12.10.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 265/72


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1927 VAN DE COMMISSIE

van 11 oktober 2022

tot vaststelling van maatregelen voor de inperking van Aleurocanthus spiniferus (Quaintance) binnen bepaalde afgebakende gebieden

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (1), en met name artikel 28, lid 1, punten d) en e), en artikel 28, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In deel B van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie (2) is de lijst vastgesteld van EU-quarantaineorganismen waarvan bekend is dat zij op het grondgebied van de Unie voorkomen.

(2)

Aleurocanthus spiniferus (Quaintance) (“het gespecificeerde plaagorganisme”) is in die lijst opgenomen, aangezien bekend is dat het in bepaalde delen van het grondgebied van de Unie voorkomt. Het is een polyfaag plaagorganisme waarvan geweten is dat het gevolgen heeft voor verschillende gewassen en sierplanten op het grondgebied van de Unie (“de gespecificeerde planten”).

(3)

Uit de krachtens artikel 19, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de uitroeiing van het gespecificeerde plaagorganisme in bepaalde afgebakende gebieden niet langer mogelijk is.

(4)

Daarom moeten voor de inperking van het gespecificeerde plaagorganisme binnen die gebieden maatregelen worden vastgesteld die bestaan uit het vaststellen van besmette zones en bufferzones. Die maatregelen zijn in overeenstemming met het beschikbare technische en wetenschappelijke bewijs met betrekking tot de gespecificeerde planten.

(5)

De bevoegde autoriteiten moeten zorgen voor voorlichting, zodat het grote publiek en de professionele marktdeelnemers die te maken hebben met de inperkingsmaatregelen in de afgebakende gebieden, op de hoogte zijn van de voor dat doel toegepaste maatregelen en van de begrenzing van de afgebakende gebieden.

(6)

Indien het gespecificeerde plaagorganisme echter wordt aangetroffen in een bufferzone rond een besmette zone waar maatregelen voor de inperking van het gespecificeerde plaagorganisme van toepassing zijn, moet die nieuwe bevinding ertoe leiden dat de bevoegde autoriteit een nieuw gebied afbakent, waar uitroeiing van het gespecificeerde plaagorganisme wordt nagestreefd.

(7)

Er moeten jaarlijks onderzoeken naar de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme worden uitgevoerd, zoals vastgesteld in artikel 22 van Verordening (EU) 2016/2031 en in Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1231 van de Commissie (3), om de vroegtijdige opsporing van het gespecificeerde plaagorganisme in delen van het grondgebied van de Unie waar het gespecificeerde plaagorganisme voor zover bekend niet voorkomt, te waarborgen.

(8)

Die onderzoeken moeten gebaseerd zijn op de door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid gepubliceerde onderzoeksrichtsnoeren voor het gespecificeerde plaagorganisme, aangezien daarin rekening wordt gehouden met de meest recente wetenschappelijke en technische ontwikkelingen.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden maatregelen vastgesteld voor de inperking van Aleurocanthus spiniferus (Quaintance) binnen de afgebakende gebieden waar uitroeiing ervan niet mogelijk is.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“het gespecificeerde plaagorganisme”: Aleurocanthus spiniferus (Quaintance);

2)

“de gespecificeerde planten”: voor opplant bestemde planten van de soorten Citrus L., Fortunella Swingle, Poncirus Raf., en de hybriden daarvan, Ceratonia siliqua L., Cercis siliquastrum L., Clematis vitalba L., Cotoneaster Medik., Crategus L., Cydonia oblonga L., Diospyros kaki L., Eriobotrya japonica (Thunb.) Lindl., Ficus carica L., Hedera L., Magnolia L., Malus Mill., Melia L., Mespilus germanica L., Myrtus communis L., Parthenocissus Planch., Photinia Lindley., Prunus cerasus L., Prunus laurocerasus L., Psidium guajava L., Punica granatum L., Pyracantha M. Roem., Pyrus L., Rosa L., Vitis L., Wisteria Nutt., met uitzondering van zaden, pollen en planten in weefselcultuur;

3)

“het afgebakende gebied voor inperking”: een in de lijst van bijlage I opgenomen gebied waar het gespecificeerde plaagorganisme niet kan worden uitgeroeid;

4)

“de onderzoeksrichtsnoeren”: de publicatie “Onderzoeksrichtsnoeren wat betreft Aleurocanthus spiniferus en Aleurocanthus woglumi” van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (4).

