23.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 330/1


VERORDENING (EU) 2022/2560 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 december 2022

betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 114 en 207,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Dankzij een sterke, open en concurrerende interne markt kunnen zowel Europese als buitenlandse ondernemingen concurreren op basis van eigen verdienste. De Unie heeft baat bij een geavanceerd en doeltreffend stelsel van staatssteuntoezicht, dat eerlijke voorwaarden wil garanderen voor alle ondernemingen die een economische activiteit in de interne markt uitoefenen. Dit stelsel van staatssteuntoezicht voorkomt dat lidstaten staatssteun toekennen die de mededinging op de interne markt onrechtmatig verstoort.

(2)

Tegelijkertijd ontvangen zowel private ondernemingen als openbare ondernemingen waarover een staat direct of indirect zeggenschap uitoefent mogelijk subsidies uit derde landen die worden gebruikt om bijvoorbeeld economische activiteiten op de interne markt in om het even welke economische sector te financieren, zoals de deelname aan aanbestedingsprocedures, of voor de overname van ondernemingen, waaronder die met strategische activa zoals kritieke infrastructuur en innovatieve technologieën. Dergelijke buitenlandse subsidies vallen momenteel niet onder de staatssteunvoorschriften van de Unie.

(3)

Deze verordening is op alle economische sectoren van toepassing, ook op de sectoren die van strategisch belang zijn voor de Unie en op kritieke infrastructuur, zoals die vermeld in artikel 4, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad (3).

(4)

Buitenlandse subsidies kunnen de interne markt verstoren en voor diverse economische activiteiten in de Unie het gelijke speelveld ondergraven. Dit kan met name het geval zijn in het kader van concentraties die een verschuiving in de zeggenschap over ondernemingen in de Unie meebrengen, indien dergelijke concentraties volledig of ten dele worden bekostigd uit buitenlandse subsidies of wanneer ondernemers die voordeel halen uit buitenlandse subsidies, opdrachten gegund wordt in de Unie.

(5)

Momenteel zijn er geen Unie-instrumenten om verstoringen als gevolg van buitenlandse subsidies aan te pakken. Met handelsbeschermingsinstrumenten kan de Commissie handelen wanneer gesubsidieerde goederen in de Unie worden ingevoerd, maar niet wanneer buitenlandse subsidies de vorm aannemen van gesubsidieerde investeringen of wanneer het om diensten en financiële stromen gaat. Op grond van de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen heeft de Unie de mogelijkheid om een procedure voor geschillenbeslechting tussen staten in te stellen tegen bepaalde buitenlandse subsidies die door WTO-leden worden toegekend, zij het beperkt tot goederen.

(6)

Daarom moeten bestaande Unie-instrumenten worden aangevuld met een nieuw instrument om door buitenlandse subsidies op de interne markt veroorzaakte verstoringen effectief aan te pakken, zodat een gelijk speelveld wordt gewaarborgd. Specifiek is het nieuwe instrument een aanvulling op staatssteunvoorschriften van de Unie met betrekking tot door subsidies van lidstaten op de interne markt veroorzaakte verstoringen.

(7)

Het is van belang dat voorschriften en procedures voor het onderzoeken van buitenlandse subsidies die de interne markt daadwerkelijk of potentieel verstoren, worden vastgesteld en dat die verstoringen, in voorkomend geval, worden verholpen. Buitenlandse subsidies kunnen de interne markt verstoren indien een onderneming die uit de buitenlandse subsidie voordeel haalt, een economische activiteit in de Unie uitoefent. De correcte toepassing en handhaving van deze verordening moet ertoe bijdragen dat de interne markt beter bestand is tegen door buitenlandse subsidies veroorzaakte verstoringen en op die manier bijdragen tot de open strategische autonomie van de Unie. Deze verordening stelt derhalve voorschriften vast voor alle ondernemingen die een economische activiteit in de Unie uitoefenen, met inbegrip van openbare ondernemingen waarover een staat directe of indirecte zeggenschap uitoefent. Bijzondere aandacht dient te worden gegeven aan het effect van deze verordening op kleine en middelgrote ondernemingen, gezien het belang van de economische activiteiten die zij uitoefenen, en de bijdrage daarvan aan het behalen van de centrale beleidsdoelstellingen van de Unie.

(8)

Om een gelijk speelveld op de hele interne markt en consistentie bij de toepassing van deze verordening te borgen, is de Commissie de enige instantie die bevoegd is om deze verordening toe te passen. De Commissie moet de bevoegdheid hebben om aldus, op basis van informatie uit alle beschikbare bronnen, buitenlandse subsidies in alle economische sectoren op eigen initiatief te onderzoeken voor zover die onder het toepassingsgebied van deze verordening, vallen. Om doeltreffend toezicht te garanderen, moet de Commissie in het specifieke geval van grote concentraties (fusies en acquisities) en aanbestedingsprocedures boven bepaalde drempels, de bevoegdheid hebben om buitenlandse subsidies te toetsen op basis van een voorafgaande aanmelding door de onderneming bij de Commissie.

(9)

Deze verordening moet worden toegepast en geïnterpreteerd in het licht van de desbetreffende Uniewetgeving, met inbegrip van wetgeving inzake staatssteun, fusies en aanbestedingen.

(10)

De uitvoering van deze verordening doet geen afbreuk aan het recht van elke lidstaat om zijn wezenlijke veiligheidsbelangen te beschermen overeenkomstig artikel 346 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

(11)

In het kader van deze verordening moet “buitenlandse subsidie” worden begrepen als een financiële bijdrage die direct of indirect wordt verschaft door een derde land, die een voordeel verleent en die beperkt is tot één of meer ondernemingen of bedrijfstakken. Dit zijn cumulatieve voorwaarden.

(12)

Een financiële bijdrage kan via publieke of private entiteiten worden toegekend. De vraag of een publieke entiteit een financiële bijdrage heeft verschaft, moet van geval tot geval worden beantwoord, met de nodige aandacht voor elementen zoals de kenmerken van de betrokken entiteit en de juridische en economische omgeving in het derde land waarin de entiteit opereert, met inbegrip van de rol van de overheid in de economie van dat derde land. Financiële bijdragen kunnen ook worden toegekend via een private entiteit indien de acties van die private entiteit aan het derde land zijn toe te rekenen. Het begrip “financiële bijdrage” omvat een breed scala aan steunmaatregelen die niet beperkt zijn tot geldovermakingen, bijvoorbeeld het verlenen van bijzondere of uitsluitende rechten aan een onderneming zonder een passende vergoeding te ontvangen die overeenstemt met de normale marktvoorwaarden.

(13)

Een financiële bijdrage moet een onderneming die op de interne markt een economische activiteit uitoefent, een voordeel verlenen. Een financiële bijdrage moet worden geacht een onderneming een voordeel te verlenen indien die onder normale marktvoorwaarden niet had kunnen worden verkregen. Het bestaan van een voordeel moet worden bepaald aan de hand van vergelijkingspunten, zoals de investeringspraktijk van private investeerders, de op de markt beschikbare financieringstarieven, een vergelijkbare fiscale behandeling of een passende vergoeding voor een bepaald goed of een bepaalde dienst. Indien geen rechtstreeks vergelijkbare ijkpunten voorhanden zijn, kunnen bestaande ijkpunten worden aangepast of kunnen alternatieve ijkpunten worden uitgewerkt op basis van algemeen aanvaarde beoordelingsmethoden. Voordelen kunnen bijvoorbeeld worden verleend in het kader van betrekkingen tussen overheidsinstanties en openbare ondernemingen indien die betrekkingen en met name financiering door de overheid aan openbare ondernemingen niet overeenstemmen met normale marktomstandigheden. Het afleveren of aankopen van goederen of diensten na een concurrerende, transparante en niet-discriminerende aanbestedingsprocedure wordt geacht in overeenstemming te zijn met de normale marktvoorwaarden. Een financiële bijdrage aan een onderneming met een economische activiteit op de interne markt mag niet als verleend voordeel worden beschouwd als de ijkpuntbeoordeling aangeeft dat de onderneming het voordeel onder normale marktomstandigheden zou hebben verkregen. Bij verrekenprijzen in het kader van binnen een onderneming uitgewisselde goederen en diensten kan er sprake zijn van een verleend voordeel als die verrekenprijzen niet in overeenstemming zijn met de normale marktvoorwaarden. Het door een financiële bijdrage verleend voordeel kan worden gegeven aan een onderneming met een economische activiteit in de Unie.

(14)

Het voordeel moet worden verleend aan een of meer ondernemingen of bedrijfstakken. De specificiteit van de buitenlandse subsidie kan rechtens of feitelijk worden vastgesteld.

(15)

Een buitenlandse subsidie moet worden beschouwd als toegekend vanaf het ogenblik dat de begunstigde het recht verkrijgt om de buitenlandse subsidie te ontvangen. De daadwerkelijke uitbetaling van de buitenlandse subsidie is geen noodzakelijke voorwaarde om een buitenlandse subsidie binnen het toepassingsgebied van deze verordening te laten vallen.

(16)

Een financiële bijdrage die uitsluitend wordt verleend voor de niet-economische activiteiten van een onderneming, is geen buitenlandse subsidie. Indien een financiële bijdrage voor een niet-economische activiteit echter wordt gebruikt als kruissubsidiëring voor de economische activiteiten van de onderneming, dan kan er sprake zijn van een buitenlandse subsidie die onder het toepassingsgebied van deze verordening valt. Indien een onderneming gebruikmaakt van financiële bijdragen, bijvoorbeeld in de vorm van bijzondere of uitsluitende rechten, of van financiële bijdragen die werden ontvangen om een door de overheid opgelegde last te compenseren, om andere activiteiten te kruis subsidiëren, dan kan die kruissubsidiëring erop wijzen dat de bijzondere of uitsluitende rechten worden verleend zonder behoorlijke vergoeding, of dat de last overgecompenseerd wordt en er dus sprake is van een buitenlandse subsidie.

(17)

Zodra het bestaan van een buitenlandse subsidie is vastgesteld, moet de Commissie per geval nagaan of dit de interne markt verstoort. Anders dan bij staatssteun die door een lidstaat wordt toegekend, geldt er geen algemeen verbod op buitenlandse subsidies.

(18)

Het is mogelijk dat het gebrek aan transparantie over talrijke buitenlandse subsidies en de complexiteit van de zakelijke realiteit het moeilijk maakt om het effect van een bepaalde buitenlandse subsidie op de interne markt eenduidig vast te stellen of te kwantificeren. Om de verstoring te bepalen, lijkt het dus noodzakelijk gebruik te maken van een niet-uitputtende reeks indicatoren. Bij het beoordelen van de vraag in hoeverre een buitenlandse subsidie de concurrentiepositie van een onderneming kan verbeteren en hoe die buitenlandse subsidie in dat verband de mededinging op de interne markt daadwerkelijk of potentieel ongunstig beïnvloedt, kan de Commissie rekening houden met bepaalde indicatoren, zoals het bedrag en de aard van de buitenlandse subsidie, het doel van en de voorwaarden verbonden aan de buitenlandse subsidie, alsmede het gebruik ervan op de interne markt.

(19)

Wanneer de Commissie aan de hand van deze indicatoren bepaalt of er sprake is van een verstoring op de interne markt kan zij verschillende elementen laten meewegen, zoals de omvang van de buitenlandse subsidie in absolute termen of ten opzichte van de omvang van de markt of ten opzichte van de waarde van de investering. Zo zal een concentratie waarbij een buitenlandse subsidie een substantieel deel van de aankoopprijs van de doelonderneming dekt, waarschijnlijk verstorend zijn. Ook zullen buitenlandse subsidies die een substantieel deel bestrijken van de geraamde waarde van een via een aanbestedingsprocedure te gunnen opdracht, waarschijnlijk verstoringen veroorzaken. Indien voor exploitatiekosten een buitenlandse subsidie wordt verstrekt, lijkt het waarschijnlijker dat dit verstoringen veroorzaakt dan wanneer deze voor investeringsuitgaven wordt toegekend. De kans dat buitenlandse subsidies aan kleine en middelgrote ondernemingen verstoringen veroorzaken, zou als minder groot kunnen worden beschouwd dan de kans dat buitenlandse subsidies aan grote ondernemingen verstoringen veroorzaken. Voorts moet worden gekeken naar de kenmerken van de markt, en met name de mededingingsvoorwaarden op de markt, zoals toegangsdrempels. Buitenlandse subsidies op door overcapaciteit gekenmerkte markten of op markten die tot overcapaciteit leiden doordat economisch niet rendabele activa in stand worden gehouden of doordat investeringen worden gestimuleerd in capaciteitsuitbreidingen die anders niet hadden plaatsgevonden, zullen waarschijnlijk verstoringen veroorzaken. Een buitenlandse subsidie aan een begunstigde die een geringe mate van activiteit op de interne markt vertoont, gemeten bijvoorbeeld in termen van in de Unie behaalde omzet, zal minder waarschijnlijk verstoringen veroorzaken dan een buitenlandse subsidie aan een begunstigde die in aanzienlijkere mate op de interne markt actief is. Als algemene regel geldt dat bij buitenlandse subsidies die over een periode van drie opeenvolgende jaren het bedrag van 4 miljoen EUR niet overschrijden, verstoringen van de interne markt in de zin van deze verordening weinig waarschijnlijk moeten worden geacht. Buitenlandse subsidies aan één onderneming waarvan het bedrag de de-minimissteun zoals bepaald in artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie (4) per derde land en over een periode van drie opeenvolgende jaren niet overschrijdt, moeten worden geacht de interne markt niet te verstoren in de zin van deze verordening.

(20)

Evenals bepaalde soorten staatssteun zullen ook bepaalde categorieën buitenlandse subsidies, zoals onbeperkte garanties, te weten garanties zonder enige beperking van het bedrag of de looptijd, naar hun aard waarschijnlijk verstoringen op de interne markt veroorzaken. Hetzelfde geldt voor een onrechtmatig voordelige inschrijving waarvan de voordelige aard, zoals de prijs, niet door andere factoren kan worden gerechtvaardigd. Bovendien zouden subsidies in de vorm van exportfinanciering, tenzij zij zijn verstrekt in overeenstemming met de OESO-regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten, een bijzondere bron van zorg kunnen zijn vanwege de verstorende effecten ervan. Aangezien bij die categorieën van buitenlandse subsidies verstoringen van de interne markt zeer waarschijnlijk zijn, hoeft de Commissie geen nadere beoordeling op basis van indicatoren uit te voeren. Een onderneming mag hoe dan ook steeds aantonen dat de buitenlandse subsidie in kwestie de interne markt in de specifieke omstandigheden van de zaak niet zou verstoren.

(21)

Zowel de lidstaten als alle natuurlijke of rechtspersonen kunnen informatie indienen over de positieve effecten van een buitenlandse subsidie, die de Commissie bij de afwegingstoets terdege in ogenschouw moet nemen. De Commissie dient de positieve effecten van de buitenlandse subsidie te overwegen op basis van het bewijsmateriaal dat voor die positieve effecten tijdens het onderzoek is ingediend. De positieve effecten moeten betrekking hebben op de ontwikkeling van de betrokken gesubsidieerde economische activiteit op de interne markt. Waar passend moet rekening worden gehouden met overige positieve effecten om te voorkomen dat de afweging tot ongerechtvaardigde discriminatie zou leiden. De Commissie dient ook de bredere positieve effecten in verband met de relevante beleidsdoelstellingen, in het bijzonder die van de Unie, te onderzoeken. Die beleidsdoelstellingen kunnen met name betrekking hebben op een hoog niveau van milieubescherming en sociale normen, en de bevordering van onderzoek en ontwikkeling. De Commissie moet die positieve effecten afwegen tegen de negatieve effecten van een buitenlandse subsidie in termen van verstoring op de interne markt. Bij een aanbestedingsprocedure dient de Commissie de beschikbaarheid van alternatieve bronnen voor de levering van de betrokken goederen en diensten in overweging te nemen. De afweging kan tot de conclusie leiden dat geen herstelmaatregelen worden opgelegd indien de positieve effecten opwegen tegen de negatieve. Bij categorieën buitenlandse subsidies die geacht worden zeer waarschijnlijk de interne markt te zullen verstoren, is de kans kleiner dat de positieve effecten opwegen tegen de negatieve. Indien de negatieve effecten overheersen, kan de afwegingstoets helpen om te bepalen wat de aard en het niveau van de verbintenissen of herstelmaatregelen moeten zijn. Aangezien de positieve effecten van een buitenlandse subsidie bij een afwegingstoets in beschouwing worden genomen, mag die afweging voor de onderneming in geen geval een slechter resultaat opleveren dan wanneer de afwegingstoets niet was toegepast. Telkens wanneer de Commissie een afwegingstoets verricht, moet zij de redenen daarvoor uiteenzetten in het besluit tot afsluiting van een diepgaand onderzoek.

(22)

Indien de Commissie een buitenlandse subsidie op eigen initiatief onderzoekt, moet zij de bevoegdheid hebben om herstelmaatregelen aan een onderneming op te leggen, om de door de buitenlandse subsidie op de interne markt veroorzaakte verstoringen te verhelpen. Die herstelmaatregelen moeten zowel structurele als niet-structurele remedies en de terugbetaling van de buitenlandse subsidie omvatten en zij moeten geschikt zijn om de betrokken verstoring te verhelpen en evenredig zijn. Wanneer de Commissie alternatieve herstelmaatregelen overweegt die elk de verstoring volledig en daadwerkelijk zouden verhelpen, moet zij dus de maatregel kiezen die zo weinig mogelijk lasten veroorzaakt voor de onderzochte onderneming.

(23)

De onderzochte onderneming moet de mogelijkheid hebben verbintenissen aan te bieden om de door de buitenlandse subsidie veroorzaakte verstoring te verhelpen. Indien de Commissie van oordeel is dat de aangeboden verbintenissen de verstoring volledig en daadwerkelijk verhelpen, kan zij deze accepteren en deze bij besluit verbindend verklaren. In dat geval mag de Commissie geen herstelmaatregelen opleggen.

(24)

De onderzochte onderneming kan aanbieden om de subsidie terug te betalen, vermeerderd met een passende rente. De Commissie moet instemmen met een terugbetaling die als verbintenis wordt aangeboden indien zij zich ervan kan vergewissen dat de terugbetaling de verstoring volledig verhelpt, transparant en controleerbaar wordt uitgevoerd en in de praktijk ook functioneert, waarbij zij rekening houdt met het risico dat de doelstellingen van deze verordening worden omzeild.

(25)

Tenzij de onderzochte onderneming verbintenissen aanbiedt waarmee de geconstateerde verstoring volledig en daadwerkelijk wordt verholpen, moet de Commissie de bevoegdheid hebben om een concentratie of de gunning van een opdracht te verbieden voordat deze plaatsvindt. Indien de concentratie reeds tot stand is gebracht, met name in gevallen waarin geen voorafgaande aanmelding vereist was omdat de aanmeldingsdrempels niet werden overschreden, kan de verstoring niettemin zo aanzienlijk zijn dat zij niet kan worden verholpen door gedragsmatige of structurele maatregelen of door de terugbetaling van de subsidie. In dergelijke gevallen zou de Commissie moeten kunnen beslissen om de verstoring te verhelpen door de ondernemingen te gelasten de concentratie te ontbinden.

