20.6.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 157/11


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2023/1184 VAN DE COMMISSIE

van 10 februari 2023

ter aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad door de bepaling van een gemeenschappelijke Uniemethode die voorziet in gedetailleerde regels voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (1), en met name artikel 27, lid 3, zevende alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong zijn belangrijk voor het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie in sectoren die naar verwachting afhankelijk zijn van gasvormige en vloeibare brandstoffen op de lange termijn, zoals de zee- en luchtvaart. Het is noodzakelijk om een gemeenschappelijke Uniemethode te bepalen die voorziet in gedetailleerde regels voor het als volledig hernieuwbaar beschouwen van elektriciteit die wordt gebruikt voor vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong. Hiervoor en gezien de totale milieudoelstellingen uit Richtlijn (EU) 2018/2001 is het noodzakelijk om duidelijke regels vast te stellen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria. In principe worden vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong die met elektriciteit worden geproduceerd, uitsluitend als hernieuwbaar beschouwd wanneer de elektriciteit hernieuwbaar is. Deze hernieuwbare elektriciteit kan worden geleverd door een installatie die rechtstreeks is aangesloten op de installatie (doorgaans een elektrolyse-installatie) die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong produceert, of kan rechtstreeks van het net komen.

(2)

De energie-inhoud van bijna alle hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong is gebaseerd op hernieuwbare waterstof die door elektrolyse is geproduceerd. De emissie-intensiteit van waterstof die is geproduceerd met elektriciteit op basis van fossiele brandstoffen, is aanzienlijk hoger dan de emissie-intensiteit van waterstof die met conventionele processen is geproduceerd van aardgas. Het is daarom belangrijk om te waarborgen dat in de elektriciteitsvraag voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong wordt voorzien met hernieuwbare elektriciteit. Na de Russische invasie in Oekraïne is de noodzaak van een snelle overgang naar schone energie en de vermindering van de afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen voor de Unie nog duidelijker en sterker geworden. In de mededeling van REPowerEU (2) zette de Commissie haar strategie uiteen om ruim voor het einde van het decennium onafhankelijk te worden van Russische fossiele brandstoffen. Hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en het verlagen van de afhankelijkheid van ingevoerde fossiele brandstoffen in het algemeen spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom zijn de vast te stellen criteria ook belangrijk om te voorkomen dat de elektriciteitsvraag voor de productie van waterstof die nodig is voor hernieuwbare transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, zou leiden tot meer ingevoerde fossiele brandstoffen uit Rusland voor de productie van de benodigde elektriciteit.

(3)

De regels van deze verordening zijn van toepassing ongeacht of de vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong binnen of buiten het grondgebied van de Unie is geproduceerd. Wanneer wordt verwezen naar de concepten biedzone en onbalansverrekeningsperiode, die in de Unie wel bestaan maar niet in alle andere landen, is het gepast om brandstofproducenten in derde landen zich te laten verlaten op equivalente concepten, mits de doelstelling van deze verordening behouden blijft en de bepaling wordt uitgevoerd op basis van het meest vergelijkbare concept dat in het desbetreffende derde land bestaat. In geval van biedzones kan een dergelijk concept vergelijkbare marktregels, de fysieke kenmerken van het elektriciteitsnet, met name het interconnectieniveau, of in laatste instantie het land inhouden.

(4)