Artikel 3

Instelling van afgebakende gebieden voor inperking

De bevoegde autoriteiten stellen de afgebakende gebieden voor inperking van het gespecificeerde plaagorganisme in, die bestaan uit een besmette zone en een bufferzone met een breedte van ten minste 2 km rond de besmette zone.

Artikel 4

Maatregelen binnen de afgebakende gebieden voor inperking

1.   In de besmette zones zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor dat één of meer van de volgende maatregelen worden genomen:

a)

biologische bestrijding, bv. met parasitoïden, van het gespecificeerde plaagorganisme;

b)

passende behandelingen tegen het gespecificeerde plaagorganisme;

c)

snoeien en vernietigen van de delen van de gespecificeerde planten die met het gespecificeerde plaagorganisme besmet zijn, na toepassing van de in punt b) bedoelde behandelingen;

d)

vallen zetten voor het gespecificeerde plaagorganisme, en de toepassing van passende behandelingen indien het gespecificeerde plaagorganisme wordt aangetroffen.

2.   Wanneer de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme in de bufferzone officieel is bevestigd, zijn de artikelen 17 en 18 van Verordening (EU) 2016/2031 van toepassing.

3.   Binnen de afgebakende gebieden voor inperking maken de bevoegde autoriteiten het publiek bewust van de dreiging die uitgaat van het gespecificeerde plaagorganisme en de maatregelen die zijn genomen om de verdere verspreiding ervan buiten die gebieden te voorkomen.

De bevoegde autoriteiten stellen het grote publiek en de professionele marktdeelnemers in kennis van de begrenzing van het afgebakende gebied voor inperking.

Artikel 5

Onderzoeken

1.   De bevoegde autoriteiten voeren de in de leden 2 en 3 bedoelde onderzoeken uit, waarbij ze rekening houden met de informatie in de onderzoeksrichtsnoeren.

2.   Zij voeren jaarlijks risicogebaseerde onderzoeken uit naar de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme in de gebieden van het grondgebied van de Unie waar het gespecificeerde plaagorganisme voor zover bekend niet voorkomt, maar zich wel zou kunnen vestigen.

3.   In de bufferzones van de afgebakende gebieden voor inperking voeren zij jaarlijks onderzoeken uit, zoals bedoeld in artikel 19, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031, om de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme op te sporen.

Deze onderzoeken omvatten:

a)

visuele onderzoeken, op passende tijdstippen, om gespecificeerde plaagorganisme of de symptomen ervan op te sporen;

b)

vallen uitzetten;

c)

het verzamelen van monsters en het uitvoeren van tests, in het geval van planten die symptomen van of vermoedelijke besmetting met het gespecificeerde plaagorganisme vertonen.

Deze onderzoeken zijn intensiever dan de in lid 2 bedoelde onderzoeken, met een groter aantal visuele onderzoeken en vallen, en in voorkomend geval, het verzamelen van monsters en het uitvoeren van tests.

Artikel 6

Verslaglegging

De lidstaten dienen elk jaar uiterlijk op 30 april bij de Commissie en de andere lidstaten de resultaten in van de onderzoeken die in het voorgaande kalenderjaar zijn uitgevoerd uit hoofde van:

a)

artikel 5, lid 2, van deze verordening, waarbij een van de modellen in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1231 wordt gebruikt;

b)

artikel 5, lid 3, van deze verordening, waarbij een van de modellen in bijlage II bij deze verordening wordt gebruikt.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 oktober 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019 van de Commissie (PB L 319 van 10.12.2019, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1231 van de Commissie van 27 augustus 2020 betreffende het formaat en de instructies voor de jaarlijkse verslagen over de resultaten van de onderzoeken en betreffende het formaat van de meerjarige onderzoekprogramma’s en de praktische regeling, die respectievelijk in de artikelen 22 en 23 van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad zijn bepaald (PB L 280 van 28.8.2020, blz. 1).