(26)

De onderzochte onderneming kan aanbieden of de Commissie kan, waar dat evenredig en nodig is, de onderzochte onderneming verplichten om de Commissie gedurende een passende periode in kennis te stellen van haar deelname aan toekomstige concentraties of aanbestedingsprocedures in de Unie. De indiening van dergelijke informatie, of het antwoord of het uitblijven van een antwoord van de Commissie, mag bij de onderneming niet de legitieme verwachting wekken dat de Commissie later geen onderzoek meer zal instellen naar mogelijke buitenlandse subsidies aan de onderneming die aan de concentratie of aanbestedingsprocedure deelneemt.

(27)

De Commissie moet de bevoegdheid hebben om op eigen initiatief alle informatie over buitenlandse subsidies te onderzoeken. De lidstaten en elke natuurlijke of rechtspersoon of vereniging moeten de Commissie informatie kunnen verstrekken over vermeende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren. De Commissie zou een contactpunt kunnen oprichten zodat dergelijke informatie op vertrouwelijke wijze kan worden verstrekt. Wanneer lidstaten de Commissie relevante informatie verstrekken over vermeende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren, moet de Commissie ervoor zorgen dat die lidstaten een antwoord ontvangen. Om mogelijke buitenlandse subsidies te onderzoeken, na te gaan of deze de interne markt verstoren en eventuele verstoringen vervolgens te herstellen, voorziet deze verordening in een procedure in twee stappen: een voorlopige toetsing en een diepgaand onderzoek. Zodra een onderneming aan een van die beide stappen wordt onderworpen, moet zij als een onderzochte onderneming worden beschouwd.

(28)

De Commissie moet passende onderzoeksbevoegdheden krijgen om alle noodzakelijke informatie te verzamelen. Daarom moet zij de bevoegdheid krijgen om tijdens de hele procedure ondernemingen of ondernemingsverenigingen om informatie te verzoeken. Daarnaast moet de Commissie de bevoegdheid hebben om geldboeten en dwangsommen op te leggen voor het niet tijdig verstrekken van de verlangde informatie of voor het verstrekken van onvolledige, onjuiste of misleidende informatie. De Commissie moet ook vragen kunnen stellen aan lidstaten of derde landen. Voorts moet de Commissie de bevoegdheid hebben om een feitenonderzoek uit te voeren op de locaties van een onderneming of ondernemingsvereniging die zich in de Unie bevinden of, als het betrokken derde land officieel in kennis is gesteld en geen bezwaar uit, op de locaties van de onderneming in het derde land. Voor een doeltreffende inspectie moet de Commissie de bevoegdheid hebben de onderneming of ondernemingsvereniging te verzoeken met de inspectie in te stemmen. De Commissie moet ook de bevoegdheid hebben om op basis van de beschikbare feiten besluiten te nemen indien de onderzochte onderneming of het derde land dat de subsidie heeft verstrekt geen medewerking verleent.

(29)

Voorts moet de Commissie, indien zulks noodzakelijk is om onherstelbare schade aan de mededinging op de interne markt te voorkomen, de bevoegdheid hebben om voorlopige maatregelen vast te stellen.

(30)

Indien de Commissie, als gevolg van de voorlopige toetsing, over voldoende aanwijzingen beschikt voor het bestaan van een buitenlandse subsidie die de interne markt verstoort, moet zij de bevoegdheid hebben een diepgaand onderzoek in te leiden om voor het beoordelen van de buitenlandse subsidie aanvullende relevante informatie te verzamelen. De onderzochte onderneming moet in staat worden gesteld haar recht van verweer uit te oefenen.

(31)

De Commissie moet het diepgaande onderzoek beëindigen met de vaststelling van een besluit. Zij moet er zo veel mogelijk naar streven om het diepgaande onderzoek binnen 18 maanden af te sluiten en daarbij met name rekening houden met de complexiteit van de zaak en de mate waarin de betrokken ondernemingen en derde landen meewerken.

(32)

De Commissie moet over passende instrumenten beschikken om de doeltreffendheid van verbintenissen en herstelmaatregelen te borgen. Indien een onderneming een besluit met verbintenissen, een besluit met herstelmaatregelen of een besluit tot oplegging van voorlopige maatregelen niet naleeft, moet de Commissie de bevoegdheid hebben om geldboeten of dwangsommen van voldoende afschrikkende aard op te leggen. De Commissie moet rekening houden met gevallen van herhaalde niet-nakoming wanneer zij deze geldboeten of dwangsommen oplegt. Voor een grotere doeltreffendheid van deze verordening kan de Commissie samen met de verbintenissen of herstelmaatregelen ook geldboeten of dwangsommen opleggen.

(33)

Om de correcte en doeltreffende toepassing van deze verordening te verzekeren, moet de Commissie de bevoegdheid hebben een besluit te herroepen en een nieuw besluit vast te stellen indien het besluit berustte op onvolledige, onjuiste of misleidende informatie, indien een onderneming in strijd met haar verbintenissen of de opgelegde herstelmaatregelen handelt of indien de verbintenissen of herstelmaatregelen niet doeltreffend waren.

(34)

Gezien het potentieel aanzienlijke effect van concentraties op de interne markt, moet de Commissie de bevoegdheid hebben om, nadat aanmelding heeft plaatsgevonden, onderzoek te doen naar informatie over buitenlandse financiële bijdragen in het kader van een voorgenomen transactie. Ondernemingen mogen de concentratie niet tot stand brengen voordat het onderzoek door de Commissie is afgerond. Het onderzoek door de Commissie moet volgens dezelfde procedure verlopen als die voor het onderzoek door de Commissie van een buitenlandse subsidie op eigen initiatief, met de nodige aanpassingen om rekening te houden met de specifieke kenmerken van concentraties.

(35)

Een evenwicht moet worden gevonden tussen de doeltreffende bescherming van de interne markt en de noodzaak om de administratieve lasten te beperken voor ondernemingen die onder deze verordening vallen. Daarom moet alleen voor concentraties die voldoen aan in deze verordening vastgestelde gecombineerde drempels voor de omvang van de omzet in de Unie en de hoogte van de buitenlandse financiële bijdragen, een verplichte voorafgaande aanmelding gelden.

(36)

Onder die aanmeldingsdrempels moet de Commissie de aanmelding kunnen verlangen van potentieel gesubsidieerde concentraties die nog niet tot stand zijn gebracht of de aanmelding van potentieel gesubsidieerde inschrijvingen vóór de gunning van een opdracht, indien zij van oordeel is dat de concentratie of de inschrijving, gezien het effect ervan in de Unie, een voorafgaande toetsing verdient. Ook moet de Commissie de mogelijkheid hebben om op eigen initiatief een toetsing uit te voeren van reeds tot stand gebrachte concentraties of reeds gegunde opdrachten.

(37)

Bij de toetsing van een concentratie moet de beoordeling van de vraag of er al dan niet sprake is van een verstoring op de interne markt, beperkt blijven tot de betrokken concentratie, en mogen uitsluitend die buitenlandse subsidies die in de drie jaar vóór de concentratie zijn toegekend, in ogenschouw worden genomen.

(38)

In het kader van het mechanisme voor voorafgaande toetsing van concentraties moeten ondernemingen te goeder trouw bij de Commissie een verzoek om voorafgaand overleg kunnen indienen, met als doel richtsnoeren te ontvangen met betrekking tot de vraag of aan de aanmeldingsdrempels is voldaan.

(39)

Wanneer een concentratie bij de Commissie wordt aangemeld overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (5) en overeenkomstig deze verordening, dient de Commissie ernaar te streven de administratieve lasten van deze verordening voor de aanmeldende partijen te beperken. Ondernemingen moeten met name de mogelijkheid hebben om de specifieke informatie aan te geven die in het kader van een procedure op grond van deze verordening wordt verstrekt en die de Commissie ook mag gebruiken in procedures op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004.

(40)

De noodzaak om buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren tegen te gaan, springt met name in het oog bij overheidsopdrachten, gezien het economische belang ervan op de interne markt en het feit dat deze worden bekostigd uit middelen van de belastingbetalers. De Commissie moet de bevoegdheid hebben om, na aanmelding, doch vóór de gunning van een opdracht, informatie te onderzoeken over buitenlandse financiële bijdragen die in het kader van een aanbestedingsprocedure aan de deelnemende ondernemer worden verstrekt. Voorafgaande aanmeldingen moeten verplicht zijn boven een drempel die in deze verordening is vastgesteld om economisch belangrijke gevallen in beeld te krijgen, terwijl de administratieve lasten toch zo veel mogelijk wordt beperkt en de deelname van kleine en middelgrote ondernemingen aan overheidsopdrachten niet wordt belemmerd. Die verplichting tot voorafgaande aanmelding boven een bepaalde drempel moet ook gelden voor de in artikel 26, lid 2, van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad (6), artikel 19, lid 2, van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (7) en artikel 37, lid 2, van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (8) bedoelde combinaties van ondernemers. De Commissie mag ook verlangen dat in een aanbestedingsprocedure een buitenlandse financiële bijdrage vooraf wordt aangemeld ook al ligt de geraamde waarde ervan lager dan de aanmeldingsdrempels. De Commissie moet ernaar streven inmenging in aanbestedingsprocedures te beperken door er bij de keuze om voorafgaande kennisgeving te verlangen rekening mee te houden hoezeer de datum van gunning van de opdracht nadert.

(41)

Het evenwicht tussen de ontwikkeling van een Europese markt voor defensie- en veiligheidsuitrusting, die essentieel is voor het behoud van een Europese technologische en industriële defensiebasis, en de bescherming van de nationale veiligheid van de lidstaten vereist een specifieke regeling voor defensie- en veiligheidsopdrachten die onder Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad vallen (9). Aanbestedingen waarbij die opdrachten worden gegund, mogen derhalve niet onderworpen zijn aan de aanmeldingsvereisten op grond van deze verordening. Niettemin moet het mogelijk zijn de buitenlandse subsidies in het kader van die opdrachten ambtshalve te onderzoeken. Bovendien mogen overheidsopdrachten die onder Richtlijn 2009/81/EG vallen en die krachtens die richtlijn zijn vrijgesteld of waarvoor aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 346 VWEU is voldaan — waarbij bijvoorbeeld rekening wordt gehouden met het feit dat in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie de mogelijkheid om van deze uitzonderingen gebruik te maken niet aldus mag worden uitgelegd dat de werking ervan verder gaat dan strikt noodzakelijk is ter bescherming van de rechtmatige belangen die deze bepalingen helpen te vrijwaren en met de interpretatieve mededeling van de Commissie over de toepassing van artikel 296 VWEU op het gebied van defensieaanschaffingen — niet onder deze verordening vallen.

(42)

Raamovereenkomsten zijn een doeltreffende aanbestedingstechniek die op grote schaal door aanbestedende diensten en aanbestedende instanties wordt gebruikt. Deze verordening mag geen afbreuk doen aan de flexibiliteit die kopers na het sluiten van een raamovereenkomst wordt geboden. Derhalve moet de in deze verordening bepaalde aanmeldingsplicht voor buitenlandse financiële bijdragen in aanbestedingsprocedures beperkt blijven tot de procedure die voorafgaat aan de sluiting van een raamovereenkomst en mag zij niet van toepassing zijn op opdrachten op basis van een raamovereenkomst.

(43)

Rekening houdend met het dringende karakter van aanbestedingsprocedures die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 27, lid 3, of artikel 28, lid 6, van Richtlijn 2014/24/EU of artikel 45, lid 3, van Richtlijn 2014/25/EU, moet de Commissie alles in het werk stellen om tijdens een voorlopige toetsing en een diepgaand onderzoek voorrang te geven aan die procedures om zo spoedig mogelijk tot een betekenisvolle conclusie te komen. Dit moet van overeenkomstige toepassing zijn op soortgelijke procedures die overeenkomstig Richtlijn 2014/23/EU worden uitgevoerd.

(44)

Wegens de specifieke kenmerken van meerfasige procedures bij aanbestedingen moet de Commissie bij de indiening van het verzoek tot deelneming een voorlopige toetsing aanvangen met de relevantie informatie die in een aanmelding beschikbaar is. Om te waarborgen dat de informatie volledig is en het onderzoek vlot verloopt, moet bij de definitieve inschrijving een bijgewerkte aanmelding worden ingediend. De Commissie moet ook beschikken over het recht om aanvullende informatie te verzoeken voordat de definitieve inschrijving wordt ingediend.

(45)

Deze verordening heeft geen betrekking op de toegang van ondernemers uit derde landen tot de aanbestedingsmarkt van de Unie. Die materie valt onder het toepasselijke recht van de Unie en internationale overeenkomsten.

(46)

Wanneer een buitenlandse financiële bijdrage wordt aangemeld in het kader van een aanbestedingsprocedure, moet de beoordeling tot die procedure beperkt blijven.

(47)

In voorkomend geval moet de Commissie zoeken naar manieren om te waarborgen dat elektronische communicatiemiddelen worden gebruikt om de nakoming van verplichtingen inzake overheidsopdrachten uit hoofde van deze verordening te vergemakkelijken.

(48)

Geborgd moet worden dat de beginselen van overheidsopdrachten — met name evenredigheid, non-discriminatie, gelijke behandeling, transparantie en mededinging — in acht worden genomen ten aanzien van alle ondernemers die bij de aanbestedingsprocedure betrokken zijn, ongeacht of er op grond van deze verordening onderzoeken zijn ingeleid en lopen. Deze verordening doet geen afbreuk aan Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU wat betreft de toepasselijke verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal en arbeidsrecht.

(49)

Aanbestedende diensten of aanbestedende instanties kunnen besluiten een opdracht in de vorm van aparte percelen te gunnen, met name in overeenstemming met artikel 46 van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 65 van Richtlijn 2014/25/EU en met inachtneming van het verbod op kunstmatige splitsing. Wie zich inschrijft voor percelen met een waarde die de toepasselijke drempel overschrijdt, moet buitenlandse financiële bijdragen aanmelden.

(50)

Deze verordening mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor ondernemers om overeenkomstig Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU een beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten.

(51)

Deze verordening mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie om de ondernemers te verzoeken de relevante informatie of documentatie aan te vullen of te verduidelijken, zoals bepaald in Richtlijn 2014/23/EU, Richtlijn 2014/24/EU of Richtlijn 2014/25/EU, of in de nationale wetgeving tot uitvoering van die richtlijnen, mits dergelijke verzoeken worden gedaan met volledige inachtneming van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie.

(52)

Er is een sterke tendens onder overheidsinkopers om met het oog op schaalvoordelen en efficiëntieverhogingen hun aankopen te centraliseren. Dergelijke aankoopcentrales zijn aanbestedende diensten of aanbestedende instanties in de zin van Richtlijnen 2009/81/EG, 2014/24/EU en 2014/25/EU. De Commissie moet daarom buitenlandse subsidies kunnen onderzoeken in het kader van opdrachten die door dergelijke aanbestedende diensten of aanbestedende instanties worden gegund.

(53)

Buitenlandse subsidies die een ondernemer in staat stellen een onrechtmatig voordelige inschrijving voor de betrokken werken, leveringen of diensten in te dienen, moeten worden geacht daadwerkelijk of potentieel een verstoring van een aanbestedingsprocedure te veroorzaken. Die verstoringen moeten dus worden getoetst op basis van een niet-uitputtend stel indicatoren. Aan de hand van deze indicatoren moet kunnen worden bepaald op welke wijze de buitenlandse subsidie de mededinging verstoort door de concurrentiepositie van een onderneming te verbeteren en deze in staat te stellen een onrechtmatig voordelige inschrijving in te dienen. Ondernemers moeten in de gelegenheid worden gesteld om aan te tonen dat de inschrijving niet onrechtmatig voordelig is, onder meer door de in artikel 69, lid 2, van Richtlijn 2014/24/EU of artikel 84, lid 2, van Richtlijn 2014/25/EU inzake abnormaal lage inschrijvingen bedoelde elementen aan te voeren. Het gunningsverbod mag alleen worden toegepast indien het voordelige karakter van de inschrijving die buitenlandse subsidies geniet, niet te verantwoorden valt door andere factoren, indien de inschrijver de opdracht zou worden gegund en indien de inschrijvende onderneming geen verbintenissen heeft gedaan die als passend en afdoende werden beschouwd om de verstoring volledig en daadwerkelijk te verhelpen. Het gunningsverbod betreft dus de specifieke procedure waaronder de onrechtmatig voordelige inschrijving werd ingediend. De bevinding van de Commissie dat een ondernemer voordeel heeft gehaald uit een buitenlandse subsidie die de interne markt verstoort en hem in staat heeft gesteld een onrechtmatig voordelige inschrijving in te dienen, mag derhalve niet worden beschouwd als een element dat aanleiding geeft tot uitsluiting op grond van de facultatieve uitsluitingsgronden in artikel 38, lid 7, van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 57, lid 4, van Richtlijn 2014/24/EU of artikel 80 van Richtlijn 2014/25/EU in het kader van dezelfde of een andere aanbestedingsprocedure overeenkomstig die richtlijnen.

(54)

Een onrechtmatig voordelige inschrijving kan ook voortvloeien uit buitenlandse subsidies die aan een onderaannemer of leverancier worden toegekend vanwege de concurrentiegevolgen van deze subsidies voor de bij een aanbestedende dienst of aanbestedende instantie ingediende inschrijving. Om de administratieve lasten te beperken, moeten echter alleen hoofdonderaannemers of hoofdleveranciers, dat wil zeggen de personen van wie de producten of diensten betrekking hebben op belangrijke onderdelen van de opdracht of een bepaald percentage van de waarde van de opdracht overschrijden, buitenlandse financiële bijdragen aanmelden. Onderdelen van de opdracht kunnen als sleutelonderdelen worden beschouwd, met name op grond van de specifieke relevantie van het onderdeel voor de kwaliteit van de inschrijving, met inbegrip van specifieke knowhow, technologie, gespecialiseerd personeel, octrooien of soortgelijke voordelen voor de onderaannemer of leverancier, vooral wanneer die onderdelen worden gebruikt om te voldoen aan het grootste deel van ten minste een van de selectiecriteria in een aanbestedingsprocedure. Om een stabiele feitelijke basis voor een toetsing te waarborgen, moet bij de voorlopige toetsing rekening worden gehouden met de belangrijkste onderaannemers en leveranciers die reeds bekend zijn in het stadium van de indiening van de volledige kennisgeving of verklaring of de bijgewerkte kennisgeving of verklaring in het geval van meerfasige procedures. Deze verordening mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor ondernemers om bij de uitvoering van hun opdrachten gebruik te maken van nieuwe onderaannemers. Als gevolg daarvan mag het veranderen van onderaannemer of leverancier na de indiening van de volledige kennisgeving of verklaring of de bijgewerkte kennisgeving of verklaring of tijdens de uitvoering van een opdracht geen aanvullende kennisgevingsverplichtingen met zich meebrengen, maar de Commissie moet een ambtshalve toetsing kunnen beginnen indien zij beschikt over informatie, onder meer van een lidstaat, natuurlijke persoon, rechtspersoon of vereniging, dat die onderaannemers en leveranciers voordeel zouden kunnen gehaald hebben uit buitenlandse subsidies.

(55)

In lijn met de richtlijnen inzake openbare overheidsopdrachten moet de economisch meest voordelige inschrijving uit het oogpunt van de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie worden vastgesteld op basis van de prijs of de kosten, door gebruik te maken van een kosteneffectiviteitsbenadering, zoals de berekening van de levenscycluskosten, waarbij onder meer de beste prijs-kwaliteitsverhouding in aanmerking kan worden genomen, te bepalen op basis van criteria, waaronder kwalitatieve, milieu- of sociale aspecten, die verband houden met het onderwerp van de desbetreffende opdracht.

