51999PC0188

Voorstel voor een Richtlijn van de Raad betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal /* COM/99/0188 def. - CNS 99/0092 */

Publicatieblad Nr. C 199 van 14/07/1999 blz. 0001


Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal

(ingediend door de Commissie)

TOELICHTING

1. Richtlijn 66/404/EEG van de Raad betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (1) en Richtlijn 71/161/EEG van de Raad betreffende de normen voor de uitwendige kwaliteit van bosbouwkundig teeltmateriaal dat binnen de Gemeenschap in de handel wordt gebracht (2) bevatten de eisen inzake genetische kenmerken en uitwendige kwaliteit waaraan bosbouwkundig teeltmateriaal moet voldoen opdat het in de Gemeenschap in de handel mag worden gebracht.

(1) PB 125 van 11.7.1966, blz. 2326/66.

(2) PB L 87 van 17.4.1971, blz. 14.

2. De wetgeving heeft sedert 1975 geen noemenswaardige wijzigingen ondergaan. Met dit voorstel wordt daarom beoogd de wetgeving bij de tijd te brengen, rekening houdend met de toetreding van nieuwe lidstaten sedert 1975, de totstandkoming van de interne markt en de vooruitgang van de wetenschap, inclusief de beschikbaarheid van nieuw materiaal. Voorts bevat het voorstel een aanpassing van de wetgeving om rekening te houden met de bijzondere situatie van Zweden en Finland: ten aanzien van beide landen werd in het toetredingsverdrag (bijlage XV, blz. 333) voorzien in een overgangsperiode van vijf jaar, gedurende welke zij de wetgeving niet hoeven toe te passen.

3. De vigerende OESO-regeling inzake het internationale verkeer van bosbouwkundig teeltmateriaal dateert van 1974. De regeling is de voorbije jaren op ingrijpende wijze herzien en een nieuwe, geactualiseerde versie zal door de OESO-Raad in de nabije toekomst worden vastgesteld. De nieuwe OESO-regeling is weliswaar in essentie verenigbaar met de bestaande EG-wetgeving, maar omvat twee extra categorieën teeltmateriaal dat in de handel mag worden gebracht, namelijk "van bekende origine" ("source-identified") en "gekeurd" ("qualified"). Aangezien alle lidstaten met uitzondering van Griekenland en Luxemburg participeren in de OESO-regeling, is bij het opstellen van het voorstel een zo groot mogelijke verenigbaarheid met die regeling nagestreefd. Met het oog hierop zijn aan de bestaande, in de Gemeenschap toegelaten categorieën "geselecteerd" en "getest", de genoemde twee nieuwe categorieën toegevoegd.

4. Voorzover het bosbouwkundig teeltmateriaal bestaat uit genetisch gemodificeerde organismen, voorziet het voorstel in een milieurisicobeoordeling. Er zijn maatregelen genomen om in de toekomst door middel van een verordening van de Raad procedures in te voeren die moeten garanderen dat deze milieurisicobeoordeling en andere, daarmee verband houdende elementen gelijkwaardig zijn aan die van Richtlijn 90/220/EEG. Bij het opstellen van het voorstel voor die verordening van de Raad zal de Commissie rekening houden met alle wijzigingen van Richtlijn 90/220/EEG, zoals verplichte raadpleging van het (de) betrokken Wetenschappelijk(e) Comité(s), monitoring en vergunningen voor beperkte duur. In ieder geval zal de Commissie ervoor zorgen dat voor alle toepassingen van het product rekening wordt gehouden met de relevante expertise op het gebied van de veiligheid.

5. In plaats van de Richtlijnen 66/404/EEG en 71/161/EEG op talrijke plaatsen te wijzigingen, is er ten behoeve van de duidelijkheid voor gekozen de beide richtlijnen tot één nieuwe tekst te versmelten. De Commissie is evenwel de mening toegedaan dat de bespreking van dit document beperkt dient te blijven tot de nieuwe tekstgedeelten en dat de discussie over de overige gedeelten van de Richtlijnen 66/404/EEG en 71/161/EEG niet opnieuw moet worden geopend. Met het oog hierop heeft de Commissie de nieuwe tekstgedeelten onderstreept.

6. Consequenties op het stuk van de subsidiariteit heeft deze maatregel niet, aangezien het voorstel gebaseerd is op artikel 37 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en derhalve onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt. Bovendien gaat het in het geval van de twee richtlijnen die redactioneel worden gewijzigd, om harmonisatiemaatregelen.

7. Er zijn geen financiële consequenties voor de begroting van de EU.

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie (3),

(3) PB C

Gezien het advies van het Europees Parlement (4),

(4) PB C

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (5),

(5) PB C

(1) Overwegende dat Richtlijn 66/404/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (6) en Richtlijn 71/161/EEG van de Raad van 30 maart 1971 betreffende de normen voor de uitwendige kwaliteit van bosbouwkundig teeltmateriaal dat binnen de Gemeenschap in de handel wordt gebracht (7) herhaaldelijk en ingrijpend zijn gewijzigd; dat naar aanleiding van nieuwe, ingrijpende wijzigingen genoemde richtlijnen duidelijkheidshalve dienen te worden samengevoegd en een algehele omwerking dienen te ondergaan;

(6) PB 125 van 11.7.1966, blz. 2326/66; richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Akte van toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden.

(7) PB L 87 van 17.4.1971, blz. 14; richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Akte van toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden.

(2) Overwegende dat bossen een groot gebied van de Gemeenschap bedekken en dat zowel de verjonging van die bossen als de aanleg van nieuwe bossen een toenemende hoeveelheid bosbouwkundig teeltmateriaal vergen;

(3) Overwegende dat de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal van boomsoorten en kunstmatige hybriden die voor bosbouwdoeleinden belangrijk zijn, dient te worden opgevoerd;

(4) Overwegende dat onderzoek op het gebied van bosbomenselectie heeft uitgewezen dat om de opbrengst van de bossen aanzienlijk te doen toenemen en om aldus de productiviteit van de grond te verbeteren, fenotypisch of genetisch voortreffelijk teeltmateriaal moet worden gebruikt dat aan bepaalde normen inzake uitwendige kwaliteit beantwoordt;

(5) Overwegende dat voorts verscheidene lidstaten reeds sedert een aantal jaren een op deze beginselen berustende regelgeving toepassen; dat de verschillen tussen die regelgevingen een belemmering voor het handelsverkeer tussen de lidstaten vormen; dat het in het belang van alle lidstaten is dat er een communautaire regeling wordt vastgesteld waarin zo hoog mogelijke eisen zijn opgenomen;

(6) Overwegende dat die regeling dient te gelden voor het in de handel brengen zowel in andere lidstaten als op de eigen binnenlandse markten;

(7) Overwegende dat de communautaire regeling op de fenotypische en genetische kenmerken en op de uitwendige hoedanigheid van het teeltmateriaal betrekking dient te hebben;

(8) Overwegende dat in die regeling rekening dient te worden gehouden met praktische behoeften en slechts van toepassing dient te zijn op die soorten en kunstmatige hybriden die voor de bosbouwdoeleinden in de gehele Gemeenschap of in een deel daarvan van belang zijn;

(9) Overwegende dat teeltmateriaal dat niet in de handel wordt gebracht, gezien de geringe economische betekenis ervan, niet aan een communautaire regeling dient te worden onderworpen; dat het recht van de lidstaten om dit teeltmateriaal aan bijzondere voorschriften te onderwerpen, onverlet dient te blijven;

(10) Overwegende dat de maatregelen waarin deze richtlijn voorziet, niet van toepassing dienen te zijn op teeltmateriaal dat voor uitvoer of wederuitvoer naar derde landen bestemd is;

(11) Overwegende dat wat het communautaire teeltmateriaal betreft, de toelating van het uitgangsmateriaal en derhalve de omschrijving van de herkomstgebieden de grondslag voor de selectie vormt; dat de lidstaten eenvormige regelingen dienen toe te passen waarbij zo hoog mogelijke eisen voor de toelating van uitgangsmateriaal worden gesteld; dat alleen van dergelijk uitgangsmateriaal afgeleid teeltmateriaal in de handel mag worden gebracht;

(12) Overwegende dat genetisch gemodificeerd bosbouwkundig teeltmateriaal niet in de handel mag worden gebracht tenzij het veilig is voor de menselijke gezondheid en voor het milieu;

(13) Overwegende dat voor bosbouwkundig teeltmateriaal dat uit genetisch gemodificeerde organismen bestaat, een milieurisicobeoordeling dient te worden uitgevoerd; dat de Commissie aan de Raad een voorstel voor een verordening dient voor te leggen om te waarborgen dat de procedures voor deze milieurisicobeoordeling en andere relevante elementen, waaronder de toestemmingsprocedure, gelijkwaardig zijn aan die van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (8); dat, totdat een dergelijke verordening in werking treedt, de bepalingen van Richtlijn 90/220/EEG dienen te gelden;

(8) PB L 117 van 8.5.1990, blz. 15; richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/35/EG van de Commissie (PB L 169 van 27.6.1997, blz. 72).