(4)  EFSA (Europese Autoriteit voor voedselveiligheid), 2019. Pest survey card on Aleurocanthus spiniferus and Aleurocanthus woglumi. EFSA Supporting publications 2019:EN-1565. 17 blz. doi:10.2903/sp.efsa.2019.EN-1565. Online beschikbaar op: https://arcg.is/u5DTL


BIJLAGE I

Lijst van afgebakende gebieden voor inperking als bedoeld in artikel 2

1.   Kroatië

Nummer van het afgebakende gebied

Zone van het afgebakende gebied

Regio

Gemeenten of andere administratieve/geografische begrenzingen

Gemeente

Kadastrale gemeenten

1.

Besmette zone

Provincie Dubrovnik-Neretva

Konavle

Vitaljina, Ljuta, Đurinići

Bufferzone

Provincie Dubrovnik-Neretva

Konavle

Pločice, Pavlje Brdo, Vodovađa, Dubravka, Dunave, Popovići, Gruda, Lovorno, Pridvorje, Zastolje, Radovčići, Kuna Konavoska

2.

Besmette zone

Provincie Split-Dalmatië

Jelsa

Vrisnik

Milna

Milna

Bufferzone

Provincie Split-Dalmatië

Jelsa

Jelsa, Pitve, Vrbanj, Dol, Stari Grad, Svirče, Vrbovska

Šolta

Gornje Selo

Milna

Bobovišća

Nerežišća

Nerežišća, Dračevica

Sutivan

Sutivan

2.   Griekenland

Nummer van het afgebakende gebied

Zone van het afgebakende gebied

Regio

Gemeenten of andere administratieve/geografische begrenzingen

1.

Besmette zone

Ionische eilanden

Korfoe (1)


(1)  Geen bufferzone omdat het hele eiland besmette zone is.


BIJLAGE II

Modellen voor de verslaglegging van de resultaten van de overeenkomstig artikel 5, lid 3, uitgevoerde onderzoeken

DEEL A

1.   Model voor de rapportage van de resultaten van jaarlijkse onderzoeken

Image 1

2.   Instructies voor het invullen van het model

Indien dit model wordt ingevuld, wordt het model in deel B van deze bijlage niet ingevuld.

Kolom 1:

vermeld de naam van het geografische gebied, het uitbraaknummer of alle informatie waarmee dit afgebakende gebied kan worden geïdentificeerd, en de datum van instelling.

Kolom 2:

vermeld de omvang van het afgebakende gebied voor aanvang van het onderzoek.

Kolom 3:

vermeld de omvang van het afgebakende gebied na het onderzoek.

Kolom 4:

vermeld de aanpak: Inperking. Voeg zo veel rijen toe als nodig, afhankelijk van het aantal afgebakende gebieden per plaagorganisme en de aanpak die in deze gebieden wordt gehanteerd.

Kolom 5:

vermeld de zone van het afgebakende gebied waar het onderzoek is uitgevoerd, met zoveel rijen als nodig: besmette zone of bufferzone, in afzonderlijke rijen. Vermeld, indien van toepassing, in afzonderlijke rijen het gebied van de bufferzone waar het onderzoek is uitgevoerd (bv. de laatste 20 km aangrenzend aan de bufferzone, rond kwekerijen enz.).

