27.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

LI 85/60


VERORDENING (EU) 2019/503 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 maart 2019

betreffende bepaalde aspecten van spoorwegveiligheid en spoorverbindingen in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. De Verdragen zijn niet meer van toepassing op het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van inwerkingtreding van een terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na die kennisgeving, namelijk met ingang van 30 maart 2019, tenzij de Europese Raad met instemming van het Verenigd Koninkrijk en met eenparigheid van stemmen tot verlenging van deze termijn besluit.

(2)

Op het vlak van het spoorvervoer kunnen de betrokken exploitanten de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie voor certificaten en vergunningen verhelpen door diverse maatregelen. Die maatregelen omvatten het zich vestigen in een van de resterende lidstaten en daar de geschikte vergunningen en certificaten aanvragen.

(3)

Specifieke overeenkomsten, zoals bedoeld in artikel 14 van Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (2), zouden nodig zijn om problemen die rechtstreeks betrekking hebben op grensoverschrijdende spoorwegdiensten en infrastructuur aan te pakken, zodat de continuïteit van dergelijke diensten wordt gewaarborgd en de verstoringen tot een minimum worden beperkt. Overeenkomstig die richtlijn, zouden dergelijke overeenkomsten ook zorgen voor een wederkerige behandeling van Unieondernemingen en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde ondernemingen die gebruikmaken van grensoverschrijdende infrastructuur.

(4)

De sluiting van dergelijke overeenkomsten tussen de betrokken lidstaten en het Verenigd Koninkrijk is pas mogelijk nadat het Verenigd Koninkrijk een derde land is geworden. Meer bepaald wordt de toepassing van veiligheidsvoorschriften van de Unie op de Kanaaltunnel momenteel opgedragen aan een Intergouvernementele Commissie die is opgericht krachtens het op 12 februari 1986 ondertekende Verdrag van Canterbury, dat op veiligheidsgebied advies krijgt van de Channel Tunnel Safety Authority. Het bij dat verdrag ingestelde systeem moet worden aangepast aan de status van het Verenigd Koninkrijk als een derde land. Meer in het bijzonder moet het op Frans grondgebied gelegen gedeelte van de Kanaaltunnel onder de uitsluitende controle van een bevoegde autoriteit zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 7, van Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad (3) vallen, teneinde te verzekeren dat het Unierecht als dusdanig wordt toegepast op dat gedeelte van de tunnel. Om haar taken zo optimaal mogelijk te vervullen en de consistentie van beslissingen mogelijk te maken, kan die bevoegde autoriteit met betrekking tot de gemeenschappelijke kenmerken van de tunnel aan beide kanten van de grens rekening houden met de adviezen van een binationaal orgaan dat wordt opgericht bij een overeenkomst tussen de twee landen, zoals de krachtens het Verdrag van Canterbury opgerichte Channel Tunnel Safety Authority, die de Intergouvernementele Commissie adviseert, of andere manieren uitwerken voor samenwerking met de autoriteiten die bevoegd zijn voor het gedeelte van de tunnel op het grondgebied van het VK.

(5)

De toepassing van veiligheidsnormen en -procedures, vereisten om als spoorwegexploitant actief te mogen zijn, en vereisten om een trein te mogen besturen, die identiek zijn aan de Unievoorschriften voor infrastructuur die wordt gebruikt om grensoverschrijdende spoorverbindingen met het Verenigd Koninkrijk te verzekeren en voor spoorwegexploitanten en bestuurders van treinen op die infrastructuur zijn voorwaarden voor de maatregelen waarin deze verordening voorziet.

(6)

Om betrokkenen in de gelegenheid te stellen de nodige overeenkomsten aan te gaan en alle andere maatregelen te nemen om verstoringen te vermijden, waarbij rekening wordt gehouden met de status van het Verenigd Koninkrijk als derde land, moet de geldigheidsduur van bepaalde certificaten en vergunningen worden verlengd.

(7)

De verlenging van de geldigheidsduur van certificaten en vergunningen moet strikt worden beperkt tot de tijd die de betrokken lidstaten nodig hebben om die noodzakelijke stappen te zetten, overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad (4), Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) en Richtlijn 2012/34/EU.

