52002AE0516

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een Besluit van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van het Europees Jaar van opvoeding door sport 2004" (COM(2001) 584 def.).

Publicatieblad Nr. C 149 van 21/06/2002 blz. 0017 - 0023


Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een Besluit van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van het Europees Jaar van opvoeding door sport 2004"

(COM(2001) 584 def.).

(2002/C 149/06)

Op 23 november 2001 heeft de Commissie besloten, overeenkomstig artikel 149 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het voornoemde voorstel.

De afdeling "Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap", die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 april 2002 goedgekeurd; rapporteur was de heer Koryfidis.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 390e zitting van 24 en 25 april 2002 (vergadering van 24 april 2002) het volgende advies uitgebracht, dat met 98 stemmen vóór en geen stemmen tegen, bij 1 onthouding, werd goedgekeurd.

1. Inleiding

1.1. "Sport is een menselijke activiteit die berust op essentiële maatschappelijke waarden van educatieve en culturele aard. Sport is een factor die bijdraagt tot integratie, deelneming aan het maatschappelijk leven, verdraagzaamheid, aanvaarding van verschillen en naleving van de regels. Sportbeoefening moet toegankelijk zijn voor allen, met inachtneming van de ambities en capaciteiten van eenieder en uitgaande van de verscheidenheid aan sportbeoefening, in wedstrijdverband of op recreatieve grondslag, in clubverband of individueel"(1).

1.2. "De verantwoordelijkheid op sportgebied ligt in de eerste plaats bij de sportorganisaties en de lidstaten. Ook al beschikt de Gemeenschap niet over rechtstreekse bevoegdheden op dit gebied, toch moet zij bij haar optreden uit hoofde van de verschillende Verdragsbepalingen rekening houden met de maatschappelijke, educatieve en culturele functie van de sport, die het specifieke karakter ervan bepaalt, teneinde de ethiek en de solidariteit die noodzakelijk zijn voor het behoud van de maatschappelijke rol van de sport, te eerbiedigen en te bevorderen"(2).

1.3. "De beroeps- en amateursport vervult naast zijn economische betekenis ook een belangrijke educatieve en maatschappelijke rol door het bevorderen van vriendschap, solidariteit en fair play en door vreemdelingenhaat en racisme te helpen overwinnen"(3).

1.4. "De economische ontwikkelingen in de sportsector en de reacties van de overheid en de sportorganisaties op de problemen die eruit voortvloeien, staan niet a priori borg voor het behoud van de bestaande sportstructuren en de sociale functie van sport. Het stijgend aantal gerechtelijke procedures is symptomatisch voor het feit dat het aantal conflicten toeneemt"(4).

1.5. In 2004 zal de publieke opinie in Europa bijzonder gevoelig zijn voor al wat sport aanbelangt. Het Europees voetbalkampioenschap en in het bijzonder de Olympische Spelen en de Paralympics in Athene zullen de topsport op de voorgrond stellen.

Op die manier beschikt de Gemeenschap, die steeds belang heeft gehecht aan de educatieve waarden die de sport kan overbrengen, over een buitengewone kans om de regeringen van de lidstaten, de onderwijsinstellingen en de sportorganisaties gevoelig te maken voor het belang van een breed partnerschap om de sportactiviteiten beter aan te wenden voor onderwijsdoeleinden.

Aangezien de overmatige commercialisering de beroepssport bedreigt en de sport bij de burgers in een kwaad daglicht stelt, is het van belang de echte Olympische idealen te herstellen, zodat ze weer kunnen bijdragen tot volledige persoonlijke ontplooiing. Op die manier zal het Europees Jaar bijdragen tot de herwaardering van het imago van de sport in de Europese samenleving en het gevaar van een sedentair leven en sociaal isolement ingevolge het toenemende gebruik van nieuwe technologieën helpen tegengaan(5).

1.6. "De Olympische geest is een ongeschreven wet, die niet kan worden gecodificeerd, geregistreerd of omschreven. Hij kan alleen worden beleefd. De Olympische geest is bijgevolg een levenshouding, een levenskeuze waarbij cultuur, sport, opvoeding en ontspanning een onlosmakelijk geheel vormen, zoals dit ook bij de opvoeding van de Oude Grieken het geval was"(6).

1.7. "Bij de Olympische Spelen is deelnemen belangrijker dan winnen. In het leven is een goede strijd belangrijker dan een overwinning"(7).