Kolom 6:

vermeld het aantal en de beschrijving van de onderzoeklocaties, door een van de volgende vermeldingen te kiezen:

1.

in de open lucht (productiegebied): 1.1. veld (landbouwgrond, weidegrond); 1.2. boomgaard/wijngaard; 1.3. kwekerij; 1.4. bos;

2.

in de open lucht (overig): 2.1. privétuin; 2.2. openbare locaties; 2.3. beschermd gebied; 2.4. wilde planten in ander dan beschermd gebied; 2.5. andere locatie, met specificatie van het specifieke geval (bv. tuincentrum, commerciële locatie waar verpakkingsmateriaal van hout wordt gebruikt, houtindustrie, waterrijk natuurgebied, irrigatie- en drainagenetwerk enz.);

3.

besloten omgeving: 3.1. kas; 3.2. privéterrein anders dan een kas; 3.3. openbare locatie anders dan een kas; 3.4. andere locatie, met specificatie van het specifieke geval (bv. tuincentrum, commerciële locatie waar verpakkingsmateriaal van hout wordt gebruikt, houtindustrie).

Kolom 7:

vermeld welke risicogebieden zijn vastgesteld op basis van de biologische eigenschappen van het plaagorganisme, de aanwezigheid van waardplanten, ecoklimatologische omstandigheden en risicolocaties.

Kolom 8:

vermeld van de in kolom 7 vermelde risicogebieden, de in het onderzoek opgenomen risicogebieden.

Kolom 9:

vermeld planten, vruchten, zaden, bodem, verpakkingsmateriaal, hout, machines, voertuigen, water, andere, met vermelding van het specifieke geval.

Kolom 10:

vermeld de lijst van onderzochte plantensoorten/-geslachten, met telkens één rij per plantensoort/-geslacht.

Kolom 11:

vermeld de maanden van het jaar waarin het onderzoek is uitgevoerd.

Kolom 12:

vermeld de bijzonderheden van het onderzoek, afhankelijk van de specifieke wettelijke voorschriften voor elk plaagorganisme. Geef met “n.v.t.” aan wanneer de gegevens van een bepaalde kolom niet van toepassing zijn.

Kolommen 13 en 14:

vermeld de resultaten, indien van toepassing, en verstrek de beschikbare informatie in de desbetreffende kolommen. Onder “niet bekend” wordt verstaan: de geanalyseerde monsters waarvan om verschillende redenen geen resultaat kon worden bepaald (bv. onder het detectieniveau, niet-geïdentificeerd of onverwerkt monster, oud monster).

Kolom 15:

vermeld voor de bevindingen in de bufferzone de kennisgevingen van uitbraken van het jaar waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden. Het kennisgevingsnummer van de uitbraak hoeft niet te worden vermeld wanneer de bevoegde autoriteit heeft besloten dat het een van de in artikel 14, lid 2, artikel 15, lid 2, of artikel 16 van Verordening (EU) 2016/2031 bedoelde gevallen betreft. Vermeld in dat geval in kolom 16 (Opmerkingen) de reden voor het niet verstrekken van deze informatie.

DEEL B

1.   Model voor de verslaglegging van de resultaten van op statistische gegevens gebaseerde jaarlijkse onderzoeken

Image 2

2.   Instructies voor het invullen van het model

Indien dit model wordt ingevuld, wordt het model in deel A van deze bijlage niet ingevuld.

Licht de onderliggende aannamen voor de opzet van het onderzoek per plaagorganisme toe. Geef een samenvatting en motivering van:

de doelpopulatie, de epidemiologische eenheid en de inspectie-eenheden;

de opsporingsmethode en de gevoeligheid van de methode;

de risicofactor(en), met vermelding van de risiconiveaus en de dienovereenkomstige relatieve risico’s en aandelen van de waardplantpopulatie.

Kolom 1:

vermeld de naam van het geografische gebied, het uitbraaknummer of alle informatie waarmee dit afgebakende gebied kan worden geïdentificeerd, en de datum van instelling.

Kolom 2:

vermeld de omvang van het afgebakende gebied voor aanvang van het onderzoek.

Kolom 3:

vermeld de omvang van het afgebakende gebied na het onderzoek.

