27.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/77


GEDELEGEERD BESLUIT (EU) 2019/1597 VAN DE COMMISSIE

van 3 mei 2019

tot aanvulling van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot een gemeenschappelijke methode en minimale kwaliteitsvereisten voor de eenvormige meting van hoeveelheden levensmiddelenafval

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (1), en met name artikel 9, lid 8,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2008/98/EG verplicht de lidstaten de preventie van levensmiddelenafval op te nemen in hun afvalpreventieprogramma's en de uitvoering van hun maatregelen ter preventie van levensmiddelenafval te monitoren en te evalueren door de hoeveelheden levensmiddelenafval te meten aan de hand van een gemeenschappelijke methode. De Commissie moet deze gemeenschappelijke methode vaststellen en minimale kwaliteitsvereisten vaststellen voor de eenvormige meting van de hoeveelheden levensmiddelenafval op basis van het resultaat van de werkzaamheden van het EU-platform inzake voedselverlies en voedselverspilling.

(2)

De definitie van “levensmiddel” in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (2) omvat voedsel als geheel, in de gehele voedselvoorzieningsketen, van productie tot consumptie. Levensmiddelen omvatten ook niet-eetbare delen die niet van de eetbare delen werden gescheiden toen het levensmiddel werd geproduceerd, zoals beenderen die zijn bevestigd aan vlees dat voor menselijke consumptie is bestemd. Daarom kan levensmiddelenafval naast delen van levensmiddelen die voor consumptie bestemd ook betrekking hebben op delen van levensmiddelen die niet voor consumptie bestemd zijn.

(3)

Verliezen in de stadia van de voedselvoorzieningsketen waar bepaalde producten nog geen levensmiddelen als gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn, zoals eetbare planten die nog niet zijn geoogst, zijn geen levensmiddelenafval. Bijproducten van de productie van levensmiddelen die voldoen aan de criteria van artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2008/98/EG zijn evenmin levensmiddelenafval, aangezien dergelijke bijproducten geen afval zijn.

(4)

Levensmiddelenafval moet over de hele voedselvoorzieningsketen worden voorkomen of verminderd. Aangezien de soorten levensmiddelenafval en de factoren die bijdragen tot de productie ervan per stadium van de voedselvoorzieningsketen sterk verschillend zijn, moet het levensmiddelenafval voor elk stadium afzonderlijk worden gemeten.

(5)

Voor de toewijzing van levensmiddelenafval aan de verschillende stadia van de voedselvoorzieningsketen moet gebruikgemaakt worden van de gemeenschappelijke statistische classificatie van economische activiteiten binnen de Unie zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3) (NACE Rev. 2). Aangezien een NACE Rev. 2-classificatie voor “huishoudens” ontbreekt, moet de desbetreffende toewijzing worden uitgevoerd door verwijzing naar bijlage I, sectie 8, punt 1.2 bij Verordening (EG) nr. 2150/2002 van het Europees Parlement en de Raad (4).

(6)

Hoewel Beschikking 2000/532/EG van de Commissie (5) tot vaststelling van een Europese lijst van afvalstoffen het niet altijd mogelijk maakt om levensmiddelenafval nauwkeurig te identificeren, kunnen de nationale autoriteiten die beschikking wel als richtsnoer gebruiken bij het meten van levensmiddelenafval.

(7)

Landbouwmateriaal als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder f), van Richtlijn 2008/98/EG en dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b), van Richtlijn 2008/98/EG zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van die richtlijn en mogen daarom niet als levensmiddelenafval worden gemeten.

(8)

Om ervoor te zorgen dat de methode praktisch toepasbaar is en dat de uit de monitoring voortvloeiende last evenredig en redelijk is, moeten bepaalde afvalstromen, die naar verwachting geen of slechts verwaarloosbare hoeveelheden levensmiddelenafval omvatten, niet als levensmiddelenafval worden gemeten.

(9)

Om de nauwkeurigheid van de meting van voedselafval te verbeteren, moeten niet voor voeding bestemde materialen die met levensmiddelenafval worden vermengd (bv. bodem of verpakking), voor zover mogelijk worden uitgesloten van de massa van het levensmiddelenafval.

(10)

Er zijn verschillende soorten levensmiddelen die doorgaans als of met afvalwater worden weggegooid, zoals drink- en mineraalwater in flessen en dranken en andere vloeistoffen. Voor het meten van dergelijke afvalstoffen bestaat momenteel geen methode die een voldoende niveau van vertrouwen en vergelijkbaarheid van de gerapporteerde gegevens zou waarborgen. Daarom moeten dergelijke soorten levensmiddelen niet als levensmiddelenafval worden gemeten. Het moet voor de lidstaten echter mogelijk zijn om informatie over dit soort levensmiddelen op vrijwillige basis te rapporteren.