(14) Overwegende dat teeltmateriaal dat aan de eisen van de onderhavige richtlijn voldoet, aan geen andere beperkingen op het in de handel brengen mag worden onderworpen dan die waarin de onderhavige richtlijn voorziet;

(15) Overwegende dat de lidstaten evenwel dienen te worden gemachtigd te bepalen dat slechts aan de vastgestelde normen beantwoordende plantendelen en plantgoed op hun grondgebied in de handel mogen worden gebracht;

(16) Overwegende dat het de lidstaten dient te worden toegestaan voor de toelating van op hun eigen grondgebied geproduceerd uitgangsmateriaal aanvullende of strengere eisen te stellen;

(17) Overwegende dat de lidstaten een lijst van herkomstgebieden dienen vast te stellen waarin, voor zover bekend, de oorsprong van het uitgangsmateriaal wordt vermeld; dat de lidstaten kaarten dienen uit te werken waarop de grenzen van de herkomstgebieden zijn aangegeven;

(18) Overwegende dat de lidstaten een nationaal register van op hun grondgebied toegelaten uitgangsmateriaal dienen op te stellen; dat door iedere lidstaat tevens een beknopt overzicht van het nationale register, in de vorm van een nationale lijst, dient te worden opgesteld;

(19) Overwegende dat de Commissie op basis van die nationale lijsten voor een communautaire publicatie dient zorg te dragen;

(20) Overwegende dat, na de oogst, door de officiële instanties voor alle van toegelaten uitgangsmateriaal afgeleid teeltmateriaal een basiscertificaat dient te worden afgegeven;

(21) Overwegende dat het noodzakelijk is te waarborgen dat voor de markt bestemd teeltmateriaal of teeltmateriaal dat op de markt wordt gebracht, niet alleen de vereiste fenotypische en genetische kwaliteit bezit, maar tevens gedurende het gehele productieproces behoorlijk kan worden geïdentificeerd;

(22) Overwegende dat voorts afzonderlijke communautaire kwaliteitsnormen voor houtstekken en poten van populieren moeten worden ingevoerd;

(23) Overwegende dat zaad alleen in de handel mag worden gebracht indien het aan bepaalde kwaliteitsnormen beantwoordt en in gesloten verpakkingen wordt aangeboden;

(24) Overwegende dat de lidstaten in passende controleregelingen dienen te voorzien om te waarborgen dat op het tijdstip van het in de handel brengen aan de eisen inzake fenotypische en genetische kwaliteit, behoorlijke identificatie en uitwendige kwaliteit wordt voldaan;

(25) (26) Overwegende dat teeltmateriaal dat aan deze eisen voldoet, slechts aan die beperkingen voor het in de handel brengen mag worden onderworpen, waarin de communautaire regeling voorziet; dat het de lidstaten in bepaalde omstandigheden dient te worden toegestaan om teeltmateriaal te verbieden dat voor gebruik op hun grondgebied ongeschikt is;

(27) Overwegende dat in perioden waarin er tijdelijke moeilijkheden zijn om met bepaalde soorten aan de beginselen van deze richtlijn beantwoordend teeltmateriaal te worden bevoorraad, tijdelijk onder bepaalde voorwaarden teeltmateriaal dat aan minder strenge eisen voldoet, uit derde landen dient te worden toegelaten;

(28) Overwegende dat teeltmateriaal uit derde landen slechts in de Gemeenschap in de handel mag worden gebracht indien het, wat de toelating van het uitgangsmateriaal ervan en de maatregelen inzake de productie ervan betreft, dezelfde waarborgen als communautair teeltmateriaal biedt;

(29) Overwegende dat met betrekking tot bepaalde boomsoorten een lidstaat, onder bepaalde voorwaarden, geheel of gedeeltelijk van de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn dient te worden vrijgesteld;

(30) Overwegende dat het wenselijk is tijdelijke experimenten in te richten om voor sommige bepalingen van deze richtlijn betere mogelijkheden te zoeken;

(31) Overwegende dat Communautaire controlemaatregelen dienen te worden ingesteld om te waarborgen dat de in deze richtlijn vervatte eisen en voorwaarden in alle lidstaten eenvormig worden toegepast;

(32) Overwegende dat aanpassingen van hoofdzakelijk technische aard van de bijlagen behoren te worden vergemakkelijkt door een snelle procedure;

(33) Overwegende dat aan de Commissie de taak dient te worden toevertrouwd om bepaalde maatregelen voor de toepassing van deze richtlijn vast te stellen; dat, om de tenuitvoerlegging van de voorgestelde maatregel te vergemakkelijken, in een procedure dient te worden voorzien waarbij een nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie tot stand wordt gebracht in het raam van het bij Besluit 66/399/EEG van de Raad (9), ingestelde Permanent comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw

(9) PB 125 van 11.7.1966, blz. 2289/66.

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Deze richtlijn is van toepassing op de productie met het oog op het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal en op het in de handel brengen van dat teeltmateriaal binnen de Gemeenschap.

Artikel 2

Voor de doeleinden van deze richtlijn zijn de volgende definities en/of indelingen van toepassing:

a) onder de term "teeltmateriaal" zijn begrepen:

i) zaadeenheden,

zijnde kegels, vruchtgestellen, vruchten en zaden bestemd voor de productie van plantgoed;

ii) plantendelen,

zijnde houtstekken, blad- en wortelstekken, explantaten of embryo's voor microvermeerdering, knoppen, afleggers, wortels, enten, poten en elk plantendeel dat voor de productie van plantgoed bestemd is;

iii) plantgoed,

zijnde uit zaadeenheden of uit plantendelen geteelde planten en natuurlijke zaailingen;

b) onder bosbouwkundig teeltmateriaal wordt verstaan:

teeltmateriaal van die boomsoorten en van kunstmatige hybriden daarvan die in de gehele Gemeenschap of in een deel daarvan voor de bosbouw van belang zijn en met name die welke in bijlage I zijn opgenomen;

c) onder de term "uitgangsmateriaal" zijn begrepen:

i) zaadbron,

zijnde de bomen in een gebied waar zaad wordt verzameld;

ii) opstand,

zijnde een afgebakende, wat samenstelling betreft voldoende uniforme populatie bomen;

iii) zaadtuin,

zijnde een aanplanting van geselecteerde klonen of families die wordt afgeschermd of beheerd teneinde bestuiving door externe stuifmeelbronnen te voorkomen of te beperken en die wordt beheerd om veelvuldige, overvloedige en gemakkelijke zaadoogsten te verkrijgen;

iv) ouderplanten van een familie,

zijnde bomen die ter verkrijging van nakomelingschap worden gebruikt door gecontroleerde of vrije bestuiving van één geïdentificeerde, als moederplant fungerende ouderplant met het stuifmeel van één ouderplant ("full-sib"- nakomelingschap) respectievelijk van een aantal al dan niet geïdentificeerde ouderplanten ("half-sib"- nakomelingschap);

v) kloon:

zijnde een groep individuen (ramets) die door vegetatieve vermeerdering, bijvoorbeeld door stekken, microvermeerdering, enten, afleggen of delen, van één oorspronkelijke uitgangsplant (ortet) zijn afgeleid;

vi) mengsel van klonen:

zijnde een mengsel van geïdentificeerde klonen in welbepaalde verhoudingen.

d) onder de termen "autochtoon en inheems" zijn begrepen:

i) autochtone opstand of zaadbron,

een opstand of zaadbron waarvan de vernieuwing door continue natuurlijke regeneratie is geschied. De opstand of zaadbron mag eventueel kunstmatig zijn vernieuwd met behulp van teeltmateriaal dat uit dezelfde opstand of zaadbron of uit autochtone opstanden of zaadbronnen in de nabije omgeving werd verkregen;

ii) inheemse opstand of zaadbron:

een autochtone opstand of zaadbron of een opstand of zaadbron die kunstmatig werd geteeld uit zaad waarvan de oorsprong in hetzelfde herkomstgebied gelegen is.

e) onder "oorsprong" wordt verstaan:

voor een autochtone opstand of zaadbron, de plaats waar de bomen groeien. Voor een niet-autochtone opstand of zaadbron, de plaats vanwaaruit de zaden of planten oorspronkelijk werden geïntroduceerd. De oorsprong van een opstand of zaadbron kan onbekend zijn.

f) onder "herkomst" wordt verstaan:

de groeiplaats van een opstand.

g) onder "herkomstgebied" wordt verstaan:

voor een soort of ondersoort, het gebied of de groep gebieden waar voldoende uniforme ecologische omstandigheden heersen en waar opstanden of zaadbronnen met soortgelijke fenotypische of genetische kenmerken worden aangetroffen, een en ander rekening houdend met de hoogtegrenzen;

h) onder "productie" wordt verstaan:

alle stadia van het voortbrengen van de zaadeenheden, de omzetting van de zaadeenheden in zaad en de teelt van plantgoed uit zaden en plantendelen.

i) onder "in de handel brengen" wordt verstaan:

tentoonstellen met het oog op verkoop, te koop aanbieden, verkopen of leveren aan een andere persoon, met inbegrip van levering in het raam van een dienstverleningscontract.

