9.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/17


VERORDENING (EU) 2019/2089 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 27 november 2019

tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 inzake EU klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks en informatieverschaffing over duurzaamheid over benchmarks

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 25 september 2015 heeft de Algemene Vergadering van de VN een nieuw mondiaal kader voor duurzame ontwikkeling aangenomen: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling (“Agenda 2030”), waarvan de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (Sustainable Development Goals — SDG’s) de kern vormen. In de mededeling van de Commissie van 22 november 2016 over de volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst worden de SDG’s gekoppeld aan het Uniebeleidskader, zodat de SDG’s reeds in het allereerste stadium zowel binnen de Unie als mondiaal in alle acties en beleidsinitiatieven van de Unie worden geïntegreerd. In zijn conclusies van 20 juni 2017 bevestigde de Raad het vaste voornemen van de Unie en haar lidstaten om Agenda 2030 volledig en op samenhangende, geïntegreerde en doeltreffende wijze uit te voeren, in nauwe samenwerking met partners en andere belanghebbenden.

(2)

De in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering aangenomen Overeenkomst van Parijs (de “Overeenkomst van Parijs”), die door de Unie is goedgekeurd op 5 oktober 2016 (3) en die op 4 november 2016 in werking is getreden, beoogt de reactie op de klimaatverandering te versterken, door onder meer een financieringsbeleid te voeren dat gericht is op lage broeikasgasemissies en een klimaatbestendige ontwikkeling.

(3)

Om de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en de risico’s en gevolgen van klimaatverandering aanzienlijk te beperken, is de algemene doelstelling om de gemiddelde wereldwijde temperatuurstijging ruim onder 2 °C ten opzichte van het pre-industriële niveau te houden en ernaar te streven de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven dat niveau.

(4)

Op 8 oktober 2018 publiceerde het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zijn speciale rapport met als titel “Global Warming of 1,5 °C”, waarin werd gesteld dat er, om de opwarming van de aarde tot 1,5 °C te beperken, met betrekking tot alle aspecten van de samenleving snelle drastische en nieuwe aanpassingen moeten worden doorgevoerd, en dat het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C in plaats van 2 °C zou kunnen leiden tot een duurzamer en rechtvaardiger samenleving.

(5)

Duurzaamheid en de transitie naar een koolstofarme en klimaatbestendige, meer hulpbronnenefficiënte en circulaire economie zijn cruciaal om het concurrentievermogen van de economie van de Unie op lange termijn te waarborgen. Duurzaamheid staat al lange tijd centraal in het Unieproject en het Verdrag betreffende de Europese Unie (VWEU), en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie erkennen de sociale en ecologische aspecten ervan. Er is niet veel tijd om in de financiële sector te zorgen voor een cultuuromslag naar duurzaamheid, om eraan bij te dragen dat de gemiddelde wereldwijde temperatuurstijging ruim onder 2 °C wordt gehouden. Het is daarom essentieel dat nieuwe investeringen in infrastructuur op lange termijn duurzaam zijn.

(6)

In haar mededeling van 8 maart 2018 heeft de Commissie haar actieplan over de financiering van duurzame groei gepubliceerd waarin een ambitieuze en alomvattende strategie voor duurzame financiering wordt gelanceerd. Een van de doelstellingen van dit actieplan is kapitaalstromen meer te richten op duurzame investeringen om een duurzame en inclusieve groei te realiseren. Gezien de enorme toename van rampen die worden veroorzaakt door onvoorspelbare weersomstandigheden, is het van cruciaal belang dat er meer aandacht wordt besteed aan het beperken van de impact van de klimaatverandering.

(7)

In Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) werd opgeroepen tot een uitbreiding van de financiering door de particuliere sector van milieu- en klimaatgerelateerde uitgaven, met name door het creëren van stimulansen en methodologieën die bedrijven aanzetten tot meting van de milieukosten van hun activiteiten en van de winst als gevolg van het gebruik van milieudiensten.

(8)

Om de SDG’s in de Unie te verwezenlijken, moeten kapitaalstromen naar duurzame investeringen worden geleid. Het is belangrijk dat het potentieel van de interne markt volledig wordt benut om die doelstellingen te bereiken. In dat verband dienen belemmeringen voor een efficiënte kapitaalstroom in de richting van duurzame investeringen in de interne markt te worden opgeruimd en moet worden voorkomen dat er nieuwe obstakels opduiken.