(8)

Om ernstige verstoringen van het grensoverschrijdend spoorvervoer van en naar het Verenigd Koninkrijk te vermijden, is het ook van essentieel belang dat spoorwegexploitanten en nationale instanties snel de vereiste maatregelen nemen om te verzekeren dat certificaten en vergunningen die onder deze verordening vallen tijdig worden afgegeven, voordat deze verordening niet langer van toepassing is, en dat andere vereiste certificaten en vergunningen om actief te mogen zijn op het grondgebied van de Unie, worden afgegeven vóór de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk.

(9)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend betreffende de intrekking van het voordeel voor houders van certificaten en vergunningen als naleving van de eisen van de Unie niet wordt gewaarborgd. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (6). Gezien de mogelijke gevolgen voor de spoorwegveiligheid moet voor de vaststelling van die maatregelen de onderzoeksprocedure worden toegepast. De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dat, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen, om dwingende redenen van urgentie is vereist.

(10)

Gezien de urgentie die voortvloeit uit de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, is het passend dat wordt voorzien in een uitzondering op de periode van acht weken als bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(11)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het vaststellen van voorlopige maatregelen over bepaalde aspecten van spoorwegveiligheid en -connectiviteit in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, zelfs bij ontbreken van een terugtrekkingsakkoord, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(12)

De bepalingen van deze verordening dienen met spoed in werking te treden en moeten van toepassing zijn met ingang van de dag na die waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk, tenzij uiterlijk op die datum een terugtrekkingsakkoord met het Verenigd Koninkrijk in werking is getreden,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   In deze verordening worden, in het licht van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland („het Verenigd Koninkrijk”) uit de Europese Unie, specifieke bepalingen vastgesteld voor bepaalde veiligheidsvergunningen en veiligheidscertificaten die zijn afgegeven uit hoofde van Richtlijn 2004/49/EG, bepaalde vergunningen voor treinbestuurders die zijn afgegeven uit hoofde van Richtlijn 2007/59/EG en bepaalde vergunningen voor spoorwegondernemingen die zijn afgegeven uit hoofde van Richtlijn 2012/34/EU.

2.   Deze verordening is van toepassing op de volgende certificaten en vergunningen die geldig zijn op de dag vóór de datum van toepassing van deze verordening:

a)

veiligheidsvergunningen die uit hoofde van artikel 11 van Richtlijn 2004/49/EG zijn afgegeven aan infrastructuurbeheerders voor het beheer en de exploitatie van grensoverschrijdende infrastructuur die de Unie en het Verenigd Koninkrijk met elkaar verbindt;

b)

veiligheidscertificaten die uit hoofde van artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG zijn afgegeven aan in het Verenigd Koninkrijk gevestigde spoorwegondernemingen;

c)

vergunningen die uit hoofde van hoofdstuk III van Richtlijn 2012/34/EU zijn afgegeven aan in het Verenigd Koninkrijk gevestigde spoorwegondernemingen;

d)

vergunningen van treinbestuurders die in overeenstemming met de in artikel 14 van Richtlijn 2007/59/EG bedoelde procedure zijn afgegeven.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de toepasselijke definities in de Richtlijnen 2004/49/EG, 2007/59/EG en 2012/34/EU, en in de uitvoeringshandelingen die op grond van deze richtlijnen zijn vastgesteld. Voor de toepassing van deze verordening gelden de toepasselijke definities in Richtlijn (EU) 2016/798 en van de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen die op grond van die richtlijn zijn vastgesteld, zijn van toepassing vanaf de datum waarop die richtlijn van toepassing wordt op de in artikel 1, lid 2, onder a) en b), bedoelde vergunningen en certificaten.

Artikel 3

Geldigheid van veiligheidsvergunningen, veiligheidscertificaten, exploitatievergunningen en vergunningen voor treinbestuurders

1.   De in artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde veiligheidsvergunningen en de in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde veiligheidscertificaten blijven geldig gedurende negen maanden vanaf de datum van toepassing van deze verordening. De in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde veiligheidscertificaten gelden enkel om de in de bijlage bij deze verordening bedoelde grensstations en terminals te bereiken vanuit het Verenigd Koninkrijk of om vanuit deze stations en terminals naar het Verenigd Koninkrijk te vertrekken.

2.   De in artikel 1, lid 2, onder c), bedoelde vergunningen blijven geldig gedurende negen maanden vanaf de datum van toepassing van deze verordening. In afwijking van artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU, zijn deze vergunningen slechts geldig op het grondgebied tussen de in de bijlage bij deze verordening bedoelde grensstations en terminals en het Verenigd Koninkrijk.