j) onder "officiële instanties" wordt volstaan:

i) elke in een lidstaat gevestigde overheidsinstantie:

op nationaal niveau, of

op regionaal niveau, onder toezicht van nationale autoriteiten en binnen de grenzen van het constitutionele recht van de betrokken lidstaat, of

ii) elke onder de verantwoordelijkheid van een Staat handelende publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon,

mits die autoriteiten of rechtspersonen uit de maatregelen die zij op grond van deze richtlijn nemen, geen financieel voordeel halen.

k) "teeltmateriaal" wordt in de volgende categorieën onderscheiden:

i) "van bekende origine":

zijnde teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal bestaande uit een binnen één herkomstgebied gelegen zaadbron of opstand, en dat aan de eisen van bijlage II voldoet;

ii) "geselecteerd":

zijnde teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal bestaande uit een binnen één enkel herkomstgebied gelegen opstand, dat op populatieniveau aan fenotypische selectie werd onderworpen en dat aan de eisen van bijlage III voldoet;

iii) "gekeurd":

zijnde teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal bestaande uit een zaadtuinen, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen, waarvan de componenten individueel aan fenotypische selectie werden onderworpen en die aan de eisen van bijlage IV voldoen. Een toetsing van het teeltmateriaal behoeft niet noodzakelijk te zijn begonnen of te zijn voltooid;

iv) "getest":

zijnde teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal bestaande uit opstanden, zaadtuinen, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen. De superioriteit van het teeltmateriaal dient te zijn aangetoond door middel van vergelijkende tests of door een kwantitatieve schatting van de superioriteit van het teeltmateriaal berekend op basis van de genetische waardebepaling van de componenten van het uitgangsmateriaal. Het teeltmateriaal dient aan de eisen van bijlage V te voldoen.

Artikel 3

1. De lijst van soorten en kunstmatige hybriden in bijlage I kan worden gewijzigd volgens de procedure van artikel 24.

2. Voorzover aan de in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn onderworpen, kunnen de lidstaten voor wat hun eigen grondgebied betreft dergelijke of minder strenge maatregelen nemen.

3. De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn niet van toepassing op bosbouwkundig teeltmateriaal in de vorm van plantgoed of plantendelen waarvan wordt aangetoond dat deze voor andere doeleinden dan bosbouw bestemd zijn.

In dergelijke gevallen dient het materiaal vergezeld te gaan van een etiket of ander document, overeenkomstig andere communautaire of nationale bepalingen die op dat materiaal voor het beoogde doel van toepassing zijn. Indien die bepalingen ontbreken, dient het materiaal vergezeld te gaan van een etiket waarop de volgende vermelding is aangebracht: "Niet voor bosbouwdoeleinden".

Dat etiket wordt door de officiële instantie verstrekt of wordt onder het gezag van die instantie door de leverancier vervaardigd.

4. De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn niet van toepassing op bosbouwkundig teeltmateriaal waarvan wordt aangetoond dat het voor uitvoer of wederuitvoer naar derde landen bestemd is.

Artikel 4

1. De lidstaten bepalen dat voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat bestemd is om in de handel te worden gebracht, uitsluitend toegelaten uitgangsmateriaal wordt gebruikt.

2. Uitgangsmateriaal mag alleen worden toegelaten:

a) door de officiële instanties, indien het voldoet aan de eisen van, naar gelang van het geval, bijlage II, III, IV of V;

b) door verwijzing naar een zogeheten "toegelaten eenheid". Iedere toegelaten eenheid wordt geïdentificeerd door één enkele vermelding in het register.

3. Na de toelating wordt het uitgangsmateriaal dat voor de productie van teeltmateriaal van de categorieën "geselecteerd", "gekeurd" en "getest" wordt gebruikt, op regelmatige tijdstippen opnieuw onderzocht. Indien niet langer aan de eisen van deze richtlijn wordt voldaan, wordt de toelating ingetrokken.

4. De lidstaten mogen voor een periode van ten hoogste tien jaar op hun gehele grondgebied of op een gedeelte daarvan uitgangsmateriaal voor de productie van getest teeltmateriaal toelaten indien op basis van de voorlopige resultaten van de in bijlage V bedoelde genetische waardebepaling of vergelijkende tests mag worden verondersteld dat dat uitgangsmateriaal, wanneer de tests zullen zijn voltooid, aan de toelatingseisen volgens deze richtlijn zal voldoen.

Artikel 5

1. Indien het in artikel 4, lid 1, bedoelde uitgangsmateriaal uit een genetisch gemodificeerd organisme in de zin van artikel 2, punten 1 en 2, van Richtlijn 90/220/EEG bestaat, kan het alleen worden aanvaard indien het veilig is voor de menselijke gezondheid en voor het milieu.

2. In het geval van genetisch gemodificeerd uitgangsmateriaal als bedoeld in lid 1,

a) wordt een gelijkwaardige milieurisicobeoordeling uitgevoerd als die welke is voorgeschreven bij Richtlijn 90/220/EEG;

b) worden de procedures die waarborgen dat de milieurisicobeoordeling en de andere relevante elementen gelijkwaardig zijn aan die welke zijn voorgeschreven bij Richtlijn 90/220/EEG, op voorstel van de Commissie ingevoerd bij een op een passende rechtsgrondslag van het Verdrag berustende verordening van de Raad. Totdat die verordening in werking treedt, wordt genetisch gemodificeerd uitgangsmateriaal slechts aanvaard om in het in artikel 10 van deze richtlijn genoemde nationaal register te worden opgenomen, nadat overeenkomstig Richtlijn 90/220/EEG voor dat materiaal toestemming is gegeven;

c) zijn de artikelen 11 tot en met 18 van Richtlijn 90/220/EEG niet meer van toepassing op genetisch gemodificeerd uitgangsmateriaal waarvoor in overeenstemming met de onder b) bedoelde verordening toestemming is gegeven;

d) worden de nadere technische en wetenschappelijke bijzonderheden van de uitvoering van de milieurisicobeoordeling overeenkomstig de procedure van artikel 24 vastgesteld.

Artikel 6

1. De lidstaten bepalen op de wijze beschreven in de punten a) tot en met d) dat van toegelaten uitgangsmateriaal afgeleid bosbouwkundig teeltmateriaal:

a) van de in bijlage I genoemde soorten niet in de handel mag worden gebracht tenzij het tot de categorieën "van bekende origine", "geselecteerd", "gekeurd" of "getest" behoort en voldoet aan de eisen van, respectievelijk, bijlage II, III, IV of V;

b) van de in bijlage I genoemde kunstmatige hybriden niet in de handel mag worden gebracht tenzij het tot de categorieën "geselecteerd", "gekeurd" of "getest" behoort en voldoet aan de eisen van, respectievelijk, bijlage III, IV of V;

c) van de in bijlage I genoemde soorten en kunstmatige hybriden die vegetatief worden vermeerderd, niet in de handel mag worden gebracht tenzij het tot de categorieën "geselecteerd", "gekeurd" of "getest" behoort en voldoet aan de eisen van, respectievelijk, bijlage III, IV of V. Teeltmateriaal van de categorie "geselecteerd" mag slechts in de handel worden gebracht indien het massaal uit zaad is geteeld;

d) van de in bijlage I genoemde soorten en kunstmatige hybriden dat geheel of gedeeltelijk uit genetisch gemodificeerde organismen bestaat, slechts in de handel mag worden gebracht als het tot de categorie "getest" behoort.

2. De categorieën waarin teeltmateriaal, verkregen uit de diverse type uitgangsmateriaal, in de handel mag worden gebracht, zijn die van de tabel in bijlage VI.

3. Partijen vruchten en zaden van de in bijlage I genoemde soorten worden niet in de handel gebracht tenzij zij aan de eisen van bijlage VII, deel A, voldoen;

Plantendelen van de in bijlage I genoemde soorten en kunstmatige hybriden worden niet in de handel gebracht tenzij zij aan de eisen van bijlage VII, deel B, voldoen. Voor Populus spp. moet aan de aanvullende eisen van bijlage VII, deel C, worden voldaan;

Plantgoed wordt niet in de handel gebracht tenzij het aan de eisen van bijlage VII, deel D, voldoet;

Plantendelen en plantgoed mogen niet in de handel worden gebracht tenzij deze voldoen aan de eisen van vigerende gangbare internationale normen wanneer die normen eerst door het in artikel 24 bedoelde Comité zijn goedgekeurd.

4. Ongeacht het bepaalde in lid 1 mogen de lidstaten de producenten op hun grondgebied toestemming verlenen voor het in de handel brengen van kleine hoeveelheden:

a) teeltmateriaal bestemd voor tests, wetenschappelijke doeleinden, veredelingsactiviteiten of voor de instandhouding van genetisch materiaal, alsmede

b) zaad waarvan duidelijk wordt aangetoond dat het niet voor bosbouwdoeleinden bestemd is.

5. De voorwaarden waaronder de lidstaten de in lid 4 bedoelde toestemming mogen verlenen, kunnen volgens de procedure van artikel 24 worden vastgesteld.

6. Onverminderd het bepaalde in lid 1 kunnen de lidstaten het in de handel brengen van teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal dat niet aan alle in lid 1 genoemde eisen voor de geëigende categorie voldoet, toestaan onder voorwaarden die volgens de procedure van artikel 24 dienen te worden vastgesteld.