(11)

Hoewel stoffen die voor gebruik als voedermiddelen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder e), van Richtlijn 2008/98/EG zijn bestemd, zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van die richtlijn en daarom niet als levensmiddelenafval moeten worden gemeten, is informatie over levensmiddelen die oorspronkelijk voor menselijke consumptie bedoeld waren en vervolgens voor diervoeder werden bestemd (met inbegrip van voormalige voedingsmiddelen als gedefinieerd in de bijlage, deel A, punt 3, bij Verordening (EU) nr. 68/2013 van de Commissie (6)) belangrijk voor het verkrijgen van inzicht in de materiaalstromen in verband met levensmiddelen en mogelijk ook nuttig bij de planning van een gericht preventiebeleid voor voedselverspilling. Daarom moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om deze informatie op vrijwillige basis en op eenvormige wijze te melden.

(12)

Met het oog op een nauwkeurige indicatie van de hoeveelheden levensmiddelenafval die in elk stadium van de voedselvoorzieningsketen worden geproduceerd, moeten de lidstaten de hoeveelheden levensmiddelenafval grondig meten. Deze grondige meting moet voor elk stadium van de voedselvoorzieningsketen regelmatig en ten minste om de vier jaar plaatsvinden.

(13)

Overeenkomstig artikel 37, lid 3, van Richtlijn 2008/98/EG moeten de lidstaten de hoeveelheden levensmiddelenafval jaarlijks rapporteren. Om evenredigheid te waarborgen en de administratieve lasten te verminderen, moeten de lidstaten voor de doeleinden van die jaarlijkse verslagen beschikken over een verschillende manieren om levensmiddelenafval te meten, met inbegrip van de bestaande analyses van levensmiddelenafvalproductie, nieuwe specifieke studies over levensmiddelenafval en gegevens die zijn verzameld voor afvalstoffenstatistieken of rapportageverplichtingen betreffende afval en andere sociaaleconomische gegevens, of een combinatie van die opties. Voor zover mogelijk moeten de erkende gegevensbronnen, zoals het Europees statistisch systeem, worden gebruikt.

(14)

Om te zorgen voor een eenvormige monitoring van de materiaalstromen in de voedselvoorzieningsketen in het kader van een gericht beleid voor de preventie van levensmiddelenafval moet ervoor worden gezorgd dat de lidstaten die besluiten levensmiddelenafval meer in detail te meten of de dekking van de meting tot daarmee samenhangende materiaalstromen uit te breiden, dat op eenvormige wijze kunnen doen.

(15)

Om de verificatie van de gerapporteerde gegevens en de verbetering van de meetmethoden mogelijk te maken en om de vergelijkbaarheid van deze methoden te waarborgen, moeten de lidstaten aanvullende informatie verstrekken in verband met de meetmethoden en de kwaliteit van de verzamelde gegevens,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied van de meting van levensmiddelenafval

1.   De hoeveelheden levensmiddelenafval worden voor de volgende stadia van de voedselvoorzieningsketen afzonderlijk gemeten:

a)

primaire productie;

b)

verwerking en fabricage;

c)

detailhandel en andere levensmiddelendistributie;

d)

restaurants en cateringdiensten;

e)

huishoudens.

2.   Levensmiddelenafval wordt overeenkomstig bijlage I toegewezen aan de in lid 1 vermelde stadia van de voedselvoorzieningsketen.

3.   De meting heeft betrekking op levensmiddelenafval dat is ingedeeld bij de in bijlage II vermelde afvalcodes of bij een andere afvalcode voor afval dat eveneens levensmiddelenafval omvat.

4.   De meting van levensmiddelenafval is niet van toepassing op:

a)

landbouwmateriaal als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder f), van Richtlijn 2008/98/EG;

b)

dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b), van Richtlijn 2008/98/EG;

c)

residuen van levensmiddelenafval die worden ingezameld als deel van verpakkingsafval ingedeeld bij afvalcode “15 01 — Verpakking (inclusief gescheiden ingezameld stedelijk verpakkingsafval)” in de bij Beschikking 2000/532/EG vastgestelde Europese lijst van afvalstoffen;

d)

residuen van levensmiddelenafval die worden ingezameld in afvalstoffen ingedeeld bij afvalcode: “20 03 03 — Veegvuil” in de bij Beschikking 2000/532/EG vastgestelde Europese lijst van afvalstoffen;

e)

niet voor voeding bestemde materialen die vermengd met levensmiddelenafval worden ingezameld, voor zover mogelijk.