3.   De in artikel 1, lid 2, onder d), bedoelde vergunningen blijven geldig gedurende negen maanden vanaf de datum van toepassing van deze verordening voor treinbestuurders wanneer zij werkzaam zijn op het grondgebied gelegen tussen de in de bijlage bij deze verordening bedoelde grensstations en terminals en het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 4

Regels en verplichtingen met betrekking tot veiligheidscertificaten en veiligheidsvergunningen

1.   Veiligheidscertificaten en veiligheidsvergunningen die onder artikel 3 van deze verordening vallen, zijn onderworpen aan de regels die erop van toepassing zijn overeenkomstig respectievelijk Richtlijn 2004/49/EG, Richtlijn (EU) 2016/798, vanaf de datum waarop deze laatste van toepassing wordt op die vergunningen, Richtlijn 2012/34/EU en Richtlijn 2007/59/EG, en overeenkomstig de uit hoofde van die richtlijnen gedelegeerde en uitvoeringshandelingen.

2.   De houders van de in artikel 1, lid 2, bedoelde veiligheidscertificaten en veiligheidsvergunningen, en, naargelang het geval, de afgevende instantie, als die verschilt van de nationale veiligheidsinstantie op het grondgebied waarvan de infrastructuur in de Unie is gelegen, respectievelijk onder wiens bevoegdheid de in de bijlage vermelde grensstations en terminals vallen, werken samen met de nationale veiligheidsinstantie en verstrekken die nationale veiligheidsinstantie alle toepasselijke informatie en documenten.

3.   Als de informatie en documenten niet zijn verstrekt binnen de termijnen die de nationale veiligheidsinstantie in haar in lid 2 van onderhavig artikel bedoelde verzoeken heeft vastgesteld, kan de Commissie na kennisgeving door de nationale veiligheidsinstantie uitvoeringshandelingen vaststellen om het aan de houder krachtens artikel 3 toegekende voordeel in te trekken. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 7, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   De in artikel 1, lid 2, onder a), b) en d), van deze verordening bedoelde houders van veiligheidscertificaten en veiligheidsvergunningen stellen de Commissie en het Spoorwegbureau van de Europese Unie onverwijld in kennis van alle maatregelen van andere bevoegde veiligheidsinstanties die in strijd kunnen zijn met hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening, Richtlijn 2004/49/EG, Richtlijn 2007/59/EG of Richtlijn (EU) 2016/798.

De in artikel 1, lid 2, onder c), bedoelde houders van vergunningen stellen de Commissie onverwijld in kennis van alle maatregelen van andere bevoegde veiligheidsinstanties die in strijd kunnen zijn met hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening of uit hoofde van Richtlijn 2012/34/EU.

5.   Alvorens de krachtens artikel 3 toegekende voordelen in te trekken, informeert de Commissie te zijner tijd de in lid 2 van dit artikel bedoelde nationale veiligheidsinstantie, de instantie die de in artikel 1, lid 2, bedoelde veiligheidscertificaten en veiligheidsvergunningen heeft afgegeven, en de houders van die certificaten en vergunningen over haar voornemen om tot dergelijke intrekking over te gaan en stelt zij hen in de gelegenheid hun standpunten kenbaar te maken.

6.   Wat de in artikel 1, lid 2, onder c), bedoelde vergunningen betreft, voor de toepassing van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel, worden verwijzingen naar een nationale veiligheidsinstantie begrepen als verwijzingen naar een vergunningverlenende autoriteit als gedefinieerd in artikel 3, punt 15, van Richtlijn 2012/34/EU.

Artikel 5

Toezicht op de naleving van het Unierecht

1.   De in artikel 4, lid 2, bedoelde nationale veiligheidsinstantie houdt toezicht op de spoorwegveiligheidsnormen die van toepassing zijn op in het Verenigd Koninkrijk gevestigde spoorwegondernemingen die gebruikmaken van de in artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde grensoverschrijdende infrastructuur, en op die grensoverschrijdende infrastructuur. Daarnaast controleert de nationale veiligheidsinstantie of de infrastructuurbeheerders voldoen aan de in het Unierecht uiteengezette veiligheidsvoorschriften, en of de treinbestuurders die op het grondgebied onder zijn jurisdictie werkzaam zijn, voldoen aan de in de relevante Unierechtelijke bepalingen vastgelegde vereisten. De nationale veiligheidsinstantie verstrekt de Commissie en het Spoorwegbureau van de Europese Unie verslagen over deze kwestie, in voorkomend geval samen met een aanbeveling voor de Commissie om overeenkomstig lid 2 van onderhavig artikel op te treden.

