52001DC0093

Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement inzake de ervaringen die zijn opgedaan met de werkzaamheden die zijn uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 95/64/EG van de Raad betreffende de statistiek van het zeevervoer van goederen en personen /* COM/2001/0093 def. */


VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT inzake de ervaringen die zijn opgedaan met de werkzaamheden die zijn uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 95/64/EG van de Raad betreffende de statistiek van het zeevervoer van goederen en personen

(Voor de EER relevante tekst)

INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding

1.1. Achtergrond

1.2. Geografisch toepassingsgebied

2. Overgangsperiode (Artikel 10)

2.1. Afwijkingen

2.2. Pilotstudies

(a) uitvoerbaarheid en kosten van het verzamelen van bepaalde gegevens

(b) technische aspecten van gegevensverzameling

3. Havens (artikel 4)

4. Nauwkeurigheid van de statistiek (artikel 5)

5. Verwerking en verstrekking van de resultaten van het verzamelen van de gegevens (artikelen 6 en 7)

5.1. Verzamelen van eerste gegevens en verwerking door CNA

5.2. Het verstrekken van de resultaten aan de Commissie

6. Verspreiding van de statistische gegevens (artikel 9)

7. Financiële bijdrage (artikel 11)

8. Bepalingen voor de tenuitvoerlegging en procedure (artikelen 12 en 13)

9. Tenuitvoerlegging (artikel 14)

9.1. België

9.2. Denemarken

9.3. Duitsland

9.4. Griekenland

9.5. Spanje

9.6. Frankrijk

9.7. Ierland

9.8. Italië

9.9. Nederland

9.10. Portugal

9.11. Finland

9.12. Zweden

9.13. Verenigd Koninkrijk

9.14. Noorwegen

9.15. IJsland

10. Conclusie

1. Inleiding

1.1. Achtergrond

Op 8 december 1995 heeft de Raad een richtlijn vastgesteld betreffende de statistiek van het zeevervoer van goederen en personen. Richtlijn 95/64/EG stelt een geharmoniseerd kader vast voor het verzamelen van statistieken inzake zeevervoer in de gehele Europese Economische Ruimte. De richtlijn bepaalt welke gegevens over zeevervoer van goederen en personen iedere lidstaat periodiek aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen dient te verstrekken.

Artikel 8 van de richtlijn van de Raad bepaalt dat de Commissie een verslag zal indienen bij de Raad over de ervaring die met de overeenkomstig deze richtlijn uitgevoerde werkzaamheden is opgedaan, nadat drie jaar gegevens zijn verzameld. Met het verzamelen van gegevens is in referentiejaar 1997 een begin gemaakt.

Daar waar in dit verslag geen ander rechtsinstrument wordt genoemd, verwijzen alle artikelen naar Richtlijn 95/64/EG [1] van de Raad, hierna "de richtlijn" of "de richtlijn inzake zeevervoer" genoemd. In een later stadium heeft de Commissie twee rechtsinstrumenten goedgekeurd waarin regels voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn zijn neergelegd, namelijk: Beschikking 98/385/EG van de Commissie van 13 mei 1998 en Beschikking 2000/363/EG van de Commissie van 28 april 2000 [2]. Het belangrijkste forum voor alle besprekingen en besluiten met betrekking tot de tenuitvoerlegging en toepassing van de richtlijn is de EER-Werkgroep Statistiek van het zeevervoer, hierna "de Werkgroep" genoemd.

[1] PB L 320 van 30.12.1995, blz. 25.

[2] PB L 174 van 18.6.1998, blz. 1, en PB L 132 van 5.6.2000, blz. 1.

De richtlijn inzake zeevervoer heeft tot doel alle gegevens die beschikbaar zijn over andere wijzen van vervoer op Europees niveau - over de weg, per spoor, over de binnenwateren en door de lucht - aan te vullen, teneinde de Europese Commissie in staat te stellen het daarmee samenhangende beleid uit te voeren.

1.2. Geografisch toepassingsgebied

De richtlijn wordt door alle lidstaten van de EU toegepast, met uitzondering van Luxemburg en Oostenrijk die niet over zeehavens op hun grondgebied beschikken. Naast deze dertien landen zijn Ierland en Noorwegen, de twee EVA-landen die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte (EER) en over zeehavens beschikken, bij het informatiesysteem inzake zeevervoer van de richtlijn betrokken.

De procedure voor de opneming van de richtlijn inzake zeevervoer in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte werd op 6 maart 1998 afgerond met de goedkeuring van Besluit 17/98 van het Gemengd Comité van de EER. [3]

[3] Besluit 17/98 is sinds 7.3.1998 van kracht en is gepubliceerd in PB L 272 van 8.10.1998, blz. 24.

Het besluit hield een wijziging in van bijlage XXI (statistiek) bij de EER-Overeenkomst, teneinde Richtlijn 95/64/EG van de Raad op te nemen in een nieuw punt 7B. Ter fine van de EER-Overeenkomst wordt de richtlijn op twee punten aangepast en wel wat betreft kleine Noorse havens en codes voor Noorse schepen (bijlage V van de richtlijn). Ook Beschikking 98/385/EG van de Commissie werd in de EER-Overeenkomst opgenomen.

Door een procedurele wijziging vallen de deelnemende havens in de landen van de EER/EVA niet langer onder beschikkingen van de Commissie, maar onder de gewijzigde EER-Overeenkomst. Hiermee is tegemoet gekomen aan de wens van deze landen om volledig bij het besluitvormingsproces te worden betrokken. Dientengevolge werd met Beschikking 2000/363/EG van de Commissie de lijst van Europese havens herzien, zonder de havens van IJsland en Noorwegen erin op te nemen.

2. Overgangsperiode (Artikel 10)

2.1. Afwijkingen

De partners in het Europees Statistisch Systeem (ESS) zijn met elkaar overeengekomen op 1 januari 1997, één jaar nadat de richtlijn van kracht is geworden, een begin te maken met het regelmatig verzamelen van gegevens en de eerste drie jaar als een overgangsperiode te zien. Deze periode zou de lidstaten in staat moeten stellen de nodige bestuurlijke en juridische maatregelen te nemen voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn op nationaal niveau.

Gedurende deze periode werden er voor iedere lidstaat afwijkingen toegestaan teneinde tegemoet te komen aan hun specifieke behoeften aan aanpassing. Deze afwijkingen hielden in dat individuele havens van de verplichting tot gegevensverzameling werden vrijgesteld, dat het gebruik van nationale codes werd toegestaan, of dat voor specifieke variabelen uitzonderingen werden gecreëerd. Het aantal afwijkingen werd na het eerste jaar van de tenuitvoerlegging teruggebracht, ervan uitgaande dat de lidstaten al vorderingen zouden hebben geboekt met de aanpassing van hun verzamelsystemen.

Deze afwijkingen waren enerzijds onontbeerlijk omdat het opzetten van een systeem voor gegevensverzameling de nodige inspanningen en middelen vergde. Anderzijds is het gevolg hiervan dat de gegevens die gedurende de eerste drie referentiejaren werden verzameld tamelijk onvolledig zijn.

Sinds 1 januari 2000 moeten alle lidstaten volledige gegevensreeksen verstrekken, ingedeeld en gecodeerd overeenkomstig de voorwaarden van de richtlijn.

2.2. Pilotstudies

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van de richtlijn heeft de Europese Commissie een programma van pilotstudies tijdens de overgangsfase goedgekeurd voor de volgende twee gebieden:

(a) de uitvoerbaarheid en de kosten van het verzamelen van bepaalde gegevens, en

(b) de technische aspecten van gegevensverzameling.

De financiering voor deze pilotstudies was hoofdzakelijk afkomstig van het vierde kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling, met name in het kader van de SUPCOM en IDA/DSIS (Uitwisseling van gegevens tussen overheidsdiensten/Dienst verspreide statistische gegevens).

(a) uitvoerbaarheid en kosten van het verzamelen van bepaalde gegevens

Toen de richtlijn werd opgesteld, werd het verzamelen van bepaalde aanvullende gegevens binnen het reguliere verzamelsysteem overwogen. Aangezien hierover geen overeenstemming kon worden bereikt, werd besloten de uitvoerbaarheid en de kosten voor de lidstaten van het regelmatig verzamelen van gegevens door middel van een reeks pilotstudies nader te bestuderen. Het betrof de volgende gegevens:

i beschrijving van de vervoerde goederen

ii over korte afstanden vervoerde passagiers

iii informatie over de feederdiensten en de intermodale vervoersketen

iv gegevens over de nationaliteit van de zeevervoerondernemer

Wat de punten i, iii en iv betreft, hadden de studies tot doel nader te bepalen of het huidige systeem kon worden uitgebreid door deze extra variabelen toe te voegen. Wat punt ii betreft, beoogde de studie het huidige systeem eerder te reduceren dan uit te breiden.