(9)

Met Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad (5) worden eenvormige regels voor benchmarks in de Unie ingevoerd en wordt voorzien in verschillende soorten benchmarks. Steeds meer beleggers volgen koolstofarme beleggingsstrategieën en gebruiken koolstofarme benchmarks om de prestaties van beleggingsportefeuilles te meten. De vaststelling van EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, onderbouwd door een methodologie die gekoppeld is aan de emissiereductieverbintenissen van de Overeenkomst van Parijs, zou bijdragen aan een betere transparantie en zou groenwassen helpen voorkomen.

(10)

Een breed spectrum van indices behoort momenteel tot de groep van koolstofarme indices. Deze koolstofarme indices worden gebruikt als benchmarks voor beleggingsportefeuilles en -producten die over de grenzen heen worden verkocht. De kwaliteit en de integriteit van koolstofarme benchmarks zijn belangrijk voor de goede werking van de interne markt met betrekking tot een grote verscheidenheid van individuele en collectieve beleggingsportefeuilles. Veel koolstofarme indices die worden gebruikt om de prestaties te meten van beleggingsportefeuilles, met name voor gescheiden beleggingsrekeningen en collectieve beleggingsregelingen, worden aangeboden in één lidstaat maar worden gebruikt door portefeuille- en activabeheerders in andere lidstaten. Daarnaast dekken portefeuille- en activabeheerders hun blootstellingsrisico’s inzake koolstofuitstoot vaak af door gebruik te maken van benchmarks die in andere lidstaten zijn opgesteld.

(11)

Op de markt zijn verschillende categorieën koolstofarme indices in gebruik geraakt die wat hun ambitie betreft een uiteenlopend niveau hebben. Terwijl sommige benchmarks tot doel hebben de koolstofvoetafdruk van standaardportefeuilles te verkleinen, zijn andere benchmarks alleen gericht op het selecteren van bestanddelen die bijdragen tot het bereiken van de in de Overeenkomst van Parijs uiteengezette 2 °C-doelstelling. Ondanks verschillen in doelstellingen en strategieën worden veel van die benchmarks gewoonlijk gepresenteerd als benchmarks met een lage koolstofuitstoot (“koolstofarme benchmarks”).

(12)

Het verschil in aanpak inzake benchmarkmethodologieën leidt tot een versnippering van de interne markt omdat gebruikers van benchmarks geen duidelijk zicht hebben op de vraag of een koolstofarme index neerkomt op een benchmark die is afgestemd is op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs dan wel als benchmark alleen gericht is op het verkleinen van de koolstofvoetafdruk van een standaardportefeuille van beleggingen. De kans bestaat dat lidstaten, om eventuele ongewettigde beweringen van beheerders over het koolstofarme karakter van hun benchmarks aan te pakken, hun eigen regels vaststellen om beleggers te beschermen tegen verwarring en onduidelijkheid over de doelstellingen en het niveau van ambitie waarop de verschillende categorieën van koolstofarme indices, gebruikt als benchmark voor koolstofarme beleggingsportefeuilles, gebaseerd zijn.

(13)

Bij gebrek aan een geharmoniseerd kader om de nauwkeurigheid en de integriteit van de belangrijkste categorieën koolstofarme benchmarks die in individuele of collectieve beleggingsportefeuilles worden gebruikt te waarborgen, is de kans groot dat verschillen in aanpak tussen de lidstaten de goede werking van de interne markt zullen belemmeren.

(14)

Om de goede werking van de interne markt te handhaven ten behoeve van beleggers, de werking van de interne markt te verbeteren en een hoog niveau van bescherming voor consumenten en beleggers te garanderen, is het passend om Verordening (EU) 2016/1011 te wijzigen door een regelgevingskader in te voeren dat voorziet in minimumvereisten op Unieniveau voor EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks. Het is in dit kader bijzonder belangrijk dat dergelijke benchmarks geen ernstige afbreuk doen aan andere ecologische, sociale en governancedoelstellingen (“ESG-doelstellingen”).

(15)

De invoering van een duidelijk onderscheid tussen EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks en de ontwikkeling van minimumnormen voor elk van die benchmarks zullen een bijdrage leveren aan de consistentie tussen de verschillende benchmarks. De op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks moeten op indexniveau overeenstemmen met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.

