25.5.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 129/68


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/764 VAN DE COMMISSIE

van 2 mei 2018

inzake de aan het Spoorwegbureau van de Europese Unie te betalen vergoedingen en kosten en de betalingsvoorwaarden

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004 (1), en met name artikel 80,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De inkomsten van het Spoorwegbureau van de Europese Unie (hierna „het Bureau” genoemd) bestaan, naast een bijdrage van de Unie, uit de vergoedingen en kosten die aanvragers moeten betalen voor de behandeling van aanvragen voor certificaten, vergunningen en goedkeuringsbesluiten, de behandeling van beroepen en andere diensten die door het Bureau worden geleverd overeenkomstig artikel 64 van Verordening (EU) 2016/796.

(2)

De aan het Bureau te betalen vergoedingen en kosten moeten op transparante, eerlijke en eenvormige wijze worden vastgesteld, met name met het oog op vereenvoudiging. Zij mogen geen onnodige financiële lasten voor ondernemingen met zich brengen en mogen het concurrentievermogen van de Europese spoorwegsector niet aantasten.

(3)

Bij het berekenen van de vergoedingen en kosten moet, in voorkomend geval, rekening worden gehouden met de kosten voor personeel en externe deskundigen die betrokken zijn bij de behandeling van aanvragen. Er moet evenzeer rekening worden gehouden met de kosten van ondersteunende diensten en activiteiten in verband met de behandeling van aanvragen, alsmede met alle andere operationele kosten die verband houden met het verlenen van die diensten. Die kosten moeten verband houden met en in verhouding staan tot de desbetreffende activiteiten en mogen niet discriminerend zijn.

(4)

De vergoedingen en kosten die door het Bureau in rekening worden gebracht, moeten de kosten van de door het Bureau verleende diensten volledig dekken.

(5)

Totdat het systeem voldoende volwassen is voor het gebruik van vaste tarieven, moet het Bureau voor het leveren van die diensten een uurtarief hanteren. De vergoedingen en kosten van het Bureau moeten op een zodanig niveau worden vastgesteld dat een tekort of significante overschotten worden vermeden, in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/796.

(6)

De te betalen bedragen mogen niet afhangen van de vestigingsplaats van de aanvrager of van de taal die voor de aanvraag wordt gebruikt. Daarom moeten de reis- en vertaalkosten die verband houden met het door het Bureau behandelde gedeelte van de aanvraag, worden geaggregeerd en over alle aanvragen worden verdeeld.

(7)

Bij het vaststellen van de vergoedingen en kosten moet rekening worden gehouden met de specifieke behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen. Ondernemingen moeten de mogelijkheid krijgen om indien nodig in termijnen te betalen.

(8)

Aanvragers moeten genoegdoening kunnen zoeken en gebruik kunnen maken van hun bij Verordening (EU) 2016/796 toegekende recht om beroep aan te tekenen tegen beslissingen van het Bureau. Daarom mag de betaling van de vergoedingen en kosten voor een beroep tegen een beslissing van het Bureau niet als ontvankelijkheidsvoorwaarde gelden. Slechts in het geval waarin het beroep wordt afgewezen, mogen vergoedingen en kosten voor de behandeling van het beroep in rekening worden gebracht.

(9)

In lijn met goed projectbeheer moet de aanvrager de mogelijkheid hebben een raming te vragen. De aanvrager moet zo goed mogelijk worden geïnformeerd over het waarschijnlijk te betalen bedrag en de betaalwijze. Er moeten termijnen voor de betaling van vergoedingen en kosten worden vastgesteld.

(10)

Informatie over de in deze verordening vastgestelde vergoedingen en kosten moet openbaar toegankelijk zijn. Toekomstige herzieningen van de vergoedingen die het Bureau in rekening kan brengen, moeten gebaseerd zijn op een transparante evaluatie van de kosten van het Bureau en de relevante kosten die voortvloeien uit de door de nationale veiligheidsinstanties verrichte taken.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 81 van Verordening (EU) 2016/796 bedoelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze verordening strekt tot vaststelling van de aan het Spoorwegbureau van de Europese Unie (hierna „het Bureau” genoemd) te betalen vergoedingen en kosten voor de behandeling van aanvragen overeenkomstig de artikelen 14, 20, 21 en 22 van Verordening (EU) 2016/796, alsmede voor het verrichten van andere diensten in overeenstemming met de doelstellingen waarmee het Bureau is opgericht. Daarnaast worden de methode voor het berekenen van de vergoedingen en kosten, alsmede de betalingsvoorwaarden vastgesteld.

2.   Bij deze verordening worden ook procedures vastgesteld ter waarborging van transparantie, non-discriminatie en andere fundamentele beginselen van het Europees recht ten aanzien van de kosten van de nationale veiligheidsinstanties (hierna „NVI's” genoemd) voor de behandeling van het nationale gedeelte van de aanvragen waarvoor het Bureau overeenkomstig de artikelen 14, 20 en 21 van Verordening (EU) 2016/796 verantwoordelijk is.