De pilotstudies werden door de Commissie uitgevoerd en uit hoofde van het vierde kaderprogramma gefinancierd. De resultaten ervan werden door de Werkgroep Statistiek van het zeevervoer in juni 1999 besproken. Gezien de problemen rond de tenuitvoerlegging van dergelijke nieuwe punten, besloot de Werkgroep niet onmiddellijk een procedure ter uitbreiding van de richtlijn in te leiden, maar te wachten totdat het reguliere verzamelsysteem goed was ingeburgerd. De Werkgroep heeft een task force ingesteld die de zaak verder zou moeten onderzoeken. Tegelijkertijd is de Commissie verder gegaan met het ontwikkelen van een gedetailleerd methodologisch kader voor aspecten zoals over korte afstanden vervoerde passagiers.

De studies leverden de volgende belangrijkste resultaten op:

i beschrijving van de goederen zoals bepaald in bijlage III en in bijlage VIII, gegevensverzameling B1

Aangezien de huidige redactie van de richtlijn in slechts één soort vrachtgegevens voorziet, is een gedetailleerde vergelijking met statistieken van binnenlandse wijzen van vervoer niet mogelijk, aangezien deze statistieken gegevens over goederen overeenkomstig de groepsindeling van NST/R 24 hanteren.

De pilotstudie bestudeerde derhalve de kosten en uitvoerbaarheid van het verzamelen van gegevens over goederen in havens overeenkomstig deze indeling.

Het blijkt haalbaar dergelijke gedetailleerde gegevens tegen een redelijke prijs te verzamelen voor stortgoed en semi-stortgoed.

In de meeste lidstaten blijken de grootste problemen en de hoogste kosten echter voor te komen bij het opstellen van dergelijke analyses van vervoer per container en met roro-eenheden. Het verzamelen van gegevens over de containerinhoud zou hoge kosten met zich meebrengen, aangezien het noodzakelijk zou zijn een uitgebreide codering van de tekstbeschrijving op te stellen. Het hoge aantal uiteenlopende consignatiegoederen in één container bleek de kosten ook op te drijven.

Wat het roroverkeer betreft, bevatten de vervoersdocumenten doorgaans geen bruikbare gegevens over de goederen die voor de vervoerders beschikbaar zijn.

De mate van gedetailleerdheid van de gegevens die de lidstaten over goederen verzamelen loopt sterk uiteen. Iedere indeling die wordt gekozen zou moeten overeenkomen met de andere wijzen van vervoer en er zou rekening moeten worden gehouden met mogelijke herzieningen van de NST/R-indeling.

ii over korte afstanden vervoerde passagiers

De richtlijn bepaalt dat gegevens over zeevervoer van passagiers moeten worden verzameld zonder inachtneming van welke minimumafstand van de reis dan ook. In theorie zouden ook korte reizen moeten worden geregistreerd. Aangezien sommige landen geen gegevens beneden een bepaalde afstand verzamelen, kan er een vertekening van gegevens in de gemeenschappelijke gegevensbank ontstaan. Het doel van de pilotstudie was de lidstaten de mogelijkheid te bieden te overwegen kortere routes die in hun land worden afgelegd gedeeltelijk of geheel van het onderzoek uit te sluiten.

Negen lidstaten registreren reeds gegevens over alle vervoer van passagiers en twee gaan dit vanaf 2000 doen. Uit de studie blijkt dat de lidstaten geen wezenlijke problemen ondervinden bij het verzamelen van alle gegevens over passagiers. Daarentegen kan dit een extra belasting voor hun gegevensverstrekkers betekenen en dus een averechtse uitwerking hebben indien er nieuwe drempels zouden worden ingevoerd om minder belangrijk vervoer van passagiers uit te sluiten. Bij de gegevensverzameling over passagiers zou gebruik kunnen worden gemaakt van de informatie die wordt verstrekt in het kader van Richtlijn 98/41/EG van 18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen (PB L 188 van 2.7.1998, blz. 35).

Gebleken is dat de lengte van de reis, d.w.z. het aantal kilometers dat de passagiers worden vervoerd, niet noodzakelijkerwijs een indicator van betekenis is om het belang van een bepaalde veerdienst uit te drukken. De omvang van de passagiersstroom kan van veel groter belang zijn: door de drempel van 200.000 passagiers per jaar (artikel 4 van de richtlijn) worden minder belangrijke verkeersstromen toch al uitgesloten. De studie heeft tevens de aandacht gevestigd op het probleem dat bepaalde landen het criterium inzake "zeevervoer" (artikel 2) toepassen. Daar waar dit het geval is, worden heel korte routes niet in de passagiersstatistieken opgenomen, zelfs als deze ondernemingen een groot aantal passagiers vervoeren.

iii informatie over de feederdiensten en de intermodale vervoersketen

In antwoord op de toenemende vraag van de gebruikerszijde naar gegevens over intermodale vervoersketens, zijn de uitvoerbaarheid en kosten van het verzamelen van dergelijke gegevens via een pilotstudie onderzocht. De conclusie was dat deze gegevens niet beschikbaar zijn via de bronnen die voor de richtlijn worden gebruikt. De enige mogelijkheid zou zijn de gegevens van havens te verzamelen, waarvoor deze handeling een relatief kleine belasting zou betekenen als zij deze gegevens al verzamelen voor het vaststellen van prijzen. Diverse delegaties waren het erover eens dat er in de havens al wat gegevens beschikbaar zijn omdat ze verschillende prijzen berekenen. In sommige landen kan dit echter een zeer kostbare zaak zijn en/of kan dit alleen worden gedaan door middel van aparte steekproefenquêtes of van andere wijzen van vervoer.

De Werkgroep heeft de task force opdracht gegeven de pilotstudie uit te breiden teneinde de methodologische aspecten van feederdiensten aan de orde te stellen en deze met de Intermodale Deskundigengroep te coördineren.

iv gegevens over de nationaliteit van de zeevervoerondernemer

De pilotstudie naar het verzamelen van gegevens over de nationaliteit van de zeevervoerondernemer laat zien dat er bij gebruikers een duidelijke behoefte is aan gegevens over wie het meest economisch voordeel bij zeevervoer heeft en over de Europese vloot in het algemeen. De uitkomst van het studie was dat het verzamelen van gegevens die door de richtlijn worden vereist - d.w.z.. het reële centrum van toezicht op de handel - niet haalbaar is. Het grootste probleem deed zich voor bij het vaststellen van het land dat er economisch voordeel bij had, omdat zowel eigendom als handelsactiviteit uitermate complex zijn. De kosten voor het verzamelen van dergelijke gegevens zouden hoog zijn en werden niet redelijk geacht. De Werkgroep heeft overwogen alternatieve methoden te onderzoeken, door bijvoorbeeld nationale associaties te raadplegen, of commerciële gegevensbanken die een complex algoritme kunnen toepassen om te bepalen welk land er economisch voordeel bij heeft.

(b) technische aspecten van gegevensverzameling

Er werd een reeks pilotstudies opgezet om de mogelijkheid te bestuderen gegevens te verzamelen ter uitvoering van regelingen die zijn gesloten in het kader van de vereenvoudiging van de handelsprocedures, van de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO), van het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) en van de internationale douanevoorschriften (artikel 10, lid 2, onder b).

De studies hebben hoofdzakelijk een bijdrage geleverd aan het EDIMARS (elektronische uitwisseling van gegevens over statistieken van het zeevervoer) -project, waarmee in 1995 van start werd gegaan. De eerste proeven werden in Spanje, Nederland en Frankrijk uitgevoerd, vervolgens in Ierland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk en in een later stadium in alle andere lidstaten. Het project stond open voor alle actoren in de sector zeevervoer binnen de Europese Unie: nationale en regionale overheden, havenautoriteiten, vervoersondernemers, reders, scheepsbevrachters, expediteurs, leveranciers van havencommunicatiesystemen, enz.

De eerste drie jaar richtte het project zich op het verzamelen van eerste gegevens van de dienstverleners, d.w.z. havens, vervoerders of scheepsbevrachters. Het vierde jaar richtte het project zich voornamelijk op bevordering van het gebruik van elektronische middelen door de bevoegde nationale autoriteiten voor het verzenden van gegevens naar Eurostat.

