zij gedwongen om opeengepakt in slechte woningen en in afgelegen en verwaarloosde buitenwijken onderdak te vinden. De overheid - met name de lokale - is in eerste instantie verantwoordelijkheid voor het beschikbaar stellen van geschikte woningen voor deze mensen. Hiertoe moeten de lokale overheden niet alleen over sociale woningen beschikken, maar ook over voldoende financiële middelen om aan degenen die dit nodig hebben (autochtonen én immigranten), op voet van gelijkheid, een huursubsidie uit te keren. Een goed stedenbouwkundig beheer en een doeltreffend huisvestingsbeleid zijn onontbeerlijk voor een geslaagde integratie in de samenleving.

4.2.7. Het komt voor dat huiseigenaren, uit een duidelijke en verwerpelijke xenofobe en racistische reflex, weigeren immigranten een woning te verhuren. De lokale overheden moeten krachtig optreden om dergelijk gedrag, dat het de immigranten nog moeilijker maakt om een geschikte woning te krijgen, te voorkomen en te bestrijden.

4.2.8. Een goede opvang van immigranten door de plaatselijke gemeenschap is noodzakelijk voor de integratie. Het komt voor dat sommige bewoners de immigranten vooringenomen en achterdochtig en zelfs met een xenofobe en afwijzende houding ontvangen. Tal van mensenrechtenorganisaties zetten zich in voor de opvang van de immigranten in hun gemeenschap en doen uiterst belangrijk werk op het gebied van solidariteit en maatschappelijke integratie. Deze organisaties geven ook de aanzet tot plaatselijke informatiecampagnes om de eventuele minderheidsstandpunten van xenofobe aard te overwinnen. Tevens stellen zij de immigranten op de hoogte van hun rechten en plichten in de nieuwe maatschappij waarin zij worden opgevangen.

4.2.9. De overheden moeten deze organisaties, die de civiele samenleving vertegenwoordigen, bij het opstellen en evalueren van de integratieprogramma's raadplegen en hun activiteiten ondersteunen.

4.3. Het onderwijsstelsel

4.3.1. In onze samenleving biedt de school een omgeving waarin jongens en meisjes kennis en vaardigheden verwerven, waarin hun socialisatie en maatschappelijke integratie als burger een aanvang neemt en zich verder ontwikkelt en waarin sociale en culturele waarden worden overgedragen. Bovendien is onderwijs politiek enorm belangrijk, omdat het een essentieel middel is voor het bevorderen van gelijke kansen.

4.3.2. Gelijke behandeling van immigrantenkinderen vanaf het peuter- en kleuteronderwijs is van doorslaggevend belang voor de maatschappelijke integratie. Soms is het voor deze kinderen erg moeilijk om op dezelfde voorwaarden als andere kinderen toegang tot onderwijs te krijgen en hebben ze met duidelijke gevallen van discriminatie af te rekenen: scholen waar de kwaliteit te wensen overlaat, leerboeken en didactische hulpmiddelen die voor hen te hoog gegrepen zijn en discriminerend gedrag van de zijde van het onderwijzend personeel en andere kinderen. Dergelijke toestanden zijn onaanvaardbaar in een Europees democratisch bestel; overheden dienen dan ook beleidsmaatregelen te treffen om dergelijke situaties te vermijden. Voor alle actoren die in het onderwijs actief zijn is in dit verband een bijzonder belangrijke taak weggelegd.

4.3.3. Onderwijs voor vrouwelijke immigranten verdient bijzondere aandacht. Aangezien vrouwen de verworven kennis op hun beurt weer doorgeven, is het voor de maatschappelijke integratie van deze vrouwen en hun familieleden van fundamenteel belang dat zij de taal leren, kennis opdoen over mensenrechten, burgerrechten en sociale rechten in het gastland, en een beroepsopleiding kunnen volgen.