5.   De meting van levensmiddelenafval heeft geen betrekking op de volgende elementen, onverminderd de vrijwillige meting als bedoeld in artikel 3:

a)

levensmiddelenafval dat als of met afvalwater wordt afgevoerd;

b)

stoffen die bestemd zijn voor gebruik als voedermiddelen, zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, onder e), van Richtlijn 2008/98/EG.

Artikel 2

Methode voor het meten van levensmiddelenafval

1.   Elk jaar meten de lidstaten de hoeveelheid levensmiddelenafval die in een volledig kalenderjaar is geproduceerd.

2.   Ten minste om de vier jaar meten de lidstaten de hoeveelheid levensmiddelenafval voor een bepaald stadium van de voedselvoorzieningsketen volgens de in bijlage III beschreven methode.

3.   Wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de in bijlage III beschreven methode, meten de lidstaten de hoeveelheid levensmiddelenafval voor een bepaald stadium van de voedselvoorzieningsketen volgens de in bijlage IV beschreven methode.

4.   Voor de eerste verslagperiode als bedoeld in artikel 37, lid 3, derde alinea, van Richtlijn 2008/98/EG, meten de lidstaten de hoeveelheden levensmiddelenafval voor alle stadia van de voedselvoorzieningsketen volgens de in bijlage III beschreven methode. Voor die periode kunnen de lidstaten de gegevens gebruiken die reeds zijn verzameld in het kader van bestaande regelingen voor het jaar 2017 of later.

5.   De hoeveelheden levensmiddelenafval worden in tonnen verse massa gemeten.

Artikel 3

Vrijwillige meting

De lidstaten mogen nadere gegevens over de hoeveelheden van levensmiddelenafval meten en aan de Commissie verstrekken, alsmede gegevens betreffende de preventie van levensmiddelenafval. Deze gegevens mogen bestaan uit:

a)

de hoeveelheden levensmiddelenafval die worden geacht te bestaan uit delen van levensmiddelen die voor menselijke consumptie bestemd zijn;

b)

de hoeveelheden levensmiddelenafval die als of met afvalwater worden afgevoerd;

c)

de hoeveelheden levensmiddelen die voor menselijke consumptie zijn herverdeeld, zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, onder h), van Richtlijn 2008/98/EG;

d)

de hoeveelheden levensmiddelen die niet langer voor menselijke consumptie zijn bestemd en die in de handel worden gebracht om als diervoeder te worden gebruikt door een exploitant van een diervoederbedrijf als gedefinieerd in artikel 3, lid 6, van Verordening (EG) nr. 178/2002;

e)

voormalige voedingsmiddelen als gedefinieerd in de bijlage, deel A, punt 3, bij Verordening (EU) nr. 68/2013.

Artikel 4

Minimale kwaliteitsvereisten

1.   De lidstaten nemen passende maatregelen om de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de metingen van levensmiddelenafval te waarborgen. Met name zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

de metingen die volgens de in bijlage III beschreven methode worden uitgevoerd, zijn gebaseerd op een representatieve steekproef van de populatie waarop de resultaten worden toegepast, en representatief zijn voor de variaties in de gegevens over de hoeveelheden levensmiddelenafval die moeten worden gemeten;

b)

de metingen die volgens de in bijlage IV beschreven methode worden uitgevoerd, zijn gebaseerd op de beste beschikbare informatie.

2.   De lidstaten verstrekken de Commissie informatie over de methoden die voor de meting van levensmiddelenafval in elk stadium van de voedselvoorzieningsketen zijn gebruikt en over belangrijke verschillen tussen de gebruikte methoden en de methoden die voor een daaraan voorafgaande meting zijn gebruikt.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 3 mei 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.

(2)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 2150/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2002 betreffende afvalstoffenstatistieken (PB L 332 van 9.12.2002, blz. 1).

(5)  Beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3).

(6)  Verordening (EU) nr. 68/2013 van de Commissie van 16 januari 2013 betreffende de catalogus van voedermiddelen (PB L 29 van 30.1.2013, blz. 1).


