30.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 250/91


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1615 VAN DE COMMISSIE

van 26 september 2019

tot vaststelling van noodmaatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van het tomato brown rugose fruit virus (ToBRFV) te voorkomen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 6826)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name artikel 16, lid 3, derde zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het tomato brown rugose fruit virus, hierna het “nader omschreven organisme” genoemd, is een schadelijk organisme dat momenteel niet is opgenomen in bijlage I of bijlage II bij Richtlijn 2000/29/EG.

(2)

Eind 2018 hebben Duitsland en Italië echter melding gemaakt van uitbraken van het nader omschreven organisme bij tomatenplanten op hun grondgebied en van de maatregelen die zijn genomen om het te bestrijden. Uit een door Italië verrichte analyse van het fytosanitaire risico is gebleken dat het nader omschreven organisme en de schadelijke effecten ervan een belangrijk fytosanitair probleem voor de Unie kunnen opleveren, met name voor de productie van Solanum lycopersicum L. en Capsicum annuum.

(3)

De lidstaten moeten er daarom voor zorgen dat eenieder die verantwoordelijk is voor planten die mogelijk door het nader omschreven organisme kunnen worden aangetast, wordt geïnformeerd over de mogelijke aanwezigheid ervan en over de te nemen maatregelen.

(4)

De lidstaten moeten bovendien jaarlijkse onderzoeken verrichten naar de aanwezigheid van het nader omschreven organisme op hun grondgebied met het oog op een meer proactieve aanpak om de vestiging en verspreiding van dat organisme te voorkomen.

(5)

Gezien het bewijsmateriaal uit Duitsland en Italië en de verspreiding van het nader omschreven organisme in een toenemend aantal derde landen, moeten gevoelige nader omschreven voor opplant bestemde planten, met inbegrip van zaaizaad, bij de invoer in de Unie aan specifieke maatregelen worden onderworpen en moeten zij vergezeld gaan van een fytosanitair certificaat.

(6)

Die specifieke maatregelen moeten ervoor zorgen dat het nader omschreven organisme tijdig op het grondgebied van de Unie wordt opgespoord, dat er eisen worden gesteld voor het binnenbrengen van de nader omschreven voor opplant bestemde planten, met inbegrip van zaaizaad, en dat bij het binnenbrengen van de nader omschreven voor opplant bestemde planten, met inbegrip van zaaizaad, in de Unie officiële controles worden verricht.

(7)

Die maatregelen zijn noodzakelijk om het grondgebied van de Unie beter te beschermen tegen de binnenkomst, vestiging en verspreiding van het nader omschreven organisme.

(8)

Om de bevoegde officiële instanties en de professionele exploitanten de gelegenheid te bieden zich aan die nieuwe eisen aan te passen, moet dit besluit van toepassing zijn vanaf 1 november 2019.

(9)

Dit moet een tijdelijk besluit zijn dat tot en met 31 maart 2022 van toepassing is, om herziening ervan voor die datum mogelijk te maken.

(10)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

a)   “nader omschreven organisme”: tomato brown rugose fruit virus (ToBRFV);

b)   “nader omschreven voor opplant bestemde planten”: voor opplant bestemde planten van de soorten Solanum lycopersicum L. en Capsicum annuum.

Artikel 2

Verbod op het binnenbrengen in en het verkeer binnen de Unie

Het binnenbrengen in en het verkeer binnen de Unie van het nader omschreven organisme wordt verboden.

Artikel 3

Opsporing of vermoedelijke aanwezigheid van het nader omschreven organisme

De lidstaten zorgen ervoor dat eenieder die verantwoordelijk is voor planten die mogelijk door het nader omschreven organisme kunnen worden aangetast, onmiddellijk op de hoogte wordt gebracht van de aanwezigheid of de vermoedelijke aanwezigheid van het nader omschreven organisme en wordt voorgelicht over de mogelijke gevolgen en risico's, alsook de te nemen maatregelen om de vestiging en verspreiding van het nader omschreven organisme te voorkomen.

Artikel 4

Onderzoeken met betrekking tot het nader omschreven organisme op het grondgebied van de lidstaten en aantoning ervan

1.   De lidstaten verrichten op hun grondgebied jaarlijks onderzoeken naar de aanwezigheid van het nader omschreven organisme op waardplanten.

2.   Deze onderzoeken worden verricht door de bevoegde officiële instantie of onder officieel toezicht van de bevoegde officiële instantie. De onderzoeken omvatten laboratoriumtests en worden gebaseerd op deugdelijke wetenschappelijke en technische beginselen wat de capaciteit om het nader omschreven organisme op te sporen betreft.

3.   De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten uiterlijk op 31 januari van elk jaar in kennis van de resultaten van de in het voorgaande kalenderjaar verrichte onderzoeken.