4.3.4. Onderwijsvakbonden en -verenigingen, werkgevers en maatschappelijke organisaties moeten de verantwoordelijkheid op zich nemen om de gelijkheid van kansen voor alle kinderen in het onderwijsstelsel, ongeacht hun herkomst, nationaliteit, godsdienst, taal of cultuur, te bevorderen. Tevens moeten zij samen met de overheden erop toezien dat tolerantie en pluraliteit als waarden worden overdragen.

4.3.5. De inhoud van leerboeken en andere leermiddelen moet worden onderzocht om daaruit alle negatieve oordelen over immigranten, alsmede alle andere directe of indirecte verwijzingen van racistische of xenofobe aard (zelfs al zijn die onbewust) en alle negatieve beoordelingen van de verschillende culturen, te verwijderen.

4.3.6. Ouderverenigingen spelen een heel belangrijke rol bij de participatie van de maatschappij in het schoolleven. Zij kunnen een zeer positieve rol spelen bij de integratie van immigrantenkinderen en kunnen ervoor zorgen dat deze op school op dezelfde manier als de andere kinderen worden behandeld. Deze verenigingen moeten het lidmaatschap openstellen voor immigranten en voldoende aandacht besteden aan de zorgen van deze mensen en aan de problemen van hun kinderen.

4.3.7. Een van de grootste problemen waarmee immigrantenkinderen op school te maken krijgen, is de overgang naar een beroepsopleiding of naar de universiteit. Overheid en georganiseerde civiele samenleving moeten zich inspannen om alle hindernissen uit de weg te ruimen en positieve beleidsmaatregelen treffen om werkelijke gelijkheid in het onderwijs tot stand te brengen.

4.3.8. Het volwassenenonderwijs is een belangrijk onderdeel van een op maatschappelijke integratie gericht beleid. Overheid, mensenrechtenorganisaties en organisaties die in het onderwijs werkzaam zijn, moeten intensief samenwerken om alle geledingen van de immigrantenbevolking toegang tot onderwijs te verschaffen.

4.3.9. De moedertaal van de immigranten heeft voor degenen die haar spreken en voor de samenleving van ontvangst culturele waarde. Daarom dient de overheid het onderwijs in die taal en het gebruik ervan te bevorderen. Positief element in dit verband zijn de overeenkomsten ter bevordering van onderwijs in de taal en de cultuur van het land van oorsprong, die tussen gastland en land van herkomst zijn afgesloten.

4.4. Gezondheidszorg en andere vormen van maatschappelijke dienstverlening

4.4.1. In de Europese Unie is het recht op gezondheidszorg en op bepaalde vormen van maatschappelijke dienstverlening en sociale uitkeringen en verstrekkingen gemeengoed. Het is de taak van de overheid om dit recht te waarborgen. Immigranten moeten onder dezelfde voorwaarden als andere burgers en zonder enige vorm van discriminatie toegang krijgen tot gezondheidszorg, andere sociale diensten en voorzieningen. Wanneer deze mensen uitgesloten worden van het stelsel van gezondheidszorg en geen gebruik kunnen maken van sociale dienstverlening die zij nodig hebben, is er sprake van discriminatie en maatschappelijke uitsluiting.

4.4.2. Voor beroepsorganisaties, organisaties van gebruikers van bedoelde diensten en NGO's is een heel belangrijke rol weggelegd bij het uit de weg ruimen van discriminerende hindernissen die het gebruik van de openbare diensten door immigranten bemoeilijken.

4.4.3. Immigranten weten niet altijd welke wettelijke instrumenten hun ter beschikking staan om toegang tot de openbare diensten te krijgen en hoe deze diensten precies werken. De nationale, regionale en lokale overheden moeten voorlichtingscampagnes voor immigranten opzetten - in de in aanmerking komende talen - om hen op de hoogte te brengen van de werking van de openbare gezondheidszorg en andere sociale dienstverlening. Immigrantenverenigingen, NGO's en organisaties van de civiele samenleving die in deze sectoren actief zijn, moeten aan deze voorlichtingscampagnes van de overheden meewerken.