1.8. "Wij verzoeken de lidstaten met klem om individueel en collectief het Olympisch Bestand in acht te nemen, nu en in de toekomst, en om het Internationaal Olympisch Comité steun te bieden bij zijn inspanningen te komen tot vrede en onderling begrip door middel van de sport en het Olympisch ideaal"(8).

1.9. "De generatie die tussen 1985 en 1995 geboren is, keert zich op grote schaal af van sportbeoefening waarvoor een vergunning en georganiseerde training vereist zijn. Ze heeft meer belangstelling voor videospelletjes en simulaties van sportbeoefening die zonder enig risico en totaal vrijblijvend emoties oproepen. In 2003 beloopt het percentage virtuele sportbeoefening bij jongeren tussen 10 en 25 jaar reeds 40 %"(9).

1.10. Aan de hand van de bovenstaande, van verschillende bronnen afkomstige opmerkingen en verklaringen kan men zich enigszins een beeld vormen van het klimaat waarin sport thans beoefend wordt en van de achtergrond waartegen de Europese Commissie het onderhavige voorstel "tot instelling van het Europees Jaar van opvoeding door sport 2004" heeft opgesteld.

2. Het voorstel van de Commissie

2.1. Met het voorstel "tot instelling van het Europees Jaar van opvoeding door sport 2004" zet de Europese Commissie een belangrijke concrete stap om de kloof tussen het sociaal-economische beleid van de Unie en de dagelijkse werkelijkheid van de Europese burgers te dichten.

2.2. Het voorstel van de Commissie is in eerste instantie gericht op de georganiseerde en gestructureerde sportbeweging en de onderwijswereld.

2.2.1. Een en ander is echter van belang voor alle burgers: zij die bij de sport betrokken zijn als sportbeoefenaars, sportliefhebbers of initiatiefnemers; zij die erbij betrokken zijn op grond van zuiver economische belangen; zij, ten slotte, die afwijzend staan tegenover de huidige sportprestaties die met name verband houden met steeds vaker voorkomende commerciële uitwassen en andere al te ver gaande praktijken op sportgebied.

2.3. De doelstellingen van het Europees Jaar van opvoeding door sport zijn in deze context duidelijk vastgesteld en kunnen in het kort als volgt worden omschreven:

- de Europese samenleving moet bewust worden gemaakt van de traditionele waarde, de actuele rol en de bijzondere educatieve betekenis van de sport;

- de onderwijswereld en de sportverenigingen moeten worden aangemoedigd om nauwe partnerschapsbanden te leggen en gemeenschappelijke doelstellingen uit te werken;

- er moet worden gewezen op het potentieel waarover de georganiseerde sportbeweging beschikt, met name op het stuk van vrijwilligerswerk en aanverwante aspecten, mobiliteit en uitwisseling, normale integratie in een multiculturele omgeving zonder maatschappelijke - of andere - discriminatie; van dit potentieel moet voor onderwijsdoeleinden gebruik worden gemaakt;

- de onderwijswereld moet ervan bewust worden gemaakt dat het huidige sedentaire leven moet worden tegengegaan door de sportactiviteiten op school op te voeren;

- de onderwijsproblemen van jonge sporters, van wie de sportloopbaan steeds vroeger aanvangt, moeten worden blootgelegd en aangepakt.

2.4. Volgens het voorstel van de Commissie is de instelling van dit Europees Jaar de meest geschikte communautaire actie om de bovenvermelde doelstellingen te verwezenlijken, te meer daar een en ander in de tijd samenvalt met bijzondere sportmanifestaties - die voor de media van groot belang zijn - als de organisatie van de Olympische Spelen en de Paralympics te Athene en het Europees voetbalkampioenschap in Portugal.

2.4.1. Volgens de Commissie zullen met name de Olympische Spelen en de Paralympics te Athene de Olympische waarden en idealen op de voorgrond plaatsen en zal de hele Europese samenleving aldus de kans krijgen om de sport, en ook het onderwijs, op een geheel nieuwe manier te benaderen.

2.5. Rechtsgrondslag van het voorstel voor een besluit is artikel 149 van het Verdrag; de middelen die voor de tenuitvoerlegging ervan op de begroting worden uitgetrokken, belopen 11,5 miljoen euro.

