42004X0331(03)

Reglement nr. 62 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van motorvoertuigen met een motorfietsstuur, wat de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik betreft

Publicatieblad Nr. L 095 van 31/03/2004 blz. 0038 - 0045


Reglement nr. 62 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UN/ECE) - Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van motorvoertuigen met een motorfietsstuur, wat de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik betreft(1)

1. TOEPASSINGSGEBIED

1.1. Dit reglement is van toepassing op inrichtingen die ontworpen zijn om tweewielige motorvoertuigen met motorfietsstuur, met of zonder zijspan, en driewielige motorvoertuigen met motorfietsstuur te beveiligen tegen onrechtmatig gebruik.

2. DEFINITIES

In dit reglement wordt verstaan onder:

2.1. "goedkeuring van een voertuig": de goedkeuring van een voertuigtype wat de beveiliging tegen onrechtmatig gebruik betreft;

2.2 "voertuigtype": een categorie van motorvoertuigen die onderling niet van elkaar verschillen op essentiële punten zoals:

2.2.1. de typeaanduiding van de fabrikant,

2.2.2. de opstelling en het ontwerp van het voertuigonderdeel of de voertuigonderdelen waarop de beveiligingsinrichting ingrijpt,

2.2.3. het type beveiligingsinrichting;

2.3. "beveiligingsinrichting": een systeem dat ontworpen is om het onrechtmatig gebruik van het voertuig te voorkomen door de stuurinrichting of de transmissie actief te vergrendelen; dit systeem kan van een van de volgende types zijn:

2.3.1. type 1: uitsluitend actieve bediening aan het stuur,

2.3.2. type 2: actieve bediening aan het stuur, samen met de inrichting voor het stilleggen van de motor van het voertuig,

2.3.3. type 3: voorgespannen, met bediening aan het stuur, samen met de inrichting voor het stilleggen van de motor van het voertuig,

2.3.4. type 4: actieve bediening aan de transmissie;

2.4. "stuurinrichting": de bediening van de stuurinrichting (motorfietsstuur), het balhoofd en de bijbehorende bekleding, de stuurstang en alle andere onderdelen die de doeltreffendheid van de beveiligingsinrichting direct beïnvloeden;

2.5. "combinatie": een specifiek ontworpen en ingebouwde variatie van een vergrendelingssysteem die, als ze correct wordt geactiveerd, het mogelijk maakt het vergendelingssysteem te bedienen;

2.6. "sleutel": een inrichting die is ontworpen en vervaardigd om een vergrendelingssysteem te bedienen dat is ontworpen en vervaardigd om alleen door die inrichting te worden bediend.

3. GOEDKEURINGSAANVRAAG

3.1. De aanvraag tot goedkeuring van een voertuigtype wat de beveiligingsinriching tegen onrechtmatig gebruik betreft, wordt door de voertuigfabrikant of door zijn gemachtigde vertegenwoordiger ingediend.

3.2. De aanvraag gaat vergezeld van de hieronder genoemde documenten in drievoud en van de volgende nadere gegevens:

3.2.1. een gedetailleerde beschrijving van het voertuigtype met betrekking tot de opstelling en het ontwerp van het voertuigonderdeel of de voertuigonderdelen waarop de beveiligingsinrichting ingrijpt;

3.2.2. tekeningen, op een passende schaal en met voldoende details, van de beveiligingsinrichting en de delen waarmee ze op het voertuig is bevestigd;

3.2.3. een technische beschrijving van de inrichting.

3.3. Bij de voor de uitvoering van de typegoedkeuringstests verantwoordelijke technische dienst moet het volgende worden ingediend:

3.3.1. een voor het goed te keuren voertuigtype representatief voertuig, indien de technische dienst hierom verzoekt; en

3.3.2. de onderdelen van het voertuig die de technische dienst van essentieel belang acht voor de uitvoering van de in de punten 5 en 6 van dit reglement voorgeschreven controles, indien de technische dienst hierom verzoekt.

4. GOEDKEURING

4.1. Als het voertuig waarvoor krachtens dit reglement goedkeuring wordt aangevraagd, voldoet aan de hieronder in de punten 5 en 6 genoemde voorschriften, wordt voor dat voertuigtype goedkeuring verleend.