Het feit dat de waterstofindustrie, haar waardeketen en de markt nog in opkomst zijn, betekent dat de planning en bouw van hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties en installaties die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceren, vaak tijdens de vergunningsprocedures en door andere onverwachte obstakels aanzienlijke vertraging oplopen, ondanks het feit dat deze volgens de planning tegelijkertijd in werking worden gesteld. Het is daarom met het oog op de praktische haalbaarheid gepast om een termijn van maximaal 36 maanden te overwegen bij het vaststellen of een hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie in werking wordt gesteld na of tegelijkertijd met de installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert. Door hernieuwbare elektriciteit voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong te verkrijgen via een rechtstreekse aansluiting van een installatie die hernieuwbare elektriciteit produceert en niet is aangesloten op het net, wordt aangetoond dat de elektriciteit in deze installatie wordt geproduceerd. Indien de installatie die hernieuwbare elektriciteit produceert en de installatie die waterstof produceert niet alleen rechtstreeks zijn aangesloten maar ook zijn aangesloten op het net, moet worden bewezen dat de elektriciteit die wordt gebruikt om waterstof te produceren via de rechtstreekse aansluiting wordt geleverd. De installatie die via een rechtstreekse aansluiting elektriciteit levert voor waterstofproductie moet altijd hernieuwbare elektriciteit leveren. Indien deze niet-hernieuwbare elektriciteit levert, mag de waterstof die daaruit wordt verkregen, niet als hernieuwbaar worden beschouwd.

(5)

In biedzones waar hernieuwbare elektriciteit al het grootste aandeel vertegenwoordigt, moet elektriciteit die van het net wordt afgenomen als volledig hernieuwbaar worden beschouwd mits het aantal uren werking van de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong beperkt wordt tot het aandeel hernieuwbare elektriciteit in de biedzone. Alle productie die dit aandeel overschrijdt, wordt als niet-hernieuwbaar beschouwd. Het is niet nodig om extra installaties die hernieuwbare elektriciteit produceren op te zetten, aangezien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het met het produceren van hernieuwbare waterstof in een biedzone waar het aandeel hernieuwbare energie meer dan 90 % bedraagt, kan worden voldaan aan een broeikasgasemissiereductie van 70 % zoals vermeld in artikel 25, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/2001, en dat dit uitdagingen voor de werking van het elektriciteitssysteem kan opleveren.

(6)

Op dezelfde manier zijn in biedzones, waar de emissie-intensiteit van elektriciteit minder dan 18 gCO2eq/MJ bedraagt, geen extra installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit nodig om de emissiereductie van 70 % voor hernieuwbare waterstof te bereiken. In dergelijke gevallen moet elektriciteit die van het net wordt afgenomen, als volledig hernieuwbaar worden beschouwd, mits de hernieuwbare eigenschappen van die elektriciteit worden aangetoond door middel van overeenkomsten voor de afname van hernieuwbare elektriciteit en door de toepassing van criteria inzake tijdelijke en geografische correlatie. In geval van niet-naleving van deze voorwaarden en criteria zou elektriciteit die voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen wordt gebruikt, niet als volledig hernieuwbaar kunnen worden aangemerkt.

(7)

Het is bovendien gepast om elektriciteit die van het net wordt afgenomen als volledig hernieuwbaar te beschouwen op momenten waarop de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong de integratie van het opwekken van hernieuwbare energie in het elektriciteitssysteem ondersteunt en de noodzaak voor redispatching van het opwekken van hernieuwbare elektriciteit verlaagt.

(8)

In alle andere gevallen moet de productie van hernieuwbare waterstof de inzet van nieuwe capaciteit voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit stimuleren en plaatsvinden op momenten en plaatsen waar hernieuwbare elektriciteit beschikbaar is (tijdelijke en geografische correlatie) om stimulansen voor het opwekken van meer elektriciteit op basis van fossiele brandstoffen te voorkomen. Gezien het feit dat de planning en bouw van installaties die hernieuwbare elektriciteit opwekken tijdens de vergunningsprocedures vaak aanzienlijke vertraging oplopen, is het gepast een hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie als nieuw te beschouwen indien deze niet meer dan 36 maanden eerder dan de installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert in werking is gesteld.