3. Algemene opmerkingen

3.1. Het EESC steunt het voorstel van de Commissie tot "instelling van het Europees Jaar van opvoeding door sport 2004". Het stemt in met de doelstellingen ervan en het erkent tevens de noodzaak van een algemene, goed doordachte en geïntegreerde communautaire actie op dit gebied vooraleer het helemaal te laat is. Deze actie moet erop gericht zijn het werkingskader van de sportbeweging opnieuw te definiëren en ervoor te zorgen dat een en ander in overeenstemming is met de klassieke waarde van de sport en aan de huidige eisen op onderwijs- en economisch gebied beantwoordt.

3.1.1. In het licht van het voorgaande zijn de opmerkingen en de voorstellen die in dit advies worden geformuleerd erop gericht:

- sommige punten van het voorstel te verduidelijken;

- ideeën, methoden en middelen aan te reiken voor aanvullende en/of alternatieve vormen van communautaire actie, om de bovenvermelde doelstellingen te verwezenlijken;

- via maatregelen van praktische aard bij te dragen tot een zo succesvol mogelijk verloop van het Europees Jaar.

3.2. Belang van sport

3.2.1. De cijfers die i.v.m. sport kunnen worden genoemd, boezemen ontzag in. Hierbij zij met name gedacht aan sport als:

- een gedachte die nagenoeg de hele menselijke cultuurgeschiedenis is doorgegeven en die als menselijke (individuele of collectieve) actie het unieke kenmerk van historische continuïteit draagt;

- een maatschappelijk fenomeen dat als katalysator fungeerde bij de totstandkoming van de menselijke wereldbeschaving;

- een activiteit die lange tijd het belangrijkste middel was om jongeren sociaal vaardig te maken en hen te integreren in de waardesystemen van elke afzonderlijke periode en ieder geografisch gebied op de wereld;

- een belangrijke parameter voor de ontwikkeling en vervolmaking van het individu, alsmede voor het cultiveren van maatschappelijke samenhang;

- een economische activiteit, met een enorm belang, dat echter niet precies kan worden becijferd aan de hand van de tijd en de energie die de mens, als sportbeoefenaar, sportliefhebber of intellectueel, erin investeert.

3.2.2. Sport is volgens het EESC zeer belangrijk voor de toekomst van de Europese samenleving, de Europese levensstijl en de vooruitzichten van de Europese cultuur. Het Comité spreekt zich dan ook duidelijk uit tegen elke keuze die indruist tegen de waarden die aan de sport ten grondslag liggen en deze hebben gemaakt tot een maatschappelijk fenomeen van grote betekenis.

3.3. Het functionele kader

3.3.1. Het kader waarbinnen de sportbeweging functioneert, is jarenlang (nagenoeg) onveranderd gebleven. Het werd in wezen bepaald door individuele en maatschappelijke behoeften (gezondheid, onderwijs, collectieve actie, discipline, militaire behoeften, enz.) die ook met overlevingsdrang in verband kunnen worden gebracht. In deze context groeide er in de sportsector een stevige en duidelijke ethiek.

3.3.1.1. Opgemerkt zij dat deze sportethiek aanvankelijk vooral werd gecultiveerd op school en in het onderwijs in het algemeen. Onderwijs en sport vertoonden steeds een parallelle ontwikkeling en tussen beide bestond ook een dialectisch verband.

3.3.1.2. Bovenstaand functioneel kader van de sport dreigt thans grondig overhoop te worden gehaald. De overmatige commercialisering van de sport is hier duidelijk de oorzaak van.

3.3.1.2.1. Overigens heeft de sport zich thans tot een zich snel ontwikkelende en winstgevende sector van economische activiteit(10) ontpopt, met alle gevolgen van dien voor het behoud van zijn traditionele identiteit.

3.3.1.2.2. De hamvraag is dus hoe deze verandering kan worden tegengegaan zodat de sport haar belangrijkste functie, die met name op het gebied van de volksgezondheid en op educatief, maatschappelijk, cultureel en ontspanningsgebied ligt, kan blijven vervullen.

3.3.2. Het EESC verwerpt elk voorstel om een Europees sportmodel aan te nemen dat uitsluitend - en zelfs in de marge - op basis van marktvoorwaarden werkt en economische rentabiliteit als enig criterium hanteert. Het wijst erop dat sport als sociaal fenomeen een organisch geheel vormt en ook op politiek gebied als zodanig moet worden benaderd.