Het EDIMARS-project heeft de uitwisseling van ervaring met het opzetten en de tenuitvoerlegging van het verzamelen van statistische gegevens over het zeevervoer vereenvoudigd. Het project heeft bijgedragen tot een vermindering van de kosten en tot een verbetering van de efficiëntie van het verzamelen en verspreiden van statistische gegevens over het zeevervoer, door gebruikmaking van elektronische gegevensuitwisseling (EDI). EDI wordt doorgaans gedefinieerd als het tussen computers, van systeem naar systeem, overbrengen van bedrijfsdocumenten. Veel bedrijven hebben voor EDI gekozen als een snelle, voordelige en veilige manier van verzending van kooporders, facturen, verzendingsberichten en andere veel gebruikte bedrijfsdocumenten. Omdat gebleken is dat de traditionele middelen voor het verzamelen van gegevens (vragenlijsten, vraaggesprekken, opiniepeilingen, enz.) duur, niet grondig genoeg en niet zo betrouwbaar zijn, hebben Eurostat en de Europese Raad voor EDI-normen (EBES) een gemeenschappelijke taal ontwikkeld voor de uitwisseling van statistieken. GESMES, het Generiek Statistisch Bericht, maakt gebruik van de EDIFACT-norm (Elektronische Gegevensuitwisseling voor Beheer, Handel en Vervoer).

Bij de aanvang van het project werd gebruik gemaakt van tal van uiteenlopende manieren van opmaak (beschermde opmaak, GESMES) en gegevensdragers (papier, diskettes, magneetbanden, e-mail). In maart 2000 gebruikt geen enkele lidstaat nog handmatige methoden zoals papier, sommige gebruiken nog een combinatie van diskettes en EDI-verzendingen en enkele landen zoals Spanje, Portugal en Finland maken systematisch gebruik van EDI-verzendingen.

Door middel van concrete proeven heeft het project aangetoond dat het gebruik van EDI voor het verzamelen van statistische gegevens over het zeevervoer twee grote voordelen met zich meebrengt:

-een homogene taal voor de overdracht van de gegevensverzamelingen conform de richtlijn, waarbij GESMES wordt gebruikt voor statistische gegevens over het zeevervoer;

-er zijn manieren om de statistische gegevens automatisch uit operationele EDIFACT-berichten te halen, zoals IFCSUM (internationaal verkort bericht inzake expeditie en consolidatie) of CUSCAR (douanevrachtrapport), alsmede uit havencommunicatie- of informatiesystemen.

De documentatie die in het kader van het project is geproduceerd, geeft een volledige beschrijving van hoe de in het kader van de richtlijn inzake zeevervoer vereiste statistische gegevens uit een IFCSUM-bericht kunnen worden gehaald.

Tegelijkertijd met deze pilotstudies hebben internationale en Europese groepen standaardberichten ontwikkeld, zoals EDIMAN, vrachtlijstbericht inzake zeevervoer, dat op het UN/EDIFACT-systeem is gebaseerd en door de Manifestgroep van het Comité zeevervoer werd ontwikkeld. De Commissie heeft de activiteiten van deze groepen gevolgd, waaronder de Groep voor de tenuitvoerlegging van richtsnoeren voor internationaal vervoer (ITIGG) en de Werkgroep UN/CEFACT-codes, die verantwoordelijk is voor het handhaven van een reeks VN/ECE-aanbevelingen voor nomenclaturen die de vereenvoudiging van wereldhandel ten goede komen. Deze groep houdt zich bezig met herziening van de codes voor wijzen van vervoer, verpakkingscodes, goederencodes met het oog op vervoer, soorten vervoermiddelen en vrachttypes en VN/LOCODES, die bijzonder belangrijk zijn voor statistische gegevens over het zeevervoer.

Het EDIMARS-project heeft ook tot de activiteiten van deze groep bijgedragen door de vaststelling van de ITIGG CUSCAR-regels voor het derde jaar van de proefnemingen in het Verenigd Koninkrijk en in Duitsland. ITIGG breidt momenteel zijn werkzaamheden uit en richt zich op de andere wijzen van vervoer, hetgeen niet alleen een positief effect kan hebben op de andere methoden voor het op een geharmoniseerde manier verzamelen van eerste gegevens maar ook voor het verzamelen van intermodale statistieken.

3. Havens (artikel 4)

Als verslagleggingseenheden spelen havens een belangrijke rol bij het verzamelen van gegevens binnen het informatiesysteem van de richtlijn. Overeenkomstig artikel 1 zullen de lidstaten een communautaire statistiek opstellen van het vervoer van goederen en personen door schepen die havens aandoen welke zich op hun grondgebied bevinden.

In de ontwerprichtlijn van 1993 waren de criteria voor het opstellen van een lijst met havens dat de lijst voor iedere lidstaat minstens 90% van alle zeevervoer van goederen en 90% van alle zeevervoer van passagiers moest beslaan. De definitieve tekst bepaalt echter alleen dat er een lijst met havens dient te worden opgesteld, zonder dat er in objectieve criteria wordt voorzien.

Overeenkomstig de procedure van artikel 4, lid 1, en artikel 13 werd er sinds 1997 een eerste lijst met Europese havens toegepast die in 1998 met Beschikking 98/385/EG van de Commissie formeel werd goedgekeurd. Deze lijst omvatte in totaal 1.575 havens in alle vijftien EER-landen, waarvan er 1.302 statistische havens waren. Met ingang van het jaar 2000, het eerste jaar van volledige toepassing, wordt er een nieuwe lijst met havens gehanteerd. Deze werd formeel goedgekeurd met Beschikking 2000/363/EG van de Commissie en omvat in totaal 1.357 havens in dertien landen van de Europese Unie, waarvan er 1.089 statistische havens zijn (zie tabel 1). Er zullen zo'n 160 EER/EVA-havens via een afzonderlijke procedure aan de lijst worden toegevoegd.

De selectie werd door iedere lidstaat uitgevoerd voor de havens op zijn grondgebied. Het aantal havens, het relatieve aantal havens per kilometer kust alsmede de indeling van verschillende deelhavens in de nationale statistische groep verschilt aanzienlijk per land. Dit komt door de plaatselijke havenbeheersstructuren en nationale tradities op het gebied van zeevervoer, maar ook door de statistische gegevens over het zeevervoer. Er is geen gemeenschappelijk minimumaantal passagiers, geregistreerde schepen of vrachtverwerking per jaar waardoor een haven aan de lijst wordt toegevoegd.

Zo is in het Verenigd Koninkrijk het totale aantal havens op de lijst twee keer zo hoog als het aantal havens dat daadwerkelijk als nationale statistische haven statistische gegevens verstrekt. In Ierland en Portugal is daarentegen iedere haven op de lijst ook een statistische haven. In Italië, waar alle havens op systematische wijze worden opgenomen, doet iedere haven als afzonderlijke statistische haven aangifte, zonder aggregatie.

Overeenkomstig de richtlijn wordt een haven gedefinieerd als zijnde een "plaats waar zich installaties bevinden waardoor koopvaardijschepen kunnen aanmeren, goederen kunnen lossen of laden, passagiers aan boord kunnen nemen of aan land brengen". In uitzonderlijke gevallen hebben lidstaten een totale vaarroute als statistische haven gekozen, zoals het Albertkanaal in België.

Slechts een analyse van verzamelde gegevens kan aantonen of de heterogeniteit van de lijsten een belemmering vormt voor de productie van vergelijkbare en nauwgezette gegevens over zeevervoer in de EU.

Van de havens die op de lijst voorkomen hoeven alleen die welke een bepaalde jaarlijkse drempel aan vervoer van goederen of personen overschrijden in detail en op kwartaalbasis aangifte te doen. De havens onder deze drempel hoeven slechts beknopte gegevens op jaarbasis te verschaffen. De drempel is op één miljoen ton goederen of 200.000 passagiers per jaar vastgesteld. Tijdens de overgangsperiode van 1997 tot 1999 kan een lidstaat gebruik maken van een afwijking waarin door de richtlijn wordt voorzien en de tijdelijke drempel van twee miljoen ton of 400.000 passagiers per jaar toepassen. Het aantal havens waarvan de gegevens in de gemeenschappelijke gegevensbank worden bijgehouden varieert naar gelang van de gegevensverzameling.

Als gevolg van deze drempelbeperking, de toegewezen afwijkingen en de herziening van de lijst met havens, kan er voor de meeste havens pas vanaf referentiejaar 2000 met een zinvolle tijdreeks worden begonnen.

Tabel 1 Aantal havens waar statistieken van het zeevervoer dienen te worden verzameld

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Uit de ervaring die is opgedaan met de gegevens die door de lidstaten zijn verstrekt, is gebleken dat slechts een deel van de havens die een verslagleggingsplicht hebben ook daadwerkelijk informatie over het vervoer hebben verstrekt. In de toekomst, wanneer het informatiesysteem goed is ingeburgerd, kan misschien een substantiële herziening van de lijst met havens nodig zijn.