(9)

Stroomafnameovereenkomsten zijn een geschikt middel om de inzet van nieuwe capaciteit voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit te stimuleren, mits deze nieuwe capaciteit geen financiële steun ontvangt aangezien de hernieuwbare waterstof al wordt ondersteund omdat deze in aanmerking komt om te worden meegeteld voor de verplichting voor brandstofleveranciers uit artikel 25 van Richtlijn (EU) 2018/2001. Als alternatief zouden brandstofproducenten ook in de capaciteit voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit die zij zelf bezitten, de hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit kunnen produceren die voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong vereist is. De opzegging van de stroomafnameovereenkomst mag niet nadelig zijn voor de mogelijkheid van de installatie die hernieuwbare elektriciteit produceert om nog altijd als nieuwe installatie te worden beschouwd wanneer deze onder een nieuwe stroomafnameovereenkomst valt. Bovendien kan een uitbreiding van de installatie die hernieuwbare waterstof produceert waarmee de productiecapaciteit wordt verhoogd, worden geacht in werking te worden gesteld op hetzelfde moment als de originele installatie. Hiermee wordt voorkomen dat er steeds als er een uitbreiding is mogelijk stroomafnameovereenkomsten met verschillende installaties moeten worden gesloten, waardoor de administratieve last wordt verlaagd. Financiële steun die wordt terugbetaald of financiële steun voor land of netaansluitingen voor de faciliteit die hernieuwbare energie opwekt, moet niet als bedrijfssteun of investeringssteun worden beschouwd.

(10)

Vanwege het fluctuerende karakter van sommige hernieuwbare energiebronnen, waaronder wind- en zonne-energie, en de congestie van het elektriciteitsnet kan het zijn dat er niet voortdurend hernieuwbare elektriciteit beschikbaar is voor de productie van hernieuwbare waterstof. Het is daarom gepast om regels vast te stellen waarmee wordt gewaarborgd dat er hernieuwbare waterstof wordt geproduceerd op momenten en plaatsen waar hernieuwbare elektriciteit beschikbaar is.

(11)

Om te bewijzen dat hernieuwbare waterstof wordt geproduceerd wanneer er hernieuwbare elektriciteit beschikbaar is, moeten waterstofproducenten aantonen dat de productie van hernieuwbare waterstof in dezelfde kalendermaand plaatsvindt als de productie van de hernieuwbare elektriciteit, dat de elektrolyse-installatie opgeslagen hernieuwbare elektriciteit gebruikt, of dat de elektrolyse-installatie elektriciteit gebruikt op momenten waarop de elektriciteitsprijzen zo laag zijn dat de opwekking van elektriciteit op basis van fossiele brandstoffen economisch niet haalbaar is, waardoor de extra vraag naar elektriciteit zorgt voor de productie van meer hernieuwbare elektriciteit en niet voor de opwekking van meer fossiele elektriciteit. Het criterium voor synchronisatie moet strikter worden wanneer er markten, infrastructuren en technologieën beschikbaar komen die een snelle aanpassing van de waterstofproductie en de synchronisatie van de elektriciteitsopwekking en waterstofproductie mogelijk maken.

(12)

Biedzones zijn ontworpen om netcongestie binnen de zone te voorkomen. Om te waarborgen dat er geen congestie van het elektriciteitsnet is tussen de elektrolyse-installatie die hernieuwbare waterstof produceert en de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie, is het gepast om te vereisen dat beide installaties zich in dezelfde biedzone bevinden. Wanneer deze zich in onderling verbonden biedzones bevinden, moet de elektriciteitsprijs in de biedzone waar de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie zich bevindt gelijk zijn aan of hoger zijn dan in de biedzone waar de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong wordt geproduceerd, zodat er wordt bijgedragen aan het verminderen van congestie. Een andere optie is dat de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie zich volgens de stroomafnameovereenkomst moet bevinden in een biedzone op zee die verbonden is met de biedzone waar de elektrolyse-installatie zich bevindt.

(13)

Om nationale kenmerken van de biedzones aan de orde te stellen en de geïntegreerde planning van elektriciteits- en waterstofnetwerken te ondersteunen, moeten lidstaten de bevoegdheid krijgen extra criteria vast te stellen over de locatie van elektrolyse-installaties in biedzones.