BIJLAGE I

Toewijzing van levensmiddelenafval aan verschillende stadia van de voedselvoorzieningsketen

 

 

Activiteit die afvalstoffen genereert

Stadia van de voedselvoorzieningsketen

Relevant volgnummer in afvalstatistieken (1) die een bepaald stadium in de voedselvoorzieningsketen omvatten

Relevante NACE Rev. 2-code

Beschrijving

Primaire productie

Deel van volgnummer 1

Sectie A

Landbouw, bosbouw en visserij

 

Afdeling 01

Teelt van gewassen, veeteelt, jacht en diensten in verband met deze activiteiten

 

Afdeling 03

Visserij en aquacultuur

Verwerking en vervaardiging

Deel van volgnummer 3

Sectie C

Industrie

 

Afdeling 10

Vervaardiging van voedingsmiddelen

 

Afdeling 11

Vervaardiging van dranken

Detailhandel en overige distributie van levensmiddelen

Deel van volgnummer 17

Sectie G

Groot- en detailhandel; reparatie van auto's en motorfietsen;

 

Afdeling 46

Groothandel, met uitzondering van de handel in auto's en motorfietsen

 

Afdeling 47

Detailhandel, met uitzondering van de handel in auto's en motorfietsen

Restaurants en cateringdiensten

Deel van volgnummer 17

Afdeling I

Verschaffen van accommodatie en maaltijden

 

Afdeling 55

Accommodatie

 

Afdeling 56

Eet- en drinkgelegenheden

Secties N, O, P, Q, R, S

 

 

Afdelingen met betrekking tot activiteiten waarbij wordt voorzien in cateringdiensten (zoals voor personeel, in de gezondheidszorg, in het onderwijs, tijdens reizen).

 

Huishoudens

Volgnummer 19

“Huishoudens” als bedoeld in bijlage I, sectie 8, punt 1.2, van Verordening (EG) nr. 2150/2002 betreffende afvalstoffenstatistieken

Huishoudelijk afval


(1)  Bijlage I, sectie 8, punt 1, bij Verordening (EG) nr. 2150/2002.


BIJLAGE II

Afvalcodes die zijn opgenomen in de Europese lijst van afvalstoffen voor soorten afval die doorgaans levensmiddelenafval omvatten

 

Primaire productie

02 01 02

afval van dierlijke weefsels

02 01 03

afval van plantaardige weefsels

 

Verwerking en vervaardiging

02 02

afval van de bereiding en verwerking van vlees, vis en ander voedsel van dierlijke oorsprong

02 03

afval van de bereiding en verwerking van fruit, groente, granen, spijsolie, cacao, koffie, thee en tabak; de productie van conserven; de productie van gist en gistextract en de bereiding en fermentatie van melasse

02 04

afval van de suikerverwerking

02 05

afval van de zuivelindustrie

02 06

afval van bakkerijen en van de banketbakkersindustrie

02 07

afval van de productie van alcoholische en niet-alcoholische dranken (exclusief koffie, thee en cacao)

 

Detailhandel en overige distributie van levensmiddelen

20 01 08

biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval

20 01 25

spijsolie en -vetten

20 03 01

gemengd stedelijk afval

20 03 02

marktafval

16 03 06

niet onder 16 03 05 vallend organisch afval

 

Restaurants en cateringdiensten

20 01 08

biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval

20 01 25

spijsolie en -vetten

20 03 01

gemengd stedelijk afval

 

Huishoudens

20 01 08

biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval

20 01 25

spijsolie en -vetten

20 03 01

gemengd stedelijk afval


BIJLAGE III

Methode voor de grondige meting van levensmiddelenafval

De hoeveelheid levensmiddelenafval in een stadium van de voedselvoorzieningsketen wordt vastgesteld door de hoeveelheid levensmiddelenafval te meten die wordt geproduceerd door een steekproef van exploitanten van levensmiddelenbedrijven of huishoudens volgens een van de volgende methoden, dan wel door een combinatie van deze methoden of een andere methode die qua relevantie, representativiteit en betrouwbaarheid gelijkwaardig is.

Stadium van de voedselvoorzieningsketen

Meetmethoden

Primaire productie

Directe meting

Massabalans

 

Vragenlijsten en interviews

Coëfficiënten en productiestatistieken

Analyse van de afvalsamenstelling

Verwerking en vervaardiging

Detailhandel en overige distributie van levensmiddelen

Analyse van de afvalsamenstelling

Tellen/scannen

 

Restaurants en cateringdiensten

 

Dagboeken

Huishoudens

 

Beschrijving van de methoden

Methoden op basis van directe toegang tot levensmiddelenafval/directe meting

De volgende methoden moeten door een entiteit met directe (fysieke) toegang tot levensmiddelenafval worden gebruikt om het levensmiddelenafval te meten of te ramen:

Directe meting (weging of volumetrische bepaling)

Gebruik van meetapparatuur om de masse van monsters van levensmiddelenafval of fracties van totaal afval te bepalen, rechtstreeks of op basis van het volume. Deze methode omvat ook het meten van gescheiden ingezameld levensmiddelenafval.