4. Nauwkeurigheid van de statistiek (artikel 5)

De vervoerstromen binnen de Gemeenschap worden doorgaans twee keer geregistreerd: bij het punt van oorsprong en de eindbestemming van de stroom. De kenmerken van de gegevensverzameling van de richtlijn inzake zeevervoer omvatten onder meer informatie over de relatie (d.w.z. de laadhaven/loshaven voor de EER, kustgebied voor niet-EER) zowel voor vervoer van passagiers als voor goederen. Op die manier kunnen er spiegeltabellen worden opgesteld die voor kwaliteitscontrole kunnen worden gebruikt. Verschillen in de aangiften van twee verslagleggingseenheden wijzen duidelijk op methodologische problemen.

Van land tot land kunnen de verschillen in de totale aangiften voortvloeien uit het feit dat slechts één van de twee betrokken havens met een verkeersstroom op de lijst met havens voorkomt, terwijl de haven waar geladen of gelost wordt geen verslagleggingsplicht heeft. Wat vervoer van haven naar haven betreft, zijn tegenstrijdigheden daarentegen eenvoudig vast te stellen.

Dit vraagstuk wordt al sinds juni 1999 in de Werkgroep besproken; de Commissie stelt een bilaterale aanpak voor: twee lidstaten waarbij grote verschillen in de aangifte van een en dezelfde stroom worden geconstateerd, dienen hiervan door de Commissie in kennis te worden gesteld en moeten trachten hun methodologieën te vergelijken teneinde de bron van de afwijkingen vast te stellen en te elimineren of te reduceren. Gebleken is dat dergelijke bilaterale methoden op andere gebieden zoals migratie succesvol zijn. Het onderzoek kan helpen factoren te ontwikkelen voor het doen van schattingen, ook al kan de afwijking niet helemaal worden geëlimineerd.

Portugal en enkele Scandinavische landen hebben reeds een begin gemaakt met bestudering van de samenhang van gegevens op nationaal niveau en hebben een aantal redenen voor afwijkingen ontdekt:

-de aangifte van vervoerstromen geschiedde in verschillende maanden omdat ze aan het eind van de ene maand aanvingen en aan het begin van de volgende maand eindigden

-goederen die van de ene naar de andere haven gingen; vertragingen onderweg kunnen afwijkingen teweegbrengen met betrekking tot de verstrekte gegevens voor beide havens die er oorspronkelijk bij betrokken waren

-er zijn uiteenlopende statistische bronnen gebruikt: scheepsmanifest versus kennis van het schip

-bepaalde havens gebruiken specifieke eenheidsequivalenten voor bepaalde soorten goederen (bijvoorbeeld ton = kubieke meter)

De Werkgroep is begonnen een reeks doorlopende activiteiten uit te voeren ter verbetering van de kwaliteit van de verzamelde statistieken. Er is een aantal methodologische vraagstukken dat nader bestudeerd moeten worden: dergelijke vraagstukken kunnen nationale specifieke aspecten of algemene problemen betreffen, zoals het vaststellen van de inhoud van containers, gegevens over lege containers of microcabotage.

5. Verwerking en verstrekking van de resultaten van het verzamelen van de gegevens (artikelen 6 en 7)

5.1. Verzamelen van eerste gegevens en verwerking door CNA

Wat het verzamelen van eerste gegevens en de verwerking van de verzamelde gegevens door de bevoegde nationale instantie (CNA) betreft, verplicht de richtlijn de lidstaten slechts tot één resultaat: ervoor zorgen dat vergelijkbare statistieken met de verlangde nauwkeurigheid worden verkregen. De keuze van instrumenten voor de verwerking van gegevens en de werkorganisatie geschiedt overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel op nationaal niveau. Sommige landen bleven hun bestaande verwerkingssystemen toepassen en hebben ze daar waar nodig aan de voorwaarden van de richtlijn aangepast, terwijl andere landen compleet nieuwe systemen hebben ingevoerd. De financiële bijdrage aan de uitvoeringskosten werd deels gebruikt om het opzetten van adequate verwerkingssystemen te financieren.

De bevindingen van de pilotstudies over het verzamelen van gegevens zijn in het hoofdstuk over Overgangsperiode: pilotstudies van dit verslag samengevat. Via een project dat er in 1999/2000 in het Verenigd Koninkrijk aankomt, zullen er vijf uiteenlopende methoden voor het verzamelen van eerste gegevens worden getoetst. De proefprojecten van het Verenigd Koninkrijk omvatten onder meer de SDES (Software Statistische Gegevensinvoer) en een reeks webformulieren voor gegevensinvoer voor gegevensverstrekkers.

5.2. Het verstrekken van de resultaten aan de Commissie

Wat het aan de Commissie verstrekken van de verzamelde gegevens betreft, past de richtlijn een meer geharmoniseerde aanpak toe. De richtlijn bepaalt van tevoren de periodiciteit en structuur van de gegevensverzamelingen die moeten worden verstrekt. De technische bijzonderheden voor het verstrekken van gegevens zullen in een comitologieprocedure worden neergelegd.

Gezien de verscheidenheid aan instrumenten die in de lidstaten worden gehanteerd en de aanzienlijke inspanning die de aanpassing met zich meebrengt, heeft de Commissie in de eerste fase van toepassing van de richtlijn geen gemeenschappelijke technische normen voorgedragen. In plaats daarvan steunde de Commissie de inspanningen van de lidstaten om efficiënte instrumenten voor het verstrekken van gegevens op te zetten door proefprojecten te financieren en een verzameling software-instrumenten te ontwikkelen om de elektronische overdracht naar Eurostat mogelijk te maken. De EDI-strategie van de Commissie heeft tot doel enige keuze mogelijk te maken en tegelijkertijd de opties tot maar twee te beperken, die beide binnen de Commissie gecontroleerd en verwerkt kunnen worden zonder dat ze opnieuw geformatteerd of handmatig bewerkt hoeven te worden.

De eerste van deze twee methoden die zijn voorgesteld, is het verstrekken van gegevens via een deelverzameling van het UN/EDIFACT GESMES-bericht als gedefinieerd door de "Richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van het GESMES-bericht inzake zeevervoer" die tijdens het EDIMARS-project werden ontwikkeld. Deze "Eenvoudige GESMES EDI-oplossing voor zeevervoer" is in de praktijk getoetst en constant verbeterd.

De tweede methode bestaat uit het verzenden van een gestructureerde flat file in kommagescheiden opmaak (".csv") volgens een structuur die door de Commissie werd ontwikkeld teneinde automatische validatie mogelijk te maken. Het concept lijkt op de GESMES-structuur maar is een eenvoudige platte opmaak. Zowel de komma (,) als de puntkomma (;) kunnen als scheidingstekens worden gebruikt en gegevensverzamelingen kunnen met of zonder lege velden worden geaccepteerd. De gestructureerde flat file is een kosteloze oplossing, die rechtstreeks aan gemeenschappelijke toepassingen voor gegevensverwerking kan worden ontleend.

De gegevensbestanddelen of GESMES-bestanden kunnen via STADIUM of door middel van gestructureerde e-mailbijlagen naar een van tevoren bepaald functioneel e-mailadres worden gezonden.

De algemene criteria voor het ontwerp van de "MAKEDISI EDI Toolbox" waren maximale eenvoud, overdraagbaarheid tussen platforms alsmede 'volledige' compatibiliteit met EDI (elektronische gegevensuitwisseling), d.w.z. dat er totaal geen tussenkomst door mensen is vereist. Bovendien zouden de instrumenten aan de lidstaten kosteloos ter beschikking moeten worden gesteld. Zij zouden niet van softwareleveranciers of toepassingen afhankelijk moeten zijn, de parameters moeten dusdanig zijn dat op eenvoudige wijze wijzigingen in de codelijsten of GESMES kunnen worden aangebracht, en ze zouden met standaard communicatiesoftware zoals e-mailpakketten moeten werken. Er is voor PERL gekozen omdat deze taal niet alleen aan de ontwerpcriteria voldoet maar ook een aanvullende functionaliteit biedt die geschikt is voor gestructureerde verwerking van gegevensbestanddelen.

De toolbox biedt tevens functies voor opmaak- en . en conversies tussen gestructureerde gegevensbestanddelen en GESMES, hetgeen bijdraagt tot de nauwkeurigheid van de gegevens.

De "MAKEDISI EDI Toolbox" accepteert beide invoeropmaken: zeevervoer GESMES en gestructureerde gegevensbestanddelen. De enige uitvoeropmaak is GESMES, om tot volledige GESMES-overdrachten te komen, hetgeen overeenkomt met het algemene overdrachtsbeleid binnen het Europees Statistisch Systeem.