4.2. Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. De eerste twee cijfers (momenteel 00 voor het reglement in de originele versie) geven de wijzigingenreeks aan met de recentste belangrijke technische wijzigingen die in het reglement zijn opgenomen op het ogenblik dat de goedkeuring wordt verleend. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag dit goedkeuringsnummer niet toekennen aan een ander voertuigtype of aan hetzelfde voertuigtype, uitgerust met een ander type beveiligingsinrichting of met een anders bevestigde beveiligingsinrichting.

4.3. Van de goedkeuring of de weigering van de goedkeuring van een voertuigtype krachtens dit reglement wordt aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mededeling gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 1 bij dit reglement en van tekeningen van de beveiligingsinrichting en de bevestiging ervan die, in een formaat niet groter dan A4 (210 × 297 mm) of tot dat formaat gevouwen en op een passende schaal, door de aanvrager ter goedkeuring worden ingediend.

4.4. Op elk voertuig dat overeenstemt met een voertuigtype waaraan krachtens dit reglement goedkeuring is verleend, wordt op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats die op het goedkeuringsformulier is gespecificeerd, een internationaal goedkeuringsmerk aangebracht. Dit merk bestaat uit:

4.4.1. een cirkel met daarin de letter "E", gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend(2);

4.4.2. het nummer van dit reglement, gevolgd door de letter "R", een liggend streepje en het goedkeuringsnummer, rechts van de in punt 4.4.1 genoemde cirkel.

4.5. Indien het voertuig overeenstemt met een voertuigtype dat op basis van een of meer aan de overeenkomst gehechte reglementen is goedgekeurd in het land dat de goedkeuring krachtens dit reglement heeft verleend, hoeft het in punt 4.4.1 bedoelde symbool niet te worden herhaald; in dat geval worden het nummer van het reglement, het goedkeuringsnummer en de aanvullende symbolen van alle reglementen op basis waarvan goedkeuring is verleend in het land dat de goedkeuring krachtens dit reglement heeft verleend, in verticale kolommen rechts van het in punt 4.4.1 bedoelde symbool vermeld.

4.6. Het goedkeuringsmerk moet duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn.

4.7. Het goedkeuringsmerk wordt dicht bij of op het door de fabrikant aangebrachte gegevensplaatje van het voertuig aangebracht.

4.8. In bijlage 2 bij dit reglement worden voorbeelden van de opstelling van goedkeuringsmerken gegeven.

5. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

5.1. De beveiligingsinrichting moet zodanig zijn ontworpen dat:

5.1.1. ze moet worden uitgeschakeld om het voertuig te kunnen besturen, ermee te kunnen rijden of het in een rechte lijn te kunnen voortbewegen;

5.1.2. in het geval van een beveiligingsinrichting van type 4, de inrichting moet worden uitgeschakeld om de transmissie te ontgrendelen. Indien de beveiligingsinrichting wordt bediend door het bedieningsorgaan van de parkeerinrichting, moet ze samen met de inrichting voor het uitschakelen van de motor worden geactiveerd;

5.1.3. het alleen mogelijk is de sleutel uit het slot te trekken als de grendel volledig is ingeschoven of volledig is uitgeschoven. Elke tussenstand van de sleutel, die tot gevolg kan hebben dat de grendel wordt ingeschoven, zelfs wanneer de sleutel zich in het slot van de beveiligingsinrichting bevindt, is uitgesloten.

5.2. Aan de voorschriften van punt 5.1 moet worden voldaan door één sleutel eenmaal te verdraaien.

5.3. De in punt 5.1 bedoelde beveiligingsinrichting tegen onrechtmatig gebruik en de onderdelen van het voertuig waarop deze ingrijpt, moeten zodanig zijn ontworpen dat het niet mogelijk is deze snel en zonder de aandacht te trekken te openen, buiten werking te stellen of te vernielen, bijvoorbeeld met behulp van goedkope en gemakkelijk te verbergen gereedschappen, instrumenten of voorwerpen die voor het grote publiek gemakkelijk verkrijgbaar zijn.