(14)

Brandstofproducenten kunnen verschillende opties voor het meetellen van elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, flexibel combineren, mits er voor elke elektriciteitseenheid slechts één optie wordt toegepast. Om te controleren of de regels naar behoren zijn nageleefd, is het gepast om brandstofleveranciers te verzoeken grondig te documenteren welke opties er zijn toegepast voor het verkrijgen van hernieuwbare elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong. Vrijwillige en nationale systemen zullen naar verwachting een belangrijke rol spelen bij de uitvoering en certificering van de regels in derde landen aangezien de lidstaten verplicht worden het bewijs uit erkende vrijwillige systemen te aanvaarden.

(15)

De artikelen 7 en 19 van Richtlijn (EU) 2018/2001 bevatten voldoende waarborgen dat de hernieuwbare kenmerken van elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare waterstof slechts één keer en slechts in één sector van eindgebruik worden aangevoerd. In artikel 7 van die richtlijn wordt gewaarborgd dat hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong bij de berekening van het totale aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie niet in aanmerking worden genomen, omdat de hernieuwbare energie om deze te produceren al in aanmerking is genomen. Met artikel 19 van die richtlijn moet worden voorkomen dat zowel de producent van de hernieuwbare elektriciteit als de producent van de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong die met die elektriciteit worden geproduceerd garanties van oorsprong kunnen ontvangen door te waarborgen dat de garanties van oorsprong die aan de producent van hernieuwbare elektriciteit worden afgegeven, worden geschrapt.

(16)

De uitvoering van tijdelijke correlatie wordt op de korte termijn belemmerd door technologische barrières voor het meten van afstemming per uur, de uitdagende gevolgen voor het ontwerp van elektrolyse-installaties en het ontbreken van waterstofinfrastructuur die de opslag en het transport van hernieuwbare waterstof naar eindgebruikers die een voortdurende toevoer van waterstof nodig hebben, mogelijk maken. Om de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong te kunnen opvoeren, moeten de criteria voor tijdelijke correlatie daarom in de beginfase flexibeler zijn zodat marktdeelnemers in staat zijn de benodigde technische oplossingen in te voeren.

(17)

Vanwege de tijd die nodig is voor de planning en bouw van hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties en het gebrek aan nieuwe hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties die geen steun ontvangen, moeten de voorschriften uit artikel 5, punten a) en b) van deze verordening pas in een later stadium van toepassing zijn.

(18)

Met de uitvoering van de Europese Green Deal moet de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen voor het opwekken van elektriciteit in de loop der tijd afnemen en moet het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen toenemen. De Commissie moet deze ontwikkeling nauwlettend volgen en de effecten van de in deze verordening vastgestelde vereisten evalueren, met name de geleidelijke verstrenging van de vereisten inzake tijdelijke correlatie, met betrekking tot productiekosten, broeikasgasemissiereducties en het energiesysteem, en uiterlijk op 1 juli 2028 een verslag indienen bij het Europees Parlement en de Raad.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening worden gedetailleerde regels vastgesteld om te bepalen wanneer elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong als volledig hernieuwbaar kan worden beschouwd. Deze regels zijn van toepassing op de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong door middel van elektrolyse en analoog op minder gebruikelijke productiewijzen.

Deze zijn van toepassing ongeacht of de vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong binnen of buiten het grondgebied van de Unie is geproduceerd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“biedzone”: biedzone zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 65, van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad (3) voor de lidstaten of een equivalent concept voor derde landen;

2)

“directe lijn”: directe lijn zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 41, van Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad (4);

3)

“hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie”: afzonderlijke eenheden of groepen eenheden die op één of meer locaties elektriciteit produceren uit dezelfde of verschillende hernieuwbare bronnen, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001, met uitzondering van eenheden die elektriciteit produceren uit biomassa en opslageenheden;

4)

“brandstofproducent”: een marktdeelnemer die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert;

5)