Een door de Commissie beheerde newsroom op de CIRCA-website voorziet in steun aan de gebruikers van deze instrumenten en dient voor het uitwisselen van ervaringen met de toolbox, door middel van lijsten met wensen, veel gestelde vragen, enz.

6. Verspreiding van de statistische gegevens (artikel 9)

De Commissie is voornemens de verzamelde gegevens in het reguliere verspreidingprogramma van het Europees Statistisch Systeem op te nemen, dat bestaat uit publieke verspreiding op een aantal gegevensdragers onder alle gebruikers binnen de overheids- en particuliere sector en bevoorrechte verspreiding onder de gegevensverstrekkers en Directoraat-generaal Vervoer en Energie van de Commissie. Thema zeven van de on-linegegevensbank NEW CRONOS zal de belangrijkste technische omgeving voor de verspreiding van gegevens inzake zeevervoer zijn. CNA's krijgen vrije toegang, terwijl het grote publiek uittreksels ervan kan kopen.

Bovendien is er verspreiding van geselecteerde gegevens op cd-rom of in de vorm van een door de Commissie uitgegeven reeks schriftelijke publicaties zoals Statistiek in beeld, jaarboeken en Overzicht van vervoer gepland.

Dit publicatieplan beantwoordt aan de verwachtingen die de CNA's in 1998 op een vragenlijst en tijdens latere bijeenkomsten van de Werkgroep hebben geuit.

De belangrijkste belemmeringen voor verspreiding tijdens de overgangsperiode waren enerzijds dat overeenkomstig de richtlijn de regelingen voor verspreiding in een comitologieprocedure moeten worden neergelegd en dat er nog geen algehele overeenstemming binnen de Werkgroep is bereikt over de mate waarin gegevens zouden moeten worden vrijgegeven. Anderzijds gaan de meeste lidstaten alleen maar akkoord met het verspreiden van hun gegevens op basis van wederkerigheid, d.w.z. dat dezelfde gegevens voor alle landen op hetzelfde moment beschikbaar moeten zijn. De situatie met betrekking tot de inontvangstneming van gegevens door de Commissie biedt geen ruimte voor zo'n volledige publicatie, omdat verschillende landen nog geen gegevens hebben verstrekt. Zelfs al hadden alle landen de gegevens conform hun verslagleggingsplicht verstrekt, dan nog zouden de afwijkingen die tijdens de eerste drie jaar van toepassing van de richtlijn zijn toegestaan aanzienlijke verschillen tussen de landen onderling met zich meebrengen bij het opstellen van tabellen.

Tijdens haar bijeenkomst in 1999 en via een schriftelijke follow-up heeft de Werkgroep een voorlopig akkoord over de verspreiding bereikt, dat bestaat uit het publiceren van gegevens tussen havens en kustgebieden (MCA). De Werkgroep heeft tevens overeenstemming bereikt over herziening van dit akkoord ter verbetering van de mate van gedetailleerdheid waarmee de gegevens kunnen worden gepubliceerd nadat er enige ervaring is opgedaan.

Deze afspraken geven niet aan wat nu precies moet worden gepubliceerd, maar wat kan worden gepubliceerd onverminderd de voorwaarden van de richtlijn inzake vertrouwelijkheid en de daarmee samenhangende rechtsinstrumenten. De lidstaten zijn momenteel bezig met een onderzoek naar de bezorgdheid over vertrouwelijke bedrijfsgegevens onder hun respectieve gegevensverstrekkers. De eerste feedback van enkele landen duidde erop dat er sprake was van uiteenlopende standpunten onder de gegevensverstrekkers, afhankelijk van het land van handelsactiviteit, maar ook van de omvang van de verslagleggingseenheid (kleine havens of ondernemers vinden gegevens over hun activiteiten sneller een gevoelig onderwerp dan grote havens of ondernemers).

De formalisering van de afspraken van de Werkgroep in de vorm van een beschikking van de Commissie is in voorbereiding.

7. Financiële bijdrage (artikel 11)

Artikel 11 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten tijdens de eerste drie jaar een financiële bijdrage ontvangen ten belope van de kosten van de met de uitvoering van de richtlijn gepaard gaande werkzaamheden.

De door de bevoegde nationale instanties gemaakte kosten voor de tenuitvoerlegging waren aanzienlijk: de door alle lidstaten gedeclareerde kosten in de twee begrotingsjaren 1998 en 1999 bedroegen in totaal 3,61 miljoen euro.

Tabel 2 Overzicht van EU-bijdragen

Lidstaat // EU-bijdrage (1998+1999)

BE // 66 000

DA // 128 000

DE // 150 000

EL // 82 000

ES // 50 491

FR // 128 000

IE // 38 000

IT // 167 735

NL // 58 000

PT // 20 000

FI // 16 000

SV // 37 000

UK // 194 224

Totaal // 1 135 450

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 11, lid 2, en artikel 11, lid 3, heeft de Europese Gemeenschap contracten afgesloten met lidstaten om ongeveer een derde deel van deze kosten bij te dragen, en wel 1,14 miljoen euro. De werkzaamheden die voor financiële bijstand in aanmerking kwamen betroffen zowel aanpassingen binnen de bevoegde nationale instanties als ontwikkeling van software-instrumenten die door de bevoegde nationale instanties onder hun havens of andere gegevensverstrekkers zouden worden verspreid.

De kosten die zijn ontstaan varieerden aanzienlijk per lidstaat en waren hoofdzakelijk afhankelijk van de eerdere situatie rond het verzamelen van gegevens over zeevervoer in ieder land. In sommige landen werd de richtlijn uitgevoerd in een gezamenlijke inspanning om het bestaande systeem van gegevensverzameling te moderniseren.

Naast deze toewijzingen voor de uitvoeringskosten van de lidstaten heeft de Europese Commissie financiële middelen gebruikt voor de tenuitvoerlegging binnen Eurostat en voor de proefprojecten die in het hoofdstuk Overgangsperiode worden genoemd.

8. Bepalingen voor de tenuitvoerlegging en procedure (artikelen 12 en 13)

Alle bepalingen voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn moeten in detail in een procedure van het beheercomité worden neergelegd zoals uiteengezet in artikel 13. Tot dusver zijn twee beschikkingen van de Commissie gegeven met een reeks bepalingen voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn. Deze bestonden uit een eerste lijst van havens en een eerste bijgewerkte lijst. Bovendien hebben zij de bijlagen bij de richtlijn vervolledigd en aangepast.

De lijst met havens en de andere bijlagen met kenmerken voor gegevensverzameling zullen regelmatig worden herzien om de wijzigingen in verwerkte tonnage en het vervoer van passagiers in de havens weer te geven en ze aan de economische en technische ontwikkelingen in het algemeen aan te passen. (Havens waarbij de tonnage in bepaalde jaren onder de drempel valt kunnen op de lijst van geselecteerde havens worden gehandhaafd.)

Voor de procedure die in de richtlijn wordt voorzien, is er een bepaalde periode nodig voordat de definitieve regel formeel wordt goedgekeurd; bij kwesties waarmee alle bij het statistisch proces betrokken partners instemmen is het misschien mogelijk eerder een bepaalde werkvorm vast te stellen dan iedere regel onmiddellijk te formaliseren. Dit was gebruikelijk bij gedetailleerde regels voor het verstrekken van gegevens, waarbij de Werkgroep ermee instemde de door de Commissie voorgestelde opties op basis van een "gentlemen's agreement" toe te passen.

9. Tenuitvoerlegging (artikel 14)

Artikel 14 vereist dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aannemen om uiterlijk 1 januari 1997 aan de richtlijn te voldoen en de Commissie daarvan in kennis stellen.

In december 1999, aan het einde van de overgangsfase, hebben alle lidstaten met uitzondering van Ierland medegedeeld welke wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen zij hebben genomen voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn. De Commissie heeft de afwijkingen die in de overgangsfase zijn toegekend in aanmerking genomen ter rechtvaardiging van de vertraging in de volledige tenuitvoerlegging tot die datum.

De gedetailleerde situatie ten aanzien van de wettelijke en bestuursrechtelijke tenuitvoerlegging in de lidstaten, de afwijkingen die werden toegekend in het kader van Beschikking 98/385/EG van de Commissie en de verstrekte gegevens worden hieronder nader uiteengezet. Het betreft de situatie zoals deze zich in november 2000 voordeed en is gebaseerd op ervaring die is opgedaan met inontvangstneming van gegevens door de Commissie en op verslagen die door de nationale delegaties zijn opgesteld tijdens de bijeenkomsten van de Werkgroep en van het coördinerende comité statistiek van het vervoer.