5.4. De beveiligingsinrichting moet deel uitmaken van de oorspronkelijke uitrusting van het voertuig (d.w.z. de uitrusting die, vóór de eerste verkoop in de kleinhandel, door de voertuigfabrikant op het voertuig is geïnstalleerd). Het slot moet stevig met de beveiligingsinrichting zijn samengebouwd (indien het slot, na het wegnemen van de afdekplaat of enige andere bevestigingsinrichting, met behulp van de sleutel kan worden verwijderd, is dit niet in strijd met het voorschrift).

5.5. Het met een sleutel bediend vergrendelingssysteem moet ten minste 1000 verschillende combinaties omvatten of evenveel als er jaarlijks voertuigen worden gebouwd, indien dit aantal lager is dan 1000. Bij voertuigen van hetzelfde type bedraagt de gebruiksfrequentie van een bepaalde combinatie ongeveer 1 op 1000.

5.6. De code van de sleutel en van het slot mag niet zichtbaar zijn.

5.7. Het slot moet zodanig zijn ontworpen, vervaardigd en gemonteerd dat de cilinder in vergrendelde stand niet kan worden verdraaid door er met een ander instrument dan de bijpassende sleutel een koppel van minder dan 0,245 mdaN op uit te oefenen, en

5.7.1. indien het een cilinder met sluitstiften betreft, deze niet meer dan twee naast elkaar liggende identieke stiften in dezelfde richting heeft, en in totaal niet meer dan 50 % identieke stiften,

5.7.2. indien het een cilinder met schijven betreft, deze niet meer dan twee identieke schijven naast elkaar in dezelfde richting heeft, en in totaal niet meer dan 50 % identieke schijven.

5.8. De beveiligingsinrichtingen moeten zodanig zijn ontworpen dat, wanneer het voertuig in beweging is met draaiende motor, geen gevaar bestaat dat de inrichting per ongeluk wordt geblokkeerd, wat met name de veiligheid in gevaar zou brengen.

5.9. Beveiligingsinrichtingen van type 1, 2 of 3 moeten, wanneer zij geactiveerd zijn, bestand zijn tegen een koppel van 20 mdaN dat in statische omstandigheden in beide richtingen om de as van de stuurstang wordt uitgeoefend, zonder nadelige gevolgen voor de stuurinrichting waardoor de veiligheid in gevaar kan worden gebracht.

5.10. Beveiligingsinrichtingen van type 1, 2 of 3 moeten zodanig zijn ontworpen dat de stuurinrichting alleen onder een hoek van ten minste 20° naar links en/of rechts ten opzichte van de rechtuitstand kan worden vergrendeld.

6. BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN

6.1. Behalve aan de algemene voorschriften van punt 5 moet de beveiligingsinrichting ook aan de volgende bijzondere voorschriften voldoen:

6.1.1. bij beveiligingsinrichtingen van type 1 of 2 mag het slot alleen kunnen worden vergrendeld door een beweging van de sleutel wanneer het motorfietsstuur in de stand staat waarbij de grendel in de daartoe bestemde uitsparing kan schuiven;

6.1.2. bij beveiligingsinrichtingen van type 3 mag de grendel alleen kunnen worden voorgespannen door een afzonderlijke handeling van de gebruiker van het voertuig, in combinatie met of als aanvulling op het draaien van de sleutel. Behalve in de in punt 5.1.3 genoemde omstandigheden mag de sleutel niet kunnen worden uitgenomen wanneer de grendel is voorgespannen.

6.2. Bij beveiligingsinrichtingen van type 2 of 3 mag de grendel niet kunnen worden ingeschoven zolang de inrichting zich in een stand bevindt waarbij de motor van het voertuig kan worden gestart.

6.3. Wanneer een beveiligingsinrichting van type 3 is ingeschakeld, mag het niet mogelijk zijn te verhinderen dat de inrichting functioneert.

6.4. Beveiligingsinrichtingen van type 3 moeten goed blijven functioneren en met name aan de voorschriften van de punten 5.7, 5.8, 5.9 en 6.3 blijven voldoen na 2500 vergrendelingscycli in elke richting van de in bijlage 3 van dit reglement gespecificeerde test te hebben ondergaan.