(56)

In het kader van rechtsmiddelen in verband met de toepassing van deze verordening, met name met betrekking tot aanbestedingsprocedures, heeft een nationale rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU, die een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het recht om het Hof van Justitie verzoeken om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het Unierecht, met inbegrip van deze verordening; in het in artikel 267 VWEU beschreven geval is die nationale rechterlijke instantie verplicht het Hof van Justitie om een dergelijke prejudiciële beslissing te verzoeken. In het licht van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie heeft die nationale rechterlijke instantie echter niet het recht een vraag stellen over de geldigheid van het besluit van de Commissie op verzoek van een betrokken ondernemer, die de mogelijkheid heeft gehad een beroep tot nietigverklaring van dat besluit in te stellen, met name indien dat besluit rechtstreeks en alleen op hem betrekking heeft, maar hij dit niet binnen de in artikel 263 VWEU gestelde termijn heeft gedaan.

(57)

Gezien het karakter van het mechanisme voor voorafgaande toetsing van concentraties en de gunning van overheidsopdrachten, en gelet op de behoefte aan rechtszekerheid ten aanzien van die specifieke transacties, mag de Commissie concentraties of inschrijvingen voor een overheidsopdracht die overeenkomstig de desbetreffende procedures zijn aangemeld en beoordeeld, niet opnieuw op eigen initiatief toetsen. Het is echter mogelijk dat financiële bijdragen waarvan de Commissie via de aanmeldingsprocedure in kennis is gesteld, ook buiten die concentratieprocedure of de procedure voor overheidsopdrachten relevant zijn.

(58)

De lidstaten moeten bij de toepassing van deze verordening op doeltreffende wijze samenwerken met de Commissie. Om deze samenwerking te vergemakkelijken, moet de Commissie een samenwerkingsmechanisme kunnen opzetten.

(59)

Om informatie over buitenlandse subsidies te kunnen verzamelen, moet de Commissie de mogelijkheid hebben om onderzoeken in te stellen naar specifieke economische sectoren, bepaalde soorten economische activiteiten of het gebruik van bepaalde instrumenten voor subsidiëring vanuit het buitenland. De Commissie moet de uit dergelijke marktonderzoeken verkregen informatie kunnen gebruiken om bepaalde transacties te toetsen in het kader van procedures op grond van deze verordening.

(60)

Wanneer de Commissie vermoedens heeft van het bestaan van herhaalde buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren, of wanneer er door middel van verschillende handhavingsmaatregelen uit hoofde van deze verordening wordt vastgesteld dat hetzelfde derde land buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren, heeft verleend, moet de Commissie een dialoog kunnen aangaan met het betrokken derde land om te onderzoeken hoe de subsidies die de interne markt verstoren, kunnen worden stopgezet of gewijzigd teneinde de verstorende gevolgen ervan voor de interne markt weg te nemen. Wanneer er in een bilaterale overeenkomst tussen de Unie en een derde land wordt voorzien in een overlegmechanisme dat betrekking heeft op buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren en die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, kan een dergelijk overlegmechanisme worden gebruikt om de dialoog met een derde land te faciliteren. De dialoog met het derde land mag de Commissie niet beletten uit hoofde van deze verordening toetsingen te starten of voort te zetten. De Commissie moet het Europees Parlement en de Raad op de hoogte houden van de desbetreffende ontwikkelingen.

(61)

Omwille van de rechtszekerheid moet de termijn waarbinnen het voor de Commissie mogelijk is een buitenlandse subsidie te onderzoeken, worden beperkt tot tien jaar vanaf de datum waarop zij is verleend.

(62)

Om diezelfde redenen dienen verjaringstermijnen te worden bepaald voor het opleggen en handhaven van geldboeten of dwangsommen.

(63)

Ten behoeve van de transparantie en de rechtszekerheid moet de Commissie alle besluiten die zij uit hoofde van deze verordening vaststelt, publiceren of openbaar maken, naargelang het geval integraal of in de vorm van een samenvatting.

(64)

Bij het bekendmaken van haar besluiten dient de Commissie, overeenkomstig artikel 339 VWEU, de voorschriften inzake de geheimhoudingsplicht, zoals de bescherming van alle vertrouwelijke informatie en bedrijfsgevoelige informatie, in acht te nemen. De verwerking van persoonsgegevens voor de toepassing van deze verordening dient te geschieden in overeenstemming met Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (10) en Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (11), naargelang welke van toepassing is op de verwerking van de gegevens in kwestie.

(65)

Wanneer door de onderneming als vertrouwelijk of bedrijfsgevoelig aangemerkte informatie niet onder de geheimhoudingsplicht lijkt te vallen, dient er een mechanisme te zijn op basis waarvan de Commissie het recht heeft te besluiten in hoeverre die informatie mag worden vrijgegeven. In een besluit ter verwerping van een bewering dat informatie vertrouwelijk is, moet een termijn worden vermeld na afloop waarvan de informatie zal worden vrijgegeven, zodat de betrokkene een beroep kan doen op de hem ter beschikking staande rechterlijke bescherming, met inbegrip van voorlopige maatregelen.

(66)

De ondernemingen die op grond van deze verordening worden onderzocht, moeten de gelegenheid hebben hun opmerkingen te maken over de redenen waarom de Commissie voornemens is een besluit te nemen, en moeten derhalve toegang hebben tot het dossier. Zowel het recht van verweer van de onderzochte onderneming als haar bedrijfsgevoelige informatie moet worden beschermd.

(67)

Indien de verstrekker van de informatie daarmee instemt, moet de Commissie ook bij de toepassing van andere handelingen van de Unie de informatie kunnen gebruiken die op grond van deze verordening is verkregen.

(68)

De lidstaten en de Commissie moeten alle nodige maatregelen nemen om de bescherming van gerubriceerde informatie te waarborgen, zulks met inachtneming van met name de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie (12) en Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 (13) en (EU, Euratom) 2015/444 (14) van de Commissie.

(69)

De Unie moet deze verordening uitvoeren in overeenstemming met het Unierecht en de WTO-overeenkomst en de uitvoering moet stroken met verbintenissen die zijn aangegaan op grond van andere handels- en investeringsovereenkomsten waarbij de Unie of de lidstaten partij zijn. Deze verordening moet een aanvulling zijn op de inspanningen van de Unie om de multilaterale regels voor het aanpakken van verstorende subsidies te verbeteren.

(70)

De in de artikelen 34, 49, 56 en 63 VWEU vastgestelde beperkingen op de vrijheden kunnen gerechtvaardigd zijn door de noodzaak om oneerlijke concurrentie te voorkomen, mits die beperkingen, evenals andere beperkingen van de fundamentele vrijheden, in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van het Unierecht — zoals evenredigheid en rechtszekerheid — en de grondrechten.

(71)

Het is mogelijk dat er bij de uitvoering van deze verordening overlappingen zijn met sectorale voorschriften, met name op het gebied van het zee- en luchtvervoer. Daarom moet de verhouding tussen deze verordening en sectorale instrumenten voor buitenlandse subsidies worden verduidelijkt, en met name Verordening (EEG) nr. 4057/86 van de Raad (15), Verordening (EU) 2016/1035 van het Europees Parlement en de Raad (16) en Verordening (EU) 2019/712 van het Europees Parlement en de Raad (17).

(72)

De handelingen van de Commissie krachtens deze verordening zijn overeenkomstig artikel 263 VWEU onderworpen aan toetsing door het Hof van Justitie. Overeenkomstig artikel 261 VWEU moet het Hof van Justitie met betrekking tot besluiten waarbij de Commissie geldboeten of dwangsommen oplegt, volledige rechtsmacht worden verleend.

(73)

Om de voorspelbaarheid van deze verordening te bevorderen, moet de Commissie richtsnoeren publiceren en die regelmatig bijwerken met betrekking tot de criteria om te bepalen of er een door een buitenlandse subsidie op de interne markt veroorzaakte verstoring bestaat, de toepassing van de afwegingstoets, de toepassing van haar bevoegdheid om een voorafgaande aanmelding te vragen van concentraties of buitenlandse financiële bijdragen die een ondernemer in het kader van een aanbestedingsprocedure ontvangt, en de beoordeling van een verstoring in een aanbestedingsprocedure. Bij het uitvaardigen van dergelijke richtsnoeren moet de Commissie de belanghebbenden en de lidstaten op passende wijze raadplegen. Om de uitvoering van deze verordening in een vroeg stadium van de toepassing ervan te vergemakkelijken, moet de Commissie ernaar streven verduidelijkingen over de toepassing van deze bepalingen vóór de bekendmaking van die richtsnoeren bekend te maken.

(74)

Om voor de uitvoering van deze verordening eenvormige voorwaarden te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend overeenkomstig artikel 291 VWEU. Die bevoegdheden moeten in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (18) worden uitgeoefend en hebben betrekking op: besluiten tot beëindiging van de diepgaande onderzoeken, de oplegging van voorlopige maatregelen, besluiten over concentraties die tot stand zijn gebracht in strijd met de aanmeldingsverplichting of met een besluit met verbintenissen of met een besluit waarbij een concentratie of de gunning van de opdracht in een aanbestedingsprocedure wordt verboden, alsmede over de intrekking van bepaalde besluiten en de uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot de vormen, inhoud, procedurele details en gerelateerde aangelegenheden met betrekking tot de voorlopige toetsing en het diepgaande onderzoek.

(75)

De Commissie moet de mogelijkheid hebben om een vereenvoudigde procedure vast te stellen volgens welke bepaalde concentraties of aanbestedingsprocedures worden behandeld op grond van het feit dat zij minder waarschijnlijk zullen leiden tot concurrentieverstoringen op de interne markt veroorzaakt door buitenlandse subsidies.

(76)

Om ook op lange termijn een gelijk speelveld op de interne markt te borgen, moet, teneinde ervoor te zorgen dat zowel via aanmeldingen als ambtshalve onderzochte zaken passend worden bestreken en onnodige administratieve lasten worden beperkt, aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen wat betreft de wijziging van de aanmeldingsdrempels voor concentraties en aanbestedingsprocedures, alsmede de inkorting van de termijnen voor de voorlopige toetsing en het diepgaande onderzoek van aangemelde concentraties of aangemelde financiële bijdragen in het kader van een aanbestedingsprocedure. Onverminderd de mogelijkheid om de aanmeldingsdrempels voor concentraties en openbare aanbestedingen te wijzigen door middel van een wetgevingsvoorstel, ook in het kader van de toetsing waarin deze verordening voorziet, kunnen die drempels tijdens de delegatieperiode uit hoofde van deze verordening eenmaal bij gedelegeerde handeling worden gewijzigd. Ten aanzien van financiële bijdragen in het kader van een aanbestedingsprocedure moet de bevoegdheid om een dergelijke handeling vast te stellen, zodanig worden uitgeoefend dat de belangen van kleine en middelgrote ondernemingen in acht worden genomen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (19). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(77)

Indien een concentratie op grond van deze verordening moet worden aangemeld, moeten financiële bijdragen die in de drie jaar vóór de datum van toepassing van deze verordening aan partijen bij de concentratie zijn toegekend, onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen. In het kader van een aanbestedingsprocedure moet deze verordening ook van toepassing zijn op een financiële bijdrage die een ondernemer is toegekend in de drie jaar vóór de datum van toepassing van deze verordening,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   De verordening heeft tot doel bij te dragen tot de goede werking van de interne markt door middel van geharmoniseerde regels om verstoringen te adresseren die direct of indirect worden veroorzaakt door buitenlandse subsidies; hierdoor moet een gelijk speelveld worden gegarandeerd. In de verordening worden voorschriften en procedures vastgelegd voor het onderzoek naar buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren, en voor het herstel van deze verstoringen. De verstoringen kunnen zich voordoen bij iedere economische activiteit, en met name bij concentraties en bij aanbestedingsprocedures.

2.   De verordening heeft betrekking op buitenlandse subsidies aan ondernemingen, inclusief aan openbare ondernemingen waarover de staat direct of indirect zeggenschap uitoefent en die een economische activiteit in de interne markt uitoefenen. Onder meer een onderneming die zeggenschap verkrijgt over een onderneming in de Unie of die daarmee fuseert, of een onderneming die deelneemt aan een openbare aanbestedingsprocedure in de Unie, wordt geacht een economische activiteit in de interne markt uit te oefenen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

1)

onder “onderneming” wordt bij aanbestedingsprocedures verstaan een ondernemer als gedefinieerd in artikel 1, punt 14), van Richtlijn 2009/81/EG, artikel 5, punt 2), van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 2, lid 1, punt 10), van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 2, punt 6), van Richtlijn 2014/25/EU;

2)

onder “opdracht” wordt bij aanbestedingsprocedures en tenzij anders vermeld, verstaan een overheidsopdracht als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 5), van Richtlijn 2014/24/EU, een opdracht als gedefinieerd in artikel 1, punt 2), van Richtlijn 2009/81/EG, opdrachten voor werken, leveringen en diensten als gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Richtlijn 2014/25/EU, en concessies als gedefinieerd in artikel 5, punt 1), van Richtlijn 2014/23/EU;

3)

onder “aanbestedingsprocedures” wordt verstaan:

a)

alle soorten gunningsprocedures die vallen onder Richtlijn 2014/24/EU wat betreft het sluiten van een overheidsopdracht, of onder Richtlijn 2014/25/EU wat betreft het sluiten van een opdracht voor werken, leveringen en diensten;

b)

een procedure voor de gunning van een concessie voor werken of diensten die valt onder Richtlijn 2014/23/EU;

c)

procedures voor het gunnen van opdrachten die vallen onder Richtlijn 2009/81/EG, tenzij die door lidstaten zijn vrijgesteld op grond van artikel 346 VWEU;

d)

procedures voor de gunning van opdrachten bedoeld in artikel 10, lid 4, punt a), van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 9, lid 1, punt a), van Richtlijn 2014/24/EU of artikel 20, lid 1, punt a), van Richtlijn 2014/25/EU;

4)

onder “aanbestedende dienst” wordt in het kader van aanbestedingsprocedures verstaan een aanbestedende dienst als gedefinieerd in artikel 1, punt 17, van Richtlijn 2009/81/EG, artikel 6 van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 2, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 3 van Richtlijn 2014/25/EU;

5)

onder “aanbestedende instantie” wordt in het kader van aanbestedingsprocedures verstaan een aanbestedende instantie als gedefinieerd in artikel 1, punt 17, van Richtlijn 2009/81/EG, artikel 7 van Richtlijn 2014/23/EU en artikel 4 van Richtlijn 2014/25/EU;

6)

onder een “meerfasige procedure” wordt verstaan een aanbestedingsprocedure overeenkomstig de artikelen 28 tot en met 32 van Richtlijn 2014/24/EU en de artikelen 46 tot en met 52 van Richtlijn 2014/25/EU, te weten een niet-openbare procedure, een mededingingsprocedure met onderhandeling, een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, een concurrentiegerichte dialoog of een innovatiepartnerschap, of een soortgelijke procedure overeenkomstig Richtlijn 2014/23/EU.

Artikel 3

Het bestaan van een buitenlandse subsidie

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt een buitenlandse subsidie geacht te bestaan indien een derde land direct of indirect een financiële bijdrage verstrekt waarmee een voordeel wordt verleend aan een onderneming die in de interne markt een economische activiteit uitoefent, en deze bijdrage rechtens of feitelijk is beperkt tot één of meerdere ondernemingen of bedrijfstakken.

2.   Voor de toepassing van deze verordening wordt onder andere het volgende verstaan onder een financiële bijdrage:

a)

een overdracht van financiële middelen of verplichtingen, zoals kapitaalinjecties, subsidies, leningen, leninggaranties, fiscale stimuleringsmaatregelen, compensaties voor exploitatietekorten, compensaties voor financiële lasten opgelegd van overheidswege, kwijtschelding van schulden, schuldconversies (debt-to-equity-swaps) en schuldherschikkingen;

b)

het niet-innen van inkomsten die normaliter verschuldigd zijn, zoals belastingvrijstellingen en het verlenen van bijzondere of exclusieve rechten zonder passende vergoeding;

c)

de levering of aankoop van goederen of diensten.

Onder een financiële bijdrage van een derde land wordt verstaan een financiële bijdrage van:

a)

een centrale overheid en van overheidsinstanties op alle overige niveaus;

b)

een buitenlandse overheidsentiteit waarvan het doen en laten aan een derde land kan worden toegerekend, gelet op elementen zoals de kenmerken van de entiteit en de juridische en economische omgeving in de staat waarin de entiteit actief is, waaronder ook de rol van de overheid in de betrokken economie valt, of

c)

een private entiteit waarvan het doen en laten aan een derde land kan worden toegerekend, gelet op alle relevante omstandigheden.

Artikel 4

Verstoringen in de interne markt

1.   Een verstoring in de interne markt wordt geacht te bestaan indien een buitenlandse subsidie de concurrentiepositie van een onderneming in de interne markt kan verbeteren, en die buitenlandse subsidie daardoor de concurrentie in de interne markt daadwerkelijk of potentieel ongunstig beïnvloedt. Of sprake is van verstoring in de interne markt of niet, wordt bepaald aan de hand van indicatoren, waarvan in het bijzonder de volgende deel kunnen uitmaken:

a)

het bedrag van de buitenlandse subsidie;

b)

de aard van de buitenlandse subsidie;

c)

de situatie van de onderneming, met inbegrip van de omvang ervan en de betrokken markten of sectoren;

d)

het niveau en de ontwikkeling van de economische activiteiten van de onderneming in de interne markt;

e)

het doel van en de voorwaarden verbonden aan de buitenlandse subsidie, alsook het gebruik ervan in de interne markt.

2.   Wanneer het totale bedrag van een buitenlandse subsidie aan een onderneming in een periode van drie opeenvolgende jaren 4 miljoen EUR niet overschrijdt, wordt het weinig waarschijnlijk geacht dat die subsidie de interne markt zal verstoren.

3.   Wanneer het totale bedrag van een buitenlandse subsidie aan een onderneming het bedrag van de-minimissteun in de zin van artikel 3, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1407/2013 per derde land in een periode van drie opeenvolgende jaren niet overschrijdt, zal die buitenlandse subsidie niet worden geacht de interne markt te verstoren.

4.   Een buitenlandse subsidie kan worden geacht de interne markt niet te verstoren voor zover deze bedoeld is om de schade van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen te herstellen.

Artikel 5

Categorieën buitenlandse subsidies die de interne markt zeer waarschijnlijk zullen verstoren

1.   Buitenlandse subsidies zullen de interne markt zeer waarschijnlijk verstoren wanneer zij tot een van de volgende categorieën behoren:

a)

een buitenlandse subsidie die is verstrekt aan een noodlijdende onderneming, te weten een onderneming die bij gebrek aan subsidie waarschijnlijk failliet zal gaan op korte of middellange termijn; een uitzondering kan worden gemaakt indien er een herstructureringsplan is dat geschikt is om te zorgen voor de levensvatbaarheid van die onderneming op lange termijn en die onderneming daaraan zelf een aanzienlijke eigen bijdrage levert;

b)

een buitenlandse subsidie in de vorm van een onbeperkte garantie voor de schulden of verplichtingen van de onderneming, te weten zonder enige beperking van het bedrag of de duur van de garantie;

c)

een exportkrediet dat niet conform de OESO-regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten is;

d)

een buitenlandse subsidie die rechtstreeks een concentratie vergemakkelijkt;

e)

een buitenlandse subsidie die een onderneming in staat stelt een onrechtmatig voordelige inschrijving in te dienen, op basis waarvan aan de onderneming de betrokken opdracht zou kunnen worden gegund.