9.1. België

De meeste conform de richtlijn inzake zeevervoer vereiste gegevens waren reeds verzameld via aangiften 20 en 21 van de Benelux op basis van een ministerieel decreet uit 1975. [4] Voor het verzamelen van de resterende gegevens is er via een circulaire van de douane- en accijnsadministratie uit 1997 [5] een aanvullend aangifteformulier voor containervervoer en roro-eenheden ingevoerd, dat als bijlage bij aangiften 20 en 21 is gevoegd. De circulaire bevat een expliciete verwijzing naar de richtlijn van de Raad.

[4] Ministerieel besluit van 13 november 1975 betreffende de generale verklaring inzake douane bij het binnenkomen en bij het uitvaren van zeeschepen . Gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 11.12.1975, blz. 15811-15818. Van kracht sinds 1.1.1976.

[5] Circulaire van 1.2.1997 van het Bestuur der douane en accijnzen D.D. 92.791 (heft de circulaire op van 1.1.1995 nr. D.L. 1/7.887). Dit aangifteformulier komt in de plaats van een eerder gebruikt formulier dat via Circulaire nr. D.L. 1/7.887 van 1.1.1995 werd ingevoerd, dat vanaf 1.1.1997 van kracht was.

Het verzamelen van alle conform de richtlijn benodigde gegevens moet sinds 1 februari 1997 worden uitgevoerd. België werd een afwijking voor de haven van Antwerpen toegekend voor relatie en laadhaven/loshaven.

België heeft alle kwartaal- en jaargegevens van referentiejaar 1997 tot 1999 verstrekt, inclusief correcties. De vertraging in de gegevensoverdracht werd in de loop der jaren geleidelijk ingelopen en de laatste verzamelingen jaargegevens werden overeenkomstig het door de richtlijn bepaalde tijdschema verstrekt.

9.2. Denemarken

Denemarken verzamelde al gegevens over zeevervoer nog voordat de richtlijn van de Raad werd vastgesteld. Het verzamelen werd uitgevoerd via twee onderzoeken: één naar vervoer van passagiers en goederen per veerboot en het ander naar verwerkte hoeveelheden in alle havens. Om aan de richtlijn te voldoen werd er een derde onderzoek ingevoerd, dat het vervoer van goederen in grote havens betrof en waarmee in 1997 een begin werd gemaakt.

Het Deense Bureau voor de Statistiek verzamelt de gegevens via een algemene machtiging in het kader van Wet nr. 196 van 8 juni 1966. [6] Er was geen specifiek rechtsinstrument nodig om de richtlijn om te zetten.

[6] Zoals vervolgens gewijzigd (meest recentelijk bij Wet nr. 1025 van 19.12.1992).

Denemarken heeft alle verzamelingen kwartaal- en jaargegevens van referentiejaar 1997 tot 1999 alsmede voor het eerste kwartaal van 2000 aan de Commissie verstrekt. De technische aanloopproblemen met codes in de gegevens van de eerste kwartalen zijn opgelost. De vertraging in gegevensoverdracht is in de loop der jaren teruggedrongen en de laatste verzamelingen jaargegevens werden overeenkomstig het door de richtlijn bepaalde tijdschema verstrekt.

9.3. Duitsland

Duitsland verzamelt al sinds 1957 statistische gegevens over zeevervoer. Teneinde alle variabelen en classificaties die in de richtlijn worden voorzien te kunnen uitvoeren, werd de van kracht zijnde wetgeving [7] op 17 december 1999 gewijzigd [8]. De wijziging bevat een expliciete verwijzing naar Richtlijn 95/64/EG van de Raad en is sinds 1.1.2000 van kracht.

[7] "Gesetz über die Statistik der Seeschiffahrt" van 26.7.1957, van kracht sinds 26.8.1957, gepubliceerd in verkorte vorm in BGBl Deel III, Nr. 9510-4, en "Verordnung über die Meldestellen für die Seeverkehrsstatistik" van 24.4.1958, van kracht sinds 1.5.1958, gepubliceerd in BAnz nr. 80, laatstelijk gewijzigd bij decreet van 5.11.1992 (BAnz, blz. 8761).

[8] "Gesetz zur Neuordnung der Statistiken der Schifffahrt und des Güterkraftverkehrs", gepubliceerd in BGBl van 22.12.1999, Deel I, nr. 56, blz. 2452.

Aangezien aan Duitsland een hele reeks afwijkingen [9] door Beschikking 98/385/EG van de Commissie werd toegekend, kan het land tijdens de overgangsperiode aan de richtlijn voldoen op basis van de wet uit 1957. De afwijkingen betreffen passagiergegevens en de toepassing van de nomenclatuur van de richtlijn voor alle variabelen, met uitzondering van de haven van aangifte en de scheepsgrootte.

[9] Voor alle gegevensverzamelingen geldt een gedeeltelijke afwijking voor laadhaven, relatie (MCA), vrachttype; totale afwijking voor aantal passagiers in A3, D1 (nationaliteit van het schip); gedeeltelijke afwijking voor de nationaliteit van het schip in E1 en het soort schip in F1 (allemaal tijdens de hele overgangsperiode).

Duitsland heeft verzamelingen kwartaal- en jaargegevens voor alle referentiejaren aan de Commissie verstrekt, maar de gegevens zijn overeenkomstig het nationale systeem gecodeerd en ingedeeld. Aangezien dit systeem afwijkt van de nomenclatuur die door de richtlijn is vastgesteld, werden de verstrekte gegevensverzamelingen in een geaggregeerde opmaak in de productiegegevensbank van Eurostat geïntegreerd nadat er eerst een door Eurostat vervaardigd filter was toegepast. De verzamelingen jaargegevens en die van het derde en vierde kwartaal werden op tijd verstrekt.

9.4. Griekenland

Griekenland heeft twee wetsinstrumenten aangenomen om aan de richtlijn te kunnen voldoen: een gemeenschappelijke ministeriële beschikking inzake de opdracht tot en autorisatie van de tenuitvoerlegging van specifieke statistische activiteiten op het gebied van zeevervoer van passagiers, goederen en voertuigen [10], die sinds 1 januari 1997 van toepassing is, en een gemeenschappelijke permanente circulaire over de tenuitvoerlegging van specifieke statistische activiteiten en harmonisatie van de statistische registratie van het zeevervoer van passagiers, goederen en mobiele eenheden (voertuigen), overeenkomstig Richtlijn 95/64 van de Europese Unie, door het ministerie van Koopvaardijstatistieken [11], en van toepassing sinds 1 januari 1998.

[10] Nr. 6792/G-81 van 11.4.1997; Staatsblad 333 van 23.4.1997.

[11] Circulaire van 15.4.1998.

Tegelijkertijd werd er een nieuw computersysteem opgezet en werden er een nieuwe methodologie en een aparte vragenlijst voor de registratie van passagiers, mobiele eenheden en goederen voor binnenlandse en internationale lijnen ontwikkeld.

Griekenland heeft uitgebreide afwijkingen toegekend gekregen en hoefde alleen maar beknopte gegevens tijdens de overgangsfase te verstrekken (er waren geen gegevens vereist met betrekking tot relatie, bijzonderheden van schepen en vrachttype (in bepaalde gegevensverzamelingen)). Het verzamelen van vrachtgegevens is in 1998 begonnen. In de praktijk heeft Griekenland problemen ondervonden met gegevensverstrekkers die niet reageerden, hetgeen tot vertraging in de samenstelling van gegevensverzamelingen heeft geleid.

Griekenland heeft alleen maar algemene vracht- en passagiersgegevens voor referentiejaar 1997 verstrekt.

9.5. Spanje

Nog voordat de richtlijn van de Raad werd vastgesteld was Spanje al bezig met het verzamelen van statistische gegevens over het zeevervoer en heeft daarom om geen enkele afwijking verzocht. De wetgeving die van kracht is biedt de Spaanse autoriteiten de mogelijkheid gegevens overeenkomstig de richtlijn te verzamelen en te verstrekken zonder dat er nog aanpassingen nodig zijn. Voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn werd er een tweede versie van het computerprogramma SIGMA ontwikkeld, waarin alle volgens de richtlijn vereiste variabelen, classificaties en codes werden opgenomen. In de praktijk deden zich methodologische problemen voor bij het verzamelen van gegevens over de laadhaven/loshaven, wat vaak verward wordt met de oorsprong of eindbestemming van de vracht die wordt vervoerd.

Spanje was één van de eerste landen die gegevens aan de Commissie heeft verstrekt en heeft alle verzamelingen kwartaal- en jaargegevens van referentiejaar 1997 tot 1999 verstrekt, en dit gebeurde steeds tijdiger. Enkele grote Spaanse havens als Bilbao en Valencia maakten echter geen deel uit van de gegevensverzamelingen die werden verstrekt.

