1.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 402/23


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/1794 VAN DE COMMISSIE

van 16 september 2020

tot wijziging van deel I van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het gebruik van plantaardig omschakelingsteeltmateriaal en niet-biologisch plantaardig teeltmateriaal

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (1), en met name artikel 12, lid 2, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2018/848, en met name deel I van bijlage II, bevat bepaalde vereisten voor het gebruik van plantaardig omschakelingsteeltmateriaal en niet-biologisch plantaardig teeltmateriaal.

(2)

Gelet op de geleidelijke afschaffing van de afwijkingen van het gebruik van biologisch plantaardig teeltmateriaal, zoals vastgelegd in artikel 53 van Verordening (EU) 2018/848, is het van belang dat steeds meer plantaardig omschakelingsteeltmateriaal en biologisch plantaardig teeltmateriaal wordt geproduceerd en in de handel wordt gebracht.

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) 2018/848 mag plantaardig teeltmateriaal als omschakelingsteeltmateriaal in de handel worden gebracht wanneer een omschakelingsperiode van ten minste twaalf maanden in acht is genomen. Krachtens artikel 26, lid 1, van Verordening (EU) 2018/848 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat een databank wordt opgezet waarin het op hun grondgebied beschikbare biologisch plantaardig teeltmateriaal en plantaardig omschakelingsteeltmateriaal, met uitsluiting van zaailingen maar met inbegrip van pootaardappelen, wordt bijgehouden en regelmatig wordt geactualiseerd. Bovendien moeten de lidstaten krachtens artikel 26, lid 2, beschikken over systemen waarmee exploitanten die biologisch plantaardig teeltmateriaal of plantaardig omschakelingsteeltmateriaal in de handel brengen en die dit in toereikende hoeveelheden en binnen een redelijke termijn kunnen leveren, op vrijwillige basis en kosteloos informatie, alsmede hun namen en contactgegevens, openbaar kunnen maken over het beschikbare biologisch plantaardig teeltmateriaal en plantaardig omschakelingsteeltmateriaal, zoals plantaardig teeltmateriaal van biologisch heterogeen materiaal of van biologische rassen die geschikt zijn voor de biologische productie, met uitsluiting van zaailingen maar met inbegrip van pootaardappelen, over de hoeveelheid van dat materiaal, uitgedrukt in gewicht, en over de periode van het jaar waarin het beschikbaar is. In artikel 26, lid 5, is evenwel bepaald dat de lidstaten reeds bestaande relevante informatiesystemen mogen blijven gebruiken.

(4)

Daarom is het van belang dat wanneer biologisch plantaardig teeltmateriaal niet voldoende beschikbaar en dit wordt aangetoond met gegevens uit de bovengenoemde databank en systemen, het gebruik van plantaardig omschakelingsteeltmateriaal voorrang heeft boven niet-biologische plantaardig teeltmateriaal. Daarnaast moet overeenkomstig artikel 6, onder i), van Verordening (EU) 2018/848 het gebruik van zelfgeproduceerd biologisch plantaardig teeltmateriaal en plantaardig omschakelingsteeltmateriaal worden toegestaan.

(5)

Omdat de aanpak momenteel van lidstaat tot lidstaat uiteenloopt, is het ook van bijzonder belang om de specifieke criteria en voorwaarden voor de afgifte van toelatingen om niet-biologisch plantaardig teeltmateriaal te gebruiken in gevallen waarin biologisch plantaardig teeltmateriaal en plantaardig omschakelingsteeltmateriaal niet in voldoende hoeveelheden of in de juiste kwaliteit beschikbaar zijn, te harmoniseren. Een dergelijke harmonisatie moet het mogelijk maken om potentiële oneerlijke concurrentie in de biologische productie te voorkomen, en ervoor zorgen dat bepaalde preventieve voorschriften worden toegepast op plantaardig teeltmateriaal, waarbij in het geval van voorgeschreven fytosanitaire behandelingen in voorkomend geval een omschakelingsperiode voor het perceel moet gelden als bedoeld in deel I, punten 1.7.3 en 1.7.4, van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848.

(6)

Ondanks de inspanningen van exploitanten die zich bezighouden met de productie van biologisch plantaardig teeltmateriaal, zijn er nog tal van soorten, ondersoorten of rassen waarvoor geen biologisch plantaardig teeltmateriaal en plantaardig omschakelingsteeltmateriaal beschikbaar is; daarvoor moet het toelatingsproces worden vereenvoudigd door de administratieve druk te beperken zonder dat het biologische karakter van de producten in het gedrang komt. Om die reden en ter beperking van het aantal verzoeken om een individuele toelating moet worden voorzien in jaarlijkse nationale algemene toelatingen voor soorten, ondersoorten of rassen, waarvoor bepaalde voorwaarden moeten gelden, en in de vaststelling van nationale lijsten van soorten of ondersoorten waarvoor de juiste rassen van het biologisch plantaardig teeltmateriaal of plantaardig omschakelingsteeltmateriaal in voldoende hoeveelheden beschikbaar zijn. Die aanpak moet ervoor zorgen dat een geringer beroep hoeft te worden gedaan op individuele toelatingen. Daarnaast bevatten die nationale lijsten relevante informatie waarvan verwacht wordt dat deze de kennis en zekerheid in de sector biologisch plantaardig teeltmateriaal vergroot en daarmee zowel de verdere wasdom van deze hooggespecialiseerde productiesector als de verdere ontwikkelingen in het gebruik van biologisch plantaardig teeltmateriaal bevordert.