“in werking worden gesteld”: aanvangen met de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong of hernieuwbare elektriciteit, voor de eerste maal of na een repowering zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van Richtlijn (EU) 2018/2001, waarvoor investeringen nodig zijn die meer dan 30 % bedragen van de investeringen die nodig zouden zijn om een vergelijkbare nieuwe installatie te bouwen;

6)

“slimme-metersysteem”: een slimme-metersysteem zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 23, van Richtlijn (EU) 2019/944;

7)

“onbalansverrekeningsperiode”: een onbalansverrekeningsperiode zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 15, van Verordening (EU) 2019/943 binnen de Unie of een equivalent concept voor derde landen.

Artikel 3

Regels voor het meetellen van elektriciteit die wordt verkregen uit een rechtstreekse aansluiting van een hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie als volledig hernieuwbaar

Om aan te tonen dat is voldaan aan de criteria van artikel 27, lid 3, vijfde alinea, van Richtlijn (EU) 2018/2001, verstrekt de brandstofproducent voor het als volledig hernieuwbaar meetellen van elektriciteit die wordt verkregen uit een rechtstreekse aansluiting van een hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie, bewijs over de volgende zaken:

a)

de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties zijn via een directe lijn aangesloten op de installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert of de productie van hernieuwbare elektriciteit en de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong vinden plaats in dezelfde installatie;

b)

de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties zijn niet meer dan 36 maanden eerder dan de installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert in werking gesteld. Wanneer aan een bestaande installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert productiecapaciteit wordt toegevoegd, wordt de toegevoegde capaciteit beschouwd als onderdeel van de bestaande installatie, mits die capaciteit op dezelfde locatie en niet langer dan 36 maanden nadat de oorspronkelijke installatie in werking is gesteld is toegevoegd;

c)

de installatie die elektriciteit produceert is niet aangesloten op het net of een slimme-metersysteem dat alle elektriciteitsstromen meet laat, indien de installatie wel op het net is aangesloten, zien dat er geen elektriciteit van het net is afgenomen om hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong te produceren.

Indien de brandstofproducent ook elektriciteit van het net gebruikt, kan deze als volledig hernieuwbaar meetellen indien is voldaan aan de regels van artikel 4.

Artikel 4

Algemene regels voor het als volledig hernieuwbaar meetellen van elektriciteit van het net

1.   Brandstofproducenten kunnen van het net afgenomen elektriciteit als volledig hernieuwbaar meetellen als de installatie die de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert zich in een biedzone bevindt waar het gemiddelde aandeel hernieuwbare elektriciteit in het voorgaande kalenderjaar meer dan 90 % bedroeg en de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong het maximumaantal uren dat is vastgesteld in verband met het aandeel hernieuwbare elektriciteit in de biedzone niet overschrijdt.

Dit maximumaantal uren wordt berekend door het aantal uren in elk kalenderjaar te vermenigvuldigen met het aandeel hernieuwbare elektriciteit dat is gerapporteerd voor de biedzone waar de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong wordt geproduceerd. Het gemiddelde aandeel hernieuwbare elektriciteit wordt vastgesteld door het bruto-eindverbruik van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de biedzone, dat is berekend naar analogie van de regels van artikel 7, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/2001, te delen door de bruto-elektriciteitsproductie uit alle energiebronnen zoals gedefinieerd in bijlage B bij Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad (5), met uitzondering van water dat eerder naar een hoger gelegen positie is gepompt, plus invoer minus uitvoer van elektriciteit naar de biedzone. Zodra het gemiddelde aandeel hernieuwbare elektriciteit in een kalenderjaar meer dan 90 % bedraagt, wordt dit de vijf daaropvolgende kalenderjaren steeds als hoger dan 90 % beschouwd.