3.3.2.1. De verenigingsstructuur van de sportbeweging(11), die op vrij partnerschap en vrijwillig aanbod is gebaseerd, vormt het fundament voor de ontwikkeling van een gezonde dialectische relatie met de onderwijswereld. Deze relatie moet met name door de lokale overheden worden ondersteund. Daarbij moeten de beide partijen:

- gemeenschappelijke doelstellingen hebben (bevordering van de traditionele waarden van de sport, verbetering van de fysieke en mentale conditie van het individu en van zijn sociale vaardigheden, enz.);

- de rol en de taak van de andere partij erkennen (aanvullende taak van de school op het gebied van sportbeoefening; aanvullende taak van de sportverenigingen op het gebied van (buitenschools) onderwijs;

- functioneren op basis van transparantie, democratische controle en uiteraard ook voor een gemeenschappelijke ethiek.

3.3.2.2. In deze context is het EESC van mening dat de gecommercialiseerde sportbeoefening niet strookt met de doelstellingen van het Europees Jaar van opvoeding door sport.

3.4. Doelstellingen

3.4.1. Centrale doelstelling van een gemeenschappelijk en geïntegreerd sportbeleid van de Unie - waarbij het onderwijs ongetwijfeld een cruciale rol zal worden toebedeeld - is in eerste instantie het creëren van de voorwaarden om een dergelijk beleid waar te maken.

3.4.1.1. Een en ander betekent in wezen dat er een beleid moet worden gevoerd dat erop gericht is de belemmeringen weg te werken (op institutioneel, juridisch, economisch en sociaal gebied) die een negatieve invloed hebben op de ontwikkeling van dat beleid.

3.4.1.2. In dat kader is het beleid gericht op de totstandbrenging van een maatschappelijke perceptie en een maatschappelijk bewustzijn op sportgebied van groot belang.

3.4.2. Volgens het EESC zijn de instelling van het Europees Jaar en de daarmee verbonden concrete doelstellingen een stap in de goede richting. Gelet op de omvang en de ernst van de problematiek is het volgens het Comité echter ook zaak nu reeds ruimere doelstellingen op middellange en lange termijn vast te stellen.

3.4.2.1. Het EESC erkent dan ook de noodzaak nu reeds een concretere strategie uit te stippelen, die o.m. erop gericht is een goed doordachte en dynamische massabeweging op gang te brengen.

3.4.2.1.1. De lancering van een dergelijke maatschappelijke beweging vergt politieke ondersteuning, met name met het oog op verspreiding van de nodige kennis en voorlichting over de negatieve vooruitzichten die de tomeloze commercialisering van de sport en de mogelijke teloorgang van het ideeëngoed achter de sport voor de Europese levenswijze meebrengen. Een en ander moet evenwel tegelijkertijd worden ingepast in een bredere maatschappelijke beweging, die overigens nu reeds op gang komt en verband houdt met de algemenere problematiek van de toekomst van de Europese levensstijl en de Europese cultuur in het licht van het nieuwe millennium en de nieuwe context ten gevolge van de globalisering en de technologische ontwikkelingen.

3.5. Actiegebied en middelen

3.5.1. Als belangrijkste middel om de aangegeven doelstellingen te verwezenlijken stelt de Commissie voor partnerschappen tussen onderwijsinstellingen en sportorganisaties tot stand te brengen. Anderzijds omvatten de maatregelen ook acties die op de hele Europese samenleving gericht zijn.

3.5.2. Volgens het EESC is het van groot belang dat ten volle duidelijk wordt gemaakt op welke doelgroepen het voorstel is gericht. Naar zijn mening zijn sport en onderwijs individuele én collectieve activiteiten die alle Europese burgers betreffen, ongeacht hun leeftijd, geslacht of beroep.

3.5.2.1. Vooral vandaag, in een periode die wordt gekenmerkt door ambitieuze doelstellingen in het kader van de kennismaatschappij, waarbij van de Europese burgers geëist wordt dat zij vertrouwd zijn met digitale technologieën en kunnen inspelen op nieuwe economische en werkomstandigheden, krijgen bovenstaande beschouwingen een bijzonder gewicht. In dit Europese Jaar van opvoeding door sport moeten alle organisaties uit de Europese samenleving dan ook worden opgeroepen tot actieve samenwerking en participatie.

3.5.2.2. De verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees Jaar hangt uiteindelijk niet af van o.m. obligate manifestaties waaraan alleen door specialisten wordt deelgenomen, noch van verklaringen die voor het publiek onbegrijpelijk zijn. Het succes van het initiatief zal blijken uit de mate waarin de doelstellingen van het Europees Jaar op lokaal niveau worden nagestreefd, met name in de leeftijdscategorie van de Europese bevolking die thans een of andere vorm van macht bezit en gebruikt.