2.   Een onderzochte onderneming krijgt de mogelijkheid informatie te verstrekken waaruit zou kunnen blijken dat een buitenlandse subsidie die onder een van de in lid 1 bedoelde categorieën valt, de interne markt in de omstandigheden van het geval niet verstoort.

Artikel 6

Afwegingstoets

1.   De Commissie kan op basis van de informatie die zij ontvangt, de negatieve effecten van een buitenlandse subsidie in de zin van een verstoring in de interne markt als bedoeld in de artikelen 4 en 5 afwegen tegen de positieve effecten op de ontwikkeling van de relevante economische activiteit in de interne markt die wordt gesubsidieerd. Ook kan de Commissie andere positieve effecten van de buitenlandse subsidie in aanmerking nemen, zoals effecten die zich uitstrekken tot relevante beleidsdoelstellingen, met name die van de Unie.

2.   De Commissie neemt de in lid 1 bedoelde beoordeling in aanmerking wanneer zij besluit over het al dan niet opleggen van herstelmaatregelen of het accepteren van verbintenissen, alsook over de aard en omvang van de herstelmaatregelen of verbintenissen.

Artikel 7

Verbintenissen en herstelmaatregelen

1.   De Commissie kan herstelmaatregelen opleggen om de verstoring in de interne markt te verhelpen die daadwerkelijk door een buitenlandse subsidie is veroorzaakt of mogelijk zal worden veroorzaakt, tenzij zij de verbintenissen als bedoeld in lid 2 die de onderzochte onderneming heeft aangeboden, heeft geaccepteerd.

2.   De Commissie kan de verbintenissen van de onderzochte onderneming accepteren indien deze de verstoring in de interne markt volledig en daadwerkelijk verhelpen. Indien de Commissie de verbintenissen accepteert, zijn deze bindend voor de onderzochte onderneming; hiertoe neemt de Commissie een besluit met verbintenissen conform artikel 11, lid 3. De naleving van de overeengekomen verbintenissen door de onderneming wordt, indien passend, gecontroleerd.

3.   Verbintenissen of herstelmaatregelen zijn evenredig en verhelpen volledig en effectief de daadwerkelijke verstoring die door de buitenlandse subsidie in de interne markt is veroorzaakt dan wel de potentiële verstoring die kán zijn veroorzaakt.

4.   Verbintenissen of herstelmaatregelen kunnen onder meer bestaan uit het volgende:

a)

het bieden van toegang op billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden tot infrastructuur – waaronder onderzoeksfaciliteiten, productielocaties of essentiële faciliteiten – die is verworven met of is gesteund door de buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren, tenzij door Uniewetgeving reeds in een dergelijke toegang is voorzien;

b)

het verminderen van de capaciteit of de marktaanwezigheid, onder andere door de economische activiteit tijdelijk te beperken;

c)

het afzien van bepaalde investeringen;

d)

het op billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden verlenen van licenties voor activa die zijn verworven of ontwikkeld met behulp van een buitenlandse subsidie;

e)

het bekendmaken van de resultaten van onderzoek en ontwikkeling;

f)

het afstoten van bepaalde activa;

g)

gelasten dat de ondernemingen de betrokken concentratie ontbinden;

h)

het terugbetalen van de buitenlandse subsidie, met inbegrip van een passende rentevoet, te berekenen in overeenstemming met de methode van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie (20);

i)

de betrokken ondernemingen gelasten hun bestuursstructuur aan te passen.

5.   De Commissie legt in voorkomend geval rapportage- en transparantievereisten op, met inbegrip van periodieke rapportage over de uitvoering van de verbintenissen en herstelmaatregelen als bedoeld in lid 4.

6.   Indien de onderzochte onderneming voorstelt de buitenlandse subsidie vermeerderd met een passende rente terug te betalen, accepteert de Commissie de terugbetaling uitsluitend als verbintenis indien de Commissie zich ervan kan vergewissen dat de terugbetaling transparant is, geverifieerd kan worden, en daadwerkelijk plaatsvindt. De Commissie let op het risico op omzeiling van de verbintenis tot terugbetaling.

Artikel 8

Informatie over toekomstige concentraties en aanbestedingsprocedures

Bij besluiten die ingevolge de artikelen 11, 25 en 31 worden genomen, en dit evenredig en noodzakelijk is, kan de onderzochte onderneming worden verplicht de Commissie gedurende een beperkte periode in kennis te stellen van haar deelname aan concentraties of aanbestedingsprocedures. Die verplichting laat kennisgevingsverplichtingen uit hoofde van de artikelen 21 en 29 onverlet.

HOOFDSTUK 2

AMBTSHALVE TOETSING EN ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE DE TOETSING VAN BUITENLANDSE SUBSIDIES

Artikel 9

Ambtshalve toetsing van buitenlandse subsidies

1.   De Commissie kan op eigen initiatief informatie onderzoeken uit iedere bron, waaronder de lidstaten, een natuurlijke of rechtspersoon of een vereniging, over vermoedelijke buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren.

2.   Ambtshalve toetsing van aanbestedingsprocedures blijft beperkt tot opdrachten die reeds gegund zijn.

Dergelijke toetsingen leiden niet tot intrekking van het besluit tot gunning van een opdracht of tot beëindiging van een opdracht.

Artikel 10

Voorlopige toetsing

1.   Wanneer de Commissie oordeelt dat de in artikel 9 bedoelde informatie erop wijst dat er sprake zou kunnen zijn van een buitenlandse subsidie die de interne markt verstoort, vergaart zij alle informatie die zij nodig acht om zich een voorlopig oordeel te vormen over de vraag of de financiële bijdrage een buitenlandse subsidie vormt en of deze de interne markt verstoort. Daartoe kan de Commissie in het bijzonder:

a)

om informatie verzoeken overeenkomstig artikel 13, en

b)

inspecties verrichten binnen en buiten de Unie overeenkomstig de artikelen 14 en 15.

2.   Wanneer een lidstaat de Commissie ervan op de hoogte heeft gebracht dat een nationale procedure wordt overwogen of reeds is ingeleid, stelt de Commissie die lidstaat in kennis van de start van de voorlopige toetsing. De Commissie brengt met name de lidstaten die haar krachtens Verordening (EU) 2019/452 in kennis hebben gesteld van een nationale procedure, op de hoogte van de start van de voorlopige toetsing. Wanneer de voorlopige toetsing betrekking heeft op een aanbestedingsprocedure, stelt de Commissie ook de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie hiervan in kennis.

3.   Indien de Commissie op basis van een voorlopige toetsing voldoende aanwijzingen heeft dat aan een onderneming een buitenlandse subsidie is verstrekt die de interne markt verstoort, handelt zij als volgt:

a)

zij besluit tot de inleiding van een diepgaand onderzoek (een zogenoemd besluit tot de inleiding van een diepgaande onderzoek); dit besluit noemt de feitelijke en juridische aspecten en bevat een voorlopige beoordeling van de vraag of een buitenlandse subsidie bestaat en van daadwerkelijke of potentiële verstoring in de interne markt;

b)

zij stelt de onderzochte onderneming, hiervan in kennis;

c)

zij stelt de lidstaten en, wanneer een diepgaand onderzoek naar een aanbestedingsprocedure wordt ingeleid, de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie hiervan in kennis stellen, en

d)

zij maakt een bericht bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie waarin wordt gevraagd om binnen een door de Commissie voorgeschreven termijn schriftelijk een standpunt kenbaar te maken.

4.   Indien de Commissie na een voorlopige beoordeling tot de conclusie komt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om een diepgaand onderzoek in te leiden – ofwel omdat er geen buitenlandse subsidie is verstrekt, ofwel omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een daadwerkelijke of potentiële verstoring in de interne markt – sluit zij de voorlopige toetsing af; zij doet hiervan kennis aan de onderzochte onderneming en aan de lidstaten die conform lid 2 in kennis zijn gesteld van de voorlopige toetsing, alsook aan de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie wanneer de voorlopige toetsing betrekking had op een aanbestedingsprocedure.

Artikel 11

Het diepgaand onderzoek

1.   In het diepgaande onderzoek neemt de Commissie de buitenlandse subsidie die in het besluit tot een diepgaand onderzoek wordt genoemd, onder de loep en vergaart zij alle nodige informatie overeenkomstig de artikelen 13, 14 en 15.

2.   Indien de Commissie op grond van de artikelen 4 tot en met 6 tot de bevinding komt dat een buitenlandse subsidie de interne markt verstoort, kan zij een besluit tot oplegging van herstelmaatregelen nemen in de vorm van een uitvoeringshandeling (een “besluit met herstelmaatregelen”). Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

3.   Indien de Commissie op grond van de artikelen 4 tot en met 6 tot de bevinding komt dat een buitenlandse subsidie de interne markt verstoort en de onderzochte onderneming verbintenissen aanbiedt die de Commissie passend en voldoende acht om de verstoring volledig en daadwerkelijk te verhelpen, kan de Commissie besluiten die verbintenissen bij uitvoeringshandeling bindend te maken voor de onderneming (een “besluit met verbintenissen”). Een besluit waarin de terugbetaling van een buitenlandse subsidie conform artikel 7, lid 6, wordt geaccepteerd, wordt beschouwd als een besluit met verbintenissen. Die uitvoeringshandeling wordt overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

4.   De Commissie stelt bij uitvoeringshandeling een besluit om geen bezwaar aan te tekenen (“besluit van geen bezwaar”) vast indien zij bevindt dat:

a)

de voorlopige beoordeling die in haar besluit tot inleiding van een diepgaand onderzoek wordt genoemd, niet bevestigd is geworden, of

b)

de verstoring in de interne markt minder erg is dan de positieve effecten in de zin van artikel 6.

Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

5.   De Commissie neemt, indien mogelijk, binnen 18 maanden na de inleiding van een diepgaand onderzoek een besluit over het vervolg van het onderzoek.

Artikel 12

Voorlopige maatregelen

1.   Om de mededinging op de interne markt in stand te houden en onherstelbare schade te voorkomen, kan de Commissie een uitvoeringshandeling vaststellen in de vorm van een besluit tot oplegging van voorlopige maatregelen, wanneer:

a)

er voldoende aanwijzingen zijn dat een financiële bijdrage een buitenlandse subsidie vormt en de interne markt verstoort, en

b)

er een risico bestaat op ernstige en onherstelbare schade voor de mededinging op de interne markt.

Die uitvoeringshandeling wordt overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

2.   De voorlopige maatregelen kunnen met name, maar niet uitsluitend, bestaan uit de in artikel 7, lid 4, punten a), c), en d), genoemde maatregelen. Er worden geen voorlopige maatregelen genomen ten aanzien van aanbestedingsprocedures.

3.   De voorlopige maatregelen gelden ofwel voor een specifieke termijn, die kan worden verlengd voor zover dat nodig en wenselijk is, ofwel totdat een definitief besluit is genomen.

Artikel 13

Verzoeken om informatie

1.   Om de haar bij deze verordening opgedragen taken uit te voeren, kan de Commissie overeenkomstig dit artikel informatie opvragen.

2.   De Commissie kan een onderzochte onderneming verplichten alle noodzakelijke informatie te verstrekken, met inbegrip van informatie over haar inschrijving voor een aanbestedingsprocedure.

3.   De Commissie kan die informatie ook opvragen bij andere ondernemingen of ondernemingsverenigingen, met inbegrip van informatie over hun inschrijvingen voor aanbestedingsprocedures, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.

4.   Een informatieverzoek op grond van lid 2 of 3:

a)

vermeldt de rechtsgrondslag en het doel ervan, geeft aan welke informatie vereist is en stelt een passende termijn vast waarbinnen de informatie moet worden verstrekt;

b)

bevat een verklaring dat, indien de verstrekte informatie onjuist, onvolledig of misleidend is, de in artikel 17 bepaalde geldboeten of dwangsommen kunnen worden opgelegd;

c)

bevat een verklaring dat, overeenkomstig artikel 16, bij gebreke van medewerking de Commissie een besluit kan nemen op grond van de beschikbare feiten.

5.   Op verzoek van de Commissie verstrekken lidstaten haar alle informatie die zij nodig heeft om de haar bij deze verordening opgedragen taken te vervullen. Lid 4, punt a), is van overeenkomstige toepassing.

6.   De Commissie kan ook van een derde land verlangen dat het alle noodzakelijke informatie verstrekt. Lid 4, punten a) en c), is van overeenkomstige toepassing.

7.   De Commissie kan met een natuurlijke of rechtspersoon een onderhoud hebben om informatie betreffende het onderwerp van een onderzoek te verzamelen, mits de betrokkene daarmee instemt. Indien het onderhoud niet in de gebouwen van de Commissie, telefonisch of via een ander elektronisch communicatiemiddel, zal de Commissie vóór het onderhoud plaatsvindt:

a)

de lidstaat op het grondgebied waarvan het onderhoud zal plaatsvinden, hiervan in kennis stellen, of

b)

de instemming verkrijgen van het derde land op het grondgebied waarvan het onderhoud zal plaatsvinden.

Artikel 14

Inspecties binnen de Unie

1.   Om de haar bij deze verordening opgedragen taken uit te voeren, kan de Commissie bij ondernemingen en ondernemingsverenigingen de noodzakelijke inspecties verrichten.

2.   Indien de Commissie een dergelijke inspectie uitvoert, beschikken de door de Commissie tot het verrichten van een inspectie gemachtigde functionarissen over de bevoegdheid om:

a)

alle lokalen, terreinen en vervoersmiddelen van de onderneming of ondernemingsvereniging te betreden;

b)

de boeken en andere zakelijke bescheiden te onderzoeken, ongeacht de drager waarop zij zijn opgeslagen, zich toegang te verschaffen tot alle informatie die toegankelijk is voor de entiteit waarop de inspectie betrekking heeft, en kopieën of uittreksels van die boeken of zakelijke bescheiden te maken of erom te verzoeken;

c)

om het even welke vertegenwoordiger en om het even welk personeelslid van de onderneming of ondernemingsvereniging te verzoeken om toelichting bij feiten of documenten die verband houden met het voorwerp en doel van de inspectie, en hun antwoorden op te tekenen;

d)

bedrijfslokalen en boeken of bescheiden te verzegelen gedurende de periode van, en voor zover nodig voor, de inspectie.

3.   De betrokken onderneming of ondernemingsvereniging onderwerpt zich aan bij besluit van de Commissie gelaste inspecties. De door de Commissie tot het verrichten van een inspectie gemachtigde functionarissen en andere begeleidende personen oefenen hun bevoegdheden uit op vertoon van een besluit van de Commissie dat:

a)

het voorwerp en het doel van de inspectie vermeldt;

b)

een verklaring bevat dat, overeenkomstig artikel 16, bij gebreke van medewerking de Commissie een besluit kan nemen op grond van de beschikbare feiten;

c)

de mogelijkheid vermeldt dat de in artikel 17 bepaalde geldboeten of dwangsommen worden opgelegd, en

d)

melding maakt van het recht om beroep in te stellen tegen het besluit bij het Hof van Justitie, overeenkomstig artikel 263 VWEU.

4.   De Commissie stelt de lidstaat op het grondgebied waarvan de inspectie zal worden verricht, geruime tijd vóór de inspectie hiervan in kennis, alsook van de begindatum ervan.

5.   De functionarissen en andere personen die zijn gemachtigd of aangewezen door de lidstaat op het grondgebied waarvan de inspectie zal worden verricht, verlenen, op verzoek van de lidstaat of van de Commissie, de door de Commissie gemachtigde functionarissen en andere begeleidende personen actief bijstand. Daartoe beschikken zij over de in lid 2 genoemde bevoegdheden.

6.   Indien door de Commissie gemachtigde functionarissen of andere begeleidende personen vaststellen dat een onderneming of ondernemingsvereniging zich tegen een inspectie in de zin van dit artikel verzet, verleent de lidstaat op het grondgebied waarvan de inspectie wordt verricht hun de nodige bijstand en verzoekt hij zo nodig de politie of een gelijkwaardige wetshandhavingsautoriteit om bijstand zodat zij in staat zijn hun inspectie te verrichten. Indien het nationale recht voorschrijft dat voor de in dit lid bedoelde bijstand de toestemming van een rechterlijke instantie vereist is, dient die toestemming te worden gevraagd. Die toestemming kan ook bij wijze van voorzorgsmaatregel worden gevraagd.

7.   Op verzoek van de Commissie voert een lidstaat op zijn grondgebied overeenkomstig zijn nationale recht een inspectie of ander feitenonderzoek uit, om uit te maken of er sprake is van een buitenlandse subsidie die de interne markt verstoort.

Artikel 15

Inspecties buiten de Unie

Om de haar bij deze verordening opgedragen taken uit te voeren, kan de Commissie inspecties verrichten op het grondgebied van een derde land, mits de regering van dat derde land officieel in kennis is gesteld van en geen bezwaar heeft gemaakt tegen de inspectie. De Commissie kan ook de onderneming of ondernemingsvereniging verzoeken in te stemmen met de inspectie. Artikel 14, leden 1 en 2, en lid 3, punten a) en b), zijn mutatis mutandis van toepassing.

Artikel 16

Niet-medewerking

1.   De Commissie kan op grond van de beschikbare feiten een besluit krachtens artikel 10, artikel 11, artikel 25, lid 3, punt c), of artikel 31, lid 2, nemen wanneer een onderzochte onderneming of een derde land dat de buitenlandse subsidie toekende:

a)

onvolledige, onjuiste of misleidende informatie verstrekt in antwoord op een verzoek om informatie op grond van artikel 13;

b)

de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie gestelde termijn verstrekt;

c)

weigert zich te onderwerpen aan een op grond van artikel 14 of artikel 15 gelaste inspectie door de Commissie binnen of buiten de Unie, of

d)

de voorlopige toetsing of het diepgaande onderzoek anderszins belemmert.

2.   Indien een onderneming of ondernemingsvereniging, een lidstaat of het derde land onjuiste of misleidende informatie aan de Commissie heeft verstrekt, wordt die informatie buiten beschouwing gelaten.

3.   Indien een onderneming, met inbegrip van een openbare onderneming waarover de staat direct of indirect zeggenschap uitoefent, niet de informatie verstrekt die noodzakelijk is om te bepalen of haar met een financiële bijdrage een voordeel wordt verleend, kan die onderneming geacht worden dat voordeel te hebben ontvangen.

4.   Indien moet worden besloten op grond van de beschikbare feiten, kan de uitkomst van de procedure voor de onderneming minder gunstig uitvallen dan wanneer zij medewerking had verleend.

Artikel 17

Geldboeten en dwangsommen

1.   De Commissie kan bij besluit geldboeten of dwangsommen opleggen indien een onderneming of ondernemingsvereniging opzettelijk of uit onachtzaamheid:

a)

in antwoord op een verzoek om informatie uit hoofde van artikel 13 onvolledige, onjuiste of misleidende informatie verstrekt, dan wel de informatie niet binnen de vastgestelde termijn verstrekt;

b)

tijdens een inspectie overeenkomstig artikel 14 geen volledige inzage geeft in de daartoe gevraagde boeken of andere bescheiden in verband met de onderneming;

c)

in antwoord op een overeenkomstig artikel 14, lid 2, punt c), gestelde vraag:

i)

een onjuist of misleidend antwoord geeft;

ii)

nalaat binnen de door de Commissie vastgestelde termijn een door een personeelslid gegeven onjuist, onvolledig of misleidend antwoord te corrigeren, of

iii)

nalaat of weigert een volledig antwoord te geven met betrekking tot feiten in verband met het voorwerp en het doel van een inspectie die is gelast bij wege van een besluit krachtens artikel 14, lid 3;

d)

weigert zich aan op grond van artikel 14 gelaste inspecties te onderwerpen of zegels heeft verbroken die overeenkomstig artikel 14, lid 2, punt d), zijn aangebracht, of

e)

nalaat te voldoen aan de voorwaarden voor toegang tot het dossier of de voorwaarden voor openbaarmaking die door de Commissie overeenkomstig artikel 42, lid 4, zijn opgelegd.