Kolom 4:

vermeld de aanpak: Inperking. Voeg zo veel rijen toe als nodig, afhankelijk van het aantal afgebakende gebieden per plaagorganisme en de aanpak die in deze gebieden wordt gehanteerd.

Kolom 5:

vermeld de zone van het afgebakende gebied waar het onderzoek is uitgevoerd, met zoveel rijen als nodig: besmette zone of bufferzone, in afzonderlijke rijen. Vermeld, indien van toepassing, in afzonderlijke rijen het gebied van de bufferzone waar het onderzoek is uitgevoerd (bv. de laatste 20 km aangrenzend aan de bufferzone, rond kwekerijen enz.).

Kolom 6:

vermeld het aantal en de beschrijving van de onderzoeklocaties, door een van de volgende vermeldingen te kiezen:

1.

in de open lucht (productiegebied): 1.1. veld (landbouwgrond, weidegrond); 1.2. boomgaard/wijngaard; 1.3. kwekerij; 1.4. bos;

2.

in de open lucht (overig): 2.1. privétuinen; 2.2. openbare locaties; 2.3. beschermd gebied; 2.4. wilde planten in ander dan beschermd gebied; 2.5. andere locatie, met specificatie van het specifieke geval (bv. tuincentrum, commerciële locatie waar verpakkingsmateriaal van hout wordt gebruikt, houtindustrie, waterrijk natuurgebied, irrigatie- en drainagenetwerk enz.);

3.

besloten omgeving: 3.1. kas; 3.2. privéterrein anders dan een kas; 3.3. openbare locatie anders dan een kas; 3.4. andere locatie, met specificatie van het specifieke geval (bv. tuincentrum, commerciële locatie waar verpakkingsmateriaal van hout wordt gebruikt, houtindustrie).

Kolom 7:

vermeld de maanden van het jaar waarin de onderzoeken zijn uitgevoerd.

Kolom 8:

vermeld de gekozen doelpopulatie, met de dienovereenkomstige lijst van waardsoorten/-geslachten en het bestreken gebied. De doelpopulatie wordt omschreven als het geheel van inspectie-eenheden. De omvang daarvan wordt voor landbouwgebieden gewoonlijk in hectaren omschreven, maar kan ook in percelen, velden, kassen enz. worden uitgedrukt. Motiveer de gemaakte keuze in de onderliggende aannames. Vermeld de onderzochte inspectie-eenheden. Onder “inspectie-eenheid” wordt verstaan: planten, delen van planten, producten, materialen, vectoren die zijn onderzocht om de plaagorganismen te identificeren en op te sporen.

Kolom 9:

vermeld de onderzochte epidemiologische eenheden, met vermelding van de beschrijving en de meeteenheid. Onder “epidemiologische eenheid” wordt verstaan: een homogeen gebied waar de interacties tussen het plaagorganisme, de waardplanten en de abiotische en biotische factoren en omstandigheden tot dezelfde epidemiologie zou leiden als het plaagorganisme aanwezig is. Epidemiologische eenheden zijn een onderverdeling van de doelpopulatie die, wat de epidemiologie betreft, homogeen zijn en die ten minste één waardplant omvatten. In sommige gevallen kan de volledige waardpopulatie in een regio/gebied/land als epidemiologische eenheid worden gedefinieerd. Een epidemiologische eenheid kan een NUTS-regio (nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek), stedelijk gebied, bos, rozentuin of landbouwbedrijf zijn, of een gebied dat uit een bepaald aantal hectaren bestaat. De keuze wordt in de onderliggende aannamen gemotiveerd.

Kolom 10:

vermeld de bij het onderzoek gebruikte methoden en het aantal activiteiten voor elk geval, afhankelijk van de specifieke wettelijke voorschriften voor elk plaagorganisme. Geef met “n.v.t.” aan wanneer de gegevens van een bepaalde kolom niet beschikbaar zijn.