3.5.2.3. In deze context is het zaak de georganiseerde samenleving van burgers, de sociale partners en alle organisaties in de onderwijssector (b.v. studiekringen, volkshogescholen, vormingscentra) bij dit proces te betrekken. Voorts moet ook worden gestreefd naar medewerking van de lokale en regionale overheden, die immers over aanzienlijke mogelijkheden beschikken om op zowel de onderwijssystemen als de sportverenigingen in te werken.

3.6. 2004

3.6.1. Met 2004 als Europees Jaar van opvoeding door sport heeft de Europese Commissie volgens de EESC een zeer goede keuze gemaakt. De belangrijke sportgebeurtenissen van dat jaar (Olympische Spelen en Paralympics te Athene, Europees voetbalkampioenschap in Portugal) bieden immers een uitstekende gelegenheid, van cruciale betekenis, voor het voeren van specifieke, op de Europese samenleving gerichte acties. De vraag is natuurlijk hoe deze acties moeten worden ingevuld en hoe ze moeten worden ontwikkeld.

3.6.2. Volgens het EESC moeten de EU-acties zich voornamelijk concentreren op de kwaliteit van het verband tussen onderwijs en sport. Het Europees Jaar moet m.a.w. worden toegespitst op acties met een inhoud die gebaseerd is op de traditionele waarden van de sport, zoals door de Olympische beweging wordt geïllustreerd. Dit betekent ook dat 2004 de gelegenheid bij uitstek is om de educatieve en pedagogische basisprincipes die in de Europese onderwijsstelsels gelden, in hun geheel opnieuw te bekijken. Hierbij zal moeten worden nagegaan hoe deze principes kunnen aansluiten bij de nieuwe omstandigheden die werden gecreëerd door de nieuwe technologieën en de nieuwe behoeften op onderwijsgebied, ook in het licht van de ontwikkelingen in de sport.

3.6.2.1. Het koppelen van de EU-acties op sport- en onderwijsgebied aan de traditionele waarden van de sport en de Olympische idealen is een moeilijke opgave, die een systematische, alomvattende en aanzienlijke inspanning vergt. Belangrijk in deze ontwikkeling is, deze idealen te omschrijven en op de voorgrond te plaatsen, er de Europese burgers inzicht in te verschaffen en een massabeweging ter ondersteuning ervan op gang te brengen.

3.6.2.2. In de aanloop naar het Europees Jaar kunnen er belangrijke stappen worden ondernomen om deze traditionele waarden van de sport te identificeren en op te voorgrond te plaatsen, en om ze begrijpelijk te maken voor het brede publiek. Zo moeten specifieke en gerichte maatregelen worden genomen die door de Commissie en de andere EU-instellingen moeten worden ondersteund.

3.6.2.3. Door bestaande Europese programma's (EVS, Jeugd, andere mobiliteitsprogramma's, enz.) op de doelstellingen van het Europees Jaar af te stemmen, kan spoed worden gezet achter de verbetering van de mobiliteit op gebieden met raakpunten tussen onderwijs en sport.

3.6.2.4. Met het oog op het welslagen van het Europees Jaar wijst het EESC er hoe dan ook op dat op lokaal gebied een dynamiek terzake kan en moet worden ontwikkeld. Het stelt daarom voor een directe actie op touw te zetten die op iedere school en op iedere sportorganisatie is gericht. Een en ander moet het voorstel van de Commissie tot instelling van het Europees Jaar van opvoeding door sport bekendheid geven en, belangrijker nog, iedereen ertoe oproepen initiatieven te ontwikkelen om de doelstellingen te verwezenlijken.

4. Bijzondere opmerkingen

4.1. Gezien de bovenstaande algemene beschouwingen is het EESC van mening dat de door de Commissie voorgestelde acties en initiatieven (artikel 3 van het voorstel en de bijlage), evenals de actoren die ze moeten ondersteunen, duidelijker moeten worden aangegeven. De acties die de Commissie zelf voornemens is te ontwikkelen, moeten worden gespecificeerd. Ook moet worden gepreciseerd welke acties op grensoverschrijdend, nationaal, regionaal en lokaal vlak zullen worden ontplooid, en op welke wijze op openbare en particuliere organisaties zal worden ingewerkt om zelf niet-gesubsidieerde acties op touw te zetten. Deze preciseringen kunnen, in de aanloop naar het Europees Jaar, als een toelichtend voorstel van de Commissie worden gepresenteerd, en voor de lokale initiatiefnemers als leidraad fungeren bij de aanpak van hun problemen. In dit verband formuleert het EESC met name de volgende voorstellen:

4.1.1. Plaats voor schoolsport

4.1.1.1. Met het oog op een nieuwe kijk op de banden tussen onderwijs en sport is het volgens het EESC van belang de sport te herwaarderen als een educatieve activiteit. In de praktijk betekent dit dat de prioriteiten binnen de huidige onderwijsdoelstellingen, -methodes en -modellen moeten worden herschikt, hetgeen uiteindelijk ook de huidige manier van leven van de Europese burger zal heroriënteren. Deze heroriëntering schept met name voor kinderen en jongeren meer uitwegen, die hun hele leven lang een natuurlijker alternatief zullen vormen voor hetgeen hen anders door een virtuele realiteit en videospelletjes wordt geboden.

4.1.1.2. Om de huidige banden tussen onderwijs en sport succesvol te veranderen, moeten volgens het EESC voorts ook bepaalde keuzes worden gemaakt. Bij deze keuzes is het van belang te streven naar:

- gebruikmaking van de individuele belangstelling en vaardigheden van jongeren op sportgebied;

- ontwikkeling van "sportvriendelijke" netwerken, op basis van deze bovenvermelde affiniteiten en belangstelling;

- totstandbrenging van grensoverschrijdende en trans-Europese communicatienetwerken op sportgebied, uitgaande van de schoolgemeenschap of de plaatselijke sportvereniging;

- ontwikkeling van een Europese dimensie van de schoolsport door instelling van o.m. trans-Europese schoolkampioenschappen per sporttak of per onderwijssector;

- ontwikkeling van geïntegreerde elektronische netwerken op Europees niveau, met het oog op communicatie en, belangrijker nog, ontwikkeling van alle mogelijke vormen van mobiliteit op sportgebied.

4.1.1.3. Het EESC wijst met name op de noodzaak de schoolsport af te stemmen op de huidige Europese context en de toekomst van Europa. In dit verband moeten de voorwaarden worden gecreëerd voor het cultiveren en ontwikkelen van een Europees sportbewustzijn. Zo moeten met name stimulansen worden gegeven voor het vormen van grensoverschrijdende en internationale sportteams. De eerste teams van dit soort zouden misschien vanuit het tweedekansonderwijs kunnen worden samengesteld.

4.1.1.4. Het EESC wijst er in ieder geval op dat sportactiviteiten - met name in het kader van schoolsport - geen scheidingslijnen, van welke aard of reikwijdte ook, mogen trekken, maar daarentegen de voorwaarden moeten creëren om alle vormen van tegenstelling en uitsluiting tegen te gaan.

4.1.1.5. Het EESC stelt de Commissie voor gebruik te maken van deskundigen in de promotiecampagne voor 2004 als Europees Jaar van opvoeding door sport.

4.1.2. Enkele beschouwingen over massasport

4.1.2.1. Er moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de massasport, die moet worden ontwikkeld met het oog op de verwezenlijking van de in het Commissievoorstel aangegeven doelstellingen, ter compensatie van het feit dat thans zowel op de arbeidsplek als in de vrije tijd een sedentair leven wordt geleid, met alle gevolgen van dien. Meer dan ooit tevoren is sportbeoefening thans voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van het individu noodzakelijk. Alle sporten bevorderen tevens de persoonlijke ontplooiing en de sociale vaardigheid van hun beoefenaars.

4.1.2.2. Alle betrokken actoren moeten bijdragen tot de ontwikkeling van de massasport zodat zij zoveel mogelijk vruchten afwerpt. Het is van belang dat sport algemeen toegankelijk is en dat overal over de infrastructuur kan worden beschikt (met name als zij met overheidsmiddelen is gefinancierd) zodat er zo veel mogelijk gebruik van kan worden gemaakt. Alle betrokkenen en organisaties die belang stellen in massasport en zijn verwezenlijkingen moeten dan ook aan de ontwikkeling ervan meewerken.

4.1.2.3. Wat de actoren betreft, moet volgens het EESC worden gedacht aan o.m. onderwijsinstellingen voor hoger onderwijs en levenslang leren, lokale en regionale overheden, overheidsdiensten die zich bezighouden met sport, gezondheidszorg, onderwijs, maatschappelijke en milieuaangelegenheden, alsmede particuliere instanties die instaan voor infrastructuur en diensten voor massasport. Met deze samenwerking wordt beoogd een maximale invloed van de massasport op het onderwijs, de gezondheid en het maatschappelijk gedrag van de burgers te verzekeren.