4.4.4. In de lidstaten spannen talrijke verenigingen, religieuze gemeenschappen en NGO's zich in om het gezondheidsniveau te verbeteren en het gebruik van andere sociale diensten te stimuleren. Deze verenigingen moeten immigranten opnemen en programma's opstellen om het gebruik van die openbare diensten door immigranten te bevorderen. Zij moeten er tevens op toezien dat immigranten die van deze openbare diensten gebruik maken, zo nodig worden geholpen door speciaal getraind personeel. In sommige gevallen zal het nodig zijn speciaal op immigranten gerichte gezondheidsvoorlichtingscampagnes te lanceren.

4.4.5. De hierboven bedoelde verenigingen en NGO's moeten de overheden ertoe brengen in de gezondheidszorg en bij andere sociale diensten rekening te houden met de specifieke behoeften van immigranten. Zo is het zaak eventuele taalproblemen die een goede communicatie tussen dienstverlener en gebruiker in de weg staan, op te lossen en cultuur- en godsdienstgebonden aspecten in aanmerking te nemen.

4.4.6. Werkgevers- en werknemersorganisaties uit de zorgsector moeten actief meewerken aan programma's om de gezondheidszorg en andere openbare dienstverlening dichter bij de immigranten te brengen.

4.4.7. Overheid en georganiseerde civiele samenleving moeten brede voorlichtingscampagnes opzetten om de immigranten van het bestaan en de werking van de gezondheidszorg en andere openbare diensten op de hoogte te brengen en hen in staat te stellen op voet van gelijkheid met de rest van de bevolking van deze diensten gebruik te maken.

4.5. Religieuze instanties en verenigingen

4.5.1. Elke godsdienst heeft zijn eigen geloofsleer en zijn eigen rites, maar bevordert daarnaast een morele gedragscode die een belangrijke stempel drukt op het leven van de mensen in het algemeen en op dat van de leden van de religieuze gemeenschap in het bijzonder. Over het algemeen breken religieuze instanties en organisaties van religieuze signatuur een lans voor humanitaire waarden en solidariteit, en daarmee voor burgerparticipatie en een positieve houding ten opzichte van de integratie van immigranten.

4.5.2. In bepaalde omstandigheden kunnen extremistische en intolerante religieuze opvattingen vreemdelingenhaat en uitsluiting stimuleren. Ook de Europese geschiedenis bevat daar voorbeelden van die niet mogen worden vergeten. Religieuze instellingen en organisaties moeten in hun rijen elke poging tot uitsluiting de kop indrukken; met name op godsdienst gebaseerde discriminatie moet in de kiem worden gesmoord.

4.5.3. Talrijke door religieuze bewegingen en kerken gesteunde organisaties en instellingen met een humanitaire of educatieve inslag zijn op verschillende terreinen van het maatschappelijk leven werkzaam en spelen een belangrijke rol bij de integratie van immigranten.

4.5.4. Deze kunnen onder de gelovigen campagnes opzetten en samenwerken met de overheden en andere organisaties uit het maatschappelijk middenveld om het samenleven in een omgeving met verschillende godsdiensten en culturen te vergemakkelijken en de verschillende geloofsgemeenschappen aan te moedigen de handen ineen te slaan.

4.6. Sportverenigingen

4.6.1. In onze tijd is sport meer dan een bezigheid. Met name bij massasporten ontstaat er een groepsgevoel en krijgt de sport een voorbeeldfunctie voor kinderen en jongeren.

4.6.2. Hoewel racistische, xenofobe en gewelddadige groepen soms onderdak vinden bij de fanclubs van grote massasportteams, is het een feit dat sport in het Europa van vandaag een zeer belangrijke taak vervult bij de bevordering van etnische en culturele gelijkheid en maatschappelijke integratie.