Scannen/tellen

Beoordeling van het aantal elementen die tot levensmiddelenafval behoren en gebruik van het resultaat voor de bepaling van de massa.

Analyse van de afvalsamenstelling

Fysieke scheiding van levensmiddelenafval van andere fracties om de massa van de gesorteerde fracties te bepalen.

Dagboeken

Een natuurlijke persoon of een groep personen houdt regelmatig een register of logboek van informatie over levensmiddelenafval bij.

Overige methoden

De volgende methoden moeten worden gebruikt wanneer er geen directe (fysieke) toegang tot levensmiddelenafval is of wanneer directe meting niet mogelijk is:

Massabalans

Berekening van de hoeveelheid levensmiddelenafval op basis van de massa van de inputs en outputs van levensmiddelen die het gemeten systeem in- en uitgaan, en van de verwerking en consumptie van levensmiddelen binnen het systeem.

Coëfficiënten

Gebruik van eerder vastgestelde coëfficiënten voor levensmiddelenafval of percentages die representatief zijn voor een deelsector van de levensmiddelenindustrie of voor een individuele exploitant van een bedrijf. Deze coëfficiënten of percentages worden vastgesteld aan de hand van steekproeven, door exploitanten van levensmiddelenbedrijven verstrekte gegevens of door andere methoden.


BIJLAGE IV

Methode voor de meting van levensmiddelenafval indien geen gebruik wordt gemaakt van een grondige meting volgens de in bijlage III beschreven methode

Wanneer geen gebruik wordt gemaakt van een grondige meting als bedoeld in artikel 2, worden de hoeveelheden levensmiddelenafval die in een bepaald stadium van de voedselvoorzieningsketen worden geproduceerd, gemeten aan de hand van een van de volgende methoden of een combinatie van deze methoden:

a)

berekening van de hoeveelheid levensmiddelenafval op basis van de meest recente beschikbare gegevens over het aandeel van levensmiddelenafval in een bepaald stadium van de voedselvoorzieningsketen (vastgesteld overeenkomstig bijlage III) en de totale afvalproductie in dat stadium. De totale afvalproductie in een bepaald stadium van de voedselvoorzieningsketen wordt vastgesteld op basis van de gegevens die overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 2150/2002 zijn gerapporteerd voor elk van de stadia van de voedselvoorzieningsketen als bedoeld in bijlage I. In gevallen waarin dergelijke gegevens voor een bepaald jaar niet beschikbaar zijn, worden de gegevens voor het voorgaande jaar gebruikt;

b)

berekening van de hoeveelheid levensmiddelenafval op basis van sociaaleconomische gegevens die relevant zijn voor de verschillende stadia van de voedselvoorzieningsketen. De berekening van levensmiddelenafval wordt gebaseerd op de recentste gegevens over de hoeveelheden levensmiddelenafval die in een stadium van de voedselvoorzieningsketen zijn geproduceerd en de toename of afname, in de periode vanaf het jaar van de laatste meting van die gegevens tot de lopende verslagperiode, van het niveau van een of meer van de volgende sociaaleconomische indicatoren:

Stadium van de voedselvoorzieningsketen

Indicator

Primaire productie

Voedselproductie in de landbouw, de visserij en de jacht

Verwerking en vervaardiging

Productie van verwerkte levensmiddelen — op basis van gegevens van Prodcom (1).

Detailhandel en overige distributie van levensmiddelen

Verkoop van voedingsmiddelen

Bevolking

Restaurants en cateringdiensten

Omzet

Werkgelegenheid (in voltijdequivalenten)

Huishoudens

Bevolking

Beschikbaar inkomen van de huishoudens (2)

De lidstaten kunnen gebruikmaken van andere indicatoren als die beter gecorreleerd zijn met de productie van levensmiddelenafval in een bepaald stadium van de voedselvoorzieningsketen.


(1)  Verordening (EG) nr. 912/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3924/91 van de Raad betreffende de totstandbrenging van een communautaire enquête naar de industriële productie (PB L 163 van 30.4.2004, blz. 71).

(2)  Zoals gemeld door Eurostat.