4.1.3. Voorstellen inzake sport voor maatschappelijk kwetsbare groepen

4.1.3.1. Wil men een geïntegreerd beleid van opvoeding door sport voeren, dan moet volgens het EESC terdege rekening worden gehouden met de huidige relatie van maatschappelijk kwetsbare groepen met sport in het algemeen. Het Comité hecht grote waarde aan het werk dat vele sportverenigingen op het gebied van sociale integratie, met name van jongeren, verrichten. Dergelijke initiatieven moeten worden ondersteund en worden verspreid onder verenigingen die op dit gebied nog niet actief zijn.

4.1.3.2. Het EESC attendeert de Commissie op de noodzaak de activiteiten van het Europees Jaar te bundelen, met name m.b.t.:

- arme gebieden (gebieden met een ontwikkelingsachterstand) waar door de sociaal-economische omstandigheden nog geen individuele of collectieve banden met de georganiseerde sportbeweging zijn ontwikkeld;

- de bevordering van de deelname door vrouwen aan sportactiviteiten;

- de bevordering van sportbeoefening door personen met bijzondere behoeften;

- de integratie van het hele initiatief in een algemener politiek kader dat een gezondheidscultuur moet bevorderen;

- de ondersteuning van sportactiviteiten die een mentaliteit cultiveren en bevorderen waarbij racisme en vreemdelingenhaat geen kans krijgen.

4.1.3.2.1. Wat met name personen met bijzondere behoeften betreft, wijst het EESC op:

- de koppeling van het Europees Jaar van opvoeding door sport (2004) aan dat van personen met bijzondere behoeften (2003);

- de bevordering, via het Europees Jaar, van massasport voor personen met bijzondere behoeften;

- de bevordering van een algemeen vriendelijkere houding van de georganiseerde sportbeweging tegenover deze personen, o.m. door ervoor te zorgen dat de sportinfrastructuur ook voor hen toegankelijk is.

4.1.4. De Europese dimensie van opvoeding door sport

4.1.4.1. Sport is een geprivilegieerd gebied voor grensoverschrijdende, internationale en interregionale samenwerkingsverbanden ter ontwikkeling van gemeenschappelijke educatieve en culturele actieplannen. Het Europees Jaar van opvoeding door sport biedt een gelegenheid om het algemenere probleem van de totstandbrenging van een Europese leer- en opvoedingsruimte in het licht te stellen. Dit probleem is nog steeds niet opgelost, ondanks de steeds grotere gevolgen van een en ander voor o.m. het concurrentievermogen van de Europese economie.

4.1.5. Naar een nieuwe sportethiek

4.1.5.1. Het Europees Jaar van opvoeding door sport zal naar de mening van het EESC zijn doel hebben bereikt als het een dynamiek op gang heeft gebracht waarbij de huidige gang van zaken op sportgebied kritisch wordt onderzocht. Thans spiegelt sportbeoefening zich immers aan de prestaties van een "bovenmenselijke" atleet die zijn grenzen steeds vaker en steeds verder verlegt en alleen bestaat op het moment van en voor de overwinning. Als men erin slaagt deze dynamiek op gang te brengen waarbij een en ander met name op school en door jongeren in vraag wordt gesteld, zal er ongetwijfeld behoefte aan een nieuwe sportethiek ontstaan.

4.1.5.2. De Europese sportethiek van de 21e eeuw mag niet verschillen van de ethiek die verreist is voor de opvoeding van Europeanen en moet worden afgestemd op de eisen van de tijd. In deze context zal moeten worden geluisterd naar de signalen die worden uitgezonden door de massa- en amateursport, m.a.w. de honderdduizenden sportverenigingen die op vrijwillige inzet steunen. Voor deze sportethiek moet ook de nodige politieke steun worden gevonden.