4.6.3. De verenigingen, instellingen en sponsors van de grote massasporten moeten zeer krachtig stelling nemen tegen xenofoob en racistisch gedrag. Zij moeten extremistische groepen uit hun midden verwijderen en het publiek van de laakbaarheid van dergelijk gedrag doordringen. Zij moeten via resoluut optreden hun boodschap van gelijkheid in niet mis te verstane bewoordingen naar voren brengen. De enorme maatschappelijke weerklank van hun activiteiten verplicht deze organisaties ertoe hun verantwoordelijkheid te nemen.

4.6.4. Wetshandhaving is echter niet genoeg. De grote sportbonden moeten op Europees niveau een ethische gedragscode opstellen om uit hun omgeving opvattingen en groepen te weren die de menselijke waardigheid aantasten, en zij moeten humaan en integratiebevorderend gedrag stimuleren.

4.6.5. Immigranten en personen die tot een etnische minderheid behoren, moeten zonder enige vorm van discriminatie tot sportverenigingen en -clubs worden toegelaten en aan de activiteiten ervan kunnen deelnemen.

4.7. Mensen- en burgerrechtenorganisaties

4.7.1. Op het terrein van de verdediging van mensen- en burgerrechten is in de lidstaten een groot aantal verenigingen en organisaties werkzaam. Veel van deze organisaties hebben ruime ervaring in de strijd voor maatschappelijke gelijkheid en burgerrechten.

4.7.2. Steeds vaker doen zich in de Europese samenleving problemen met mensen- en burgerrechten voor die ernstige gevolgen voor immigranten hebben. Daarom hebben de hierboven vermelde verenigingen en NGO's dit onderwerp al in hun gedachtegoed en hun activiteiten geïntegreerd.

4.7.3. Het meest positieve werk wordt verricht door organisaties die zich bezighouden met de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat. Zij stellen schendingen van de mensenrechten aan de kaak en informeren en mobiliseren de maatschappij. Het werk dat zij verrichten om deze gedragingen te voorkomen, verdient bijzondere vermelding. Het feit dat nakomelingen van migranten van de tweede en derde generatie nog steeds met racisme en vreemdelingenhaat te maken krijgen, wijst op het ernstige falen van het integratiebeleid.

4.7.4. De representatieve organisaties die op dit terrein actief zijn, moeten door de overheden worden geraadpleegd, wanneer deze beleidsmaatregelen ten behoeve van de integratie opstellen en zij moeten aan de desbetreffende programma's hun medewerking verlenen.

4.8. Immigrantenorganisaties

4.8.1. Vaak richten immigranten zelf verenigingen van uiteenlopende aard op: voor opvang, culturele of religieuze doeleinden, enz. Deze organisaties leveren een zeer belangrijke bijdrage tot hun maatschappelijke identiteit en maatschappelijke integratie.

4.8.2. Aangezien immigrantenverenigingen een belangrijke bemiddelingsrol vervullen en uitermate geschikt zijn om informatie onder immigranten te verspreiden, doen overheden en organisaties van de civiele samenleving er goed aan met deze organisaties samenwerkingsverbanden te sluiten.

4.8.3. Immigrantenverenigingen moeten o.m. tot doel hebben de maatschappelijke integratie van hun leden na te streven en samenwerkingsnetwerken op te zetten.

4.9. Vrouwenorganisaties

4.9.1. Van bijzonder belang zijn vrouwenorganisaties die zich inzetten voor gelijke behandeling. Het zijn vaak vooral de vrouwen onder de immigranten die specifieke moeilijkheden ondervinden bij het vinden van werk, het krijgen van onderwijs, het gebruik van de sociale diensten en ook op het gebied van de mensenrechten. Vrouwenorganisaties verdienen speciale aandacht en steun van de overheid.

4.9.2. Vrouwen spelen een bijzondere rol in het integratieproces; niet alleen omdat zij met specifieke belemmeringen worden geconfronteerd, maar ook omdat zij hun kinderen waarden kunnen meegeven waardoor maatschappelijke integratie en respect voor de eigen cultuur niet langer op gespannen voet met elkaar staan.