9.6. Frankrijk

De wetgeving die van kracht is, was voldoende voor het verzamelen van gegevens in de eerste twee categorieën havens in Frankrijk: de zeven grootste havens in overheidshanden en de grote havens van nationaal belang. Teneinde het verzamelen van gegevens voor te schrijven overeenkomstig de richtlijn inzake zeevervoer in de derde categorie gedecentraliseerde havens, die in het kader van een decreet van 8 augustus 1986 statistische gegevens moeten verstrekken, is er op 28 december 1999 een ministerieel wijzigingsdecreet aangenomen. [12]

[12] Gepubliceerd in het Staatsblad van 31.12.1999 en in het Officieel bulletin van het Ministère de l'Equipement, des Transports et du Logement op 10.01.2000. De bijlagen werden op 25.02.2000 in het Officieel bulletin gepubliceerd.

Het ministerie van Vervoer heeft diverse havens van een informatiesysteem voorzien waarmee zij de vervoersactiviteiten in de havens kunnen bewaken. Deze software (TRITON) is zowel aan de voorwaarden van de richtlijn als aan het nationaal moderniseringsprogramma aangepast. De havens die met andere software zijn uitgerust, zullen door het ministerie van aanpassingsmodules worden voorzien. Tegelijkertijd is er een intranet gepland dat begin 2000 tussen alle Franse zeevervoerdiensten geïnstalleerd zal worden.

In de praktijk heeft Frankrijk enkele problemen ondervonden bij het mobiliseren van respondenten en de gegevensstromen van havens naar de nationale overheid.

Frankrijk werd een gedeeltelijke afwijking toegekend voor gegevens over het vrachttype voor alle gegevensverzamelingen en een totale afwijking voor de nationaliteit van registratie.

Frankrijk heeft alleen de verzameling jaargegevens A3 voor 1997 en voor 1998 en alle gegevensverzamelingen voor het eerste kwartaal 2000 verstrekt.

9.7. Ierland

Ierland heeft tot op heden statistische gegevens over het zeevervoer verzameld in het kader van de Ierse Wet op de Statistiek uit 1993. Op dit moment wordt er een aanvullend wetsinstrument door het parlementair rapporteursbureau opgesteld. Dit instrument maakt het verstrekken van gegevens inzake zeevervoer vanuit havens (conform de richtlijn inzake zeevervoer) tot een wettelijke verplichting.

Totdat dit instrument in werking treedt, zullen de gegevens op vrijwillige basis worden verzameld overeenkomstig de afspraak met de Werkgroep havens (in 1996 ingesteld) om in de vereiste statistische gegevens te voorzien. In samenwerking met de havens die de drempel van de richtlijn overschrijden (en dus gedetailleerde gegevens moeten overleggen), heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek een centraal manifest ontworpen dat door de zeevervoerondernemers moet worden ingevuld. Voor de kleinere havens, die minder uitgebreide gegevens moeten verstrekken, zal er een tweede onderzoek worden opgezet. Het nieuwe "Nationaal onderzoek naar havens in Ierland" loopt sinds het eerste kwartaal van 1997.

Ierland heeft slechts om een beperkt aantal afwijkingen verzocht, met name voor de gegevens met betrekking tot het vrachttype. De Commissie heeft alle verzamelingen kwartaal- en jaargegevens van referentiejaar 1997 tot 1999 ontvangen met uitzondering van de haven van Rosslaire. Als gevolg van enkele problemen met codes die zich tijdens de integratie in de gemeenschappelijke gegevensbank voordeden, werden alle gegevensverzamelingen opnieuw verstrekt.

9.8. Italië

Het onderzoek naar statistische gegevens over het zeevervoer dat sinds 1995 in Italië werd uitgevoerd had betrekking op een aantal voorwaarden van de richtlijn. Overeenkomstig de Italiaanse wetgeving zijn de respondenten verplicht aan het onderzoek mee te werken.

Om aan de overige voorwaarden te kunnen voldoen, moest het gegevensverzamelingsmodel worden aangepast. Daarom heeft Italië een administratieve maatregel goedgekeurd waarbij een nieuwe, volledig herziene vragenlijst over statistische gegevens over het zeevervoer wordt ingevoerd. ter herstructurering van het model voor statistische gegevens over het zeevervoer. In de praktijk had Italië technische en administratieve problemen met dit nieuwe model ondervonden dat vanaf 1 januari 2000 wordt toegepast.

Door de afwijkingen die via Beschikking 98/385/EG van de Commissie werden toegestaan, hoeft de richtlijn pas vanaf januari 2000 volledig te worden toegepast. Alleen de gegevens over de koers, het aantal schepen, tonnage en eenheidslading hoefden te worden verstrekt overeenkomstig de door de richtlijn tijdens de overgangsperiode vastgestelde nomenclatuur.

Italië heeft alleen de verzamelingen kwartaal- en jaargegevens (met uitzondering van A2 en C1 waarvoor een afwijking gold) voor de referentiejaren 1997 en 1998 ingediend.

9.9. Nederland

Nederland verzamelde al statistische gegevens over het zeevervoer nog voordat de EG-richtlijn werd vastgesteld. Voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn waren er enkele technische aanpassingen en een wijziging van de Nederlandse nationale wet nodig. De wijziging werd aangebracht via het Besluit van 5 juli 1997 [13], dat een expliciete verwijzing naar de richtlijn van de Raad bevat.

[13] "Besluit van 5 juli, houdende vaststelling van bepalingen met betrekking tot de verstrekking van scheepvaartgegevens voor statistische doeleinden (Besluit statistische gegevens scheepvaartverkeer)", gepubliceerd in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, nr. 341 van 5.7.1997.

Tijdens de overgangsperiode van drie jaar werd Nederland een gedeeltelijke afwijking van de gegevens inzake "laadhaven/loshaven", "relatie" en "vrachttype" toegekend.

Nederland heeft alle verzamelingen kwartaal- en jaargegevens van referentiejaar 1997 tot 1999 aan de Commissie overgelegd. Het tijdschema van de richtlijn werd doorgaans voor de vier kwartalen en de jaargegevens in acht genomen. In overeenstemming met de afwijking worden deze gegevens opgesplitst per land waar de vracht wordt geladen of gelost en niet per haven of MCA. De gegevens werden in de gemeenschappelijke gegevensbank geïntegreerd nadat de nationale codes waren omgezet. Alle gegevensverzamelingen voor het eerste kwartaal 2000 werden conform de codes van de richtlijn ingediend.

9.10. Portugal

Dankzij de manier waarop de statistische gegevens over het zeevervoer reeds werden verzameld, hoefde Portugal niet om afwijkingen te verzoeken met het oog op zijn verslagleggingsplicht in het kader van de richtlijn inzake zeevervoer. De van kracht zijnde Wet op de Statistiek [14] biedt het Portugees Nationaal Bureau voor de Statistiek de mogelijkheid gegevens te verzamelen en te verstrekken overeenkomstig de richtlijn, zonder dat er nog wijzigingen nodig zijn. De gegevens worden maandelijks en jaarlijks verzameld via een nieuw onderzoek dat sinds 1997 loopt.

[14] "Lei N° 6/89, (Lei Assembleia da Repubblica)", goedgekeurd op 15.4.1989.

Gegevensverzameling D1 voor passagiersgegevens werd niet door de Portugese havens verstrekt omdat geen van de havens de drempel van 400.000 passagiers per jaar had overschreden.

Portugal was een van de eerste landen die zich geheel aan de richtlijn hield met betrekking tot het verzamelen en verstrekken van volledige gegevens. Alle vereiste verzamelingen kwartaal- en jaargegevens van referentiejaar 1997 tot 1999 zijn bij de Commissie ingediend. Het tijdstip van aanlevering is in de loop der jaren verbeterd en de gegevens voor het eerste kwartaal van 2000 werden overeenkomstig de richtlijn ontvangen. De problemen die zich in het begin met bepaalde codes hebben voorgedaan zijn opgelost.

9.11. Finland

Finland verzamelt al van oudsher statistische gegevens over het zeevervoer. De wettelijke basis voor het verzamelen van gegevens wordt gevormd door een wet uit 1990 [15] die in 1997 [16] ter fine van de EG-richtlijn is gewijzigd. Op 16 december 1996 hebben de Finse zeevaartautoriteiten een administratieve maatregel goedgekeurd [17] voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn in het Fins statistisch systeem.

[15] "Merenkulkulaitoksesta annettu laki (13/1990)", van kracht sinds 1.3.1990.

[16] "Laki merenkulkulaitoksesta annetun lain 1 ja 2 :n muuttamisesta (N:o 1248/1997)", sinds 1.1.1998 van kracht.

[17] Gepubliceerd in het Staatsblad van FMA 4 van 1.1.1997, van kracht sinds 1.1.1997.