4.1.6. Olympische spelen van Athene: de waarden van de Olympische beweging op het voorplan

4.1.6.1. De Olympische spelen van Athene, die een uitermate belangrijke gebeurtenis op cultureel en sportgebied zijn, zijn voor de Olympische beweging een gelegenheid die met beide handen moet worden aangegrepen. Het EESC hoopt en bepleit dat de Olympische basiswaarden opnieuw op de voorgrond worden geplaatst. De vriendschappelijke wedstrijd, het Olympische "staakt-het-vuren", het cultiveren van de geest samen met het lichaam moeten opnieuw worden erkend als waarden die ook als doelstellingen van de huidige Europese samenleving kunnen fungeren. In deze context zal de Europese samenleving de kans krijgen om sommige door haar gehuldigde standpunten ten aanzien van de kwaliteit van het huidige leven te bespreken, te belichten en misschien te herzien. Daarbij zal zij met name aantonen, onderstrepen en erkennen dat:

- het streven naar een "goed leven" een complexer en moeilijker probleem is dan het verzekeren van de noodzakelijke overlevingsvoorwaarden;

- het streven naar levenskwaliteit een zaak is van elk individu afzonderlijk maar tegelijkertijd ook van allen tezamen, wat meebrengt dat zeer moeilijk kan worden gedefinieerd wat van belang is voor de levenskwaliteit en wat niet;

- de sportbeoefening vooral van belang is voor het kwalitatieve aspect van het individuele en het collectieve leven, terwijl zij tegelijkertijd ook de voorwaarden creëert voor een langer actief leven van de mens;

- er in het leven niet alleen concurrentie maar ook samenwerking bestaat, dat er niet alleen kwantitatieve maar ook kwalitatieve indicatoren zijn;

- de grenzen van de huidige mens moeten worden vastgelegd, en dat moet worden bepaald wat thans wel of niet menselijk is;

- "goed leven" niet noodzakelijkerwijs en altijd wordt verzekerd via het bereiken van kwantitatief steeds hogere doelstellingen, maar in hoofdzaak het resultaat is van een onafgebroken en evenwichtig individueel en collectief streven naar het verwerven van kennis en opvoeding(12).

4.1.6.2. Volgens het EESC is het bij deze zoektocht niet wenselijk modellen van andere tijdperken naar voren te schuiven. Doel is een uitwisseling van ideeën op gang te brengen teneinde de factoren op te sporen die ertoe hebben geleid dat sommige perioden in de geschiedschrijving als "gouden tijdperk" worden aangemerkt. Gewapend met kennis over deze factoren zal de zoektocht van de Europeanen ongetwijfeld gemakkelijker verlopen en zal men gemakkelijker tot een consensus komen over de thans aan te nemen levenshouding, de toekomst van Europa en de nieuw te kiezen bestuursvormen; de keuze zal voorts ook duidelijk bewust zijn gemaakt en, wie weet, vooruitzichten bieden op langere termijn.

Brussel, 24 april 2002.

De voorzitter

van het Economisch en Sociaal Comité

G. Frerichs

(1) Punten 3 en 4 van bijlage IV bij de conclusies van de Europese Raad van Nice (7, 8 en 9 december 2000).

(2) Punt 1 van de bovenvermelde bijlage.

(3) Resolutie van het Europees Parlement m.b.t. het Verslag van Helsinki over sport.

(4) COM(1999) 644 def. (punt 4.1, eerste alinea).

(5) Conclusie van de toelichting bij het onderhavige voorstel van de Commissie - COM(2001) 584 def.

(6) http://www.sport.gov.gr (Olympic Youth Festival).

(7) Olympisch credo (zie foto op http://www.athens2004.gr (About de games)).

(8) Millenniumverklaring van de VN (punt 10) - New York, 6-8 september 2000.

(9) Mogelijk scenario voor de ontwikkeling van de Europese sportbeoefening (Sport en werkgelegenheid in Europa - Eindverslag (PR-div/99-09/C6, punt IV-2-1, voorlaatste alinea) (niet in het Nl.).

(10) De omzet van de sector wordt op 107 miljard dollar geraamd (sponsoring 15 miljard, televisierechten 42 miljard, toegangskaartjes 50 miljard dollar). Europa neemt daarvan 36 % voor zijn rekening, de VS 42 %. (Zie het Verslag van Helsinki over sport. Bron: Finding the Right Balance for Sport - Stephen Townley, SPORTVISION, tijdschrift van GAIFS, januari 1998.).

(11) Naar schatting zijn er meer dan 600000 sportverenigingen in de Unie.

(12) Zie definitie (4) van het begrip opvoeding in voetnoot 1 in de bijlage (niet in het Nl.) bij het informatief rapport CES 1113/1999 "Europese dimensie in het onderwijs: aard, inhoud en vooruitzichten". Opvoeding: is de som van alle invloeden die het individu en de maatschappij van opvoedings- en leerprocessen ondergaan; dit resultaat kan actief worden weergegeven als positieve levenshouding.