7. WIJZIGINGEN VAN HET VOERTUIGTYPE OF VAN DE BEVEILIGINGSINRICHTING VAN HET VOERTUIG

7.1. Elke wijziging van het voertuigtype of van de beveiligingsinrichting van het voertuig wordt meegedeeld aan de administratieve instantie die het voertuigtype heeft goedgekeurd. Deze instantie kan dan:

7.1.1. oordelen dat de wijzigingen waarschijnlijk geen noemenswaardig nadelig effect zullen hebben en dat het voertuig in ieder geval nog steeds aan de voorschriften voldoet; of

7.1.2. de voor de uitvoering van de tests verantwoordelijke technische dienst om een aanvullend testrapport verzoeken.

7.2. De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, worden volgens de procedure van punt 4.3 in kennis gesteld van de bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijzigingen.

8. OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE

8.1. Elk voertuig met een door dit reglement voorgeschreven goedkeuringsmerk moet in overeenstemming zijn met het goedgekeurde voertuigtype, wat het type beveiligingsinrichting, de bevestiging ervan op het voertuig en de onderdelen waarop ze ingrijpt, betreft.

8.2. Om de in punt 8.1 voorgeschreven overeenstemming te controleren, wordt een voldoende aantal steekproeven genomen van in serie geproduceerde voertuigen met het krachtens dit reglement vereiste goedkeuringsmerk.

9. SANCTIES IN GEVAL VAN NIET-OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE

9.1. De krachtens dit reglement voor een voertuigtype verleende goedkeuring kan worden ingetrokken indien niet aan de voorschriften van punt 8.1 is voldaan.

9.2. Indien een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een kopie van het goedkeuringsformulier met aan het einde in hoofdletters de gedateerde en ondertekende vermelding "GOEDKEURING INGETROKKEN".

10. DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE

Indien de houder van een goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd voertuigtype definitief stopzet, stelt hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend daarvan in kennis. Zodra deze instantie de kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier met aan het einde in hoofdletters de gedateerde en ondertekende vermelding "PRODUCTIE STOPGEZET".

11. NAAM EN ADRES VAN DE VOOR DE GOEDKEURINGSTESTS VERANTWOORDELIJKE TECHNISCHE DIENSTEN EN VAN DE ADMINISTRATIEVE INSTANTIES

De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn en van de administratieve instanties die de goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven formulieren betreffende de goedkeuring en de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring moeten worden toegezonden.

(1) Bekendmaking overeenkomstig artikel 4, lid 5, van Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 (PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78).

(2) 1 voor Duitsland, 2 voor Frankrijk, 3 voor Italië, 4 voor Nederland, 5 voor Zweden, 6 voor België, 7 voor Hongarije, 8 voor de Tsjechische Republiek, 9 voor Spanje, 10 voor Joegoslavië, 11 voor het Verenigd Koninkrijk, 12 voor Oostenrijk, 13 voor Luxemburg, 14 voor Zwitserland, 15 (niet gebruikt), 16 voor Noorwegen, 17 voor Finland, 18 voor Denemarken, 19 voor Roemenië, 20 voor Polen, 21 voor Portugal, 22 voor de Russische Federatie, 23 voor Griekenland, 24 voor Ierland, 25 voor Kroatië, 26 voor Slovenië, 27 voor Slowakije, 28 voor Wit-Rusland, 29 voor Estland, 30 (niet gebruikt), 31 voor Bosnië en Herzegovina, 32 voor Letland, 33 (niet gebruikt), 34 voor Bulgarije, 35-36 (niet gebruikt), 37 voor Turkije, 38-39 (niet gebruikt), 40 voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, 41 (niet gebruikt), 42 voor de Europese Gemeenschap (goedkeuring wordt verleend door de lidstaten door middel van hun respectieve ECE-symbool), 43 voor Japan, 44 (niet gebruikt), 45 voor Australië, 46 voor Oekraïne. De daaropvolgende nummers zullen worden toegekend aan andere landen in de chronologische volgorde waarin zij de Overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische voorschriften die van toepassing zijn op voertuigen op wielen, uitrustingsstukken en onderdelen die in een voertuig op wielen kunnen worden gemonteerd of gebruikt en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van overeenkomstig deze voorschriften verleende goedkeuringen ratificeren of tot deze overeenkomst toetreden en de aldus toegekende nummers zullen door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties aan de overeenkomstsluitende partijen worden meegedeeld.