Artikel 7

De lidstaten mogen, wat de in de bijlagen II tot en met V en VII vervatte voorwaarden betreft, voor de toelating van uitgangsmateriaal en voor de productie van teeltmateriaal op hun eigen grondgebied aanvullende of strengere eisen stellen.

Artikel 8

De lidstaten mogen de toelating, op hun grondgebied, van voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal bestemd uitgangsmateriaal beperken tot dat van andere categorieën dan "van bekende origine".

Artikel 9

1. In het geval van uitgangsmateriaal dat voor de productie van teeltmateriaal van de categorieën "van bekende origine" en "geselecteerd" is bestemd, worden door de lidstaten voor de relevante soorten de herkomstgebieden, afgebakend.

2. De lidstaten stellen kaarten op die zij publiceren, waarop de afbakening van de herkomstgebieden is aangegeven. De kaarten worden de Commissie en de andere lidstaten toegezonden.

Artikel 10

1. Elke lidstaat stelt een nationaal register op van het uitgangsmateriaal van de diverse soorten dat op zijn grondgebied is toegelaten. In het nationaal register moeten, naast de ene vermelding in het register, uitvoerige gegevens betreffende iedere toegelaten eenheid worden opgenomen.

2. Door iedere lidstaat dient een samenvatting van het nationale register in de vorm van een nationale lijst te worden opgesteld en op verzoek ter beschikking van de Commissie en de andere lidstaten te worden gesteld. De nationale lijst moet worden opgesteld volgens een gemeenschappelijk model, waarbij voor iedere toegelaten eenheid de volgende gegevens worden verstrekt:

a) de botanische naam;

b) de categorie;

c) de specifieke beoogde toepassing (indien verschillend van bosbouw in het algemeen);

d) het type uitgangsmateriaal;

e) de vermelding in het register of, in voorkomend geval, de samenvatting dan wel de individuele code van het herkomstgebied;

f) de ligging: in voorkomend geval een bondige aanduiding, alsmede de volgende bijzonderheden:

i) voor de categorie "van bekende origine":

het herkomstgebied en de geografisch lengte- en breedte-interval,

ii) voor de categorie "geselecteerd":

het herkomstgebied en de geografische ligging ervan, als bepaald door de lengte- en breedtecoördinaat of door de lengte- en breedte-interval,

iii) voor de categorie "gekeurd":

de exacte geografische ligging van de plaats(en) waar het uitgangsmateriaal wordt gehouden,

iv) voor de categorie "getest":

de exacte geografische ligging van de plaats(en) waar het uitgangsmateriaal wordt gehouden;

g) de hoogteligging of hoogte-interval;

h) de oppervlakte: omvang van de zaadbron(nen), opstand(en) of zaadtuin(en);

i) de oorsprong; aangegeven moet worden of het uitgangsmateriaal al dan niet autochtoon/inheems is, dan wel of de oorsprong ervan onbekend is. Voor niet-autochtoon/niet-inheems uitgangsmateriaal moet, indien bekend, de oorsprong worden aangegeven;

j) voor de categorie "getest":

of het genetisch gemodificeerd materiaal is.

3. De vorm waarin die nationale lijsten worden opgesteld, kan volgens de procedure van artikel 24 worden vastgesteld.

Artikel 11

1. Op basis van een samenvatting van door de lidstaten verstrekte nationale lijst kan de Commissie een lijst publiceren, met als titel: "Communautaire lijst van toegelaten uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal".

2. De communautaire lijst bevat de in artikel 10, lid 2, bedoelde bijzonderheden uit de nationale lijsten en geeft het gebruiksgebied aan en eventuele, krachtens artikel 17, lid 2, en artikel 8 verleende machtigingen.

3. De vorm waarin de lidstaten de samenvatting van de bijzonderheden uit hun nationale lijst indienen, kan volgens de procedure van artikel 24 worden vastgesteld.

Artikel 12

1. Voor alle van toegelaten uitgangsmateriaal afgeleid teeltmateriaal wordt, door de officiële instanties na de oogst een basiscertificaat afgegeven waarop de ene vermelding in het register is opgenomen en dat de in bijlage VIII vermelde relevante gegevens bevat.

2. Wanneer een lidstaat overeenkomstig artikel 13, lid 2, verdere vegetatieve vermeerdering toestaat, wordt een nieuw basiscertificaat afgegeven.

3. Wanneer overeenkomstig artikel 13, lid 3, punten a), b), c) of e), menging gebeurt, dragen de lidstaten ervoor zorg dat de vermeldingen in het register van de componenten van het mengsel identificeerbaar blijven, en wordt voor het mengsel een nieuw basiscertificaat of een ander document ter identificatie van het mengsel afgegeven.

Artikel 13

1. Teeltmateriaal wordt in alle stadia van de productie gescheiden wordt gehouden naar individuele toegelaten eenheden. Iedere partij teeltmateriaal wordt geïdentificeerd aan de hand van:

a) de botanische naam;

b) de categorie;

c) de specifieke beoogde toepassing (indien verschillend van bosbouw in het algemeen);

d) het type uitgangsmateriaal;

e) de vermelding in het register of de individuele code van het herkomstgebied;

f) het herkomstgebied voor teeltmateriaal van de categorieën "van bekende origine" en "geselecteerd" en, indien passend, voor ander teeltmateriaal;

g) de vermelding of de oorsprong van het materiaal hetzij autochtoon/inheems hetzij niet-autochtoon/niet-inheems is, dan wel of de oorsprong ervan onbekend is;

h) in het geval van zaadeenheden, het rijpingsjaar;

i) de leeftijd en het type van het uit zaailingen of stekken bestaande plantgoed en de vermelding of het afgepende of verspeende exemplaren betreft;

j) de vermelding of het al dan niet genetisch gemodificeerd materiaal is.

2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 en in artikel 6, lid 1, punt c), mogen de lidstaten in verdere vegetatieve vermeerdering van één enkele toegelaten eenheid in de categorieën "geselecteerd", "gekeurd" en "getest" voorzien. In dergelijke gevallen wordt het materiaal gescheiden gehouden en als zodanig geïdentificeerd.

3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 mogen de lidstaten bepalen dat:

a) binnen één enkel herkomstgebied menging van teeltmateriaal dat is afgeleid van twee of meer tot de categorie "van bekende origine", respectievelijk "geselecteerd" behorende toegelaten eenheden, is toegestaan;

b) wanneer binnen één enkel herkomstgebied menging gebeurt van teeltmateriaal dat verkregen is uit zaadbronnen en opstanden van de categorie "van bekende origine", de nieuwe gecombineerde partij als "teeltmateriaal afgeleid van een zaadbron" wordt gecertificeerd;

c) wanneer menging gebeurt van teeltmateriaal dat van niet-autochtoon of van niet-inheems uitgangsmateriaal is afgeleid, met teeltmateriaal dat uit uitgangsmateriaal van onbekende oorsprong is verkregen, de nieuwe gecombineerde partij als "van onbekende oorsprong" wordt gecertificeerd;

d) wanneer menging gebeurt overeenkomstig het bepaalde in de punten a), b) of c), de individuele code van het herkomstgebied mag worden gebruikt in plaats van de in lid 1, punt e), bedoelde vermelding in het register;

e) menging van teeltmateriaal dat in verschillende rijpingsjaren van één enkele toegelaten eenheid is afgeleid, is toegestaan;

f) wanneer menging gebeurt overeenkomstig het bepaalde in punt e), de werkelijke rijpingsjaren alsmede het relatieve aandeel van het materiaal van de respectieve rijpingsjaren moeten worden geregistreerd.

Artikel 14

1. Teeltmateriaal mag slechts in de handel worden gebracht in partijen die aan het bepaalde in artikel 13 voldoen en die vergezeld gaan van een etiket waarop of van een ander document van de leverancier ("het etiket of document van de leverancier") waarin naast de in artikel 13 vereiste gegevens de volgende gegevens worden verstrekt:

a) het (de) nummer(s) van het (de) overeenkomstig artikel 12 afgegeven basiscertifica(a)t(en) of een verwijzing naar het in artikel 12, lid 3, bedoelde andere document;

b) de naam van de leverancier;

c) de geleverde hoeveelheid;

d) in het geval van teeltmateriaal van de categorie "getest" waarvan het uitgangsmateriaal krachtens artikel 4, lid 4, werd toegelaten, de woorden: "voorlopig toegelaten";

e) de vermelding van de al dan niet vegetatieve vermeerdering van het materiaal.

2. In het geval van zaden dient het in lid 1 bedoelde etiket of document eveneens de volgende aanvullende gegevens te bevatten, die, voor zover mogelijk, door toepassing van internationaal aanvaarde beoordelingstechnieken moeten zijn verkregen:

a) de zuiverheid: het gewichtspercentage zuiver zaad, ander zaad en inert materiaal in het als een partij zaad in de handel gebrachte product;

b) het kiempercentage van het zuivere zaad of, indien het kiempercentage niet of niet gemakkelijk te bepalen is, het aan de hand van een nader gespecificeerde methode bepaalde percentage levensvatbare zaden;

c) het duizendkorrelgewicht van het zuivere zaad;

d) het vochtgehalte;

e) het aantal kiemkrachtige zaden per kilogram als zaad in de handel gebracht product, of, indien het aantal kiemkrachtige zaden niet of niet gemakkelijk kan worden bepaald, het aantal levensvatbare zaden per kilogram.