2.   Uit hoofde van lid 1 opgelegde geldboeten bedragen ten hoogste 1 % van de totale omzet van de betrokken onderneming of ondernemingsvereniging in het voorafgaande boekjaar.

3.   Uit hoofde van lid 1 opgelegde dwangsommen bedragen ten hoogste 5 % van de gemiddelde dagelijkse totale omzet van de betrokken onderneming of ondernemingsvereniging in het voorafgaande boekjaar voor elke werkdag waarmee de in haar besluit vastgestelde termijn wordt overschreden, berekend vanaf de in het besluit vastgestelde datum, totdat zij de door de Commissie verlangde informatie volledig en correct verstrekt, of totdat zij zich onderwerpt aan een inspectie.

4.   Voordat de Commissie een besluit overeenkomstig lid 1, punt a), vaststelt, stelt zij een laatste termijn van twee weken vast om van de onderneming of ondernemingsvereniging de ontbrekende informatie te ontvangen.

5.   Indien een onderneming een besluit met verbintenissen krachtens artikel 11, lid 3, een besluit tot oplegging van voorlopige maatregelen krachtens artikel 12 of een besluit met herstelmaatregelen krachtens artikel 11, lid 2, niet nakomt, kan de Commissie bij besluit:

a)

geldboeten opleggen van ten hoogste 10 % van de totale omzet van de betrokken onderneming in het voorafgaande boekjaar, of

b)

dwangsommen opleggen van ten hoogste 5 % van de gemiddelde dagelijkse totale omzet van de betrokken onderneming in het voorafgaande boekjaar voor elke dag dat het besluit niet in acht wordt genomen, vanaf de dag van het besluit van de Commissie waarbij die dwangsommen worden opgelegd, totdat de Commissie vindt dat de betrokken onderneming het besluit naleeft.

De Commissie kan dergelijke geldboeten of dwangsommen ook opleggen indien een onderneming een besluit krachtens artikel 11, 25 of 31 dat de onderneming op grond van artikel 8 verplicht de Commissie in kennis te stellen van haar toekomstige deelnames aan concentraties of aanbestedingsprocedures, niet nakomt.

6.   Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete of de dwangsom houdt de Commissie rekening met de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, met inachtneming van de beginselen van evenredigheid en redelijkheid.

7.   Wanneer de betrokken onderneming of ondernemingsvereniging de verplichting ter afdwinging waarvan de dwangsom was opgelegd, is nagekomen, kan de Commissie de uiteindelijk verschuldigde dwangsom verminderen ten opzichte van het bedrag dat bij het oorspronkelijke besluit tot oplegging van dwangsommen is vastgesteld.

Artikel 18

Herroeping

1.   De Commissie kan een krachtens artikel 11, lid 2, 3 of 4, artikel 25, lid 3, of artikel 31, lid 1, 2 of 3, genomen besluit herroepen en een nieuwe uitvoeringshandeling in de vorm van een besluit vaststellen wanneer:

a)

de onderneming waaraan het aanvankelijke besluit was gericht in strijd met haar verbintenissen of de opgelegde herstelmaatregelen handelt;

b)

het aanvankelijke besluit op onvolledige, onjuiste of misleidende informatie berust;

c)

verbintenissen of herstelmaatregelen niet doeltreffend zijn.

Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

2.   De herroeping van een besluit en de vaststelling van een nieuw besluit door de Commissie overeenkomstig lid 1 doet geen afbreuk aan het besluit van de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie tot gunning van een opdracht. Het doet evenmin afbreuk aan een opdracht die na een dergelijk gunningsbesluit werd gesloten.

HOOFDSTUK 3

CONCENTRATIES

Artikel 19

Verstoringen op de interne markt als gevolg van buitenlandse subsidies bij concentraties

Bij de beoordeling of een buitenlandse subsidie bij een concentratie de interne markt verstoort in de zin van artikel 4 of artikel 5, blijft die beoordeling beperkt tot de betrokken concentratie. Alleen buitenlandse subsidies die zijn toegekend in de drie jaren voorafgaand aan de sluiting van de overeenkomst, de aankondiging van het openbare overnamebod of de verwerving van een zeggenschapsbelang worden in de beschouwing betrokken.

Artikel 20

Concentraties en aanmeldingsdrempels

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt een concentratie geacht tot stand te komen indien er een duurzame wijziging van zeggenschap voortvloeit uit:

a)

de fusie van twee of meer voorheen onafhankelijke ondernemingen of delen van ondernemingen, of

b)

de verwerving door één of meer personen die reeds zeggenschap over ten minste één onderneming bezitten, of door één of meer ondernemingen, van rechtstreekse of onrechtstreekse zeggenschap — door de aankoop van effecten of activa, bij overeenkomst of op enige andere wijze — over één of meer andere ondernemingen of delen daarvan.

2.   De oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervult, vormt een concentratie in de zin van lid 1.

3.   Voor de toepassing van deze verordening wordt er geacht van een “aan te melden concentratie” sprake te zijn indien bij een concentratie:

a)

ten minste één van de bij de concentratie betrokken ondernemingen, de verworven onderneming of de gemeenschappelijke onderneming in de Unie is gevestigd en in de Unie een totale omzet van ten minste 500 miljoen EUR behaalt, en

b)

de onderstaande ondernemingen in totaal meer dan 50 miljoen EUR aan financiële bijdragen uit derde landen hebben ontvangen in de drie jaren voorafgaand aan de sluiting van de overeenkomst, de aankondiging van het openbare overnamebod of de verwerving van een zeggenschapsbelang:

i)

in het geval van een overname: de verwerver of verwervers en de verworven onderneming;

ii)

in geval van een fusie: de fuserende ondernemingen;

iii)

in het geval van een gemeenschappelijke onderneming: de ondernemingen die een gemeenschappelijke onderneming oprichten en de gemeenschappelijke onderneming.

4.   Er wordt geacht geen sprake te zijn van een concentratie indien:

a)

kredietinstellingen of andere financiële instellingen of verzekeringsmaatschappijen tot de normale werkzaamheden waarvan de verhandeling van effecten voor eigen rekening of voor rekening van derden behoort, tijdelijke deelnemingen houden die zij in een onderneming hebben verworven teneinde deze weer te verkopen, mits zij de aan deze deelnemingen verbonden stemrechten niet uitoefenen om het concurrentiegedrag van deze onderneming te bepalen of mits zij deze stemrechten slechts uitoefenen om de verkoop van deze onderneming of van haar activa, geheel of gedeeltelijk, of de verkoop van deze effecten voor te bereiden en deze verkoop plaatsvindt binnen een jaar na de verwerving;

b)

de zeggenschap door een lasthebber van de overheid is verkregen krachtens de wetgeving van een lidstaat inzake liquidatie, faillissement, insolventie, staking van betalingen, akkoord of soortgelijke procedures;

c)

de in lid 1, punt b), bedoelde handelingen worden uitgevoerd door de participatieondernemingen als gedefinieerd in artikel 2, punt 15), van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (21), mits de stemrechten die aan de in bezit zijnde deelnemingen zijn verbonden slechts worden uitgeoefend om, met name door de benoeming van de leden van de raden van bestuur en van toezicht van de ondernemingen waarin zij deelnemingen houden, de volledige waarde van die investeringen veilig te stellen en niet om direct of indirect het concurrentiegedrag van die ondernemingen te bepalen.

De in de eerste alinea, punt a), bedoelde termijn van één jaar kan op verzoek worden verlengd door de Commissie, wanneer de betrokken instellingen of ondernemingen kunnen aantonen dat de verkoop binnen de gestelde termijn redelijkerwijs niet mogelijk was.

5.   Zeggenschap berust op rechten, overeenkomsten of andere middelen die, afzonderlijk of gezamenlijk, met inachtneming van alle feitelijke en juridische omstandigheden, het mogelijk maken een beslissende invloed uit te oefenen op de activiteiten van een onderneming, en met name door:

a)

eigendoms- of gebruiksrechten op alle activa van een onderneming of delen daarvan;

b)

rechten of overeenkomsten die een beslissende invloed verschaffen op de samenstelling, het stemgedrag of de besluiten van de ondernemingsorganen.

6.   Zeggenschap wordt verkregen door personen of ondernemingen die:

a)

zelf rechthebbenden zijn of aan de betrokken overeenkomsten rechten ontlenen, of

b)

de bevoegdheid hebben, hoewel zij zelf geen rechthebbenden zijn, noch aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, de daaruit voortvloeiende rechten uit te oefenen.

Artikel 21

Voorafgaande aanmelding van concentraties

1.   Aan te melden concentraties worden bij de Commissie aangemeld vóór de totstandbrenging ervan en na de sluiting van de overeenkomst, de aankondiging van het openbare overnamebod of de verwerving van een zeggenschapsbelang.

2.   De betrokken ondernemingen kunnen de voorgenomen concentratie ook aanmelden indien zij aan de Commissie aantonen dat zij te goeder trouw voornemens zijn een overeenkomst te sluiten of, in het geval van een openbaar overnamebod, indien zij publiekelijk hun voornemen tot het doen van een dergelijk bod hebben aangekondigd, voor zover de voorgenomen overeenkomst of het voorgenomen bod zou leiden tot een op grond van lid 1 aan te melden concentratie.

3.   Concentraties door fusie in de zin van artikel 20, lid 1, punt a), of door verwerving van gezamenlijke zeggenschap in de zin van artikel 20, lid 1, punt b), worden gezamenlijk aangemeld door de partijen bij de fusie of door de partijen die de gezamenlijke zeggenschap verwerven. In alle overige gevallen vindt de aanmelding plaats door de persoon of de onderneming die de zeggenschap over één of meer ondernemingen of een gedeelte daarvan verwerft.

4.   Indien de betrokken ondernemingen hun aanmeldingsplicht niet nakomen, kan de Commissie een aan te melden concentratie overeenkomstig deze verordening toetsen, door de aanmelding ervan te verlangen. In dat geval is de Commissie niet aan de in artikel 24, leden 1 en 4, genoemde termijnen gebonden.

5.   De Commissie kan de voorafgaande aanmelding van een concentratie die geen aan te melden concentratie in de zin van artikel 20 is, verlangen op enig tijdstip vóór de totstandbrenging ervan indien zij vermoedt dat er in de drie jaar vóór de concentratie mogelijk buitenlandse subsidies zijn toegekend aan de betrokken ondernemingen. Een dergelijke concentratie wordt geacht een voor de toepassing van deze verordening aan te melden concentratie te zijn.

Artikel 22

Berekening van de omzet

1.   De totale omzet omvat de bedragen met betrekking tot de verkoop van producten en het leveren van diensten door de betrokken ondernemingen tijdens het voorafgaande boekjaar in het kader van de normale bedrijfsuitoefening, onder aftrek van kortingen, van belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de omzet samenhangende belastingen Bij de totale omzet van een betrokken onderneming wordt geen rekening gehouden met transacties tussen de in lid 4 bedoelde ondernemingen.

De in de Unie behaalde omzet omvat de in de Unie aan ondernemingen of consumenten verkochte producten en verleende diensten.

2.   Vindt de concentratie plaats via de verwerving van delen van één of meer ondernemingen, welke delen al dan niet een eigen rechtspersoonlijkheid bezitten, dan wordt, in afwijking van lid 1, ten aanzien van de vervreemder of vervreemders alleen rekening gehouden met de omzet van de delen die het voorwerp van de concentratie zijn.

Indien echter twee of meer transacties als bedoeld in de eerste alinea van dit lid binnen een periode van twee jaar plaatsvinden tussen dezelfde personen of ondernemingen, dan worden deze aangemerkt als één en dezelfde concentratie die op de dag van de laatste transactie heeft plaatsgevonden.

3.   Het volgende wordt gebruikt in plaats van de omzet:

a)

bij kredietinstellingen en andere financiële instellingen: de som van de onderstaande batenposten zoals omschreven in Richtlijn 86/635/EEG van de Raad (22), in voorkomend geval na aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de betrokken baten samenhangende belastingen:

i)

rente en soortgelijke baten;

ii)

opbrengsten uit effecten:

opbrengsten uit aandelen en andere niet-vastrentende effecten;

opbrengsten uit deelnemingen;

opbrengsten uit aandelen in verbonden ondernemingen;

iii)

ontvangen provisie;

iv)

nettobaten uit financiële transacties;

v)

overige bedrijfsopbrengsten;

b)

bij verzekeringsmaatschappijen: de waarde van de bruto geboekte premies, die alle uit hoofde van de door of namens de verzekeringsonderneming gesloten verzekeringsovereenkomsten ontvangen en te ontvangen bedragen omvatten, met inbegrip van de aan herverzekering afgestane premies en na aftrek van belastingen en parafiscale bijdragen of heffingen over het bedrag van de afzonderlijke premies of het totale premievolume.

Voor de toepassing van punt a) omvat de omzet van een kredietinstelling of een financiële instelling in de Unie de batenposten, zoals omschreven in dat punt, van het bijkantoor dat of de afdeling van die instelling die in de Unie is gevestigd.

Voor de toepassing van punt b) omvat de omzet van een verzekeringsonderneming in de Unie de brutopremies die van ingezetenen van de Unie worden ontvangen.

4.   Onverminderd lid 2, worden voor de berekening van de totale omzet van een betrokken onderneming de omzetten van de volgende ondernemingen opgeteld:

a)

de betrokken onderneming;

b)

de ondernemingen waarin de betrokken onderneming, direct of indirect:

i)

hetzij meer dan de helft van het kapitaal of de bedrijfsactiva bezit,

ii)

hetzij de bevoegdheid heeft om meer dan de helft van de stemrechten uit te oefenen,

iii)

hetzij de bevoegdheid heeft om meer dan de helft van de leden van de raad van toezicht, de raad van bestuur of de krachtens de wet tot vertegenwoordiging van die ondernemingen bevoegde organen te benoemen, of

iv)

hetzij het recht heeft de zaken van die ondernemingen te leiden;

c)

de ondernemingen die in de betrokken onderneming over de in punt b) genoemde rechten of bevoegdheden beschikken;

d)

de ondernemingen waarin een in punt c) bedoelde onderneming over de in punt b) genoemde rechten of bevoegdheden beschikt;

e)

de ondernemingen waarin twee of meer in de punten a) tot en met d) bedoelde ondernemingen gezamenlijk over de in punt b) genoemde rechten of bevoegdheden beschikken.

5.   Indien de betrokken ondernemingen gezamenlijk beschikken over de in lid 4, punt b), genoemde rechten of bevoegdheden, wordt bij de berekening van de totale omzet van de betrokken ondernemingen:

a)

rekening gehouden met de omzet die is behaald met de verkoop van producten en het verlenen van diensten tussen de gemeenschappelijke onderneming en derde ondernemingen, en wordt deze omzet in gelijke delen aan de betrokken ondernemingen toegerekend;

b)

geen rekening gehouden met de omzet die is behaald met de verkoop van producten en het verlenen van diensten tussen de gemeenschappelijke onderneming en elk van de betrokken ondernemingen of enige andere met een van die ondernemingen verbonden onderneming in de zin van lid 4, punten b) tot en met e).

Artikel 23

Optelling van financiële bijdragen

De totale financiële bijdrage aan een betrokken onderneming wordt berekend door optelling van de respectieve financiële bijdragen die zijn toegekend door derde landen aan alle in artikel 22, lid 2, en artikel 22, lid 4, punten a) tot en met e), bedoelde ondernemingen.

Artikel 24

Opschorting van concentraties en termijnen

1.   Een aan te melden concentratie wordt niet tot stand gebracht zolang deze niet is aangemeld.

Bovendien geldt het volgende:

a)

indien de Commissie een volledige aanmelding heeft ontvangen, wordt de concentratie niet tot stand gebracht voor een periode van 25 werkdagen na ontvangst van die aanmelding.

b)

indien de Commissie uiterlijk 25 werkdagen na ontvangst van de volledige aanmelding een diepgaand onderzoek inleidt, wordt de concentratie niet tot stand gebracht voor een periode van 90 werkdagen na de inleiding van het diepgaande onderzoek. Die periode wordt met 15 werkdagen verlengd indien de betrokken ondernemingen op grond van artikel 7 verbintenissen aanbieden om de verstoring in de interne markt te verhelpen;

c)

indien de Commissie een besluit heeft vastgesteld krachtens artikel 25, lid 3, punt a) of b), mag de concentratie vervolgens tot stand worden gebracht.

De in de punten a) en b) bedoelde termijn vangt aan op de eerste werkdag na de ontvangst van de volledige aanmelding of de vaststelling van het desbetreffende besluit van de Commissie.

2.   Lid 1 staat niet in de weg aan de tenuitvoerlegging van een openbaar overnamebod of van een reeks transacties met effecten, met inbegrip van effecten converteerbaar in andere effecten, die ter verhandeling worden toegelaten tot een markt, zoals een effectenbeurs, waardoor zeggenschap wordt verkregen van meerdere verkopers, mits:

a)

de concentratie overeenkomstig artikel 21 onverwijld bij de Commissie wordt aangemeld, en

b)

de verkrijger de aan de betrokken effecten verbonden stemrechten niet uitoefent dan wel slechts uitoefent om de volle waarde van zijn belegging te handhaven op basis van een door de Commissie overeenkomstig lid 3 van dit artikel verleende ontheffing.

3.   De Commissie kan op verzoek ontheffing verlenen van de in lid 1 of 2 vastgestelde verplichtingen. Een verzoek om een ontheffing dient te zijn gemotiveerd. Bij haar beslissing over het verzoek houdt de Commissie met name rekening met de gevolgen van de opschorting voor één of meer bij de concentratie betrokken ondernemingen of voor derden, alsmede met het risico op een verstoring in de interne markt dat de concentratie kan inhouden. Aan een dergelijke ontheffing kunnen voorwaarden en verplichtingen worden verbonden om te waarborgen dat er geen verstoring in de interne markt is. Een ontheffing kan te allen tijde, ofwel vóór de aanmelding ofwel na de transactie, worden aangevraagd en verleend.

4.   De in lid 1, punt b), van dit artikel gestelde termijnen worden verlengd indien de betrokken ondernemingen uiterlijk binnen 15 werkdagen na de inleiding van het diepgaande onderzoek krachtens artikel 10 een verzoek daartoe indienen. De betrokken ondernemingen kunnen slechts één dergelijk verzoek indienen.

De in lid 1, punt b), van dit artikel gestelde termijnen kunnen op elk ogenblik na de inleiding van het diepgaande onderzoek door de Commissie worden verlengd met instemming van de betrokken ondernemingen.

De totale duur van de verlenging of verlengingen die krachtens dit lid worden toegestaan, bedraagt niet meer dan 20 werkdagen.

5.   De Commissie kan, bij wijze van uitzondering, de in lid 1 gestelde termijnen schorsen indien de ondernemingen niet de volledige informatie hebben verstrekt die zij op grond van artikel 13 heeft opgevraagd, of geweigerd hebben zich aan een bij een besluit krachtens artikel 14 gelaste inspectie te onderwerpen.