(16)

Om ervoor te zorgen dat de kwalificaties “EU-klimaattransitiebenchmark” en “op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark” betrouwbaar zijn en voor beleggers in de hele Unie gemakkelijk te herkennen zijn, moeten alleen beheerders die voldoen aan de vereisten van deze verordening die kwalificaties kunnen gebruiken als zij EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks in de Unie op de markt brengen.

(17)

Om ondernemingen te stimuleren om betrouwbare doelstellingen inzake het verminderen van koolstofemissies openbaar te maken, moet de beheerder van een EU-klimaattransitiebenchmark bij de selectie of weging van onderliggende activa ondernemingen in aanmerking nemen die zich ten doel stellen hun koolstofemissie te verminderen met het oog op aanpassing aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Deze doelstellingen moeten openbaar zijn gemaakt en geloofwaardig zijn in die zin dat ze een echte toezegging tot decarbonisering inhouden, en zij moeten voldoende gedetailleerd en technisch haalbaar zijn.

(18)

Gebruikers van benchmarks hebben niet altijd de noodzakelijke informatie over de mate waarin ESG-factoren in aanmerking worden genomen in de methodologie van benchmarkbeheerders. Zulke informatie is vaak versnipperd of ontbreekt zelfs volledig, waardoor een daadwerkelijke grensoverschrijdende vergelijking voor beleggingsactiviteiten niet mogelijk is. Om marktdeelnemers in staat te stellen weloverwogen keuzes te maken, moeten alle benchmarkbeheerders, uitgezonderd beheerders van rentevoet- en valutawisselingsbenchmarks, ertoe verplicht worden in hun benchmarkverklaring bekend te maken of hun benchmarks of benchmarkgroepen al dan niet de ESG-doelstellingen nastreven en of de benchmarkbeheerder al dan niet zulke benchmarks aanbiedt.

(19)

Om beleggers te informeren over de mate waarin significante aandelen- en obligatiebenchmarks, alsook EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, moeten benchmarkbeheerders gedetailleerde informatie publiceren over de vraag of en in hoeverre een algemene mate van overeenstemming met het streefdoel van vermindering van de koolstofemissies of de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs wordt gewaarborgd.

(20)

Beheerders van EU-klimaattransitiebenchmarks en beheerders van op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks moeten ook de methodologie publiceren die zij gebruiken voor de berekening van die benchmarks. In die informatie moet worden beschreven hoe de onderliggende activa werden geselecteerd en gewogen, welke activa werden uitgesloten en om welke reden. Om te beoordelen hoe de benchmark bijdraagt tot de milieudoelstellingen, moet de benchmarkbeheerder bekendmaken hoe de koolstofemissies van de onderliggende activa zijn gemeten, wat hun respectieve waarden zijn, waaronder de totale koolstofvoetafdruk van de benchmark, en welk type gegevens en welke gegevensbron zijn gebruikt. Om activabeheerders in staat te stellen de meest geschikte benchmark te kiezen voor hun beleggingsstrategie, moeten benchmarkbeheerders de parameters van hun methodologie motiveren en toelichten hoe de benchmark bijdraagt tot milieudoelstellingen. De gepubliceerde informatie moet ook nader ingaan op de frequentie van evaluaties en de gevolgde procedure.

(21)

De methodologieën die worden gebruikt voor de EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks moeten gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderbouwde decarbonisatietrajecten of in algemene overeenstemming zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.

(22)

Om ervoor te zorgen dat de gekozen doelstelling inzake terugdringing van klimaatverandering voortdurend in acht wordt genomen, moeten beheerders van EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks hun methodologieën regelmatig herzien en hun gebruikers informeren over de procedures die toegepast worden om te komen tot inhoudelijke wijzigingen van die methodologieën. Bij het doorvoeren van een inhoudelijke wijziging moeten benchmarkbeheerders de redenen daarvoor vermelden en toelichten hoe die wijziging strookt met de oorspronkelijke doelstellingen van de benchmarks.

(23)

Benchmarks zonder onderliggende activa die gevolgen hebben voor de klimaatverandering, zoals het geval zou zijn voor bijvoorbeeld rentevoet- en valutawisselingsbenchmarks, moeten vrijgesteld zijn van het vereiste om in de benchmarkverklaring bekend te maken of en in hoeverre een algemene mate van overeenstemming met hun doelstelling van vermindering van koolstofemissies of de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs wordt gewaarborgd. Voorts moet het voor elke benchmark of elke benchmarkgroep die geen koolstofemissiedoelstellingen nastreeft voldoende zijn als in de benchmarkverklaring duidelijk wordt aangegeven dat deze doelstellingen niet worden nagestreefd.