Kolom 11:

geef een schatting van de doeltreffendheid van de monsterneming. Onder “doeltreffendheid van de monsterneming” wordt verstaan: de waarschijnlijkheid dat van een besmette plant de besmette delen worden geselecteerd. Voor vectoren wordt gekeken naar de doeltreffendheid van de methode voor het vangen van een positieve vector wanneer deze in het onderzoeksgebied aanwezig is. Voor de bodem wordt gekeken naar de doeltreffendheid van het selecteren van een bodemmonster dat het plaagorganisme bevat, wanneer het plaagorganisme in het onderzoeksgebied aanwezig is.

Kolom 12:

onder “gevoeligheid van de methode” wordt verstaan: de waarschijnlijkheid dat de aanwezigheid van een plaagorganisme correct met een methode wordt aangetoond. De gevoeligheid van de methode wordt omschreven als de waarschijnlijkheid dat een daadwerkelijk positieve waard een positief testresultaat geeft. De doeltreffendheid van de monsterneming (d.w.z. de waarschijnlijkheid dat van een besmette plant de besmette delen worden geselecteerd) wordt vermenigvuldigd met de diagnostische gevoeligheid (die wordt gekenmerkt door de visuele inspectie en/of de laboratoriumtest die tijdens het identificatieproces wordt gebruikt).

Kolom 13:

vermeld de risicofactoren in afzonderlijke rijen en voeg zoveel rijen toe als nodig. Vermeld voor elke risicofactor het risiconiveau, het overeenkomstige relatieve risico en het aandeel van de waardpopulatie.

Kolom B:

vermeld de bijzonderheden van het onderzoek, afhankelijk van de specifieke wettelijke voorschriften voor elk plaagorganisme. Geef met “n.v.t.” aan wanneer de gegevens van een bepaalde kolom niet van toepassing zijn. De in deze kolommen te verstrekken informatie houdt verband met de informatie in kolom 10 “Opsporingsmethode”.

Kolom 18:

vermeld het aantal locaties met vallen indien dit aantal verschilt van het aantal vallen (kolom 17) (dezelfde val kan bv. op verschillende plaatsen worden gebruikt).

Kolom 21:

vermeld het aantal positieve en negatieve monsters en het aantal monsters waarvan het resultaat niet bekend is. Onder “niet bekend” wordt verstaan: de geanalyseerde monsters waarvan om verschillende redenen geen resultaat kon worden bepaald (bv. onder het detectieniveau, niet-geïdentificeerd of onverwerkt monster, oud monster enz.).

Kolom 22:

vermeld voor de bevindingen in de bufferzone de kennisgevingen van uitbraken van het jaar waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden. Het kennisgevingsnummer van de uitbraak hoeft niet te worden vermeld wanneer de bevoegde autoriteit heeft besloten dat het een van de in artikel 14, lid 2, artikel 15, lid 2, of artikel 16 van Verordening (EU) 2016/2031 bedoelde gevallen betreft. Vermeld in dit geval in kolom 25 (Opmerkingen) de reden voor het niet verstrekken van deze informatie.

Kolom 23:

vermeld de gevoeligheid van het onderzoek zoals omschreven in de internationale norm voor fytosanitaire maatregelen (International Standard for Phytosanitary Measures, ISPM 31). Deze waarde betreffende het behaalde betrouwbaarheidsniveau van de afwezigheid van plaagorganismen wordt berekend op basis van de uitgevoerde onderzoeken (en/of monsternemingen) waarbij de gevoeligheid van de methode en aangenomen prevalentie vaststaan.

Kolom 24:

vermeld de aangenomen prevalentie op basis van een aan het onderzoek voorafgaande raming van de vermoedelijke daadwerkelijke prevalentie van het plaagorganisme in de praktijk. De aangenomen prevalentie wordt als doel van het onderzoek vastgesteld en komt overeen met de afweging die de risicomanagers maken tussen het risico dat het plaagorganisme aanwezig is, en de middelen die voor het onderzoek beschikbaar zijn. Voor een opsporingsonderzoek wordt gewoonlijk een waarde van 1 % vastgelegd.