4.10. Media

4.10.1. In de huidige maatschappij zijn de massacommunicatiemiddelen de belangrijkste middelen voor overdracht, niet alleen van informatie, maar ook van maatschappelijke waarden en gedragingen, alsmede van morele en politieke zienswijzen. Met de immigratiethema's wordt in de media soms sensatiebelust, weinig waarachtig en weinig verantwoordelijk omgesprongen.

4.10.2. De meeste media doen hun werk naar behoren en pleiten voor integratie. Sommige echter kweken onder de bevolking gevoelens van angst en onrust, die een voedingsbodem voor vreemdelingenhaat en racisme vormen.

4.10.3. De massamedia zouden er goed aan doen een gedragscode tegen racisme en vreemdelingenhaat en vóór de integratie van migranten op te stellen. De in een democratisch bestel essentiële beginselen van vrijheid van meningsuiting en informatie dienen hierbij te allen tijde te worden gerespecteerd.

4.10.4. De massamedia moeten met de overheden samenwerken om de waarden tolerantie, culturele diversiteit en gelijkheid onder de aandacht van de bevolking te brengen.

4.11. Politieke partijen

4.11.1. Met het oog op een breed maatschappelijk draagvlak is het van doorslaggevend belang dat politieke partijen inzake gelijke rechten voor en maatschappelijke integratie van immigranten op eenzelfde lijn zitten. Met name tijdens verkiezingscampagnes moeten politieke partijen de integratieproblematiek positief benaderen.

4.11.2. Het door de Europese politieke partijen in Utrecht ondertekende Handvest tegen racisme en vreemdelingenhaat moet als voorbeeld fungeren voor politici op nationaal, regionaal en lokaal niveau.

4.11.3. Immigranten en personen die tot een etnische minderheid behoren, moeten zonder enige vorm van discriminatie tot politieke partijen en bewegingen toegelaten worden en als volwaardig lid aan de activiteiten ervan kunnen deelnemen. De politieke partijen doen er goed aan de vertegenwoording van minderheden op alle niveaus van het politieke bedrijf - met name het lokale - te bevorderen en personen die tot minderheden behoren, ertoe aan te zetten zich verkiesbaar te stellen.

5. Gelijke rechten, gelijke plichten. Burgerschap en stemrecht

5.1. Voor de ontwikkeling van de Europese Unie als een zone van vrijheid, veiligheid en gerechtigheid (waarover de Europese Raad van Tampere(13) een akkoord bereikte) is het van essentieel belang dat onderdanen van derde landen die legaal in de lidstaten verblijven, rechtvaardig worden behandeld. Hiertoe is zonder meer een integratiebeleid noodzakelijk, dat erop gericht is deze burgers rechten en plichten toe te kennen die vergelijkbaar zijn met die van de andere burgers van de Europese Unie.

5.2. Het is in een democratisch bestel niet aanvaardbaar dat veel immigranten permanent in een situatie verkeren waarin zij minder rechten hebben. Hoewel het redelijk is dat de immigrant pas na verloop van tijd - naarmate hij langer in de lidstaat verblijft - dezelfde rechten en plichten als de andere burgers krijgt, moet de gelijkberechtiging na een bepaalde tijd volledig zijn.

5.3. Met de door de Europese Commissie voorgestelde richtlijn betreffende de status van langdurig ingezetenen(14) wordt een belangrijke stap in die richting gezet. Na een verblijf van vijf jaar verkrijgt een immigrant deze status, waaraan rechten zijn gekoppeld die vergelijkbaar zijn met die van de EU-burgers (zoals het recht op vrij verkeer en op vrije vestiging op het gehele grondgebied van de Europese Unie). Het Economisch en Sociaal Comité heeft een advies(15) opgesteld waarin het die aspecten van de richtlijn steunt en enkele wijzigingen voorstelt. Hoewel de goedkeuring van deze richtlijn een belangrijke stap zou betekenen, zal volledige gelijkberechtiging ook dan nog niet bereikt zijn.