(24)

Teneinde de transparantie te verhogen en een passend niveau van harmonisatie te verzekeren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot bepaling van de minimale inhoud van de bekendmakingsverplichtingen waaraan beheerders van EU-klimaattransitiebenchmarks en beheerders van op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks onderworpen moeten zijn, alsmede tot bepaling van de minimumnormen voor harmonisatie van de methodologie voor EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, waaronder de methode voor de berekening van de koolstofemissies die verbonden zijn aan de onderliggende activa, rekening houdend met de milieuvoetafdrukmethode voor producten en organisaties, zoals gedefinieerd in punt 2, onder a) en b), van Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie (6), en de werkzaamheden van de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering (Technical Expert Group on Sustainable Finance — TEG). Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden voor elk van deze gedelegeerde handelingen tot passende, open en publieke raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (7). Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, en krijgen zij de notulen van alle vergaderingen van de TEG.

(25)

Verordening (EU) 2016/1011 voorziet in een overgangsperiode waarbij aanbieders van een index die benchmarks aanbieden op 30 juni 2016, uiterlijk op 1 januari 2020 een vergunningsaanvraag moeten indienen. Het stopzetten van een cruciale benchmark kan gevolgen hebben voor de marktintegriteit, de financiële stabiliteit, de consumenten, de reële economie en de financiering van huishoudens en bedrijven in de lidstaten. Het stopzetten van een cruciale benchmark door een beheerder kan van invloed zijn op de geldigheid van financiële overeenkomsten of financiële instrumenten en kan verstorend werken voor zowel de investeerders als de consumenten, met mogelijk ernstige gevolgen voor de financiële stabiliteit. Indien voorts de inputgegevens voor cruciale benchmarks niet langer beschikbaar zouden zijn, kan het representatieve karakter van die benchmarks worden ondermijnd, met negatieve gevolgen voor het vermogen van deze cruciale benchmarks om de onderliggende markt- of economische realiteit te weerspiegelen. Daarom moeten de maximumperiode voor het verplichte beheer van cruciale benchmarks en de maximumperiode voor de verplichte aanleveringen van gegevens aan zulke benchmarks worden verlengd tot vijf jaar. Cruciale benchmarks worden momenteel hervormd. De overschakeling van een bestaande cruciale benchmark naar een passende opvolger vergt een overgangsperiode, opdat alle noodzakelijke juridische en technische regelingen voor die overschakeling kunnen worden afgerond zonder verstoringen. Tijdens die overgangsperiode moet de bestaande cruciale benchmark samen met de opvolger ervan worden gepubliceerd. Derhalve moet de periode worden verlengd waarbinnen een bestaande cruciale benchmark kan worden gepubliceerd en gebruikt zonder dat de beheerder ervan een vergunning heeft aangevraagd.

(26)

Verordening (EU) 2016/1011 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) 2016/1011

Verordening (EU) 2016/1011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 3, lid 1, worden de volgende punten ingevoegd:

“23 bis)

“EU-klimaattransitiebenchmark”: een benchmark die als EU-klimaattransitiebenchmark is aangemerkt en die aan de volgende vereisten voldoet:

a)

de onderliggende activa zijn voor de toepassing van punt 1, b), ii), van dit lid en van artikel 19 ter, zodanig geselecteerd, gewogen of uitgesloten dat de daaruit voortvloeiende benchmarkportefeuille zich op een decarbonisatietraject bevindt, en

b)

hij is samengesteld in overeenstemming met de minimumnormen die zijn neergelegd in de in artikel 19 bis, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen.

23 ter)

“op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark”: een benchmark die als op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark is aangemerkt en die aan de volgende vereisten voldoet:

a)

de onderliggende activa zijn voor de toepassing van punt 1, b), ii) van dit lid en van de in artikel 19 quater, bedoelde gedelegeerde handelingen zodanig geselecteerd, gewogen of uitgesloten dat de koolstofuitstoot van de daaruit voortvloeiende benchmarkportefeuille strookt met de doelstellingen van de in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering gesloten Overeenkomst van Parijs (de “Overeenkomst van Parijs”), die op 5 oktober 2016 door de Unie is goedgekeurd (*1);

b)

hij is samengesteld in overeenstemming met de minimumnormen die zijn neergelegd in de in artikel 19 bis, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen, en

c)

de activiteiten die verband houden met die onderliggende activa doen geen ernstige afbreuk aan andere ecologische, sociale en governancedoelstellingen (ESG-doelstellingen);

23 quater)

“decarboniseringstraject”: een meetbaar, wetenschappelijk onderbouwd en tijdgebonden traject met het oog op aanpassing aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs door het verminderen van de emissies uit groep 1, 2 en 3 en de koolstofemissies als bedoeld in punt 1, onder e), van bijlage III.