6.   De Commissie kan krachtens artikel 25, lid 3, een besluit vaststellen zonder dat zij gebonden is aan de in de leden 1 en 4 van dit artikel genoemde termijnen, indien:

a)

zij vaststelt dat een concentratie tot stand is gebracht in strijd met de verbintenissen verbonden aan een besluit op grond van artikel 25, lid 3, punt a), of

b)

een besluit krachtens artikel 25, lid 1, is herroepen.

7.   Transacties die in strijd met lid 1 tot stand worden gebracht, worden alleen als geldig beschouwd nadat een besluit krachtens artikel 25, lid 3, is vastgesteld.

8.   Dit artikel tast niet de geldigheid aan van transacties met effecten, met inbegrip van effecten converteerbaar in andere effecten, die ter verhandeling worden toegelaten tot een markt, zoals een effectenbeurs, tenzij de kopers en de verkopers wisten of dienden te weten dat de transactie in strijd met lid 1 tot stand is gebracht.

Artikel 25

Procedurevoorschriften voor de voorlopige toetsing en het diepgaande onderzoek van aangemelde concentraties

1.   Artikel 10, artikel 11, leden 1, 3 en 4, en de artikelen 12 tot en met 16 en 18 zijn op aangemelde concentraties van toepassing.

2.   De Commissie kan tot uiterlijk 25 werkdagen na ontvangst van de volledige aanmelding een diepgaand onderzoek krachtens artikel 10, lid 3, inleiden.

3.   Na het diepgaande onderzoek stelt de Commissie een uitvoeringshandeling in de vorm van een van de volgende besluiten vast:

a)

een besluit met verbintenissen krachtens artikel 11, lid 3;

b)

een besluit van geen bezwaar krachtens artikel 11, lid 4, of

c)

een besluit dat een concentratie verbiedt, indien de Commissie tot de bevinding komt dat een buitenlandse subsidie de interne markt verstoort in de zin van de artikelen 4 tot en met 6.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

4.   Besluiten krachtens lid 3 worden binnen 90 werkdagen na het inleiden van het diepgaande onderzoek vastgesteld, eventueel te verlengen overeenkomstig artikel 24, lid 1, punt b), en leden 4 en 5. Indien de Commissie binnen die termijn geen besluit vaststelt, mogen de betrokken ondernemingen de concentratie tot stand brengen.

5.   In informatieverzoeken aan een onderneming vermeldt de Commissie of termijnen op grond van artikel 24, lid 5, worden opgeschort indien de onderneming binnen de gestelde termijn geen volledige informatie verschaft.

6.   De Commissie kan, indien zij tot de bevinding komt dat een op grond van artikel 21, lid 1, aan te melden concentratie of op grond van artikel 21, lid 5, op verzoek van de Commissie aangemelde concentratie, reeds tot stand is gebracht en dat buitenlandse subsidies in die concentratie de interne markt verstoren in de zin van de artikelen 4, 5 en 6, een van de volgende maatregelen vaststellen:

a)

de betrokken ondernemingen verplichten de concentratie te ontbinden, met name door ontbinding van de fusie of door zich van alle verkregen aandelen of activa te ontdoen om zo de situatie te herstellen zoals die bestond vóór de totstandbrenging van de concentratie, of, indien dit herstel door middel van ontbinding van de concentratie niet mogelijk is, elke andere passende maatregel om, voor zover mogelijk, een dergelijk herstel te bereiken;

b)

elke andere passende maatregel gelasten om te bereiken dat de betrokken ondernemingen de concentratie ontbinden of andere herstelmaatregelen nemen zoals opgelegd in haar besluit.

De Commissie kan de in de punten a) en b) van dit lid genoemde maatregelen opleggen bij een besluit krachtens lid 3, punt c), van dit artikel of bij een afzonderlijk besluit.

De Commissie kan door middel van een uitvoeringshandeling in de vorm van een besluit de in de punten a) en b) van dit lid genoemde maatregelen vaststellen indien zij tot de bevinding komt dat een concentratie tot stand is gebracht in strijd met een krachtens lid 3, punt a), van dit artikel genomen besluit waarbij is vastgesteld dat, zonder de verbintenissen, de concentratie aan het criterium van lid 3, punt c), van dit artikel zou voldoen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

7.   De Commissie kan een uitvoeringshandeling in de vorm van een besluit tot oplegging van de in artikel 12 bedoelde voorlopige maatregelen ook vaststellen wanneer:

a)

een concentratie in strijd met artikel 21 tot stand is gebracht;

b)

een concentratie in strijd met een besluit met verbintenissen krachtens lid 3, punt a), van dit artikel tot stand is gebracht.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

Artikel 26

Geldboeten en dwangsommen in concentratiezaken

1.   De Commissie kan geldboeten of dwangsommen opleggen zoals vastgesteld in artikel 17.

2.   De Commissie kan bij besluit aan de betrokken ondernemingen ook geldboeten van ten hoogste 1 % van de in het voorafgaande boekjaar behaalde totale omzet opleggen, indien die ondernemingen, opzettelijk of uit onachtzaamheid, onjuiste of misleidende informatie verstrekken in een aanmelding overeenkomstig artikel 21 of in een aanvulling daarop.

3.   De Commissie kan bij besluit aan de betrokken ondernemingen ook geldboeten van ten hoogste 10 % van de in het voorafgaande boekjaar behaalde totale omzet opleggen, indien die ondernemingen opzettelijk of uit onachtzaamheid:

a)

nalaten een aan te melden concentratie overeenkomstig artikel 21 vóór de totstandbrenging ervan aan te melden, tenzij zij daartoe uitdrukkelijk krachtens artikel 24 zijn gemachtigd;

b)

een aangemelde concentratie tot stand brengen in strijd met artikel 24;

c)

een aangemelde concentratie die overeenkomstig artikel 25, lid 3, punt c), is verboden, tot stand brengen;

d)

de aanmeldingsvereisten hebben omzeild of getracht hebben deze te omzeilen, als bedoeld in artikel 39, lid 1.

HOOFDSTUK 4

AANBESTEDINGSPROCEDURES

Artikel 27

Buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren in het kader van aanbestedingsprocedures

Onder buitenlandse subsidies die een verstoring van een aanbestedingsprocedure veroorzaken of dreigen te veroorzaken, worden buitenlandse subsidies verstaan die een ondernemer in staat stellen om voor de betrokken werken, leveringen of diensten een inschrijving in te dienen die onrechtmatig voordelig is. De beoordeling, op grond van artikel 4, van de vraag of er sprake is van een verstoring in de interne markt en of er sprake is van een onrechtmatig voordelige inschrijving met betrekking tot de werken, leveringen of diensten in kwestie, blijft beperkt tot de betrokken aanbestedingsprocedure. Alleen buitenlandse subsidies die in de drie jaar vóór de aanmelding zijn toegekend, worden in de beoordeling betrokken.

Artikel 28

Aanmeldingsdrempel in aanbestedingsprocedures

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt er geacht sprake te zijn van een aan te melden buitenlandse financiële bijdrage in een aanbestedingsprocedure indien:

a)

de geraamde waarde van die overheidsopdracht of raamovereenkomst exclusief btw, berekend overeenkomstig de bepalingen in artikel 8 van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 5 van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 16 van Richtlijn 2014/25/EU, of een specifieke opdracht in het kader van het dynamische aankoopsysteem, gelijk is aan of groter is dan 250 miljoen EUR, en

b)

de ondernemer, met inbegrip van zijn dochterondernemingen zonder commerciële autonomie, zijn participatieondernemingen en, in voorkomend geval, zijn hoofdonderaannemers en -leveranciers die betrokken zijn bij dezelfde inschrijving voor een aanbestedingsprocedure, in de drie jaren voorafgaand aan de aanmelding of, indien van toepassing, de bijgewerkte aanmelding, financiële bijdragen is toegekend waarvan de totale waarde gelijk is aan of groter is dan 4 miljoen EUR per derde land.

2.   Wanneer de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie besluit de opdracht op te splitsen in percelen, wordt geacht sprake te zijn van een aan te melden buitenlandse financiële bijdrage in een aanbestedingsprocedure indien de geraamde waarde van de opdracht exclusief btw de in lid 1, punt a), vastgelegde drempel overschrijdt, de waarde van het perceel of de totale waarde van alle percelen waarvoor de inschrijver zich inschrijft gelijk is aan of groter is dan 125 miljoen EUR en de buitenlandse financiële bijdrage gelijk is aan of groter is dan de in lid 1, punt b), vastgelegde drempel.

3.   Procedures voor de gunning van opdrachten die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/81/EG vallen, vallen niet onder dit hoofdstuk.

4.   De in artikel 32, lid 2, punt c), van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 50, punt d), van Richtlijn 2014/25/EU bedoelde procedures voor de gunning van opdrachten vallen onder de bepalingen van hoofdstuk 2 van deze verordening en worden uitgesloten van de toepassing van hoofdstuk 4 van deze verordening.

5.   In afwijking van artikel 29, lid 1, brengen ondernemers die een inschrijving of een verzoek tot deelname indienen, indien de werken, leveringen of diensten alleen door een bepaalde ondernemer kunnen worden verricht, overeenkomstig artikel 31, lid 4, van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 32, lid 2, punt b), van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 50, punt c), van Richtlijn 2014/25/EU en de geraamde waarde van de opdracht gelijk is aan of groter is dan de in lid 1, punt a), van dit artikel vastgelegde waarde, de Commissie op de hoogte van alle buitenlandse financiële bijdragen indien is voldaan aan de voorwaarde van lid 1, punt b, van dit artikel. Onverminderd de mogelijkheid om een onderzoek in te leiden overeenkomstig hoofdstuk 2 van deze verordening wordt de indiening van dergelijke informatie niet beschouwd als een aanmelding en niet onderzocht op grond van dit hoofdstuk.

6.   De aanbestedende dienst of aanbestedende instantie vermeldt in de aankondiging van een opdracht of, indien een procedure zonder voorafgaande bekendmaking, in de aanbestedingsstukken, dat de ondernemers onderworpen zijn aan de in artikel 29 bedoelde aanmeldingsverplichting. Het ontbreken van een dergelijke vermelding doet echter geen afbreuk aan de toepassing van deze verordening op opdrachten die onder haar toepassingsgebied vallen.

Artikel 29

Voorafgaande aanmelding of verklaring van buitenlandse financiële bijdragen in het kader van aanbestedingsprocedures

1.   Indien overeenkomstig artikel 28, leden 1 en 2, sprake is van aan te melden financiële bijdragen melden ondernemers die deelnemen aan een aanbestedingsprocedure alle buitenlandse financiële bijdragen in de zin van artikel 28, lid 1, punt b), aan bij de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie. In alle andere gevallen sommen ondernemers alle ontvangen buitenlandse financiële bijdragen op in een verklaring en bevestigen zij dat deze ontvangen buitenlandse financiële bijdragen overeenkomstig artikel 28, lid 1, punt b), niet hoefden te worden aangemeld. Bij een openbare procedure worden de aanmelding of verklaring slechts eenmaal ingediend, samen met de inschrijving. Bij een meerfasige procedure bestaat wordt de aanmelding of verklaring tweemaal ingediend: eenmaal bij het indienen van het verzoek tot deelname en eenmaal als bijgewerkte aanmelding of bijgewerkte verklaring bij het indienen van de inschrijving of de definitieve inschrijving.

2.   Zodra de aanmelding of verklaring is ingediend, geleidt de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie deze onverwijld door naar de Commissie.

3.   Indien het verzoek tot deelname of de inschrijving geen aanmelding of verklaring bevat, kan de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie de betrokken ondernemers verzoeken deze alsnog binnen tien werkdagen in te dienen. Inschrijvingen of verzoeken tot deelname van ondernemers die onderworpen zijn aan de verplichtingen van dit artikel en die ondanks een verzoek van de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie overeenkomstig dit lid uiteindelijk niet vergezeld gaan van de overeenkomstig lid 1 ingediende aanmelding of verklaring, worden door de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie onregelmatig verklaard en afgewezen. De aanbestedende dienst of aanbestedende instantie informeert de Commissie over die afwijzing.

4.   De Commissie bekijkt onverwijld de inhoud van de ontvangen aanmelding. Wanneer de Commissie vaststelt dat de aanmelding onvolledig is, deelt zij dit mee aan de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie en de betrokken ondernemer, en verzoekt zij de ondernemer de inhoud ervan binnen tien werkdagen te vervolledigen. Wanneer een aanmelding bij een inschrijving of verzoek tot deelname ondanks een verzoek van de Commissie overeenkomstig dit lid onvolledig blijft, stelt de Commissie een besluit vast waarbij de inschrijving onregelmatig wordt verklaard. In dat besluit verzoekt de Commissie ook de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie een besluit vast te stellen tot afwijzing van een dergelijke onregelmatige inschrijving of een dergelijk onregelmatig verzoek tot deelname.

5.   De verplichting uit hoofde van dit artikel om buitenlandse financiële bijdragen aan te melden, geldt voor ondernemers, voor in artikel 26, lid 2, van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 19, lid 2, van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 37, lid 2, van Richtlijn 2014/25/EU bedoelde combinaties van ondernemers, en voor hoofdonderaannemers en hoofdleveranciers die op het moment van indiening van de volledige aanmelding of verklaring, of volledige bijgewerkte aanmelding of verklaring, bekend zijn. Voor de toepassing van deze verordening geldt een onderaannemer of leverancier als hoofdonderaannemer of hoofdleverancier indien zijn deelname de belangrijkste elementen van de uitvoering van de opdracht garandeert en hoe dan ook indien het economische aandeel van zijn bijdrage meer dan 20 % van de waarde van de ingediende inschrijving bedraagt.

6.   Voor combinaties van ondernemers, hoofdonderaannemers en hoofdleveranciers neemt de hoofdaannemer in de zin van Richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU of de hoofdconcessiehouder in de zin van Richtlijn 2014/23/EU de indiening van de aanmelding of verklaring voor zijn rekening. Voor de toepassing van artikel 33 geldt dat de hoofdaannemer of hoofdconcessiehouder enkel verantwoordelijk is voor de waarheidsgetrouwheid van de gegevens inzake zijn eigen buitenlandse financiële bijdragen.

7.   Wanneer de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie bij bestudering van de inschrijvingen vermoedt dat er sprake is van buitenlandse subsidies, hoewel er een verklaring is ingediend, brengt de dienst of instantie de Commissie onverwijld op de hoogte van die vermoedens. Onverminderd de bij Richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU vastgestelde bevoegdheden van aanbestedende diensten of aanbestedende instanties om na te gaan of een inschrijving abnormaal laag is, beoordelen de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie niet of een inschrijving abnormaal laag is indien het vermoeden dat er mogelijk sprake is van buitenlandse subsidies de enige aanleiding voor die beoordeling zou zijn. Indien de Commissie concludeert dat er geen sprake is van een onrechtmatig voordelige inschrijving in de zin van deze verordening, brengt zij de betrokken aanbestedende dienst of aanbestedende instantie daarvan op de hoogte. Andere natuurlijke of rechtspersonen kunnen de Commissie om het even welke informatie verstrekken met betrekking tot buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren en bij de Commissie melding maken van alle vermoedens van mogelijk valse verklaringen.

8.   Onverminderd de mogelijkheid van de Commissie om een ambtshalve procedure in te leiden, kan de Commissie, indien zij vermoedt dat een ondernemer in de drie jaar vóór de inschrijving of vóór het verzoek tot deelname aan de aanbestedingsprocedure voordeel heeft gehaald uit buitenlandse subsidies, vóór de gunning van de opdracht de aanmelding eisen van de door derde landen aan die ondernemer toegekende buitenlandse financiële bijdragen in aanbestedingsprocedures die niet krachtens artikel 28, lid 1, hoefden te worden aangemeld of die onder de toepassing van artikel 30, lid 4, vallen. Indien de Commissie de aanmelding van een dergelijke financiële bijdrage heeft verlangd, wordt de financiële bijdrage beschouwd als een aan te melden buitenlandse financiële bijdrage in een aanbestedingsprocedure en valt deze onder de bepalingen van hoofdstuk 4.

Artikel 30

Procedurevoorschriften voor de voorlopige toetsing en het diepgaande onderzoek van aangemelde financiële bijdragen in aanbestedingsprocedures

1.   Artikel 10, artikel 11, leden 1, 3 en 4, en de artikelen 13, 14, 15, 16, 18 en 23 zijn van toepassing op aangemelde financiële bijdragen in aanbestedingsprocedures.

2.   De Commissie voert uiterlijk 20 werkdagen nadat zij een volledige aanmelding heeft ontvangen, een voorlopige toetsing uit. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie deze termijn één keer met tien werkdagen verlengen.

3.   De Commissie beslist binnen de termijn voor het afronden van een voorlopige toetsing of zij een diepgaand onderzoek inleidt en stelt de betrokken ondernemer en de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie daarvan onverwijld in kennis.

4.   Indien de Commissie een voorlopige toetsing heeft afgesloten zonder een besluit vast te stellen en nieuwe informatie haar vervolgens doet vermoeden dat een ingediende aanmelding of verklaring onvolledig was, of als die aanmelding of verklaring niet naar de Commissie wordt doorgeleid, kan de Commissie overeenkomstig artikel 29, lid 4, verdere informatie verlangen. De Commissie kan op basis van deze nieuwe informatie een voorlopige toetsing heropenen. Indien de voorlopige toetsing wordt opgestart op grond van dit hoofdstuk vormt het moment waarop de Commissie de nieuwe aanmelding of verklaring ontvangt het uitgangspunt om de duur van de voorlopige toetsing te bepalen, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om waar nodig op grond van hoofdstuk 2 een voorlopige toetsing op te starten.

5.   De Commissie kan een besluit tot afsluiting van het diepgaande onderzoek vaststellen uiterlijk 110 werkdagen na ontvangst van de volledige aanmelding. Deze periode kan eenmalig met 20 werkdagen worden verlengd, na raadpleging van de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie, in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke gevallen zoals de in lid 6 bedoelde onderzoeken of in de in artikel 16, lid 1, punten a) en b), bedoelde gevallen.

6.   In afwijking van lid 2 onderzoekt de Commissie bij meerfasige aanbestedingsprocedures de met verzoek tot deelname ingediende volledige aanmelding binnen 20 werkdagen na ontvangst van de aanmelding, zonder de voorlopige toetsing af te sluiten of tot een besluit over het opstarten van een diepgaand onderzoek te komen. Nadat de termijn van 20 werkdagen verstrijkt, wordt de voorlopige toetsing opgeschort tot er een definitieve inschrijving of een inschrijving in het geval van een niet-openbare procedure is ingediend. Zodra de inschrijving of de definitieve inschrijving met een volledige en bijgewerkte aanmelding is ingediend, wordt de voorlopige toetsing hervat en beschikt de Commissie over 20 werkdagen om die na overweging van eventuele aanvullende informatie af te ronden. De Commissie stelt een besluit tot afsluiting van een volgend diepgaand onderzoek vast binnen 90 werkdagen nadat de volledige en bijgewerkte aanmelding is ingediend.