3. In het geval van Populus spp. mogen plantendelen slechts in de handel worden gebracht indien op het etiket of in het document van de leverancier het EG-classificatienummer overeenkomstig bijlage VII, deel C, punt 2, b), wordt vermeld.

4. Indien voor enige categorie teeltmateriaal een gekleurd etiket of document wordt gebruikt, dient de kleur van het etiket of van het document van de leverancier geel te zijn in het geval van teeltmateriaal van bekende origine, groen in het geval van geselecteerd teeltmateriaal, roze in het geval van gekeurd teeltmateriaal en blauw in het geval van getest teeltmateriaal.

5. In het geval van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal dat uit genetisch gemodificeerde organismen bestaat, dienen op grond van deze richtlijn alle officiële en andere labels en documenten die aan de partij zijn bevestigd of die deze vergezellen, duidelijk te vermelden dat het teeltmateriaal uit genetisch gemodificeerde organismen bestaat.

Artikel 15

Zaadeenheden mogen uitsluitend in gesloten verpakkingen in de handel worden gebracht. Het sluitingsmechanisme moet zodanig zijn dat het bij het openen van de verpakking onbruikbaar wordt.

Artikel 16

1. Door middel van een door hen ingesteld of erkend officieel controlesysteem dragen de lidstaten ervoor zorg dat het van de individuele toegelaten eenheden afgeleide teeltmateriaal duidelijk identificeerbaar blijft gedurende het gehele proces van oogst tot aflevering aan de eindgebruiker. De lidstaten nemen alle maatregelen om voor de naleving van de bepalingen van deze richtlijn zorg te dragen, en voorzien daarbij ten minste in officiële controle aan de hand van steekproeven.

2. De lidstaten dragen ervoor zorg dat hun respectieve officiële instanties elkaar administratieve bijstand verlenen ter verkrijging van passende informatie om de goede werking van deze richtlijn te waarborgen, met name wanneer teeltmateriaal van de ene lidstaat naar de andere wordt overgebracht.

Artikel 17

1. De lidstaten dragen ervoor zorg dat teeltmateriaal van alle categorieën dat overeenkomstig deze richtlijn in de handel wordt gebracht, daarbij aan geen andere beperkingen ten aanzien van zijn kenmerken, eisen inzake onderzoek en inspectie, etikettering en sluiting van de verpakking wordt onderworpen dan die waarin deze richtlijn voorziet.

2. Op zijn verzoek kan een lidstaat, overeenkomstig de procedure van artikel 24 worden gemachtigd op zijn gehele grondgebied of op een deel daarvan het gebruik van teeltmateriaal te verbieden.

Deze machtiging wordt slechts verleend wanneer op grond van bewijsgegevens die betrekking hebben op het gebied van herkomst van het materiaal, of op grond van resultaten van officiële proeven die op geëigende plaatsen in de Gemeenschap of daarbuiten zijn uitgevoerd, te vrezen valt dat het gebruik van het bedoelde teeltmateriaal, wegens de fenotypische of genetische kenmerken ervan, een ongunstig effect zal hebben op de bosbouw of op de genetische hulpbronnen in die lidstaat of in een deel van die lidstaat.

3. Nadere uitvoeringsbepalingen met betrekking tot lid 2 kunnen overeenkomstig de procedure van artikel 24 worden vastgesteld.

4. Onverminderd het bepaalde in lid 1, mogen lidstaten die, wat bosbouwkundig teeltmateriaal van de categorie "van bekende origine" betreft, artikel 8 ten uitvoer hebben gelegd, het gebruik van dergelijk materiaal verbieden.

Artikel 18

1. Teneinde tijdelijke moeilijkheden op te heffen die zich bij de algemene voorziening van de eindgebruiker met teeltmateriaal dat aan de eisen van deze richtlijn voldoet, in één of meer lidstaten voordoen en die niet binnen de Gemeenschap kunnen worden overwonnen, verleent de Commissie, op verzoek van ten minste één betrokken lidstaat overeenkomstig de procedure van artikel 24 aan één of meer lidstaten machtiging om voor een door haar vast te stellen tijdvak teeltmateriaal van één of meer soorten dat aan minder stringente eisen voldoet, tot de handel toe te laten.

In dit geval vermelden de krachtens artikel 14 lid 1 vereiste etiketten of documenten van de leverancier dat het betrokken materiaal aan minder stringente eisen voldoet.

2. Nadere uitvoeringsbepalingen met betrekking tot lid 1 kunnen overeenkomstig de procedure van artikel 24 worden vastgesteld.

Artikel 19

1. Op voorstel van de Commissie stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vast of het teeltmateriaal dat in een derde land wordt geproduceerd, wat de toelating van het uitgangsmateriaal en de met betrekking tot de productie genomen maatregelen betreft dezelfde waarborgen biedt als teeltmateriaal dat in de Gemeenschap wordt geproduceerd en aan de bepalingen van deze richtlijn voldoet.

2.. Naast hetgeen in lid 1 is genoemd, bepaalt de Raad ook de soorten, de types uitgangsmateriaal en de categorieën teeltmateriaal, samen met het herkomstgebied vanwaaruit het komt, waarvoor het in de Gemeenschap in de handel brengen uit hoofde van lid 1 mag worden toegestaan.

3. In afwachting van de in lid 1 bedoelde vaststelling mag geen bosbouwkundig teeltmateriaal uit derde landen worden ingevoerd, tenzij de invoerende leverancier vóór de invoer ervoor zorgt dat het in te voeren materiaal garanties biedt die in alle opzichten gelijkwaardig zijn aan die van het in de Gemeenschap in overeenstemming met deze richtlijn geproduceerde bosbouwkundige teeltmateriaal.

4. De invoerder moet de verantwoordelijke officiële instanties ervan in kennis stellen dat overeenkomstig lid 3 materiaal is ingevoerd en moet de schriftelijke bewijsstukken van zijn overeenkomst met de leverancier in het derde land bewaren.

Artikel 20

Op verzoek van een lidstaat kan de Commissie handelende overeenkomstig de procedure van artikel 24 die lidstaat van het bepaalde in deze richtlijn met betrekking tot bepaalde boomsoorten die in die lidstaat niet van belang zijn voor bosbouwdoeleinden, geheel of gedeeltelijk vrijstellen, behalve wanneer zulks in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 17, lid 1.

Artikel 21

Met het oog op het zoeken naar betere andere oplossingen voor een aantal bepalingen van deze richtlijn, kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 24 worden besloten op Gemeenschapsniveau en onder welbepaalde voorwaarden tijdelijke experimenten uit te voeren.

De duur van een experiment mag niet meer dan zeven jaar zijn.

In het kader van dergelijke experimenten kunnen de lidstaten van bepaalde verplichtingen krachtens deze richtlijn worden vrijgesteld. De draagwijdte van die vrijstelling wordt vastgesteld met verwijzing naar de bepalingen waarvoor zij geldt.

Artikel 22

1. De lidstaten treffen passende regelingen om ervoor te zorgen dat tijdens het in de handel verkeren van bosbouwkundig teeltmateriaal dat materiaal aan officiële controles, althans steekproefsgewijs, wordt onderworpen om na te gaan of het teeltmateriaal aan de eisen van deze richtlijn voldoet.

2. Deskundigen van de Commissie kunnen in samenwerking met de officiële instanties van de lidstaten controles ter plaatste uitvoeren inzoverre zulks nodig is om de eenvormige toepassing van deze richtlijn te waarborgen. Zij kunnen met name nagaan of het bosbouwkundig teeltmateriaal aan de eisen van deze richtlijn voldoet. Een lidstaat op het grondgebied waarvan een controle wordt uitgevoerd, verleent de deskundigen de nodige medewerking bij de uitvoering van hun taken. De Commissie stelt de lidstaten van de resultaten van het onderzoek in kennis.

Artikel 23

De eventueel in verband met de ontwikkeling van de wetenschappelijke of technische kennis in de bijlagen aan te brengen wijzigingen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24.

Artikel 24

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 66/399/EEG ingestelde Permanent comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw, hierna "het comité" genoemd.

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies dat het comité heeft uitgebracht, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval kan de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten voor ten hoogste één maand na deze kennisgeving uitstellen.

De Raad kan binnen de in de derde alinea genoemde termijn met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

2. Op verzoek van de voorzitter of van één van de lidstaten kan het comité alle aangelegenheden onderzoeken die voor het toepassingsgebied van deze richtlijn relevant zijn.

Artikel 25

1. Gedurende een overgangsperiode van ten hoogste tien jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2000, mogen de lidstaten met het oog op de toelating van uitgangsmateriaal voor de productie van getest teeltmateriaal waarop Richtlijn 66/404/EEG niet eerder van toepassing was, de resultaten gebruiken van vergelijkende tests die niet aan de eisen van bijlage V beantwoorden.

Deze tests moeten vóór 1 januari 2000 zijn begonnen en moeten hebben aangetoond dat het van het uitgangsmateriaal afgeleide teeltmateriaal superieure eigenschappen bezit.

