52000AC0243

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot tweeëntwintigste wijziging van Richtlijn 76/69/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (ftalaten) en tot wijziging van Richtlijn 88/378/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de veiligheid van speelgoed"

Publicatieblad Nr. C 117 van 26/04/2000 blz. 0059 - 0061


Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot tweeëntwintigste wijziging van Richtlijn 76/69/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (ftalaten) en tot wijziging van Richtlijn 88/378/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de veiligheid van speelgoed"

(2000/C 117/12)

De Raad heeft op 29 februari 2000 besloten, overeenkomstig de bepalingen van art. 95 van het EG-Verdrag, het Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het voornoemde voorstel.

De afdeling "Interne markt, productie en consumptie", die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 15 februari 2000 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw Williams.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 370e zitting (vergadering van 1 maart 2000) het volgende advies uitgebracht, dat met 27 stemmen vóór en 21 stemmen tegen, bij 8 onthoudingen, is goedgekeurd:

1. Inleiding

1.1. Het voorstel is in de eerste plaats bedoeld om ervoor te zorgen dat de gezondheid en de veiligheid van consumenten terdege beschermd worden (artikel 153 van het nieuwe EG-Verdrag). De Commissie wil het gebruik verbieden van zes toxische ftalaten in bepaalde producten voor zuigelingen en kleine kinderen - de zwakste en kwetsbaarste consumenten. Verder bevat het voorstel de tweeëntwintigste wijziging van de richtlijn over gevaarlijke stoffen(1) en een aparte wijziging van de richtlijn over de veiligheid van speelgoed(2).

1.2. Het voorstel heeft niettemin verstrekkende implicaties voor de volgende belangrijke onderwerpen:

1.2.1. de harmonisatie van werkmethoden en de uitwerking van uniforme regels voor zowel de interne markt als de kandidaat-lidstaten;

1.2.2. de wisselwerking met andere richtlijnen, zoals de in artikel 9 van de richtlijn over algemene productveiligheid beschreven toepassing van noodprocedures(3);

1.2.3. de geldigheid van onderzoeksmethoden die worden toegepast om de hoeveelheid vrijkomende ftalaten te meten;.

1.2.4. de druk die milieugroeperingen uitoefenen in verband met dit onderwerp, dat emoties oproept en aanleiding geeft tot praktische overwegingen;

1.2.5. het steeds grotere belang dat wordt gehecht aan het voorzorgsbeginsel en de toepassing van procedures om risico's te beoordelen.

1.2.5.1. Vooral het voorzorgsbeginsel moet aandacht krijgen. Het is nog maar de derde keer dat gebruik wordt gemaakt van deze betrekkelijk nieuwe procedure, die in een recente mededeling van de Commissie(4) wordt omschreven. De procedure maakt het de Commissie mogelijk om preventieve maatregelen te nemen als er onvoldoende, niet-overtuigend of twijfelachtig bewijs is, maar het uitblijven van maatregelen een te groot risico zou betekenen voor de volksgezondheid of het milieu (bijvoorbeeld dioxinen in Belgisch voedsel). Waar het om draait is dat bij een potentieel gevaar de risico's in kaart moeten worden gebracht; de uitkomst hiervan hoeft echter niet doorslaggevend te zijn om tot actie te kunnen overgaan. Het ontbreken van wetenschappelijk bewijs mag niet worden gebruikt als excuus om maatregelen achterwege te laten.

2. Achtergrondinformatie

2.1. Wat zijn ftalaten?

Het voorstel gaat over zes ftalaten, die in een bijlage worden opgesomd. Deze chemische stoffen bestaan al lange tijd en worden als weekmakers van hard plastic (zoals polyvinylchloride ofwel PVC) gebruikt. Dit plastic kan dan worden verwerkt in producten voor zuigelingen en kleine kinderen jonger dan drie jaar, bijvoorbeeld bijtringen, fopspenen, rammelaars en speelgoed zoals badeenden. Van de ftalaten is di-isononyl-ftalaat (DINP) het meest gebruikt, onder meer in bijtringen. Sommige voedingsmiddelen, zoals bananen, bevatten van nature ftalaten.