(*1)  Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282, 19.10.2016, blz. 1).”."

2)

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt gewijzigd als volgt:

i)

het volgende punt wordt toegevoegd:

“d)

een toelichting over de wijze waarop de onder a) bedoelde essentiële aspecten van de methodologie voor elke benchmark of benchmarkgroep, uitgezonderd rentevoet- en valutawisselingsbenchmarks, de ESG-factoren weerspiegelen.”;

ii)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

“Benchmarkbeheerders voldoen uiterlijk op 30 april 2020 aan het vereiste van de eerste alinea, onder d).”;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“2 bis.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 49 gedelegeerde handelingen tot aanvulling van deze verordening vast te stellen door de minimuminhoud vast te stellen van de in lid 1, eerste alinea, onder d), van dit artikel bedoelde toelichting, alsook het te gebruiken standaardformaat.”.

3)

In titel III wordt het volgende hoofdstuk ingevoegd:

HOOFDSTUK 3 bis

EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks

Artikel 19 bis

EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks

1.   De vereisten van bijlage III zijn van toepassing op het aanbieden van en bijdragen tot EU-klimaattransitiebenchmarks of op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, naast de vereisten van de titels II, III en IV.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 49 gedelegeerde handelingen vast te stellen voor de aanvulling van deze verordening door de vaststelling van de minimumnormen voor EU-klimaattransitiebenchmarks of op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, ter precisering van:

a)

de criteria voor de keuze van de onderliggende activa, waaronder indien van toepassing criteria ter uitsluiting van activa;

b)

de criteria en de methode voor de weging van de onderliggende activa in de benchmark;

c)

de vaststelling van het decarbonisatietraject voor de EU-klimaattransitiebenchmarks.

3.   Benchmarkbeheerders die een EU-klimaattransitiebenchmark of een op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark aanbieden, voldoen uiterlijk op 30 april 2020 aan deze verordening;

Artikel 19 ter

Vereisten voor EU-klimaattransitiebenchmarks

Beheerders van EU-klimaattransitiebenchmarks gaan over tot het selecteren, wegen of uitsluiten van onderliggende activa die zijn uitgegeven door ondernemingen die uiterlijk op 31 december 2022 een decarbonisatietraject volgen, in overeenstemming met de volgende vereisten:

i)

de ondernemingen maken binnen specifieke termijnen de te bereiken meetbare koolstofemissiereductiedoelstellingen openbaar;

ii)

de ondernemingen maken een vermindering van koolstofemissies openbaar die wordt opgesplitst tot op het niveau van de relevante operationele dochterondernemingen;

iii)

de ondernemingen maken jaarlijkse informatie openbaar over de vooruitgang met betrekking tot die doelstellingen;

iv)

de activiteiten met betrekking tot de onderliggende activa doen geen ernstige afbreuk aan andere ESG-doelstellingen.

Artikel 19 quater

Uitsluitingen voor op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks

1.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 49 een gedelegeerde handeling vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door, met betrekking tot op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, vast te stellen welke sectoren moeten worden uitgesloten omdat zij geen meetbare koolstofemissiereductiedoelstellingen hebben, met specifieke termijnen die zijn afgestemd op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. De Commissie stelt die gedelegeerde handeling uiterlijk op 1 januari 2021 vast en zij werkt deze elke drie jaar bij.

2.   Bij het opstellen van de in lid 1 bedoelde gedelegeerde handeling houdt de Commissie rekening met de werkzaamheden van de TEG.

Artikel 19 quinquies

Streven om EU-klimaattransitiebenchmarks aan te bieden

In de Unie gevestigde beheerders die significante benchmarks aanbieden, vastgesteld op basis van de waarde van een of meer onderliggende activa of prijzen, streven ernaar uiterlijk op 1 januari 2022 een of meer EU-klimaattransitiebenchmarks aan te bieden.”.