Artikel 5

Verkeer van de nader omschreven voor opplant bestemde planten binnen de Unie

De nader omschreven voor opplant bestemde planten van oorsprong uit het grondgebied van de Unie mogen binnen de Unie slechts in het verkeer zijn als zij vergezeld gaan van een plantenpaspoort dat overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie (2) is opgesteld en afgegeven en als zij aan een van de volgende vereisten voldoen:

a)

zij zijn van oorsprong uit gebieden waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er niet voorkomt;

b)

wanneer het gaat om voor opplant bestemde planten, met uitzondering van zaden:

i)

zij zijn van oorsprong uit een productielocatie waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er niet voorkomt, op basis van officiële inspecties die op het daarvoor geschikte tijdstip zijn verricht om dat organisme op te sporen, en

ii)

zij komen voort uit zaden van oorsprong uit gebieden die vrij zijn van het nader omschreven organisme of die voor het nader omschreven organisme officieel op een representatief monster zijn getest met behulp van passende methoden, en zijn bij deze tests vrij bevonden van het nader omschreven organisme;

c)

in het geval van zaaizaad zijn officiële bemonsteringen en tests op het nader omschreven organisme verricht, op een representatief monster met behulp van passende methoden, en is het bij deze tests vrij bevonden van het nader omschreven organisme.

Artikel 6

Eisen voor het binnenbrengen in de Unie van de nader omschreven voor opplant bestemde planten

Nader omschreven voor opplant bestemde planten mogen slechts in de Unie worden binnengebracht als zij vergezeld gaan van een in artikel 13, lid 1, punt ii), van Richtlijn 2000/29/EG bedoeld fytosanitair certificaat en als zij aan een van de volgende vereisten voldoen:

a)

de nader omschreven voor opplant bestemde planten zijn van oorsprong uit een derde land dat door de nationale plantenziektekundige organisatie overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen vrij is bevonden van het nader omschreven organisme. Die informatie wordt vermeld in het fytosanitair certificaat onder “Aanvullende verklaring”;

b)

de nader omschreven voor opplant bestemde planten zijn van oorsprong uit een gebied dat door de nationale plantenziektekundige organisatie overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen vrij is bevonden van het nader omschreven organisme. De naam van dat gebied wordt onder “plaats van oorsprong” van het fytosanitair certificaat vermeld;

c)

wanneer de nader omschreven voor opplant bestemde planten van oorsprong zijn uit andere derde landen of gebieden dan die bedoeld onder a) en b), moeten zij aan de volgende eisen voldoen:

i)

voor nader omschreven voor opplant bestemde planten, met uitzondering van zaden:

zij zijn geproduceerd op een productielocatie die is geregistreerd door en onder toezicht staat van de nationale plantenziektekundige dienst van het land van oorsprong en zijn vrij bevonden van het nader omschreven organisme op basis van officiële inspecties die op het daarvoor geschikte tijdstip zijn verricht om dat organisme op te sporen, en

zij komen voort uit zaden van oorsprong uit gebieden die vrij zijn van het nader omschreven organisme of die voor het nader omschreven organisme officieel op een representatief monster zijn getest met behulp van passende methoden, en zijn bij deze tests vrij bevonden van het nader omschreven organisme. De verwijzing naar de test wordt opgenomen onder de rubriek “Aanvullende verklaring” van het fytosanitair certificaat.

Er moet informatie over de traceerbaarheid van de nader omschreven voor opplant bestemde planten naar hun plaats van productie beschikbaar zijn;

ii)

in het geval van zaaizaad zijn officiële bemonsteringen en tests op het nader omschreven organisme verricht, op een representatief monster met behulp van passende methoden, en is het bij deze tests vrij bevonden van het nader omschreven organisme. De verwijzing naar de test wordt opgenomen onder de rubriek “Aanvullende verklaring” van het fytosanitair certificaat.

Artikel 7

Officiële controles bij het binnenbrengen in de Unie

Alle zendingen van de nader omschreven voor opplant bestemde planten die in de Unie worden binnengebracht, worden op de plaats van binnenkomst in de Unie of op de plaats van bestemming als vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2004/103/EG van de Commissie (3) officieel gecontroleerd.

Artikel 8

Datum van toepassing

Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 november 2019.

Artikel 9

Datum van verstrijken

Dit besluit is van toepassing tot en met 31 maart 2022.

Artikel 10

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 26 september 2019.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

(2)  Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie van 3 december 1992 tot een zekere mate van standaardisering van plantenpaspoorten voor het verkeer van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen in de Gemeenschap, en tot vaststelling van nadere regels voor de afgifte van deze paspoorten en van de voorwaarden en nadere regels voor de vervanging ervan (PB L 4 van 8.1.1993, blz. 22).

(3)  Richtlijn 2004/103/EG van de Commissie van 7 oktober 2004 betreffende de controles van de identiteit en de fytosanitaire controles van in deel B van bijlage V bij Richtlijn 2000/29/EG van de Raad opgenomen planten, plantaardige producten en andere materialen, die kunnen worden uitgevoerd op een andere plaats dan de plaats van binnenkomst in de Gemeenschap of op een dichtbijgelegen plaats en tot vaststelling van de eisen met betrekking tot deze controles (PB L 313 van 12.10.2004, blz. 16).