In 1997 had Finland maar een gedeeltelijke afwijking voor één variabele nodig (vrachttype) en was het eerste land dat het presteerde de gegevens op tijd te verstrekken overeenkomstig de voorwaarden van de richtlijn.

Alle Finse gegevensverzamelingen van referentiejaar 1997 tot 1999 en voor het eerste kwartaal van 2000 zijn bij de Commissie ingediend. In deze gegevens was echter niet het binnenlands verkeer van Finland opgenomen, hetgeen overeenkomstig de richtlijn wel had moeten gebeuren. Deze gegevens dienen voortaan te worden toegevoegd.

9.12. Zweden

In Zweden is het verzamelen van statistische gegevens over het zeevervoer gebaseerd op een wet en een verordening inzake officiële statistieken uit 1992. [18] Met een verordening over zeevervoer van personen en goederen uit 1996 [19] en een nieuw onderzoek dat in 1996 is opgezet, heeft Zweden de richtlijn van de Raad volledig binnen zijn nationaal wetstelsel ten uitvoer gelegd.

[18] "Lag om den officiella statistiken" (SFS 1992:889), aangenomen op 4.6.1992, van kracht sinds 1.1.1993, en "Förordning om den officiella statistiken" (SFS 1992:1668), aangenomen op 17.12.1992.

[19] "Föreskrifter om uppgifter till statistik om person- och godstransporter inom sjöfart mm" (SIKA-FS 1996:01), aangenomen op 23 april 1996, van kracht sinds 1.5.1996.

Voor 1997 werd aan Zweden een totale afwijking toegekend voor het "aantal eenheden" en een gedeeltelijke afwijking voor "nationaliteit van het schip", "laadhaven", "relatie" en "vrachttype" (in gegevensverzamelingen A1 en C1). Voor 1998 en 1999 kreeg Zweden gedeeltelijke vrijstelling voor het verstrekken van gegevens over "vrachttype" (in gegevensverzamelingen A1 en C1) en gehele vrijstelling voor "eenheden zonder vracht".

Zweden heeft alle vereiste verzamelingen kwartaal- en jaargegevens van referentiejaar 1997 tot 1999 en voor het eerste kwartaal van 2000 ingediend. Aan de periodiciteit voor de verstrekking van gegevens waarin de richtlijn voorziet, is nog niet voldaan. Problemen met onverenigbare codes in de eerste reeksen verstrekte gegevens werden opgelost door alle gegevensverzamelingen opnieuw in te dienen.

9.13. Verenigd Koninkrijk

In het Verenigd Koninkrijk wordt de wettelijke basis voor het verzamelen van de gegevens gevormd door een wetsinstrument [20] dat in 1997 werd aangenomen. Bij het verzamelen van passagiersgegevens doen zich geen problemen voor omdat er al systemen bestaan voor het verzamelen ervan. Wat de vrachtgegevens betreft, heeft het Verenigd Koninkrijk echter slechts één minder uitgebreid jaarlijks onderzoek gedaan. Met ingang van 1997 heeft het Verenigd Koninkrijk een nieuw verzamelsysteem opgezet voor kwartaalgegevens en voor meer uitgebreide gegevens. Het grootste deel van de gegevens wordt bij scheepvaartmaatschappijen en scheepsbevrachters verzameld en een deel van de gegevens wordt door de havens voor statistische controledoeleinden verzameld. De gegevensverstrekkers kunnen uit vijf verschillende verslagleggingsmethoden kiezen, variërend van schriftelijk tot complete EDI-methoden. Ongeveer 90 procent van alle statistieken worden ingediend met gebruikmaking van elektronische methoden.

[20] "De Verordening inzake Statistieken (Zeevervoer van goederen en personen) 1997" (Wetsinstrument 1997 nr. 2330), opgesteld op 24.9.1997, van kracht sinds 1.11.1997.

Aan het Verenigd Koninkrijk werd een uitgebreide afwijking voor vrachtgegevens toegekend, d.w.z. een totale afwijking voor gegevensverzameling F1/F2, een afwijking voor gegevens over de laadhaven/loshaven, kwartaalgegevens en nationaliteit van registratie voor alle vrachtvervoer, en een gedeeltelijke afwijking voor vrachttype.

Het Verenigd Koninkrijk heeft al kwartaal- en jaargegevens van passagiers voor referentiejaar 1997 en 1998 en vrachtgegevens met onbekende bestemming voor 1997 en 1998 aan de Commissie verstrekt. Alleen gegevensverzameling D1 werd voor alle kwartalen van 1999 verstrekt. Alle gegevensverzamelingen voor het eerste kwartaal van 2000 zijn ingediend.

9.14. Noorwegen

Noorwegen maakt gebruik van de Wet op de Statistiek van 16 juni 1989 nr. 54 die het Noors Bureau voor de Statistiek wettelijke bevoegdheid geeft de conform de richtlijn vereiste gegevens te verzamelen. Er bleken geen aanvullende wettelijke maatregelen nodig te zijn voor de toepassing van de richtlijn. Het Noors Bureau voor de Statistiek was van plan vanaf 1999 met de verslaglegging te beginnen.

Noorwegen heeft nog geen gegevens aan de Commissie verstrekt.

9.15. IJsland

Ondanks het feit dat de officiële omzetting van de richtlijn nog niet vóór de winter van 1998/99 was afgerond, kon IJsland uitgebreide gegevens voor 1998 binnen de verzameling jaargegevens A3 verstrekken, maar alleen met informatie over vracht en niet over passagiers. Reykjavik is de enige haven in IJsland waarvoor uitgebreide gegevens vereist zijn.

IJsland heeft ook tabellen A1, A2 en C1 voor 1998 ingediend maar zonder relatie, laadhaven/loshaven en brutogewicht.

In de praktijk deden zich in IJsland twee belangrijke problemen voor bij het verzamelen van gegevens over afzonderlijke schepen en over de oorsprong en bestemming van schepen.

10. Conclusie

De ervaringen die zijn opgedaan met de tenuitvoerlegging van de richtlijn inzake zeevervoer zijn over het algemeen positief geweest. Voor het opzetten van het verslagleggingssysteem in de dertien betrokken EU-lidstaten, met een totaal van ongeveer 1.100 statistische havens, waren middelen en inspanningen op alle niveaus nodig: de havens, de bevoegde nationale instanties en de Commissie.

De drie jaar durende overgangsperiode bleek voldoende te zijn om in de aanpassingsbehoeften te voorzien. In januari 2000 had het merendeel van de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen genomen en waren zij gereed voor het produceren van de vereiste statistieken. In november 2000 had de Commissie het grootste deel van de conform de richtlijn vereiste gegevens over de eerste drie referentiejaren binnen. De verzamelde gegevens zijn echter niet compleet wat betreft drie lidstaten die veel met zeevervoer te maken hebben. Dit heeft een negatief effect op de samenstelling van de totalen in de EU en de verspreiding van de gegevens in het algemeen. De tijdige verstrekking van gegevens dient nog te worden verbeterd om een betrouwbare en tijdige verspreiding van gegevens over zeevervoer te kunnen garanderen. Technisch gezien is de verstrekking van gegevens aan de Commissie de afgelopen drie jaar steeds verder verbeterd dankzij de elektronische overdrachtsmiddelen die voorhanden zijn.

Gezien de tijdelijke drempel voor uitgebreide verslagleggingsplicht en de afwijkingen die tijdens de overgangsperiode werden toegestaan, zullen volledige en vergelijkbare gegevens over zeevervoer van passagiers en vracht pas vanaf referentiejaar 2000 beschikbaar zijn.

In enkele landen doen zich nog problemen voor met gegevensverstrekkers die niet reageren.

Vergeleken met de tijd vóór de richtlijn, toen er maar enkele lidstaten waren die enkele algemene gegevens op vrijwillige en niet-geharmoniseerde basis verstrekten, biedt de richtlijn een enorm voordeel: voor het eerst zullen er regelmatig gegevens over zeevervoer in de EU/EER beschikbaar zijn op basis van op elkaar afgestemde definities en classificaties en met een breed bereik qua havens en indicatoren.

Tot dusver bleken de in de richtlijn uiteengezette procedures voor het vastleggen van de regels voor de tenuitvoerlegging en voor de aanpassing aan economische ontwikkelingen bevredigend te zijn. Er zal op de korte termijn niet tot wijziging van de tekst van de richtlijn worden overgegaan. Op de middellange termijn zullen echter de pilotstudies die overeenkomstig deze richtlijn zijn uitgevoerd wellicht tot wijzigingen nopen. Dit zal worden onderzocht zodra er meer ervaring is opgedaan met het verzamelen van de variabelen van het huidige systeem.