2. Gedurende een overgangsperiode van ten hoogste tien jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2000, mogen de lidstaten met het oog op de toelating van uitgangsmateriaal voor de productie van getest teeltmateriaal van alle onder deze richtlijn vallende soorten en kunstmatige hybriden, de resultaten gebruiken van tests ter bepaling van de genetische waarde die niet aan de eisen van bijlage V beantwoorden.

Deze tests moeten vóór 1 januari 2000 zijn begonnen en moeten hebben aangetoond dat het van het uitgangsmateriaal afgeleide teeltmateriaal superieure eigenschappen bezit.

3. In het geval van nieuwe soorten en kunstmatige hybriden die naderhand aan bijlage I kunnen worden toegevoegd, wordt de datum "1 januari 2000" in de leden 1 en 2 vervangen door een overeenkomstig de procedure van artikel 24 vast te stellen datum.

4. De lidstaten kunnen overeenkomstig de procedure van artikel 24 worden gemachtigd om de resultaten van vergelijkende tests en tests ter bepaling van de genetische waarde nog na afloop van de overgangsperiode te gebruiken.

Artikel 26

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 2000 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 27

Richtlijn 66/404/EEG en Richtlijn 71/161/EEG, alsmede de besluiten waarbij die richtlijnen zijn gewijzigd, worden hierbij ingetrokken per 1 januari 2000.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen worden geacht naar deze richtlijn te verwijzen en worden gelezen overeenkomstig de concordantietabel van bijlage IX.

Artikel 28

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 29

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, op

Voor de Raad

De Voorzitter

BIJLAGE I

De richtlijn heeft betrekking op teeltmateriaal van de volgende soorten en kunstmatige hybriden:

Abies alba Mill. (A. pectinata D.C.)

Abies cephalonica Loud.

Abies grandis Lindl.

Abies pinsapo Boiss.

Acer pseudoplatanus L.

Alnus glutinosa Gaertn.

Alnus incana Moench.

Betula pendula Roth (B. verrucosa Ehrh.)

Betula pubescens Ehrh.

Castanea sativa Mill.

Cedrus atlantica Carr.

Cedrus libani A. Richard

Eucalyptus globulus Labill.

Fagus sylvatica L.

Fraxinus angustifolia Vahl.

Fraxinus excelsior L.

Larix decidua Mill.

Larix x eurolepis Henry

Larix kaempferi Carr. (Larix leptolepis Sieb. et Zucc.)

Larix sibirica Ledeb.

Picea abies Karst. (Picea excelsa Link.)

Picea sitchensis Carr.

Pinus brutia (P. halepensis var. brutia Henry)

Pinus canariensis C. Smith

Pinus cembra L.

Pinus contorta Loud.

Pinus halepensis Mill.

Pinus nigra Arnold

Pinus pinaster Ait.

Pinus pinea L.

Pinus radiata D. Don

Pinus sylvestris L.

Pinus strobus L.

Populus alba L.

Populus nigra L.

Populus tremula L.

Populus trichocarpa Torrey et A. Gray ex Hook.

Populus tremula x Populus tremuloides

Populus x canescens Smith (P. alba x P. tremula)

Populus x euramericana (Dode) Guinier (P. deltoides x P. nigra)

Populus x interamericana Van Broekhuizen (P. x generosa Henry) (P. trichocarpa x P. deltoides)

Prunus avium L.

Pseudotsuga menziesii Franco (P. douglasii Carr., P. taxifolia Poir.)

Quercus cerris L.

Quercus ilex L.

Quercus petraea Liebl. (Q. sessiliflora Salisb.)

Quercus pubescens Willd.

Quercus robur L. (Q. pedunculata Ehrh.)

Quercus rubra L. (Q. borealis Michx.)

Quercus suber L.

Robinia pseudoacacia L.

Tilia cordata Mill. (T. parvifolia Ehrh.)

BIJLAGE II

MINIMUMEISEN VOOR DE TOELATING VAN UITGANGSMATERIAAL BESTEMD VOOR DE PRODUCTIE VAN ALS "VAN BEKENDE ORIGINE" TE CERTIFICEREN TEELMATERIAAL

1. Het uitgangsmateriaal dient een binnen één herkomstgebied gelegen zaadbron of opstand te zijn. De lidstaat kan voor elk geval afzonderlijk bepalen of een formele inspectie is vereist, met dien verstande dat een formele inspectie moet worden uitgevoerd indien het materiaal voor een specifieke bosbouwtoepassing is bestemd.

2. De zaadbron of opstand moet beantwoorden aan de door de lidstaat vastgestelde criteria.

3. - Het herkomstgebied alsmede de geografische ligging en de hoogteligging of het hoogte-interval van de plaats(en) waar het teeltmateriaal wordt geoogst, moeten worden aangegeven.

Aangegeven moet worden of het uitgangsmateriaal:

a) autochtoon, niet-autochtoon of van onbekende oorsprong is, en

b) inheems, niet-inheems of van onbekende oorsprong is.

In het geval van niet-autochtoon of niet-inheems uitgangsmateriaal moet de oorsprong, voorzover bekend, worden aangegeven.

BIJLAGE III

MINIMUMEISEN VOOR DE TOELATING VAN UITGANGSMATERIAAL BESTEMD VOOR DE PRODUCTIE VAN ALS "GESELECTEERD" TE CERTIFICEREN TEELTMATERIAAL

1. Oorsprong: Aan de hand van historische gegevens of op een andere passende wijze moet worden bepaald of de opstand al dan niet autochtoon, al dan niet inheems of van onbekende oorsprong is; voor niet-autochtoon/niet-inheems uitgangsmateriaal moet de oorsprong, voor zover bekend, worden aangegeven.

2. Afzondering: De opstanden moeten voldoende ver verwijderd zijn van minderwaardige opstanden van dezelfde soort en van opstanden van verwante soorten en variëteiten waarmee de betrokken soort kan hybridiseren. Aan deze eis moet bijzondere aandacht worden besteed wanneer autochtone/inheemse opstanden door niet-autochtone of niet-inheemse opstanden of door opstanden van onbekende oorsprong worden omringd.

3. Effectieve populatieomvang: De opstanden moeten bestaan uit één of meer groepen bomen die goed verspreid en voldoende talrijk zijn om adequate kruisbestuiving te garanderen. Om de ongunstige effecten van inteelt te vermijden, moeten de geselecteerde opstanden een voldoende aantal voldoende dicht bij elkaar staande bomen omvatten.

4. Leeftijd en ontwikkelingsstadium: De opstanden moeten bestaan uit bomen die een zodanige leeftijd, hoogte en ontwikkelingsstadium hebben bereikt dat een duidelijke beoordeling in het licht van de te hanteren selectiecriteria mogelijk is.

5. Homogeniteit: De opstanden moeten een normale mate van individuele morfologische variatie vertonen. Indien nodig moeten minderwaardige bomen worden verwijderd.

6. Aangepastheid: De bomen moeten klaarblijkelijk aan de in het herkomstgebied heersende ecologische omstandigheden aangepast zijn.

7. Gezondheid en weerstandsvermogen: De bomen in de opstanden mogen in het algemeen niet door schadelijke organismen zijn aangetast, en moeten bestand zijn tegen de ongunstige klimaat- en omgevingsfactoren van de standplaats.

8. Houtmassaproductie: Voor de toelating van geselecteerde opstanden moet de houtmassaproductie ervan normaliter hoger zijn dan het algemeen aanvaarde gemiddelde in vergelijkbare ecologische omstandigheden.

9. Houtkwaliteit: De kwaliteit van het hout moet in ieder geval in aanmerking worden genomen en kan, in sommige gevallen, het criterium bij uitstek zijn.

10. Groeivorm of habitus: De bomen in de opstanden dienen bijzonder gunstige morfologische kenmerken te vertonen, met name rechtheid en rolrondheid van de stam, een gunstig vertakkingspatroon, fijnheid van de takken en een goede natuurlijke takafstoting. Voorts moet het percentage gevorkte bomen en bomen met draaigroei gering zijn.

11. Specifieke bosbouwtoepassingen: De opstanden moeten worden beoordeeld in het licht van de aangegeven specifieke toepassing waarvoor het teeltmateriaal bestemd is; daarbij moet, rekening houdend met die specifieke toepassing, passend belang worden gehecht aan de onder 1 tot en met 10 omschreven eisen. De selectiecriteria worden door de lidstaat vastgesteld en de specifieke toepassing wordt in het nationaal register vermeld.

BIJLAGE IV

MINIMUMEISEN VOOR DE TOELATING VAN UITGANGSMATERIAAL BESTEMD VOOR DE PRODUCTIE VAN ALS "GEKEURD" TE CERTIFICEREN TEELTMATERIAAL

1. Zaadtuinen

a) Type, doel, kruisingsschema en inrichting van de percelen, componenten, mate van afzondering en locatie, alsmede alle wijzigingen daarvan, moeten door de officiële instantie worden goedgekeurd en in een register worden opgenomen;

b) De klonen of families die deel uitmaken van een zaadtuin? worden geselecteerd om hun voortreffelijke eigenschappen; bijzondere aandacht wordt geschonken aan de in de punten 4, 6, 7, 8, 9, 10 en, in voorkomend geval, 11 van bijlage III omschreven eisen;

c) De klonen of families die deel uitmaken van een zaadtuin, worden aangeplant volgens een schema dat door de officiële instantie is goedgekeurd en zodanig is opgezet dat iedere component identificeerbaar is;

d) De in de zaadtuinen uitgevoerde dunningen worden beschreven; die beschrijvingen worden, met de daarbij toegepaste selectiecriteria, door de officiële instantie in een register opgenomen;

e) De zaadtuinen worden op zodanige wijze beheerd, en het zaad op zodanige wijze geoogst, dat de doelstellingen van de zaadtuinen worden behaald. Indien een zaadtuin bestemd is voor de productie van een kunstmatige hybride, moet het percentage hybride exemplaren in het teeltmateriaal aan de hand van een verificatietest worden bepaald.