(7)

Deel I van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

Omwille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van de datum van toepassing van Verordening (EU) 2018/848,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deel I van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 september 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1.


BIJLAGE

Deel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De punten 1.8.5.1 tot en met 1.8.5.5 worden vervangen door:

“1.8.5.1.

Indien uit de gegevens van de in artikel 26, lid 1, bedoelde databank of het in artikel 26, lid 2, onder a), bedoelde systeem blijkt dat niet is voldaan aan de kwalitatieve of kwantitatieve behoeften van de exploitant met betrekking tot biologisch plantaardig teeltmateriaal, kan de exploitant, in afwijking van punt 1.8.1, gebruikmaken van plantaardig omschakelingsteeltmateriaal overeenkomstig artikel 10, lid 4, tweede alinea, onder a).

Indien biologisch plantaardig teeltmateriaal en plantaardig omschakelingsteeltmateriaal niet in voldoende hoeveelheden of in de juiste kwaliteit beschikbaar zijn voor de exploitant, kunnen de bevoegde autoriteiten het gebruik van niet-biologisch plantaardig teeltmateriaal toestaan, met inachtneming van de punten 1.8.5.3 tot en met 1.8.5.7.

Een dergelijke individuele toelating wordt alleen afgegeven in een van de volgende situaties:

a)

van de door de exploitant gewenste soort is geen ras geregistreerd in de in artikel 26, lid 1, bedoelde databank of het in artikel 26, lid 2, onder a), bedoelde systeem;

b)

er is geen leverancier — dat wil zeggen exploitant die plantaardig teeltmateriaal in de handel brengt — die het betrokken biologisch plantaardig teeltmateriaal of plantaardig omschakelingsteeltmateriaal tijdig voor het inzaaien of planten kan leveren, terwijl de gebruiker het plantaardig teeltmateriaal wel tijdig heeft besteld om de bereiding en levering van het biologisch plantaardig teeltmateriaal of plantaardig omschakelingsteeltmateriaal mogelijk te maken;

c)

het door de gebruiker gewenste ras is niet in de in artikel 26, lid 1, bedoelde databank of het in artikel 26, lid 2, onder a), bedoelde systeem geregistreerd als biologisch plantaardig teeltmateriaal of plantaardig omschakelingsteeltmateriaal, en de exploitant kan aantonen dat geen van de geregistreerde alternatieven van dezelfde soort geschikt is voor met name de agronomische en bodem- en klimaatomstandigheden en nodige technologische eigenschappen voor de te verkrijgen productie en dat de toelating daarom van betekenis is voor zijn of haar productie;

d)

de toelating is gerechtvaardigd voor gebruik in onderzoek, voor tests in kleinschalige veldproeven, voor de instandhouding van het ras of voor productinnovatie, en de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat hebben ermee ingestemd.

Alvorens om een dergelijke toelating te verzoeken, raadpleegt de exploitant de in artikel 26, lid 1, bedoelde databank of het in artikel 26, lid 2, onder a), bedoelde systeem om na te gaan of het desbetreffende biologische plantaardige teeltmateriaal of plantaardige omschakelingsteeltmateriaal beschikbaar is, met andere woorden of zijn of haar verzoek wel gerechtvaardigd is.

Wanneer zulks in overeenstemming is met artikel 6, onder i), kunnen exploitanten zowel biologisch plantaardig teeltmateriaal als plantaardig omschakelingteeltmateriaal uit hun eigen bedrijf gebruiken ongeacht de kwalitatieve en kwantitatieve beschikbaarheid volgens de in artikel 26, lid 1, bedoelde databank of het in artikel 26, lid 2, onder a), bedoelde systeem.

1.8.5.2

In afwijking van punt 1.8.1 kunnen exploitanten in derde landen overeenkomstig artikel 10, lid 4, tweede alinea, onder a), gebruikmaken van plantaardig omschakelingsteeltmateriaal indien aangetoond wordt dat biologisch plantaardig teeltmateriaal niet in voldoende hoeveelheden of in de juiste kwaliteit beschikbaar is op het grondgebied van het derde land waar de exploitant is gevestigd.