2.   Indien niet aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, mogen brandstofproducenten van het net afgenomen elektriciteit als volledig hernieuwbaar aanmerken wanneer de installatie die de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert, gelegen is in een biedzone waar de emissie-intensiteit van elektriciteit lager is dan 18 gCO2eq/MJ, mits aan de volgende criteria is voldaan:

a)

de brandstofproducenten hebben rechtstreeks of via een tussenpersoon een of meer hernieuwbare-stroomafnameovereenkomsten gesloten met marktdeelnemers die in een of meer hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties hernieuwbare elektriciteit opwekken voor een bedrag dat ten minste gelijk is aan de hoeveelheid elektriciteit die volgens hun beweringen als volledig hernieuwbaar moet worden aangemerkt en de als dusdanig aangemerkte elektriciteit daadwerkelijk in deze installatie of installaties wordt geproduceerd;

b)

de voorwaarden inzake tijdelijke en geografische correlatie overeenkomstig de artikelen 6 en 7 zijn vervuld;

De emissie-intensiteit van elektriciteit wordt bepaald volgens de benadering voor de berekening van de gemiddelde koolstofintensiteit van netstroom in de methode voor de vaststelling van de reductie van broeikasgasemissies uit hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en uit brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof, zoals vastgesteld in de overeenkomstig artikel 28, lid 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001 genomen gedelegeerde handeling op basis van de meest recente beschikbare gegevens.

Zodra de emissie-intensiteit van elektriciteit in een kalenderjaar minder dan 18 gCO2eq/MJ bedraagt, wordt deze de vijf daaropvolgende kalenderjaren steeds als lager dan 18 gCO2eq/MJ beschouwd.

3.   Van het net afgenomen elektriciteit die wordt gebruikt om hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong te produceren, kan ook als volledig hernieuwbaar worden meegeteld als de elektriciteit die wordt gebruikt om hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong te produceren, wordt verbruikt tijdens een onbalansverrekeningsperiode gedurende welke de brandstofproducent op basis van bewijs van de nationale transmissiesysteembeheerder kan aantonen dat:

a)

er sprake is van neerwaartse redispatching van stroomopwekkingsinstallaties die hernieuwbare energiebronnen gebruiken overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) 2019/943;

b)

de elektriciteit die wordt verbruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong, de noodzaak van redispatching met een overeenkomstige hoeveelheid heeft verlaagd.

4.   Wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden van de leden 1, 2 en 3, kunnen brandstofproducenten van het net afgenomen elektriciteit als volledig hernieuwbaar meetellen indien deze overeenkomstig artikelen 5, 6 en 7 voldoet aan de voorwaarden inzake additionaliteit, tijdelijke correlatie en geografische correlatie.

Artikel 5

Additionaliteit

De voorwaarde van additionaliteit bedoeld in artikel 4, lid 4, eerste alinea, wordt vervuld geacht indien brandstofproducenten in hun eigen installaties een hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit produceren die ten minste gelijk is aan de hoeveelheid elektriciteit die volgens hun beweringen als volledig hernieuwbaar moet worden aangemerkt, of rechtstreeks of via een tussenpersoon een of meer afnameovereenkomsten voor hernieuwbare stroom hebben gesloten met marktdeelnemers die in een of meer installaties hernieuwbare stroom opwekken voor een bedrag aan dat ten minste gelijk is aan de hoeveelheid elektriciteit die volgens hun beweringen als volledig hernieuwbaar moet worden aangemerkt, en de als dusdanig aangemerkte elektriciteit daadwerkelijk in deze installatie of installaties wordt geproduceerd, mits aan de volgende criteria is voldaan:

a)

de installatie voor opwekking van hernieuwbare elektriciteit is niet meer dan 36 maanden eerder dan de installatie die de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert, in werking gesteld.

Wanneer een installatie voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit op grond van een stroomafnameovereenkomst met een brandstofproducent die is afgelopen, aan de vereisten van de eerste alinea van dit lid heeft voldaan, wordt deze geacht in werking te zijn gesteld op hetzelfde moment als de installatie die de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert op grond van een nieuwe hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst.