5.4. Het verkrijgen van de nationaliteit en het burgerschap van de staat waarin de immigrant woont, brengt volledige gelijkstelling qua rechten en plichten met zich mee. Daarom is het zeer belangrijk dat de nationale wetgeving de toekenning van nationaliteit en staatsburgerschap aan immigranten die deze aanvragen, vergemakkelijkt en dat de procedures transparant zijn. Enkele landen hebben de afgelopen tien jaar stappen in die richting gezet, maar in de meeste lidstaten zijn de termijnen nog te lang en de bureaucratische moeilijkheden bijzonder groot. Hoewel naturalisatie tot de bevoegdheden van de lidstaten behoort en dit krachtens het subsidiariteitsbeginsel ook zo moet blijven, is een zekere vorm van harmonisatie van de desbetreffende wetten gewenst om degenen die dat willen, de kans te geven gemakkelijk de nationaliteit en het staatsburgerschap te verkrijgen. Wetgeving die de dubbele nationaliteit toestaat, is bevorderlijk voor de integratie.

5.5. Het verkrijgen van gelijke rechten en plichten en naturalisatie mogen niet aan elkaar worden gekoppeld. Voor veel mensen is naturalisatie immers geen optie, omdat dit het verlies van hun oorspronkelijke nationaliteit meebrengt - om maar één reden te noemen. De enige manier om immigranten dezelfde rechten en plichten als andere burgers te geven, is hun de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land toe te kennen. Er moet wel op worden toegezien dat het verschil in status tussen de langdurig ingezeten onderdaan van een derde land en de communautaire ingezetene minimaal is en de belangrijke aspecten van het maatschappelijk leven geenszins negatief beïnvloedt. Hiertoe moet inzake burgerschap en stemrecht vooruitgang worden geboekt.

5.6. Europees burgerschap

5.6.1. Krachtens art. 17 van het EG-Verdrag vult het burgerschap van de Unie het nationale burgerschap aan en komt het niet in de plaats daarvan; het nationale burgerschap is een zaak van de lidstaten. In de Commissiemededeling(16) wordt opgemerkt dat het Handvest van de grondrechten in de richting gaat van "een bepaalde vorm van burgerschap" voor in de EU ingezeten onderdanen van derde landen.

5.6.2. Het Europa van de burgers kan niet binnen zijn grenzen ook nog een Europa van "de niet-burgers" kennen. Personen die lange tijd op het grondgebied van de Europese Unie wonen, moeten op dezelfde manier behandeld worden en in EU-verband dezelfde rechten en plichten krijgen als onderdanen van de lidstaten.

5.6.3. Met de instelling van de Europese Conventie is de aanzet gegeven tot een proces dat moet leiden tot een herziening van de Verdragen en de uitwerking van een nieuw model voor de Europese Unie. De Conventie zal het begrip "Europees burgerschap" onder de loep nemen en nagaan welke rol het Handvest van de grondrechten moet spelen.

5.6.4. De door de Europese Commissie in haar mededeling van november 2000 over een communautair immigratiebeleid voorgestelde "vorm van burgerschap" op basis van het Handvest van de grondrechten, kan een middel zijn om het Europees burgerschap dichter bij langdurig ingezeten onderdanen van derde landen te brengen, maar men kan met dit begrip niet uit de voeten omdat hiervoor in het Verdrag onvoldoende rechtsgrondslag bestaat.

5.6.5. De Conventie die zich over de herziening van de Verdragen buigt, zou de mogelijkheid in overweging moeten nemen het Europees burgerschap toe te kennen aan onderdanen van derde landen die de status van langdurig ingezetene bezitten.