4)

In artikel 21, lid 3, wordt de derde alinea vervangen door:

“Aan het einde van deze periode evalueert de bevoegde autoriteit haar beslissing de beheerder te dwingen om de benchmark te blijven publiceren. De bevoegde autoriteit kan die periode indien nodig verlengen met een passende periode van niet meer dan twaalf maanden. De maximumperiode van verplicht beheer duurt niet langer dan vijf jaar.”.

5)

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 6 wordt de tweede alinea vervangen door:

“De in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde maximumperiode van verplichte aanlevering duurt niet langer dan vijf jaar.”;

b)

lid 10 wordt vervangen door:

“10.   Ingeval de aanbieding van een cruciale benchmark moet worden stopgezet, blijft iedere onder toezicht staande contribuant aan die benchmark inputgegevens aanleveren gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen termijn, maar niet langer dan de in lid 6, tweede alinea, vastgestelde maximumtermijn van vijf jaar.”.

6)

In artikel 27 worden de volgende leden ingevoegd:

“2 bis.   Uiterlijk op 30 april 2020 bevat de benchmarkverklaring voor elk van de in lid 2 bedoelde vereisten een toelichting over de wijze waarop in elke aangeboden en gepubliceerde benchmark of benchmarkgroep ESG-factoren worden weerspiegeld. Voor benchmarks of benchmarkgroepen die geen ESG-doelstellingen nastreven, is het voldoende dat de benchmarkbeheerders in de benchmarkverklaring duidelijk aangeven dat zij zulke doelstellingen niet nastreven.

Indien er in de portefeuille van individuele benchmarkbeheerders geen EU-klimaattransitiebenchmark noch een op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark beschikbaar is, of als de individuele benchmarkbeheerder geen benchmarks heeft die ESG-doelstellingen nastreven of ESG-factoren in aanmerking nemen, wordt dit in de benchmarkverklaringen van alle door die beheerder aangeboden benchmarks vermeld. Voor significante aandelen- en obligatiebenchmarks, alsook voor de EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, maken benchmarkbeheerders in hun benchmarkverklaringen details openbaar over de vraag of en in hoeverre een algemene mate van overeenstemming met de doelstelling van vermindering van de koolstofemissies of de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs wordt gewaarborgd, overeenkomstig de openbaarmakingsregels voor financiële producten in artikel 9, lid 3, van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (*2).

Uiterlijk op 31 december 2021 leggen benchmarkbeheerders voor elke benchmark of, in voorkomend geval, elke benchmarkgroep, uitgezonderd rentevoet- en valutawisselingsbenchmarks, in hun benchmarkverklaring uit op welke wijze de gebruikte methodologie is afgestemd op de koolstofemissiereductiedoelstelling of de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs bereikt.

2 ter.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 49 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de nadere omschrijving van de krachtens lid 2 bis van dit artikel in de benchmarkverklaring te verstrekken informatie, alsook het te gebruiken standaardformaat voor verwijzingen naar ESG-factoren, om marktdeelnemers in staat te stellen weloverwogen keuzes te maken en om de technische haalbaarheid van de naleving van dat lid te waarborgen.

(*2)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).”."

7)

In artikel 42 wordt de eerste alinea van lid 1 vervangen door:

“1.   Onverminderd de toezichtbevoegdheden van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 41 en het recht van de lidstaten om te voorzien in en het opleggen van strafrechtelijke sancties, verlenen de lidstaten overeenkomstig het nationale recht de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid om passende administratieve sancties op te leggen en andere administraties maatregelen te nemen met betrekking tot ten minste de volgende inbreuken:

a)

inbreuken op de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 19 bis, 19 ter, 19 quater, 21, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29 of 34, indien van toepassing, en

b)

verzuim om samen te werken of mee te werken aan een onderzoek of een inspectie of verzoek zoals bedoeld in artikel 41.”.

8)

Artikel 49 wordt vervangen door:

“Artikel 49

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2 bis, artikel 19 bis, lid 2, artikel 19 quater, lid 1, artikel 20, lid 6, artikel 24, lid 2, artikel 27, lid 2 ter, artikel 33, lid 7, artikel 51, lid 6, en artikel 54, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 10 december 2019. De Commissie stelt uiterlijk 11 maart 2024 een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2 bis, artikel 19 bis, lid 2, artikel 19 quater, lid 1, artikel 20, lid 6, artikel 24, lid 2, artikel 27, lid 2 ter, artikel 33, lid 7, artikel 51, lid 6, en artikel 54, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegaties te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2 bis, artikel 19 bis, lid 2, artikel 19 quater, lid 1, artikel 20, lid 6, artikel 24, lid 2, artikel 27, lid 2 ter, artikel 33, lid 7, artikel 51, lid 6, of artikel 54, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.”.