Wanneer aan een bestaande installatie die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceert, extra productiecapaciteit wordt toegevoegd, wordt de toegevoegde capaciteit geacht tegelijk met de oorspronkelijke installatie in werking te zijn gesteld, mits de capaciteit op dezelfde locatie en niet langer dan 36 maanden nadat de oorspronkelijke installatie in werking is gesteld, is toegevoegd.

b)

De hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie heeft geen steun ontvangen in de vorm van bedrijfssteun of investeringssteun, met uitzondering van steun die installaties hebben ontvangen vóór hun repowering, financiële steun voor land- of netaansluitingen, steun die geen netsteun vormt, zoals steun die volledig is terugbetaald en steun voor hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties die leveren aan installaties die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceren voor gebruik in onderzoek, tests en demonstraties.

Artikel 6

Tijdelijke correlatie

Tot en met 31 december 2029 wordt de voorwaarde van tijdelijke correlatie bedoeld in artikel 4, leden 2 en 4, vervuld geacht indien de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong wordt geproduceerd in dezelfde kalendermaand als de hernieuwbare elektriciteit die is geproduceerd in het kader van de hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst of uit hernieuwbare elektriciteit van een nieuwe opslagfaciliteit die zich achter hetzelfde netwerkaansluitingspunt bevindt als de elektrolyse-installatie of de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie, die in rekening is gebracht in hetzelfde kwartaal van het kalenderjaar waarin de elektriciteit in het kader van de hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst is geproduceerd.

Vanaf 1 januari 2030 wordt de voorwaarde van tijdelijke correlatie vervuld geacht indien de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong wordt geproduceerd in dezelfde periode van één uur als de hernieuwbare elektriciteit geproduceerd in het kader van de hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst of uit hernieuwbare elektriciteit van een nieuwe opslagfaciliteit die zich achter hetzelfde netwerkaansluitingspunt bevindt als de elektrolyse-installatie of de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie, die in rekening is gebracht gedurende dezelfde periode van één uur waarin de elektriciteit in het kader van de hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst is geproduceerd. Na aanmelding bij de Commissie kunnen lidstaten de in dit lid neergelegde regels toepassen met ingang van 1 juli 2027 voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong die op hun grondgebied is geproduceerd.

De voorwaarde van tijdelijke correlatie wordt altijd vervuld geacht indien de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong wordt geproduceerd gedurende de periode van één uur waarin de clearingprijs van elektriciteit die voortkomt uit de eenvormige day-aheadkoppeling in de biedzone, als bedoeld in artikel 39, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie (6), lager is dan of gelijk is aan 20 EUR per MWh of lager is dan 0,36 maal de prijs van een emissierecht om tijdens de desbetreffende periode een ton kooldioxide-equivalent uit te stoten om te voldoen aan de voorschriften uit Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (7).

Artikel 7

Geografische correlatie

1.   De voorwaarden van geografische correlatie als bedoeld in artikel 4, leden 2 en 4, worden vervuld geacht indien aan ten minste een van de volgende criteria met betrekking tot de locatie van de elektrolyse-installaties is voldaan:

a)

de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie in het kader van de hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst bevindt zich, of bevond zich op het moment waarop deze in werking is gesteld, in dezelfde biedzone als de elektrolyse-installatie;

b)

de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie bevindt zich in een onderling verbonden biedzone, onder andere in een andere lidstaat, en de elektriciteitsprijzen in de desbetreffende periode op de day-aheadmarkt als bedoeld in artikel 6 in de onderling verbonden biedzone is gelijk aan of hoger dan in de biedzone waar de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong wordt geproduceerd;

c)

de hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie in het kader van de hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst bevindt zich in een biedzone op zee die onderling is verbonden met de biedzone waar de elektrolyse-installatie zich bevindt.