Onverminderd de relevante nationale regelgeving kunnen exploitanten in derde landen gebruikmaken van zowel biologisch plantaardig teeltmateriaal als plantaardig omschakelingsteeltmateriaal uit hun eigen bedrijf.

De overeenkomstig artikel 46, lid 1, erkende controleautoriteiten of controleorganen kunnen exploitanten in derde landen toestaan niet-biologisch plantaardig teeltmateriaal in een biologische productie-eenheid te gebruiken indien biologisch plantaardig teeltmateriaal of plantaardig omschakelingsteeltmateriaal niet in voldoende hoeveelheden of in de juiste kwaliteit beschikbaar is op het grondgebied van het derde land waar de exploitant is gevestigd, onder de voorwaarden van de punten 1.8.5.3, 1.8.5.4 en 1.8.5.5.

1.8.5.3

Niet-biologisch plantaardig teeltmateriaal wordt na de oogst niet behandeld met andere gewasbeschermingsmiddelen dan die welke krachtens artikel 24, lid 1, van deze verordening zijn toegestaan voor de behandeling van plantaardig teeltmateriaal, tenzij de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat overeenkomstig Verordening (EU) 2016/2031 om fytosanitaire redenen een chemische behandeling hebben voorgeschreven voor alle rassen en al het heterogene materiaal van een bepaalde soort in het gebied waar het plantaardig teeltmateriaal zal worden gebruikt.

Bij gebruik van het met de voorgeschreven chemische behandeling behandelde niet-biologische plantaardige teeltmateriaal geldt voor het perceel waarop het behandelde plantaardige teeltmateriaal groeit, in voorkomend geval een omschakelingsperiode overeenkomstig de punten 1.7.3 en 1.7.4.

1.8.5.4

De toelating voor het gebruik van niet-biologisch plantaardig teeltmateriaal wordt verkregen voordat het gewas wordt ingezaaid of geplant.

1.8.5.5

De toelating voor het gebruik van niet-biologisch plantaardig teeltmateriaal wordt telkens voor één seizoen aan individuele gebruikers verleend, en de bevoegde autoriteiten, de controleautoriteit of het controleorgaan verantwoordelijk voor de toelatingen registreren de hoeveelheden toegestaan plantaardig teeltmateriaal.”.

2)

De volgende punten 1.8.5.6 en 1.8.5.7 worden ingevoegd:

“1.8.5.6.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten stellen een officiële lijst op van soorten, ondersoorten of rassen (gegroepeerd indien van toepassing) waarvan is vastgesteld dat er op hun grondgebied voldoende biologisch plantaardig teeltmateriaal of plantaardig omschakelingsteeltmateriaal beschikbaar is voor de geschikte rassen. Op het grondgebied van de betrokken lidstaat mogen voor de in die lijst vermelde soorten, ondersoorten of rassen geen toelatingen uit hoofde van punt 1.8.5.1 worden afgegeven, behalve voor een van de in punt 1.8.5.1, onder d), genoemde doeleinden. Indien de kwantiteit of kwaliteit van biologisch plantaardig teeltmateriaal of plantaardig omschakelingsteeltmateriaal voor een in de lijst vermelde soort, ondersoort of ras door uitzonderlijke omstandigheden ontoereikend blijkt, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten een soort, ondersoort of ras uit die lijst schrappen.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten houden hun lijst op jaarbasis bij en maken die lijst openbaar.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten zenden elk jaar uiterlijk op 30 juni en voor het eerst uiterlijk op 30 juni 2022 aan de Commissie en de andere lidstaten de link naar de website toe waarop de bijgewerkte lijst openbaar wordt gemaakt. De Commissie publiceert de links naar de nationale bijgewerkte lijsten op een speciale website.

1.8.5.7

In afwijking van punt 1.8.5.5. kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten aan alle betrokken exploitanten een algemene toelating verlenen voor het gebruik van:

a)

een bepaalde soort of ondersoort voor zover geen ras is geregistreerd in de in artikel 26, lid 1, bedoelde databank of het in artikel 26, lid 2, onder a), bedoelde systeem;

b)

een bepaald ras, voor zover de voorwaarden van punt 1.8.5.1, onder c), zijn vervuld.

Bij het gebruik van een algemene toelating houden de exploitanten de gebruikte hoeveelheid bij en registreert de bevoegde autoriteit die voor de toelatingen verantwoordelijk is, de hoeveelheden toegestaan niet-biologisch plantaardig teeltmateriaal.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten houden de lijst van soorten, ondersoorten of rassen waarvoor een algemene toelating is afgegeven, op jaarbasis bij en maken die lijst openbaar.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten zenden elk jaar uiterlijk op 30 juni en voor het eerst uiterlijk op 30 juni 2022 aan de Commissie en de andere lidstaten de link naar de website toe waarop de bijgewerkte lijst openbaar wordt gemaakt. De Commissie publiceert de links naar de nationale bijgewerkte lijsten op een speciale website.”.