De in artikel 4, leden 2 en 6, van onderhavige verordening bedoelde vergunningverlenende autoriteit controleert of wordt voldaan aan de in de artikelen 19 tot en met 22 van Richtlijn 2012/34/EU vastgelegde vereisten in verband met de spoorwegondernemingen als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder c), van onderhavige verordening waaraan het Verenigd Koninkrijk een vergunning heeft afgeleverd.

2.   Als de Commissie gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de veiligheidsnormen die van toepassing zijn op de exploitatie van grensoverschrijdende spoorwegdiensten of infrastructuur die onder het toepassingsgebied van deze verordening valt of het deel van die infrastructuur dat in het Verenigd Koninkrijk is gelegen, niet in overeenstemming zijn met de toepasselijke bepalingen van het Unierecht, stelt zij uitvoeringshandelingen vast om het aan de houder krachtens artikel 3 toegekende voordeel in te trekken. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 7, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Dit is van overeenkomstige toepassing wanneer de Commissie gegronde twijfels heeft over de toepassing van de vereisten voor het verkrijgen van een vergunning als spoorwegonderneming of een vergunning om een trein te mogen besturen.

3.   Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel kan de nationale veiligheidsinstantie of respectievelijk de in artikel 4, lid 2 en lid 6, bedoelde vergunningverlenende autoriteit bij de relevante bevoegde instanties informatie opvragen, die binnen een redelijke termijn moet worden verstrekt. Als die relevante bevoegde instanties de gevraagde informatie niet binnen de vastgestelde termijn verstrekken of onvolledige informatie verstrekken, kan de Commissie na kennisgeving door de nationale veiligheidsinstantie of, waar passend, de in artikel 4, lid 2 en lid 6, bedoelde vergunningverlenende autoriteit, uitvoeringshandelingen vaststellen om het aan de houder krachtens artikel 3 toegekende voordeel intrekken. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 7, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.   Alvorens de krachtens artikel 3 toegekende voordelen in te trekken, informeert de Commissie te zijner tijd de in artikel 4, lid 2, bedoelde nationale veiligheidsinstantie, de instantie die de in artikel 1, lid 2, bedoelde veiligheidscertificaten of veiligheidsvergunningen heeft afgegeven, de houders van die certificaten en vergunningen en de nationale veiligheidsinstantie en vergunningverlenende instantie van het Verenigd Koninkrijk over haar voornemen om tot dergelijke intrekking over te gaan en stelt zij hen in de gelegenheid hun standpunten kenbaar te maken.

Artikel 6

Overleg en samenwerking

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten overleggen en werken samen met de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk voor zover nodig is om de tenuitvoerlegging van deze verordening te waarborgen.

2.   De lidstaten verstrekken de Commissie op verzoek onverwijld alle informatie die zij uit hoofde van lid 1 hebben ontvangen of andere informatie die voor de uitvoering van deze verordening van belang is.

Artikel 7

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 51 van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad (7) bedoelde comité en het in artikel 62 van Richtlijn 2012/34/EU bedoelde comité. Deze comités zijn comités in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Als naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011 in samenhang met artikel 5 van die verordening van toepassing.

Artikel 8

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van de dag na die waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

3.   Deze verordening is niet van toepassing als een overeenkomstig artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord uiterlijk op de in lid 2 bedoelde datum in werking is getreden.

4.   Overeenkomstig lid 2 is deze verordening negen maanden na de dag van inwerkingtreding ervan niet langer van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 25 maart 2019.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

G. CIAMBA


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 maart 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 maart 2019.

(2)  Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 32).

(3)  Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 102).

(4)  Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44).

(5)  Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 51).

(6)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(7)  Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 44).


BIJLAGE

De in de artikelen 3 en 4 bedoelde grensstations en terminals zijn de volgende:

1.   IERLAND

Dún Dealgan/Dundalk

2.   FRANKRIJK

Calais-Fréthun