2.   Onverminderd de artikelen 14 en 15 van Verordening (EU) 2019/943 kunnen lidstaten extra criteria over de locatie van elektrolyse-installaties en de installatie die hernieuwbare elektriciteit produceert toevoegen aan de criteria van lid 1, om te waarborgen dat capaciteitsuitbreidingen verenigbaar zijn met de nationale planning van het waterstof- en elektriciteitsnet. Eventuele extra criteria mogen de werking van de interne elektriciteitsmarkt niet negatief beïnvloeden.

Artikel 8

Gemeenschappelijke regels

Brandstofproducenten verstrekken betrouwbare informatie waarmee wordt aangetoond dat aan alle voorschriften van de artikelen 3 tot en met 7 is voldaan, inclusief indien relevant voor elk uur:

a)

de hoeveelheid elektriciteit die is gebruikt voor het produceren van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong, die op de volgende wijze is uitgesplitst:

i)

de hoeveelheid elektriciteit die van het net is verkregen en niet als volledig hernieuwbaar meetelt en het aandeel hernieuwbare elektriciteit;

ii)

de hoeveelheid elektriciteit die als volledig hernieuwbaar meetelt, omdat deze is verkregen uit een rechtstreekse aansluiting van een hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallatie, zoals uiteengezet in artikel 3;

iii)

de hoeveelheid elektriciteit die van het net is verkregen die als volledig hernieuwbaar meetelt volgens de criteria van artikel 4, lid 1;

iv)

de hoeveelheid elektriciteit die als volledig hernieuwbaar meetelt volgens de criteria van artikel 4, lid 2;

v)

de hoeveelheid elektriciteit die als volledig hernieuwbaar meetelt volgens de criteria van artikel 4, lid 3;

vi)

de hoeveelheid elektriciteit die als volledig hernieuwbaar meetelt volgens de criteria van artikel 4, lid 4;

b)

de hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit die is opgewekt door hernieuwbare-elektriciteitsopwekkingsinstallaties, ongeacht of deze rechtstreeks zijn aangesloten op een elektrolyse-installatie en ongeacht of de hernieuwbare elektriciteit wordt gebruikt voor de productie van de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong of voor andere doeleinden;

c)

de hoeveelheden hernieuwbare en niet-hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong die door de brandstofproducent worden geproduceerd.

Artikel 9

Certificering van naleving

Ongeacht of de hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong binnen of buiten het grondgebied van de Unie is geproduceerd, kunnen brandstofproducenten gebruikmaken van nationale of internationale vrijwillige systemen die door de Commissie zijn erkend overeenkomstig artikel 30, lid 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001, om aan te tonen dat is voldaan aan de criteria van de artikelen 3 tot en met 7 van deze verordening, overeenkomstig artikel 8 indien van toepassing.

Wanneer een brandstofproducent bewijs of gegevens verstrekt die zijn verkregen in overeenstemming met een systeem waarover is besloten overeenkomstig artikel 30, lid 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001, vragen lidstaten de leveranciers van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, voor zover dat besluit betrekking heeft op het aantonen van de naleving van artikel 27, lid 3, vijfde en zesde alinea, van die richtlijn door het systeem, niet om nader bewijs van de naleving van de criteria van deze verordening.

Artikel 10

Verslaglegging

Uiterlijk op 1 juli 2028 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van het effect van de voorschriften van deze verordening, met inbegrip van het effect van de tijdelijke correlatie, op de productiekosten, de broeikasgasemissiereducties en het energiesysteem.

Artikel 11

Overgangsfase

Artikel 5, punten a) en b), zijn pas na 1 januari 2038 van toepassing op installaties die hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong produceren die vóór 1 januari 2028 in werking worden gesteld. Deze vrijstelling is niet van toepassing op capaciteit die na 1 januari 2028 is toegevoegd voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstof van niet-biologische oorsprong.

Artikel 12

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 februari 2023.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82.

(2)  COM(2022) 108 final.

(3)  Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54).

(4)  Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125).

(5)  Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (PB L 304 van 14.11.2008, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer (PB L 197 van 25.7.2015, blz. 24).

(7)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).