9)

Artikel 51 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende leden worden ingevoegd:

“4 bis.   Een aanbieder van een index mag tot en met 31 december 2021 doorgaan met het aanbieden van een bestaande benchmark die bij een door de Commissie overeenkomstig artikel 20 vastgestelde uitvoeringshandeling is erkend als een cruciale benchmark of, indien de aanbieder van een index een aanvraag voor een vergunning indient overeenkomstig lid 1, tenzij en totdat deze vergunning wordt geweigerd.

4 ter.   Een bestaande benchmark die bij een door de Commissie overeenkomstig artikel 20 vastgestelde uitvoeringshandeling is erkend als een cruciale benchmark mag tot en met 31 december 2021 worden gebruikt voor bestaande en nieuwe financiële instrumenten, financiële overeenkomsten of voor prestatiemetingen van een beleggingsfonds of, indien de aanbieder van een index een aanvraag voor een vergunning indient overeenkomstig lid 1, tenzij en totdat deze vergunning wordt geweigerd.”;

b)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.   Tenzij de Commissie een in artikel 30, lid 2 of 3, bedoeld gelijkwaardigheidsbesluit heeft genomen of een beheerder overeenkomstig artikel 32 is erkend of een benchmark overeenkomstig artikel 33 is bekrachtigd, is het gebruik in de Unie door onder toezicht staande entiteiten van een benchmark die wordt aangeboden door een in een derde land gevestigde beheerder, waar de benchmark al in de Unie wordt gebruikt als referentie voor financiële instrumenten, financiële overeenkomsten of voor prestatiemeting van een beleggingsfonds, uitsluitend toegestaan voor die financiële instrumenten, financiële overeenkomsten en prestatiemetingen van een beleggingsfonds die reeds naar de benchmark in de Unie verwijzen op 31 december 2021, of die vóór die datum een verwijzing naar die benchmark toevoegen.”.

10)

In artikel 54 worden de volgende leden toegevoegd:

“4.   Uiterlijk op 31 december 2022 evalueert de Commissie de minimumnormen voor EU-klimaattransitiebenchmarks en voor op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, om te waarborgen dat de selectie van de onderliggende activa in overeenstemming is met ecologisch duurzame investeringen zoals vastgelegd in een kader voor de hele Unie.

5.   Vóór 31 december 2022 dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in over de gevolgen van deze verordening en de haalbaarheid van een ESG-benchmark, rekening houdend met het evoluerende karakter van duurzaamheidsindicatoren en de methoden die worden gebruikt voor het meten ervan. Dat verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

6.   Uiterlijk op 1 april 2020 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de gevolgen van deze verordening voor de werking van benchmarks van derde landen in de Unie, onder meer over het gebruik dat door benchmarkbeheerders uit derde landen wordt gemaakt van de bekrachtiging, erkenning of gelijkwaardigheid, en over mogelijke tekortkomingen van het huidige kader. Dat verslag bevat een beoordeling van de gevolgen van de toepassing van artikel 51, leden 4 bis, 4 ter en 4 quater voor benchmarkbeheerders uit de Unie of uit derde landen, onder meer wat betreft een gelijk speelveld. Dat verslag bevat in het bijzonder een beoordeling van de vraag of het nodig is deze verordening te wijzigen, en gaat zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.”.

11)

De bijlagen worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 27 november 2019.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

T. TUPPURAINEN


(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 103.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 26 maart 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en Besluit van de Raad van 8 november 2019.

(3)  Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1).

(4)  Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 “Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).

(5)  Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1).

(6)  Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie van 9 april 2013 over het gebruik van gemeenschappelijke methoden voor het meten en bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende hun levenscyclus (PB L 124 van 4.5.2013, blz. 1).

(7)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.


BIJLAGE

De volgende bijlage wordt toegevoegd:

“BIJLAGE III

EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks

Methodologie voor EU‑klimaattransitiebenchmarks

1.