5.7. Stemrecht

5.7.1. Het is onmogelijk een alomvattend voorstel inzake gelijke rechten en plichten en maatschappelijke integratie uit te werken, zonder daarbij het stemrecht te betrekken. Dat recht is van groot gewicht voor de maatschappelijke integratie. Met zijn stem geeft de kiezer immers een duidelijk signaal, wanneer het erom gaat te bepalen wie binnen en wie buiten een gemeenschap staat. Deel uitmaken van een gemeenschap betekent vertegenwoordigers kiezen en gekozen kunnen worden. Wanneer een deel van de bevolking geen stemrecht wordt toegekend, krijgen deze mensen in zekere zin het signaal dat zij geen deel uitmaken van de gemeenschap, wat hun maatschappelijke integratie in de weg zal staan.

5.7.2. In sommige lidstaten mogen onderdanen van derde landen hun stem in lokale verkiezingen uitbrengen. Onderdanen van elke lidstaat mogen aan de verkiezingen voor het Europees Parlement deelnemen, al wonen zij in een andere lidstaat dan die waarvan zij de nationaliteit bezitten.

5.7.3. De mogelijkheid om onderdanen van derde landen die de status van langdurig ingezetene hebben, het recht toe te kennen bij lokale en Europese verkiezingen hun stem uit te brengen, dient door de Conventie die zich over de herziening van de Verdragen buigt, in overweging te worden genomen.

6. Het Economisch en Sociaal Comité

6.1. Als vertegenwoordiger van de civiele samenleving kan het Europees Economisch en Sociaal Comité een heel belangrijke rol spelen bij de uitwerking en evaluatie van Europese wetgeving ter bevordering van de maatschappelijke integratie van immigranten. De nationale Sociaal-Economische Raden en soortgelijke instellingen kunnen in dit verband, elk in hun eigen lidstaat, uitermate belangrijk werk leveren.

6.2. Het Economisch en Sociaal Comité wil graag actief deelnemen aan alle fora en conferenties die de andere EU-instellingen over vraagstukken in verband met immigratie organiseren. Het Comité wenst samen met Commissie, Raad en Parlement zeer actief bij het wetgevingsproces inzake het immigratie- en asielbeleid te worden betrokken.

6.3. Het Comité is voornemens om in 2002 samen met de Commissie een conferentie over immigratie en maatschappelijke integratie te houden. Hieraan zal worden deelgenomen door de nationale SER's, de sociale partners, andere representatieve organisaties uit de civiele samenleving, grote NGO's die op het terrein van de maatschappelijke integratie werkzaam zijn en de andere EU-instellingen en -organen. Het is de bedoeling dat die conferentie een positieve bijdrage tot het opstellen van het communautaire kaderprogramma ter bevordering van de maatschappelijke integratie van immigranten zal leveren.

Brussel, 21 maart 2002.

De voorzitter

van het Economisch en Sociaal Comité

G. Frerichs

(1) Mededeling van de Commissie COM(2000) 757 def.

(2) In dit advies heeft het begrip "immigratie" in bepaalde gevallen ook betrekking op etnische minderheden.

(3) Voorstel voor een richtlijn betreffende de voorwaarden inzake toegang en verblijf (PB C 332 van 27.11.2001); Richtlijn over de status van vluchtelingen (PB C 62 van 27.2.2001).

(4) PB C 193 van 10.7.2001.

(5) Mededeling van de Commissie COM(94) 23 def.; PB C 393 van 31.12.1994.

(6) Mededeling van de Commissie COM(2001) 757 def.; PB C 260 van 17.9.2001.

(7) PB C 75 van 15.3.2000.

(8) Zie het advies over de "Open coördinatiemethode voor het communautaire integratiebeleid".

(9) ESC-advies uitgebracht op 16.1.2002.

(10) PB C 48 van 21.2.2002.

(11) PB C 36 van 8.2.2002.

(12) PB C 36 van 8.2.2002.

(13) Conclusies van de Europese Raad van Tampere.

(14) Voorstel voor een richtlijn in PB C 240 E van 28.8.2001.

(15) PB C 36 van 8.2.2002.

(16) COM(2000) 757 def.