2. Ouderplanten van families

a) De ouderplanten worden geselecteerd om hun voortreffelijke eigenschappen, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan de in de punten 4, 6, 7, 8, 9, 10 en, in voorkomend geval, 11 van bijlage III omschreven eisen, dan wel geselecteerd om hun combineerbaarheid;

b) Doel, kruisingsschema en bestuivingssysteem, componenten, mate van afzondering en locatie, alsmede alle significante wijzigingen daarvan, moeten door de officiële instantie worden goedgekeurd en in een register worden opgenomen;

c) De identiteit van de ouderplanten alsmede de absolute en relatieve aantallen daarvan in een mengsel moeten door de officiële instantie worden goedgekeurd en in een register worden opgenomen;

d) Indien de ouderplanten bestemd zijn voor de productie van een kunstmatige hybride, moet het percentage hybride exemplaren in het teeltmateriaal aan de hand van een verificatietest worden bepaald.

3. Klonen

a) Klonen dienen identificeerbaar te zijn aan de hand van onderscheidende kenmerken die door de officiële instantie zijn goedgekeurd en in een register zijn opgenomen;

b) De waarde van de individuele klonen wordt bepaald op basis van eerder opgedane ervaring of wordt aangetoond aan de hand van experimenteel onderzoek van voldoende lange duur;

c) De voor de productie van de klonen gebruikte ortets worden geselecteerd om hun voortreffelijke eigenschappen; er wordt bijzondere aandacht geschonken aan de in de punten 4, 6, 7, 8, 9, 10 en, in voorkomend geval, 11 van bijlage III omschreven eisen;

d) De toelating wordt door de lidstaten beperkt tot een maximum aantal jaren of een maximum aantal geproduceerde ramets.

4. Mengsels van klonen

a) Mengsels van klonen dienen te voldoen aan de in bovenstaand punt 3, onder a), b), en c), omschreven eisen;

b) De identiteit van de klonen die deel uitmaken van een mengsel, het aantal klonen en het relatieve aandeel daarvan in een mengsel, alsmede de selectiemethode en het basismateriaal moeten door de officiële instantie worden goedgekeurd en in een register worden opgenomen. De genetische diversiteit van ieder mengsel dient toereikend te zijn;

c) De toelating wordt door de lidstaten beperkt tot een maximum aantal jaren of een maximum aantal geproduceerde ramets.

BIJLAGE V

MINIMUMEISEN VOOR DE TOELATING VAN UITGANGSMATERIAAL BESTEMD VOOR DE PRODUCTIE VAN ALS "GETEST" TE CERTIFICEREN TEELTMATERIAAL

1. EISEN DIE VOOR ALLE TESTS GELDEN

a) Algemene opmerkingen

Het uitgangsmateriaal moet voldoen aan de desbetreffende eisen van bijlage III of bijlage IV.

De tests met het oog op de toelating van uitgangsmateriaal moeten worden voorbereid, opgezet en uitgevoerd, en de resultaten ervan geïnterpreteerd, overeenkomstig internationaal aanvaarde procedures. Bij vergelijkende tests moet het geteste teeltmateriaal met één of bij voorkeur verscheidene toegelaten uitgangsmaterialen c.q. vooraf uitgezochte standaarden worden vergeleken.

b) Te onderzoeken eigenschappen

i) De tests moeten worden opgezet met het oog op de evaluatie van specifieke eigenschappen; die eigenschappen moeten voor iedere test worden aangegeven;

ii) Er moet in passende mate belang worden gehecht aan aanpassing, groei en aan de rol van belangrijke biotische en abiotische factoren. Bovendien moeten andere eigenschappen die met het oog op de beoogde specifieke toepassing van belang worden geacht, worden geëvalueerd in het licht van de ecologische omstandigheden die heersen in het gebied waar de test wordt uitgevoerd.

c) Documentatie

Een beschrijving van de testlocaties, met inbegrip van de ligging, het klimaat, de bodemgesteldheid, het gebruik dat daarvan voorheen is gemaakt, de inrichting en het beheer alsmede eventuele schade als gevolg van abiotische/biotische factoren, moet worden opgenomen in een register dat ter beschikking van de officiële instantie wordt gesteld. De gegevens betreffende de leeftijd van het materiaal en de op het moment van de evaluatie verkregen resultaten moeten bij de officiële instantie worden neergelegd.

d) Opzet van de tests

i) Voor zover het type plantenmateriaal zulks toelaat, moet ieder monster van het teeltmateriaal op identieke wijze worden opgekweekt, geplant en verzorgd;

ii) Ieder experiment moet volgens een geldig statistisch schema worden opgezet met een voldoende aantal bomen om de individuele eigenschappen van iedere onderzochte component te kunnen evalueren.

e) Analyse en geldigheid van de resultaten

i) De experimentele gegevens moeten worden geanalyseerd met behulp van internationaal aanvaarde statistische methoden; voor iedere onderzochte eigenschap moeten de resultaten worden gepresenteerd;

ii) De bij de test toegepaste methodiek en alle verkregen resultaten moeten openbaar worden gemaakt;

iii) Een verklaring betreffende het gebied (in het land waar de test wordt uitgevoerd) waaraan het materiaal waarschijnlijk is aangepast, alsmede de eigenschappen die de bruikbaarheid van de resultaten kunnen beperken, is eveneens vereist;

iv) Indien tijdens de tests het bewijs wordt geleverd dat het teeltmateriaal niet tenminste:

- de karakteristieke eigenschappen van het uitgangsmateriaal, alsmede

- eenzelfde weerstandsvermogen tegen uit economisch oogpunt belangrijke schadelijke organismen als het uitgangsmateriaal

bezit, moet dat teeltmateriaal worden geëlimineerd.

2. EISEN TEN AANZIEN VAN DE GENETISCHE EVALUATIE VAN DE COMPONENTEN VAN HET UITGANGSMATERIAAL

a) De componenten van de volgende types uitgangsmateriaal kunnen aan een genetische waardebepaling worden onderworpen: zaadtuinen, ouderplanten van families, klonen en mengsels van klonen.

b) Documentatie

Voor de toelating van uitgangsmateriaal zijn de volgende aanvullende gegevens vereist:

i) de identiteit, oorsprong en afstamming van de beoordeelde componenten;

ii) het kruisingsschema dat werd gebruikt ter verkrijging van het teeltmateriaal dat in het kader van de tests wordt geëvalueerd.

c) Testprocedures

Aan de volgende eisen moet worden voldaan:

i) De genetische waarde van iedere component moet worden bepaald op twee of meer testlocaties, waarvan ten minste één moet worden gekenmerkt door milieuomstandigheden die relevant zijn voor de toepassing waarvoor het teeltmateriaal is bedoeld;

ii) Op basis van deze genetische waarden en het specifieke kruisingsschema wordt de geschatte mate van superioriteit van het teeltmateriaal dat in de handel zal worden gebracht, berekend;

iii) De tests waarop de evaluatie wordt gebaseerd alsmede de genetische berekeningen moeten door de officiële instantie worden goedgekeurd.

d) Interpretatie

i) De berekening van de geschatte mate van superioriteit van het teeltmateriaal geschiedt ten opzichte van een referentiepopulatie voor de betrokken eigenschap of reeks eigenschappen;

ii) Er moet worden aangegeven of de geschatte genetische waarde van het teeltmateriaal voor enige belangrijke eigenschap lager is dan die van de referentiepopulatie.