De beheerder van een EU-klimaattransitiebenchmark formaliseert, documenteert en publiceert elke methodologie die voor de berekening van de benchmark wordt gebruikt, en geeft daarbij de volgende informatie, waarbij de vertrouwelijkheid en de bescherming van niet‑openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (handelsgeheimen) in de zin van Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad (*1) worden gewaarborgd:

a)

de lijst van de belangrijkste onderdelen van de benchmark;

b)

alle criteria en methoden, waaronder de selectie- en wegingsfactoren, maatstaven en indicatoren die in de methodologie van de benchmark worden gebruikt;

c)

de toegepaste criteria voor het uitsluiten van activa of ondernemingen waaraan een niveau van koolstofvoetafdruk of een niveau van fossielebrandstofreserves is verbonden dat onverenigbaar is met het gebruik daarvan in de benchmark;

d)

de criteria voor de vaststelling van het decarbonisatietraject;

e)

het soort en de bron van de gegevens die zijn gebruikt voor de vaststelling van het decarbonisatietraject, voor:

i)

emissies van groep 1, namelijk emissies die voortkomen uit bronnen waarover de onderneming die de onderliggende activa uitgeeft controle uitoefent;

ii)

emissies van groep 2, namelijk emissies die uit het verbruik van aangekochte elektriciteit, stoom of andere bronnen van energie die stroomopwaarts van de onderneming die de onderliggende activa uitgeeft wordt opgewekt;

iii)

emissies van groep 3, namelijk alle indirecte emissies die niet onder de punten i) en ii) vallen en die zich voordoen in de waardeketen van de rapporterende onderneming, met inbegrip van emissies stroomopwaarts en stroomafwaarts, met name in sectoren met grote gevolgen voor klimaatverandering en het terugdringen van de klimaatverandering;

iv)

de vraag of de gegevens gebruikmaken van de milieuvoetafdrukmethoden voor producten en organisaties, zoals gedefinieerd in punt 2, a) en b), van Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie, of wereldwijde normen zoals deze van de Taskforce voor de openbaarmaking van klimaatgerelateerde financiële informatie van de Raad voor financiële stabiliteit;

f)

de totale koolstofemissies van de indexportefeuille.

Indien er een moederindex wordt gebruikt voor de vaststelling van een EU-klimaattransitiebenchmark, wordt de tracking error tussen de EU-klimaattransitiebenchmark en de moederindex gepubliceerd.

Indien er een moederindex wordt gebruikt voor de vaststelling van een EU-klimaattransitiebenchmark, wordt de ratio tussen de marktwaarde van de effecten die in de EU-klimaattransitiebenchmark zijn opgenomen en de marktwaarde van de effecten in de moederindex gepubliceerd.

Methodologie voor op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks

2.

Naast punt 1, onder a), punt 1, onder b), en punt 1, onder c), specificeert de beheerder van een op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark de formule of de berekening die wordt gebruikt om te bepalen of de emissies in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, waarbij de vertrouwelijkheid en de bescherming van niet‑openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (handelsgeheimen) in de zin van Richtlijn (EU) 2016/943 worden gewaarborgd.

Wijzigingen in de methodologie

3.

Beheerders van EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks stellen procedures vast voor het invoeren van wijzigingen in hun methodologie. Zij maken die procedures bekend, en maken alle voorgestelde wijzigingen in hun methodologie en de redenen voor die wijzigingen bekend. Deze procedures zijn in overeenstemming met de hoofddoelstelling dat benchmarkberekeningen voldoen aan artikel 3, lid 1, punt 23 bis en punt 23 ter. Deze procedures voorzien in:

a)

een voorafgaande kennisgeving volgens een duidelijk tijdschema waardoor gebruikers van benchmarks voldoende mogelijkheden hebben om de gevolgen van zulke voorgestelde wijzigingen te analyseren en hierbij opmerkingen te maken, gelet op de berekening van de algemene omstandigheden door de beheerders;

b)

de mogelijkheid voor gebruikers van benchmarks om opmerkingen te maken bij deze wijzigingen en voor beheerders om op deze opmerkingen te reageren, waarbij deze opmerkingen na een bepaalde raadplegingsperiode toegankelijk worden gesteld, tenzij de indiener van de opmerkingen om vertrouwelijkheid heeft verzocht.

4.

Beheerders van EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks onderzoeken regelmatig en ten minste jaarlijks hun methodologieën om ervoor te zorgen dat hun benchmarks een betrouwbare afspiegeling vormen van de gestelde doelstellingen, en voorzien hierbij in een procedure om rekening te houden met de standpunten van alle betrokken gebruikers.


(*1)  Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB L 157, 15.6.2016, blz. 1.).”