Artikel 31

Besluiten van de Commissie

1.   Indien de Commissie na een diepgaand onderzoek tot de bevinding komt dat een ondernemer voordeel haalt uit een buitenlandse subsidie die de interne markt verstoort in de zin van de artikelen 4, 5 en 6, en indien de betrokken ondernemer verbintenissen aanbiedt die de verstoring in de interne markt volledig en effectief verhelpen, stelt zij krachtens artikel 11, lid 3, een uitvoeringshandeling in de vorm van een besluit met verbintenissen vast. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

2.   Indien de betrokken ondernemer geen verbintenissen aanbiedt of indien de Commissie de in lid 1 bedoelde verbintenissen niet passend en afdoende acht om de verstoring volledig en effectief te verhelpen, stelt de Commissie een uitvoeringshandeling in de vorm van een besluit vast waarbij de gunning van de opdracht aan de betrokken ondernemer wordt verboden (“besluit dat de gunning van de opdracht verbiedt”). Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld. Na dat besluit wijst de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie de inschrijving af.

3.   Wanneer de Commissie na een diepgaand onderzoek niet tot de bevinding komt dat een ondernemer voordeel haalt een buitenlandse subsidie die de interne markt verstoort, stelt zij een uitvoeringshandeling vast in de vorm van een besluit krachtens artikel 11, lid 4. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

4.   De beoordeling op grond van artikel 6 mag niet resulteren in een met het Unierecht onverenigbare wijziging van de oorspronkelijk door de ondernemer ingediende inschrijving of definitieve inschrijving.

Artikel 32

Evaluaties in aanbestedingsprocedures met een aanmelding en opschorting van de gunning

1.   Tijdens de voorlopige toetsing en het diepgaande onderzoek kunnen alle procedurele stappen in de aanbestedingsprocedure doorlopen, behalve de gunning van de opdracht.

2.   Indien de Commissie krachtens artikel 30, lid 3, een besluit tot inleiding van een diepgaand onderzoek neemt, wordt de opdracht aan een ondernemer die een aanmelding op grond van artikel 29 indient, pas gegund nadat de Commissie tot een besluit op grond van artikel 31, lid 3, is gekomen of voordat de in artikel 30, lid 5 of 6, gestelde termijnen zijn verstreken. Indien de Commissie binnen de toepasselijke termijn geen besluit heeft vastgesteld, mag de opdracht aan om het even welke ondernemer worden gegund, ook aan de ondernemer die de aanmelding heeft ingediend.

3.   Wanneer de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie tot de bevinding komt dat de economisch meest voordelige inschrijving werd ingediend door een ondernemer die een verklaring in de zin van artikel 29 heeft ingediend en wanneer de Commissie geen onderzoek heeft opgestart overeenkomstig artikel 29, lid 8, of artikel 30, lid 3 of 4, dan mag de opdracht worden gegund aan de ondernemer die daartoe een inschrijving heeft ingediend voordat de Commissie een van de in artikel 31 genoemde besluiten vaststelt, voordat de in artikel 30, lid 2, 5 of 6, gestelde termijnen zijn verstreken of voordat de Commissie een van de in artikel 31 genoemde besluiten met betrekking tot andere in onderzoek zijnde inschrijvingen vaststelt.

4.   Indien de Commissie met betrekking tot een inschrijving die volgens de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie de meest voordelige inschrijving is, een besluit overeenkomstig artikel 31, lid 2, vaststelt, kan de opdracht worden gegund aan de ondernemer waarvoor geen besluit krachtens artikel 31, lid 2, geldt en die de op één na meest voordelige inschrijving heeft ingediend.

5.   Indien de Commissie krachtens artikel 31, lid 1 of 3, een besluit vaststelt, mag de opdracht worden gegund aan iedere ondernemer die de meest voordelige inschrijving heeft ingediend, met inbegrip van de ondernemer die op grond van artikel 29 de aanmelding heeft ingediend.

6.   De aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie stelt de Commissie onverwijld in kennis van alle besluiten met betrekking tot het annuleren van de aanbestedingsprocedure, het afwijzen van een inschrijving of verzoek tot deelname door de betrokken ondernemer, het indienen van een nieuwe inschrijving door de betrokken ondernemer of het gunnen van de opdracht.

7.   De beginselen inzake aanbestedingsprocedures — zoals de beginselen van evenredigheid, non-discriminatie, gelijke behandeling, transparantie en mededinging — worden in acht genomen ten aanzien van alle ondernemers die bij de aanbestedingsprocedure zijn betrokken. Het onderzoek van buitenlandse subsidies op grond van deze verordening leidt er niet toe dat de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie de betrokken ondernemers behandelt op een wijze die met die beginselen strijdig is. De milieu-, sociale en arbeidsvoorschriften zijn van toepassing op ondernemers overeenkomstig Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU of andere Uniewetgeving.

8.   De in dit hoofdstuk bedoelde termijnen vangen aan op de eerste werkdag na de ontvangst van de aanmelding of de vaststelling van het desbetreffende besluit van de Commissie.

Artikel 33

Geldboeten en dwangsommen voor financiële bijdragen in het kader van aanbestedingsprocedures

1.   De Commissie kan geldboeten of dwangsommen opleggen zoals vastgesteld in artikel 17.

2.   De Commissie kan bij besluit aan de betrokken ondernemers ook geldboeten van ten hoogste 1 % van de in het voorafgaande boekjaar behaalde totale omzet opleggen, indien die ondernemers opzettelijk of uit onachtzaamheid onjuiste of misleidende informatie verstrekken in een aanmelding of verklaring overeenkomstig artikel 29 of in een aanvulling daarop.

3.   De Commissie kan bij besluit aan de betrokken ondernemers ook geldboeten van ten hoogste 10 % van de in het voorafgaande boekjaar behaalde totale omzet opleggen, indien die ondernemers opzettelijk of uit onachtzaamheid:

a)

tijdens de aanbestedingsprocedure buitenlandse financiële bijdragen niet overeenkomstig artikel 29 aanmelden;

b)

de aanmeldingsvereisten omzeilen of trachten te omzeilen in de zin van artikel 39, lid 1.

HOOFDSTUK 5

GEMEENSCHAPPELIJKE PROCEDUREVOORSCHRIFTEN

Artikel 34

Verband tussen procedures

1.   Een financiële bijdrage die op grond van artikel 21 in het kader van een concentratie of op grond van artikel 29 in het kader van een aanbestedingsprocedure is aangemeld, kan relevant zijn en krachtens deze verordening worden beoordeeld met betrekking tot een andere economische activiteit.

2.   Een financiële bijdrage die op grond van artikel 10 of artikel 11 in het kader van een ambtshalve procedure in verband met een specifieke economische activiteit is beoordeeld, kan relevant zijn en krachtens deze verordening worden beoordeeld met betrekking tot een andere economische activiteit.

Artikel 35

Informatieverstrekking

1.   Een lidstaat die oordeelt dat er mogelijk sprake is van een buitenlandse subsidie en dat die de interne markt zouden kunnen verstoren, geeft informatie daarover door aan de Commissie. De Commissie kan op basis van die informatie besluiten om op grond van artikel 10 een voorlopige toetsing op te starten of op grond van artikel 21, lid 5, of artikel 29, lid 8, een aanmelding te verlangen.

2.   Natuurlijke of rechtspersonen of verenigingen kunnen de Commissie alle in hun bezit zijnde informatie meedelen in verband met buitenlandse subsidies die de interne markt kunnen verstoren. De Commissie kan op basis van die informatie besluiten om op grond van artikel 10 een voorlopige toetsing op te starten of op grond van artikel 21, lid 5, of artikel 29, lid 8, een aanmelding te verlangen.

3.   De Commissie maakt niet-vertrouwelijke versies van alle op grond van deze verordening vastgestelde besluiten toegankelijk voor de lidstaten en de betrokken aanbestedende diensten of aanbestedende instanties via een speciale elektronische databank.

Artikel 36

Marktonderzoek

1.   Indien de informatie waarover de Commissie beschikt een redelijk vermoeden staaft dat buitenlandse subsidies in een specifieke bedrijfstak, voor een specifiek type economische activiteit of op basis van een specifiek subsidie-instrument de interne markt kunnen verstoren, kan de Commissie een marktonderzoek voeren naar die specifieke bedrijfstak, dat specifieke type economische activiteit of het gebruik van het betrokken subsidie-instrument. Tijdens dat marktonderzoek kan de Commissie de betrokken ondernemingen of ondernemingsverenigingen verplichten de noodzakelijke informatie te verstrekken en kan zij de noodzakelijke inspecties verrichten. De Commissie kan ook de betrokken lidstaten of het betrokken derde land vragen informatie te verstrekken.

2.   De Commissie maakt waar relevant een verslag bekend over de uitkomsten van haar marktonderzoek naar specifieke bedrijfstakken, specifieke types economische activiteit of specifieke subsidie-instrumenten en verzoekt om opmerkingen.

3.   De Commissie kan de met dergelijke marktonderzoeken verkregen informatie gebruiken in het kader van procedures op grond van deze verordening.

4.   De artikelen 13, 14, 15 en 17 zijn van toepassing op marktonderzoeken.

Artikel 37

Dialoog met derde landen

1.   Wanneer de Commissie na een marktonderzoek op grond van artikel 36 vermoedt dat er herhaalde buitenlandse subsidies bestaan die de interne markt verstoren, of wanneer er door middel van verschillende handhavingsmaatregelen uit hoofde van deze verordening wordt vastgesteld dat hetzelfde derde land buitenlandse subsidies heeft verleend die de interne markt verstoren, kan de Commissie een dialoog aangaan met het betrokken derde land om te onderzoeken hoe die subsidies kunnen worden stopgezet of gewijzigd teneinde de verstorende gevolgen ervan voor de interne markt weg te nemen. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van relevante ontwikkelingen.

2.   Die dialoog met derde landen belet de Commissie niet om uit hoofde van deze verordening maatregelen te nemen. Individuele maatregelen op grond van deze verordening worden niet binnen die dialoog behandeld.

Artikel 38

Verjaringstermijnen

1.   Voor de bevoegdheden van de Commissie uit hoofde van de artikelen 10 en 11 geldt een verjaringstermijn van tien jaar, die ingaat op de dag waarop een buitenlandse subsidie aan een onderneming wordt toegekend. De verjaringstermijn wordt gestuit door elke door de Commissie op grond van artikel 10, 13, 14 of 15 ten aanzien van een buitenlandse subsidie gestelde handeling. Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn van tien jaar te lopen.

2.   Voor de bevoegdheden van de Commissie om geldboeten of dwangsommen op grond van de artikelen 17, 26 en 33 op te leggen, geldt een verjaringstermijn van drie jaar, die ingaat op de dag waarop de in de artikelen 17, 26 of 33 bedoelde inbreuk is gemaakt. Bij voortdurende of voortgezette inbreuken gaat de verjaringstermijn in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd. De verjaringstermijn voor het opleggen van geldboeten of dwangsommen wordt gestuit door elke handeling van de Commissie ten aanzien van een in artikel 17, 26 of 33 bedoelde inbreuk. Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn van drie jaar te lopen.

3.   Voor de bevoegdheden van de Commissie om besluiten af te dwingen waarbij geldboeten of dwangsommen op grond van de artikelen 17, 26 en 33 worden opgelegd, geldt een verjaringstermijn van vijf jaar, die ingaat op de dag waarop het besluit van de Commissie tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen is genomen. Iedere handeling die door de Commissie, of door een op verzoek van de Commissie handelende lidstaat, wordt gesteld om de betaling van de geldboete of dwangsom af te dwingen, stuit die verjaringstermijn. Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen.

4.   De verjaringstermijn verstrijkt uiterlijk op de dag waarop tweemaal de verjaringstermijn is verstreken op voorwaarde dat de Commissie:

a)

geen besluit heeft genomen op grond van artikel 10 of 11 in de gevallen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, of

b)

geen boete of dwangsom heeft opgelegd in het geval zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel.

5.   De verjaring wordt geschorst zolang over het besluit van de Commissie een beroep aanhangig is bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel 39

Bestrijding van ontduiking

1.   Een onderneming mag geen financiële activiteiten of contracten organiseren om de aanmeldingsvereisten van artikel 21, leden 1 en 5, en artikel 29, leden 1, 5 en 8, te omzeilen.

2.   Indien de Commissie vermoedt dat een onderneming zich heeft ingelaten of inlaat met een in lid 1 bedoelde praktijk, kan zij die onderneming verplichten alle inlichtingen te verstrekken die de Commissie nodig acht om te bepalen of de onderneming zich met de in lid 1 bedoelde praktijken heeft ingelaten of inlaat, en kan zij een nieuwe toetsing aanvangen overeenkomstig artikel 21, lid 4, of artikel 30, lid 4.

Artikel 40

Bekendmaking van besluiten

1.   De Commissie maakt een samenvatting openbaar van de besluiten die krachtens artikel 10, lid 3, punt a), zijn vastgesteld zodat natuurlijke of rechtspersonen, de lidstaten of de derde landen die de buitenlandse subsidie hebben verleend, hun standpunt kenbaar kunnen maken.

2.   De Commissie maakt de krachtens artikel 11, leden 2, 3 en 4, artikel 25, leden 3 en 6, en artikel 31, leden 1, 2 en 3, vastgestelde besluiten bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.   Bij de openbaarmaking van samenvattingen en besluiten houdt de Commissie terdege rekening met de rechtmatige belangen van ondernemingen dat hun bedrijfsgevoelige informatie en andere vertrouwelijke informatie wordt beschermd.

Artikel 41

Adressaten van besluiten

1.   De Commissie brengt een besluit onverwijld ter kennis van een onderneming of ondernemingsvereniging waaraan het is gericht en geeft die onderneming of ondernemingsvereniging de gelegenheid om de Commissie aan te geven welke informatie in het besluit hij als vertrouwelijk beschouwt.

2.   De Commissie stelt de betrokken aanbestedende dienst of aanbestedende instantie in kennis van een op grond van artikel 31, leden 1 en 3, vastgesteld besluit dat is gericht tot een ondernemer die aan een aanbestedingsprocedure deelneemt.

3.   Krachtens artikel 29, lid 4, en artikel 31, lid 2, vastgestelde besluiten worden gericht tot de betrokken aanbestedende dienst of aanbestedende instantie. De Commissie verschaft de ondernemer waaraan de opdracht niet mag worden gegund, een afschrift van dat besluit.

Artikel 42

Openbaarmaking en recht van verweer

1.   De Commissie geeft, voordat zij een besluit krachtens artikel 11, artikel 12, artikel 17, artikel 18, artikel 25, lid 3, artikel 26, artikel 31 of artikel 33 vaststelt, de onderzochte onderneming de gelegenheid opmerkingen te maken over de gronden waarop de Commissie voornemens is haar besluit vast te stellen.

2.   In afwijking van lid 1 kan een besluit op grond van artikel 12 voorlopig worden genomen zonder dat de onderzochte onderneming de gelegenheid krijgt om vooraf opmerkingen te maken, op voorwaarde dat de Commissie na het nemen van haar besluit de onderzochte onderneming daar zo spoedig mogelijk de gelegenheid toe geeft.

3.   De Commissie baseert haar besluiten uitsluitend op bezwaren ten aanzien waarvan de betrokken ondernemingen in de gelegenheid zijn gesteld hun opmerkingen kenbaar te maken.

4.   Om haar recht uit hoofde van lid 1 te kunnen uitoefenen, heeft de onderneming ten aanzien waarvan een onderzoek loopt recht het dossier van de Commissie in te kijken. Het recht tot inzage van het dossier geldt niet voor vertrouwelijke inlichtingen of interne documenten van de Commissie of de lidstaten, en met name niet voor correspondentie tussen de Commissie en de lidstaten.

Het recht tot inzage van het dossier vereist een rechtmatig belang van de ondernemingen of de ondernemingsverenigingen om hun bedrijfsgeheimen en andere vertrouwelijke informatie te beschermen. De Commissie kan de onderzochte onderneming en de ondernemingen of ondernemingsverenigingen die de Commissie informatie hebben verstrekt, verzoeken voorwaarden voor de openbaarmaking van die informatie overeen te komen. Indien de ondernemingen of de ondernemingsverenigingen geen overeenstemming bereiken over die voorwaarden, is de Commissie bevoegd om die voorwaarden voor de openbaarmaking van de informatie op te leggen.

Niets in dit lid belet de Commissie om voor zover nodig informatie te gebruiken en openbaar te maken waaruit blijkt dat een buitenlandse subsidie die de interne markt verstoort, bestaat.

Artikel 43

Beroepsgeheim en vertrouwelijkheid

1.   De op grond van deze verordening verkregen informatie wordt uitsluitend gebruikt voor het doel waarvoor zij is verkregen tenzij met de informatieverstrekker anders wordt overeengekomen.

2.   De lidstaten en de Commissie, hun functionarissen en andere onder hun toezicht werkende personen waarborgen de bescherming van bij de toepassing van deze verordening verkregen vertrouwelijke informatie die in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften. Daartoe mogen zij geen informatie bekendmaken die onder de geheimhoudingsplicht valt en die zij op grond van deze verordening hebben verkregen.

3.   De leden 1 en 2 vormen geen beletsel voor de openbaarmaking van statistische gegevens en verslagen die geen informatie bevatten waaruit de identiteit van specifieke ondernemingen of ondernemingsverenigingen blijkt.

4.   De bekendmaking van uit hoofde van deze verordening verstrekte informatie doet geen afbreuk aan de wezenlijke veiligheidsbelangen van de lidstaten.

HOOFDSTUK 6

VERHOUDING TOT ANDERE INSTRUMENTEN

Artikel 44

Verhouding tot andere instrumenten

1.   Deze verordening laat de toepassing van de artikelen 101, 102, 106, 107 en 108 VWEU, van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (23) en van Verordening (EG) nr. 139/2004 onverlet.

2.   Deze verordening laat de toepassing van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad (24) onverlet.

3.   Deze verordening laat de toepassing van Verordening (EU) 2019/452 onverlet.

4.   Deze verordening laat de toepassing van Verordening (EU) 2022/1031 van het Europees Parlement en de Raad (25) onverlet.

5.   Deze verordening heeft voorrang op Verordening (EU) 2016/1035 totdat die verordening overeenkomstig artikel 18 ervan van toepassing wordt. Wanneer na die datum een buitenlandse subsidie binnen het toepassingsgebied van zowel Verordening (EU) 2016/1035 als deze verordening valt, heeft Verordening (EU) 2016/1035 voorrang. De bepalingen van deze verordening die op overheidsopdrachten en concentraties van toepassing zijn, hebben evenwel voorrang op Verordening (EU) 2016/1035.

6.   Deze verordening heeft voorrang op Verordening (EEG) nr. 4057/86.

7.   Deze verordening laat de toepassing van Verordening (EU) 2019/712 onverlet. Concentraties in de zin van artikel 20 van deze verordening waarbij luchtvaartmaatschappijen betrokken zijn, vallen onder de bepalingen van hoofdstuk 3 van deze verordening. Aanbestedingsprocedures waarbij luchtvaartmaatschappijen betrokken zijn, vallen onder de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze verordening.

8.   Deze verordening wordt geïnterpreteerd in overeenstemming met Richtlijnen 2009/81/EG, 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU, en Richtlijnen 89/665/EEG (26) en 92/13/EEG van de Raad (27).

9.   Deze verordening staat er niet aan in de weg dat de Unie op grond van internationale overeenkomsten haar rechten uitoefent of haar verplichtingen nakomt. Een onderzoek op grond van deze verordening wordt niet uitgevoerd, noch worden maatregelen opgelegd of gehandhaafd indien dat onderzoek of die maatregelen strijdig zijn met de verplichtingen van de Unie uit hoofde van ter zake relevante internationale overeenkomsten die de Unie heeft gesloten. Met name worden krachtens deze verordening geen maatregelen getroffen die neerkomen op een bijzondere maatregel tegen een subsidie in de zin van artikel 32.1 van de overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen die is toegekend door een derde land dat lid is van de Wereldhandelsorganisatie.