3. EISEN BETREFFENDE DE VERGELIJKENDE TESTS VAN TEELTMATERIAAL

a) Bemonstering van het teeltmateriaal

i) Het voor vergelijkende tests bestemde monster teeltmateriaal moet werkelijk representatief zijn voor het teeltmateriaal dat van het uitgangsmateriaal waarvoor toelating moet worden verleend, wordt afgeleid;

ii) Het voor vergelijkende tests bestemde teeltmateriaal dat langs geslachtelijke weg werd verkregen, moet:

- in jaren van goede bloei en goede vrucht-/zaadzetting zijn geoogst; er mag gebruik zijn gemaakt van kunstmatige bestuiving,

- geoogst zijn volgens methoden die garanderen dat de verkregen monsters representatief zijn.

b) Standaarden

i) Van de standaarden die in de tests als vergelijkingsmateriaal worden gebruikt, moeten de prestaties in de streek waar de test wordt gepland, indien mogelijk, reeds voldoende lang bekend zijn. De standaarden bestaan in principe uit materiaal dat op het moment waarop de test wordt begonnen, zijn deugdelijkheid voor de bosbouw heeft bewezen in de ecologische omstandigheden waarvoor het te testen teeltmateriaal moet worden gecertificeerd. Zij moeten zoveel mogelijk afkomstig zijn van opstanden die aan de hand van de criteria van bijlage III werden geselecteerd, of van uitgangsmateriaal dat officieel voor de productie van getest materiaal werd toegelaten;

ii) Indien kunstmatige hybriden aan vergelijkende tests worden onderworpen, moeten beide oudersoorten, voor zover mogelijk, deel uitmaken van de standaarden;

iii) Er moeten indien mogelijk verscheidene standaarden worden gebruikt. Wanneer zulks nodig is en te verantwoorden valt, mag in plaats van de standaarden het meest geschikte van de geteste materialen of het gemiddelde van de geteste materialen worden gebruikt;

iv) Dezelfde standaarden worden in alle tests in een zo breed mogelijk spectrum van plaatselijke omstandigheden gebruikt.

c) Interpretatie

i) Voor ten minste één belangrijke eigenschap moet een statistisch significante superioriteit ten opzichte van de standaarden worden aangetoond;

ii) Indien er eigenschappen van economisch of ecologisch belang zijn waarvoor bij het geteste materiaal significant minder goede resultaten worden vastgesteld dan bij de standaarden, moet zulks duidelijk worden gerapporteerd, en moeten de effecten daarvan door de gunstige eigenschappen worden gecompenseerd.

4. VOORWAARDELIJKE TOELATING

Een voorlopige evaluatie van de resultaten van proeven in de beginfase, kan de basis vormen van een voorwaardelijke toelating. Beweringen betreffende de superioriteit van enig materiaal die op een dergelijke vroege evaluatie berusten, moeten na ten hoogste tien jaar worden getoetst.

5. VERKENNENDE TESTS

Tests in kwekerijen, kassen en laboratoria kunnen door de officiële instantie met het oog op voorwaardelijke toelating of definitieve toelating worden aanvaard indien kan worden aangetoond dat er een nauwe correlatie bestaat tussen de in die omstandigheden gemeten eigenschappen en de eigenschappen die normaliter in het kader van de evaluatie van opstanden in situ worden beoordeeld. Het materiaal moet, wat de overige te testen eigenschappen betreft, voldoen aan de in punt 3 omschreven eisen.

BIJLAGE VI

CATEGORIEËN WAARONDER TEELTMATERIAAL DAT VAN DE DIVERSE TYPEN UITGANGSMATERIAAL IS AFGELEID, IN DE HANDEL MAG WORDEN GEBRACHT

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE VII

DEEL A

Eisen waaraan partijen vruchten en zaden van de in bijlage I genoemde soorten dienen te voldoen

1. Een partij vruchten of zaden van de in bijlage I genoemde soorten mag niet in de handel worden gebracht tenzij ze voor ten minste 99% soortzuiver is.

2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 moet in het geval van nauwverwante soorten van bijlage I, met uitzondering van kunstmatige hybriden, de soortzuiverheid van de partij vruchten of zaden worden aangegeven; deze dient de 100% zo dicht mogelijk te benaderen.

DEEL B

Eisen waaraan partijen plantendelen van de in bijlage I genoemde soorten en kunstmatige hybriden dienen te voldoen

Plantendelen van de in bijlage I genoemde soorten en kunstmatige hybriden mogen niet in de handel worden gebracht tenzij 95% van iedere partij van deugdelijke handelskwaliteit is. Of plantendelen van deugdelijke handelskwaliteit zijn, wordt vastgesteld op basis van hun algemene kenmerken, gezondheidstoestand en bezit van de passende afmetingen. In het geval van Populus spp. moet aan de aanvullende eisen van deel C worden voldaan.

DEEL C

Minimumeisen inzake de normen voor de uitwendige kwaliteit van door middel van houtstekken of poten vermeerderde Populus spp.

3. Houtstekken

a) Houtstekken worden niet beschouwd als zijnde van deugdelijke handelskwaliteit indien zij een van de volgende gebreken vertonen:

i) het hout is meer dan twee jaar oud;

ii) zij dragen minder dan twee goed ontwikkelde knoppen;

iii) zij vertonen necrosen of sporen van aantasting door schadelijke organismen;

iv) zij vertonen tekenen van uitdroging, oververhitting, schimmel of rot;

b) Minimumafmetingen voor houtstekken:

- minimumlengte: 20 cm,

- minimumdiameter van de top: klasse EG 1: 8 mm

klasse EG 2: 10 mm.

4. Poten

a) Poten worden niet beschouwd als zijnde van deugdelijke handelskwaliteit indien zij een van de volgende gebreken vertonen:

- het hout is meer dan drie jaar oud,

- zij dragen minder dan vijf goed ontwikkelde knoppen,

- zij vertonen necrosen of sporen van aantasting door schadelijke organismen,

- zij vertonen tekenen van uitdroging, oververhitting, schimmel of rot,

- zij vertonen andere wonden dan snoeisneden,

- zij hebben meer dan één stam,

- zij vertonen buitensporige stamkromming.

b) Grootteklassen voor poten

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

DEEL D

Eisen waaraan plantgoed van de in de lijst van bijlage I opgenomen soorten en kunstmatige hybriden dient te voldoen

Plantgoed dient van deugdelijke handelskwaliteit te zijn. Of plantgoed van deugdelijke handelskwaliteit is, wordt vastgesteld aan de hand van de algemene kenmerken, gezondheidstoestand, vitaliteit en fysiologische kwaliteit ervan.

BIJLAGE VIII

DEEL A

MODEL VAN HET BASISCERTIFICAAT VAN ECHTHEID VOOR TEELTMATERIAAL

DAT IS AFGELEID VAN ZAADBRONNEN EN OPSTANDEN

(Het certificaat moet alle hieronder genoemde informatie in de juiste vorm bevatten)

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

DEEL B

MODEL VAN HET BASISCERTIFICAAT VAN ECHTHEID VOOR TEELTMATERIAAL

DAT IS AFGELEID VAN ZAADTUINEN OF OUDERPLANTEN VAN FAMILIES

(Het certificaat moet alle hieronder genoemde informatie in de juiste vorm bevatten)

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

DEEL C

MODEL VAN HET BASISCERTIFICAAT VAN ECHTHEID VOOR TEELTMATERIAAL

DAT IS AFGELEID VAN KLONEN EN MENGSELS VAN KLONEN

(Het certificaat moet alle hieronder genoemde informatie in de juiste vorm bevatten)

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

BIJLAGE IX

Concordantietabel

Deze richtlijn // Richtlijn 66/404/EEG

Artikel 1 // Artikel 1

Artikel 2 // Artikel 3

Artikel 3 // Artikelen 2, 16 en 16 ter

Artikel 4 // Artikelen 5, 5 ter en 5 quinquies

Artikel 5 // -

Artikel 6 // Artikel 4

Artikel 7 // -

Artikel 8 // -

Artikel 9 // Artikel 5 bis

Artikel 10 // Artikel 6

Artikel 11 // Artikel 13 bis

Artikel 12 // Artikel 12

Artikel 13 // Artikel 8

Artikel 14 // Artikel 9

Artikel 15 // Artikel 10

Artikel 16 // Artikel 11

Artikel 17 // Artikel 13

Artikel 18 // Artikel 15

Artikel 19 // Artikel 14

Artikel 20 // -

Artikel 21 // -

Artikel 22 // -

Artikel 23 // Artikel 16 bis

Artikel 24 // Artikel 17

Artikel 25 // Artikel 5 sexies

Artikel 26 // Artikel 18

Artikel 27 // -

Artikel 28 // -

Artikel 29 // Artikel 19

Bijlage I // Artikel 2

Bijlage II // -

Bijlage III // Bijlage I

Bijlage IV // -

Bijlage V // Bijlage II

Bijlage VI // -

Bijlage VII // -

Bijlage VIII // Bijlage III (partim)

Bijlage IX // -

Deze richtlijn // Richtlijn 71/161/EEG

Artikel 1 // Artikel 1

Artikel 2 // Artikel 4

Artikel 3 // Artikel 3, lid 2, en artikel 16

Artikel 4 // -

Artikel 5 // -

Artikel 6 // Artikel 5 en artikel 6, lid 1

Artikel 7 // -

Artikel 8 // -

Artikel 9 // -

Artikel 10 // -

Artikel 11 // -

Artikel 12 // -

Artikel 13 // -

Artikel 14 // Artikelen 10 en 11

Artikel 15 // -

Artikel 16 // Artikel 12

Artikel 17 // Artikel 3, lid 1, en artikel 14

Artikel 18 // Artikel 15

Artikel 19 // -

Artikel 20 // -

Artikel 21 // -

Artikel 22 // -

Artikel 23 // Artikel 9

Artikel 24 // Artikel 18

Artikel 25 // -

Artikel 26 // Artikel 19

Artikel 27 // -

Artikel 28 // -

Artikel 29 // Artikel 20

Bijlage I // Artikel 2

Bijlage II // -

Bijlage III // -

Bijlage IV // -

Bijlage V // -

Bijlage VI // -

Bijlage VII // Bijlagen 2 en 3

Bijlage VIII // -

Bijlage IX // -