BIJLAGE 1

>PIC FILE= "L_2004095NL.004302.TIF">

BIJLAGE 2

OPSTELLING VAN GOEDKEURINGSMERKEN

Model A

(zie punt 4.4 van dit reglement)

>PIC FILE= "L_2004095NL.004402.TIF">

Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een voertuig, geeft aan dat het voertuigtype in kwestie wat de beveiligingsinrichting tegen onrechtmatig gebruik betreft, in Nederland (E 4) krachtens Reglement nr. 62 is goedgekeurd onder goedkeuringsnummer 002439. Het goedkeuringsnummer geeft aan dat de goedkeuring is verleend volgens de voorschriften van Reglement nr. 62 in zijn oorspronkelijke versie.

Model B

(zie punt 4.5 van dit reglement)

>PIC FILE= "L_2004095NL.004403.TIF">

Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een voertuig, geeft aan dat het voertuigtype in kwestie in Nederland (E 4) krachtens de Reglementen nrs. 62 en 10(1) is goedgekeurd. De goedkeuringsnummers geven aan dat, op de datum waarop deze goedkeuringen zijn verleend, Reglement nr. 62 nog ongewijzigd was en dat in Reglement nr. 10 reeds wijzigingenreeks 01 was opgenomen.

(1) Het nummer dient alleen ter illustratie.

BIJLAGE 3

SLIJTAGETEST VOOR BEVEILIGINGSINRICHTINGEN VAN TYPE 3

1. TESTAPPARATUUR

1.1. De testapparatuur omvat:

1.1.1. een testbank waarop de te testen stuurinrichting, voorzien van de in punt 2.3 van dit reglement gedefinieerde beveiligingsinrichting, kan worden gemonteerd;

1.1.2. een systeem om de beveiligingsinrichting met gebruikmaking van de sleutel in en uit te schakelen;

1.1.3. een systeem om de stuurstang ten opzichte van de beveiligingsinrichting te verdraaien.

2. TESTMETHODE

2.1. Een van de beveiligingsinrichting voorziene stuurinrichting wordt op de in punt 1.1.1 bedoelde testbank gemonteerd.

2.2. Een testcyclus omvat de volgende stappen:

2.2.1. Uitgangspositie

De beveiligingsinrichting wordt uitgeschakeld en de stuurstang wordt in een stand gedraaid waarin de beveiligingsinrichting niet kan worden ingeschakeld.

2.2.2. Inschakelpositie

De sleutel van de beveiligingsinrichting wordt in de inschakelpositie geplaatst.

2.2.3. Ingeschakeld

De stuurstang wordt zodanig verdraaid dat, op het moment dat de beveiligingsinrichting wordt ingeschakeld, een koppel van 5,88 Nm ± 0,25 Nm op de stuurstang wordt uitgeoefend.

2.2.4. Uitgeschakeld

De beveiligingsinrichting wordt op de normale wijze uitgeschakeld, waarbij het koppel tot nul wordt teruggebracht om het uitschakelen te vergemakkelijken.

2.2.5. Positie aan het eind van de cyclus

De stuurstang wordt in een stand gedraaid waarin de beveiligingsinrichting niet kan worden ingeschakeld.

2.2.6. Draaiing in tegenovergestelde richting

De in de punten 2.2.2, 2.2.3, 2.2.4 en 2.2.5 beschreven stappen worden herhaald, maar in de tegenovergestelde draairichting van de stuurstang.

2.2.7. Tussen twee opeenvolgende inschakelingen van de inrichting moeten ten minste 10 seconden verlopen.

2.3. De slijtagecyclus wordt zoveel malen herhaald als is vermeld in punt 6.4 van dit reglement.