HOOFDSTUK 7

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 45

Toetsing door het Hof van Justitie

Overeenkomstig artikel 261 VWEU heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie volledige rechtsmacht ter zake van beroep tegen besluiten van de Commissie waarbij geldboeten of dwangsommen zijn opgelegd. Het kan de opgelegde geldboete of dwangsom intrekken, verlagen of verhogen.

Artikel 46

Richtsnoeren

1.   De Commissie maakt uiterlijk op 12 januari 2026 richtlijnen bekend, en werkt die daarna regelmatig bij, in verband met:

a)

de toepassing van de criteria om te bepalen of een verstoring overeenkomstig artikel 4, lid 1, bestaat,

b)

de toepassing van de afwegingstoets overeenkomstig artikel 6,

c)

de toepassing van haar bevoegdheid om te verzoeken om de voorafgaande aanmelding van een concentratie overeenkomstig artikel 21, lid 5, of van buitenlandse financiële bijdragen die een ondernemer heeft ontvangen in het kader van een aanbestedingsprocedure overeenkomstig artikel 29, lid 8, en

d)

de beoordeling van een verstoring in een aanbestedingsprocedure overeenkomstig artikel 27.

2.   Voordat de Commissie de in lid 1 bedoelde richtsnoeren uitvaardigt, raadpleegt zij op geschikte wijze de belanghebbenden en de lidstaten. De richtsnoeren zijn gebaseerd op de ervaring die bij de uitvoering en handhaving van deze verordening is opgedaan.

Artikel 47

Uitvoeringshandelingen

1.   De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen met betrekking tot:

a)

de vorm, inhoud en procedureregels voor de aanmelding van concentraties op grond van artikel 21, waaronder een mogelijke vereenvoudigde procedure, waarbij zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de doelstelling om de administratieve lasten voor aanmeldende partijen te beperken overeenkomstig artikel 21 van deze verordening en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004;

b)

de vorm, inhoud en procedureregels voor de aanmelding van buitenlandse financiële bijdragen en de melding van de afwezigheid van buitenlandse financiële bijdragen in aanbestedingsprocedures op grond van artikel 29, waaronder een mogelijke vereenvoudigde procedure;

c)

procedureregels voor mondelinge verklaringen overeenkomstig artikel 13, lid 7, artikel 14, lid 2, punt c), en artikel 15;

d)

nadere gegevens over de openbaarmaking op grond van artikel 42 en het beroepsgeheim overeenkomstig artikel 43;

e)

de vorm, inhoud en procedureregels voor transparantievereisten;

f)

nadere regels voor de berekening van termijnen;

g)

de procedureregels en termijnen om verbintenissen voor te stellen op grond van de artikelen 25 en 31;

h)

nadere regels over de in de artikelen 29 tot en met 32 bedoelde procedurele stappen met betrekking tot onderzoeken naar aanbestedingsprocedures.

2.   De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

3.   Voordat de Commissie maatregelen overeenkomstig lid 1 vaststelt, maakt zij een ontwerp ervan openbaar en wint zij binnen de vastgestelde termijn opmerkingen in. Die termijn wordt door de Commissie vastgesteld en bedraagt ten minste vier weken.

4.   De eerste uitvoeringshandelingen zoals bedoeld in lid 1, worden uiterlijk op 12 juli 2023 vastgesteld.

Artikel 48

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 49

Gedelegeerde handelingen

1.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 50 een gedelegeerde handeling vast te stellen teneinde, indien nodig, de in artikel 20, lid 3, punt a), bedoelde aanmeldingsdrempel voor concentraties te wijzigen door de drempel met maximaal 20 % te verhogen of te verlagen nadat zij:

a)

die drempel heeft beoordeeld in het licht van haar ervaring met de uitvoering en handhaving van deze verordening en

b)

de noodzaak om die drempel te wijzigen heeft vastgesteld teneinde:

i)

te waarborgen dat de in hoofdstuk 3 vastgestelde aanmeldingsprocedures een nauwkeurig beeld geven van buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren;

ii)

de administratieve last voor de Commissie en betrokken ondernemingen redelijk te houden, en

iii)

de doeltreffendheid van de toepassing van deze verordening te vergroten.

2.   Om te beoordelen of de aanmeldingsgrens moet worden gewijzigd overeenkomstig lid 1, voert de Commissie een beoordeling, die een welbepaalde periode van ten minste twee jaar beslaat, uit op basis van met name de volgende objectieve criteria:

a)

het aandeel van de aanmeldingen overeenkomstig artikel 21, lid 1, dat tot gevolg had dat de Commissie ofwel de voorlopige toetsing afsloot krachtens artikel 10, lid 4, ofwel een besluit van geen bezwaar vaststelde krachtens artikel 25, lid 3, punt b);

b)

het aandeel van de aanmeldingen overeenkomstig artikel 21, lid 1, dat tot gevolg had dat de Commissie een besluit vaststelde waarbij een concentratie wordt verboden krachtens artikel 25, lid 3, punt c), of een besluit met verbintenissen krachtens artikel 25, lid 3, punt a);

c)

het aandeel van de aanmeldingen krachtens artikel 21, lid 5, dat tot gevolg had dat de Commissie ofwel een besluit vaststelde waarbij een concentratie wordt verboden krachtens artikel 25, lid 3, punt c), ofwel een besluit met verbintenissen krachtens artikel 25, lid 3, punt a);

d)

het aandeel ambtshalve ingestelde toetsingen krachtens artikel 9 in het kader van concentraties die geen aan te melden concentraties waren in de zin van artikel 20 die hebben geleid tot ofwel een besluit met herstelmaatregelen krachtens artikel 11, lid 2, ofwel een besluit met verbintenissen krachtens artikel 11, lid 3;

e)

de vergelijking tussen de drempel van artikel 20, lid 3, punt a), en de gemiddelde totale omzet boven die drempel, in de gevallen die hebben geleid tot hetzij een besluit waarbij een concentratie krachtens artikel 25, lid 3, punt c), werd verboden, hetzij een besluit met verbintenissen krachtens artikel 25, lid 3, punt a);

f)

het aantal aanmeldingen krachtens artikel 21, lid 1, en de ontwikkeling van dat aantal.

3.   Een verhoging van de drempels in artikel 20, lid 3, punt a), vereist dat de in lid 2 van dit artikel bedoelde beoordeling aantoont dat:

a)

een groot deel van de besluiten waarbij een concentratie krachtens artikel 25, lid 3, punt c), verboden wordt of besluiten met verbintenissen krachtens artikel 25, lid 3, punt a), gevallen betrof waar de in artikel 20, lid 3, punt a), bedoelde totale omzet boven die drempel aanzienlijk hoger lag dan die drempel, of

b)

een groot deel van de aanmeldingen krachtens artikel 21, lid 1, tot gevolg had dat de Commissie hetzij de voorlopige toetsing afsloot krachtens artikel 10, lid 4, hetzij een besluit van geen bezwaar vaststelde krachtens artikel 25, lid 3, punt b).

4.   Een verlaging van de drempels in artikel 20, lid 3, punt a), vereist dat de in lid 2 van dit artikel bedoelde beoordeling aantoont dat:

a)

een groot deel van de aanmeldingen krachtens artikel 21, lid 5, tot gevolg had dat de Commissie hetzij een besluit vaststelde waarbij een concentratie wordt verboden krachtens artikel 25, lid 3, punt c), hetzij een besluit vaststelde met verbintenissen krachtens artikel 25, lid 3, punt a), of

b)

een groot deel van de ambtshalve toetsingen van buitenlandse subsidies in het kader van concentraties die geen aan te melden concentraties waren in de zin van artikel 20, tot gevolg had dat de Commissie ofwel krachtens artikel 11, lid 2, een besluit met herstelmaatregelen, ofwel krachtens artikel 11, lid 3, een besluit met verbintenissen vaststelde.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 50 een gedelegeerde handeling vast te stellen teneinde, indien nodig, de in artikel 28, lid 1, punt a), en artikel 28, lid 2, vastgestelde aanmeldingsdrempels voor overheidsopdrachten te wijzigen door die met maximaal 20 % te verhogen of te verlagen nadat zij:

a)

die drempels heeft beoordeeld in het licht van haar ervaring met de uitvoering en handhaving van deze verordening en

b)

de noodzaak om die drempels te wijzigen heeft vastgesteld teneinde:

i)

te waarborgen dat de in hoofdstuk 4 vastgestelde aanmeldingsprocedures een nauwkeurig beeld geven van buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren;

ii)

de administratieve last voor de Commissie en betrokken ondernemers redelijk te houden, en

iii)

de doeltreffendheid van de toepassing van de verordening te vergroten.

6.   Om te beoordelen of de aanmeldingsgrens moet worden gewijzigd overeenkomstig lid 5, voert de Commissie haar beoordeling met betrekking tot een welbepaalde periode van ten minste twee jaar, uit op basis van met name de volgende objectieve criteria:

a)

het aandeel van de aanmeldingen overeenkomstig artikel 29, lid 1, dat tot gevolg had dat de Commissie hetzij de voorlopige toetsing afsloot krachtens artikel 10, lid 4, hetzij een besluit van geen bezwaar vaststelde krachtens artikel 31, lid 3;

b)

het aandeel van de aanmeldingen overeenkomstig artikel 29, lid 1, dat tot gevolg had dat de Commissie een besluit dat de gunning van de opdracht verbiedt vaststelde krachtens artikel 31, lid 2, dan wel een besluit met verbintenissen vaststelde krachtens artikel 31, lid 1;

c)

het aandeel van de aanmeldingen krachtens artikel 29, lid 8, dat tot gevolg had dat de Commissie hetzij een besluit dat de gunning van de opdracht verbiedt vaststelde krachtens artikel 31, lid 2, hetzij een besluit met verbintenissen vaststelde krachtens artikel 31, lid 1;

d)

het aantal besluiten met herstelmaatregelen krachtens artikel 11, lid 2, en het aantal besluiten met verbintenissen krachtens artikel 11, lid 3, na een ambtshalve toetsing krachtens artikel 9 in het kader van een buitenlandse financiële bijdrage in een aanbestedingsprocedure die niet hoefde te worden aangemeld in de zin van artikel 28, lid 1, of die onder het toepassingsgebied van artikel 30, lid 4, viel, in verhouding tot het totale aantal van dergelijke ambtshalve toetsingen;

e)

de vergelijking tussen de respectieve drempels als bedoeld in artikel 28, lid 1, punt a), en artikel 28, lid 2, en de gemiddelde geraamde waarde van de opdrachten of de gemiddelde waarde van de percelen boven de respectieve drempel in de gevallen die hebben geleid tot een besluit dat de gunning van de opdracht verbiedt krachtens artikel 31, lid 2, of tot een besluit met verbintenissen krachtens artikel 31, lid 1;

f)

het aantal aanmeldingen krachtens artikel 29, lid 1, en de ontwikkeling van dat aantal.

7.   Een verhoging van de aanmeldingsdrempels vereist dat de in lid 6 bedoelde beoordeling aantoont dat:

a)

een groot deel van de krachtens artikel 31, lid 2, vastgestelde verbodsbesluiten voor de gunning van de opdracht, en van de krachtens artikel 31, lid 1, vastgestelde besluiten met verbintenissen, gevallen betrof waarbij de geraamde waarde van de opdrachten boven de drempel bedoeld in artikel 28, lid 1, punt a), of de waarde van de percelen waarop is ingeschreven boven de in artikel 28, lid 2, bedoelde drempel aanzienlijk hoger lag dan de bijbehorende drempels in artikel 28, lid 1, punt a), en lid 2, of

b)

een groot deel van het totale aantal aanmeldingen overeenkomstig artikel 29, lid 1, tot gevolg had dat de Commissie ofwel de voorlopige toetsing afsloot krachtens artikel 10, lid 4, ofwel een besluit van geen bezwaar vaststelde krachtens artikel 31, lid 3.

8.   Een verlaging van de drempels vereist dat de in lid 6 bedoelde beoordeling aantoont dat:

a)

een groot deel van de aanmeldingen overeenkomstig artikel 29, lid 8, tot gevolg had dat de Commissie ofwel een besluit met verbintenissen vaststelde krachtens artikel 31, lid 1, ofwel een besluit dat de gunning van de opdracht verbiedt vaststelde krachtens artikel 31, lid 2, of

b)

een groot deel van de ambtshalve toetsingen van buitenlandse subsidies in het kader van een buitenlandse financiële bijdrage in een aanbestedingsprocedure die krachtens artikel 28, lid 1, niet hoefden te worden aangemeld of onder artikel 30, lid 4, vielen, tot gevolg had dat de Commissie ofwel een besluit met herstelmaatregelen krachtens artikel 11, lid 2, ofwel een besluit met verbintenissen krachtens artikel 11, lid 3, vaststelde.

9.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 50 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in artikel 25, leden 2 en 4, voor aangemelde concentraties en in artikel 30, leden 2, 5 en 6, voor aangemelde financiële bijdragen in aanbestedingsprocedures gestelde termijnen voor voorlopige toetsing en diepgaande onderzoeken te verkorten. De Commissie kan dergelijke gedelegeerde handelingen vaststellen om de termijnen in artikel 25, leden 2 en 4, en artikel 30, leden 2, 5 en 6, te verkorten wanneer haar praktijk bij de toepassing van deze verordening uitwijst dat de beoordeling van de Commissie binnen een kortere termijn kan worden uitgevoerd.

Artikel 50

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 49, leden 1 en 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 12 januari 2025.

3.   De in artikel 49, lid 9, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 12 januari 2025. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

4.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikel 49, leden 1, 5 en 9, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

5.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

6.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

7.   Een overeenkomstig artikel 49, leden 1, 5 en 9, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 51

Afzonderlijke gedelegeerde handelingen voor verschillende gedelegeerde bevoegdheden

De Commissie stelt met betrekking tot elke haar krachtens deze verordening gedelegeerde bevoegdheid een afzonderlijke gedelegeerde handeling vast.

Artikel 52

Rapportage en evaluatie

1.   De Commissie dient jaarlijks een verslag over de toepassing en uitvoering van deze verordening in bij het Europees Parlement en de Raad.

2.   Uiterlijk op 13 juli 2026 en vervolgens om de drie jaar evalueert de Commissie haar praktijk inzake uitvoering en handhaving van deze verordening, met name met betrekking tot de toepassing van de artikelen 4, 5, 6 en 9, en de aanmeldingsdrempels in artikel 20, lid 3, en artikel 28, leden 1 en 2, en dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, eventueel, indien zij dit wenselijk acht, vergezeld van relevante wetgevingsvoorstellen. De Commissie brengt in het kader van haar evaluatie verslag uit over de ontwikkelingen in de internationale betrekkingen wat betreft subsidiecontrolesystemen van derde landen.

3.   Indien de Commissie dit wenselijk acht, kan zij het verslag combineren met relevante wetgevingsvoorstellen, waaronder voorstellen:

a)

tot wijziging van de aanmeldingsdrempels zoals bepaald in de artikelen 20 en 28;

b)

tot ontheffing van bepaalde categorieën betrokken ondernemingen van de aanmeldingsplicht uit hoofde van de artikelen 21 en 29, in het bijzonder indien de praktijk van de Commissie het mogelijk maakt economische activiteiten vast te stellen waarbij het weinig waarschijnlijk is dat buitenlandse subsidies de interne markt verstoren;

c)

tot vaststelling van specifieke aanmeldingsdrempels voor bepaalde economische sectoren of verschillende drempels voor verschillende soorten overheidsopdrachten, in het bijzonder indien de praktijk van de Commissie het mogelijk maakt economische activiteiten vast te stellen waarbij het waarschijnlijker is dat buitenlandse subsidies de interne markt verstoren, onder meer met betrekking tot strategische sectoren en kritieke infrastructuur;

d)

tot wijziging van de in de artikelen 25 en 30 voor voorlopige toetsingen en diepgaande onderzoeken gestelde termijnen;

e)

tot intrekking van deze verordening, indien de Commissie van mening is dat multilaterale regels om buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren aan te pakken deze verordening volledig overbodig hebben gemaakt.

Artikel 53

Overgangsbepalingen

1.   Deze verordening is van toepassing op buitenlandse subsidies die zijn toegekend in de vijf jaar vóór 12 juli 2023, indien die buitenlandse subsidies de interne markt verstoren na 12 juli 2023.

2.   In afwijking van lid 1, is deze verordening van toepassing op buitenlandse financiële bijdragen die zijn toegekend in de drie jaar vóór 12 juli 2023, indien die buitenlandse financiële bijdragen zijn toegekend aan een onderneming die op grond van deze verordening een concentratie aanmeldt of die financiële bijdragen in het kader van een aanbestedingsprocedure aanmeldt.

3.   Deze verordening is niet van toepassing op concentraties waarvoor de overeenkomst is gesloten, het openbaar overnamebod is aangekondigd of een zeggenschapsbelang is verworven vóór 12 juli 2023.

4.   Deze verordening is niet van toepassing op overheidsopdrachten die zijn gegund of aanbestedingsprocedures die zijn ingeleid vóór 12 juli 2023.

Artikel 54

Inwerkingtreding en datum van toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van 12 juli 2023.

3.   In afwijking van lid 2 van dit artikel, zijn de artikelen 47 en 48 van toepassing met ingang van 11 januari 2023 en is artikel 14, leden 5, 6 en 7, van toepassing met ingang van 12 januari 2024.

4.   In afwijking van de lid 2 van dit artikel zijn de artikelen 21 en 29 van toepassing met ingang van 12 oktober 2023.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 14 december 2022.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

M. BEK


(1)  PB C 105 van 4.3.2022, blz. 87.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 28 november 2022.

(3)  Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PB L 79 I van 21.3.2019, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L 352 van 24.12.2013, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de “EG-concentratieverordening”) (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1).

(6)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).

(7)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

(8)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(9)  Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG (PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76).

(10)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

(11)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(12)  Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie (PB C 202 van 8.7.2011, blz. 13).

(13)  Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41).

(14)  Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).

(15)  Verordening (EEG) nr. 4057/86 van de Raad van 22 december 1986 betreffende oneerlijke tariefpraktijken in het vervoer over zee (PB L 378 van 31.12.1986, blz. 14).

(16)  Verordening (EU) 2016/1035 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 inzake bescherming tegen schade veroorzakende prijzen van vaartuigen (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 1).

(17)  Verordening (EU) 2019/712 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake de bescherming van de mededinging in de luchtvaart, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 868/2004 (PB L 123 van 10.5.2019, blz. 4).

(18)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(19)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(20)  Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1).

(21)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(22)  Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1).

(23)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1).

(24)  Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 van betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55).

(25)  Verordening (EU) 2022/1031 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juni 2022 over toegang van ondernemers, goederen en diensten uit derde landen tot de aanbestedingen- en concessiemarkten van de Unie en procedures ter ondersteuning van onderhandelingen over toegang van ondernemers, goederen en diensten uit de Unie tot de aanbestedingen- en concessiemarkten van derde landen (instrument voor internationale overheidsopdrachten — IIO) (PB L 173 van 30.6.2022, blz. 1).

(26)  Richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB L 395 van 30.12.1989, blz. 33).

(27)  Richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 76 van 23.3.1992, blz. 14).


Ten aanzien van deze handeling zijn drie verklaringen afgelegd; zij kunnen worden geraadpleegd in PB C 491 van 23 december 2022.