2.2. Welke problemen leveren ftalaten op?

Ftalaten in PVC kunnen na verloop van tijd gaan lekken. Bij testen op ratten bleek dat ftalaten de hormoonhuishouding kunnen verstoren en kanker kunnen veroorzaken, met alle schadelijke gevolgen van dien voor lever, nieren en teelballen. Vooral baby's en kleine kinderen lopen gevaar, omdat zij lang op de producten in kwestie kauwen en sabbelen. Door het kauwen kan het plastic kapotgaan, waardoor de ftalaten versneld in het speeksel vrijkomen. Omdat baby's een gering lichaamsgewicht hebben, is de toegelaten dagelijkse inname (TDI) voor hen bovendien lager dan voor volwassenen. Ftalaten kunnen zich daarnaast ophopen. Een baby kan ze ook langs andere weg binnenkrijgen, bijvoorbeeld door borstvoeding.

2.2.1. Bepaalde lidstaten hebben de Unie dan ook opgeroepen om ftalaten in producten voor baby's en kleine kinderen te verbieden. In juli 1998 leidde dit tot een aanbeveling(5) (en niet tot het noodverbod waar EU-commissaris Bonino zich sterk voor maakte). Ook drongen milieugroeperingen, als onderdeel van een bredere campagne voor het van de markt halen van alle PVC-producten, aan op een verbod. Het wetenschappelijk comité voor toxiciteit, ecotoxicititeit en milieu (WCTEM) bracht in het najaar van 1999 een advies uit over het onderwerp in kwestie.

2.2.2. Nadat de lidstaten via de urgentieprocedures van de productveiligheidsrichtlijn van hun instemming blijk hadden gegeven, vaardigde de Commissie op 19 december 1999 een tijdelijk verbod uit op zes ftalaten, omdat deze een ernstig risico zouden inhouden voor de gezondheid van kinderen.

2.2.3. Het voorstel waar dit advies over gaat, strekt tot wijziging van de wetgeving op de langere termijn.

3. Algemene opmerkingen

3.1. Ten eerste stemt het Comité ermee in dat de Commissie het gebruik van ftalaten in bepaalde kinderverzorgingsproducten met onmiddellijke ingang heeft verboden; het gaat dus akkoord met artikel 1 van de voorgestelde richtlijn.

3.1.1. Aangezien het om een tijdelijke maatregel gaat die op 8 maart geëvalueerd zal worden, is de vraag welke overgangsprocedures moeten worden gevolgd.

3.1.2. Het Comité beseft dat de Commissie twee opties had: een verbod uitvaardigen of op basis van rigoureuze tests maximumwaarden vaststellen waar vervolgens toezicht op zou kunnen worden gehouden. Zulke tests voor ftalaten zijn echter nog altijd onbetrouwbaar en niet reproduceerbaar, omdat het moeilijk is om gesabbel en gekauw van een baby na te bootsen. Het voorzorgsbeginsel indachtig gaat het Comité daarom akkoord met het besluit van de Commissie. Bovendien is het mogelijk dat eventuele nieuwe alternatieven eveneens twijfels oproepen. Daarom is meer onderzoek nodig.

3.2. Ten tweede, wat toekomstige maatregelen betreft: het Comité zet zijn vraagtekens bij de in artikel 2 beschreven procedure voor producten die in de mond kunnen worden gestopt, ook al is dat niet de bedoeling. De Commissie wil de risico's van zulke voorwerpen - vooral speelgoed waarop relatief minder lang gesabbeld of gekauwd wordt - aanpakken via etiketten op de verpakking met waarschuwingen voor ouders en andere verzorgers van kleine kinderen.

3.2.1. Het is moeilijk een waarschuwing te bedenken die op álle kinderproducten in kwestie van toepassing is, vooral als deze zowel op het product zelf als op de verpakking in verschillende talen moet worden aangebracht.

4. Bijzondere opmerkingen

4.1. Artikel 1

Het Comité stemt in met dit artikel omdat er in de huidige omstandigheden geen andere mogelijkheid is, maar heeft dus wel de nodige reserves. Verder verdienen de volgende punten aandacht:

4.1.1. De laatste wijziging van de richtlijn over het in de handel brengen van gevaarlijke producten kan helaas "om procedurele redenen" pas over enkele jaren van kracht worden. In de tussentijd moet de veiligheid van baby's en kleine kinderen via interimmaatregelen gewaarborgd blijven.

4.1.2. Het is verder moeilijk toezicht te houden op voorwerpen die binnen gezinnen worden doorgegeven en door kinderen van verschillende leeftijden worden gebruikt. Een ander probleem is de tweedehandsverkoop van kinderverzorgingsproducten (bijvoorbeeld in kringloopwinkels).

4.1.3. Het is van belang dat de richtlijn door de bevoegde autoriteiten (met behulp van een "Europabrede" coördinatie) wordt gehandhaafd; het Comité is zich in dit verband bewust van problemen die zich voordoen in landen waar er niet altijd één enkele bevoegde instantie is.

4.1.4. Voortdurend moet op de naleving van het verbod worden toegezien, waarbij het er vooral op aankomt producten uit derde landen en derdewereldlanden in de gaten te houden.

4.1.5. Ouders en andere verzorgers van kinderen dienen goed voorgelicht te worden over de veiligheid van producten in het algemeen en over ftalaten in het bijzonder. Het is in dit verband vooral van belang dat het voorbeeld van fabrikanten die op de verpakking van hun producten speciale telefoonnummers voor vragen hierover laten afdrukken, door anderen wordt gevolgd. Bovendien moet men op een verstandige, niet-autoritaire manier met baby's en kleine kinderen omgaan.

4.2. Artikel 2

De waarschuwingen in kwestie zijn zo streng dat er in feite van een verbod sprake is. Bovendien is de voorgestelde formulering niet duidelijk genoeg, zodat de informatie niet goed overkomt.

Mocht etikettering uiteindelijk toch als een geschikte maatregel worden gezien, dan zijn de volgende opmerkingen op hun plaats.

4.2.1. Waarschuwingen moeten niet alleen leesbaar en onuitwisbaar zijn, maar vooral begrijpelijk.

4.2.2. Het Comité vraagt zich af of het, wat ontwerp en fabricage betreft, in de praktijk wel mogelijk is om op kleine, voor kinderen bestemde voorwerpen waarschuwingsetiketten aan te brengen, vooral als zo'n waarschuwing er in een hele reeks talen op moet staan.

4.3. Aangezien aan het met tussenpozen sabbelen of kauwen op een stuk speelgoed weinig risico's zijn verbonden, kan de Commissie haar voorstel om waarschuwingsetikketen op de producten zelf aan te brengen voorlopig beter intrekken; zoiets zou alleen maar tot problemen leiden. Fabrikanten zouden, als de omvang van de verpakking het toelaat, waarschuwingen moeten aanbrengen. Wordt zoals hier een beroep op het voorzorgsbeginsel gedaan, dan moeten de maatregelen in verhouding staan tot het risico dat men wil indammen of uitbannen.

5. Conclusie

5.1. Het Comité wijst er eens te meer op hoe belangrijk veiligheid is, vooral als er kinderen in het spel zijn, en stemt in met het huidige verbod van de Commissie. Wel maakt het zich zorgen over de nog altijd twijfelachtige geldigheid van de huidige testmethoden om te bepalen hoeveel ftalaten vrijkomen. Daar komt bij dat andere materialen eveneens twijfels oproepen. Er is dus meer onderzoek nodig.

5.2. Uit artikel 2, waarin staat dat op verpakkingen en kinderverzorgingsartikelen strikte waarschuwingen moeten worden aangebracht, blijkt dat de Commissie het recht van ouders op informatie serieus neemt. Houdt de Commissie vast aan deze waarschuwingen, dan dienen het taalgebruik en de begrijpelijkheid hiervan nog wel de nodige aandacht te krijgen.

Brussel, 1 maart 2000.

De voorzitter

van het Economisch en Sociaal Comité

B. Rangoni Machiavelli

(1) Richtlijn 76/769/EEG, PB L 262 van 27.9.1976, blz. 201.

(2) Richtlijn 88/378/EEG, PB L 187 van 16.7.1988, blz. 1.

(3) Richtlijn 92/59/EEG, PB L 228 van 11.8.1992, blz. 24.

(4) COM(2000) 1 def. van 2.2.2000.

(5) Richtlijn 98/485/EG, PB L 217 van 5.8.1998, blz. 35.