3.   Deze verordening is niet van toepassing op vergoedingen en kosten die in verband met de volgende activiteiten van de NVI's in rekening worden gebracht:

a)

het behandelen van aanvragen voor unieke veiligheidscertificaten overeenkomstig artikel 10, lid 8, van Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad (2) en het daarmee verband houdende vooroverleg als bedoeld in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763 van de Commissie (3);

b)

het behandelen van aanvragen voor vergunningen voor het in de handel brengen van voertuigen of voor voertuigtypegoedkeuringen overeenkomstig artikel 21, lid 8, en artikel 24, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad (4) en het daarmee verband houdende vooroverleg als bedoeld in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie (5);

c)

het uitbrengen van een advies over een verzoek om goedkeuring met betrekking tot ERTMS-baanuitrusting overeenkomstig artikel 19, lid 3, laatste alinea, van Richtlijn (EU) 2016/797;

d)

het afgeven van tijdelijke vergunningen in het geval van tests op locatie overeenkomstig artikel 21, leden 3 en 5, van Richtlijn (EU) 2016/797.

Artikel 2

Soorten vergoedingen en kosten

1.   Het Bureau brengt vergoedingen in rekening voor de behandeling van aanvragen, inclusief voor het verstrekken van ramingen en wanneer een aanvraag door de aanvrager wordt ingetrokken of een beslissing door het Bureau wordt gewijzigd. Het Bureau kan ook een vergoeding in rekening brengen wanneer het een eerdere beslissing intrekt wegens een geval van niet-naleving door de houder van een vergunning of certificaat.

2.   De in lid 1 bedoelde aanvragen hebben betrekking op:

a)

vergunningen voor het in de handel brengen van voertuigen en voor voertuigtypegoedkeuringen overeenkomstig de artikelen 20 en 21 van Verordening (EU) 2016/796;

b)

unieke veiligheidscertificaten overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2016/796;

c)

goedkeuringsbeslissingen met betrekking tot de overeenstemming, op het vlak van interoperabiliteit, van een oplossing voor ERTMS-baanuitrusting met de desbetreffende TSI overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EU) 2016/796;

d)

de in artikel 58 van Verordening (EU) 2016/796 bedoelde beroepen overeenkomstig artikel 7 van de onderhavige verordening.

3.   Het Bureau brengt kosten in rekening voor het verlenen van andere dan de in lid 1 bedoelde diensten waarom is gevraagd door een aanvrager of enige andere persoon. Het brengt met name kosten in rekening voor het vooroverleg als bedoeld in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 en in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763.

4.   Het Bureau publiceert een lijst van diensten op zijn website.

Artikel 3

Berekening van vergoedingen en kosten

1.   Het bedrag van de vergoedingen en kosten is de som van:

a)

het aantal werkuren van het personeel van het Bureau en externe deskundigen voor het behandelen van de aanvraag, vermenigvuldigd met het uurtarief van het Bureau, en

b)

de relevante kosten van de NVI's die voortvloeien uit de behandeling van het nationale gedeelte van de aanvraag.

2.   Voor de doeleinden van lid 1, onder a), past het Bureau een uurtarief van 130 EUR toe.

Artikel 4

Ramingen met betrekking tot vergoedingen en kosten

1.   Als de aanvrager daarom verzoekt, verstrekt het Bureau een niet-bindende raming van de in verband met de aanvraag of het verzoek om dienstverlening te betalen vergoedingen en kosten, en geeft het informatie over wanneer er zal worden gefactureerd.

De NVI's die betrokken zijn bij de behandeling van een aanvraag verstrekken het Bureau een niet-bindende raming van hun kosten als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b), met het oog op de opname ervan in de door het Bureau verstrekte raming.

2.   Gedurende de behandeling van een aanvraag monitoren het Bureau en de NVI's hun kosten. Op verzoek van de aanvrager brengen zij hem ervan op de hoogte wanneer de kosten meer dan 15 % hoger dreigen uit te vallen dan geraamd.

3.   Als de behandeling van een aanvraag of de verlening van een dienst langer dan een jaar duurt, kan de aanvrager om een nieuwe raming verzoeken.

4.   Wanneer wordt verzocht om een raming of om een herziening daarvan, kunnen de termijnen die zijn vastgesteld in artikel 19, lid 4, en artikel 21, lid 6, van Richtlijn (EU) 2016/797 en in artikel 10, lid 6, van Richtlijn (EU) 2016/798, voor een periode van ten hoogste tien werkdagen worden opgeschort.

Artikel 5

Betalingsvoorwaarden

1.   Het Bureau factureert de verschuldigde vergoedingen en kosten binnen dertig kalenderdagen vanaf de datum waarop

a)

het Bureau een beslissing heeft genomen of de kamer van beroep een uitspraak heeft gedaan, of

b)

de verleende dienst wordt beëindigd, of

c)

een aanvraag wordt ingetrokken, of

d)

zich enige andere gebeurtenis voordoet die leidt tot beëindiging van de behandeling van een aanvraag.

2.   De factuur bevat:

a)

het aantal werkuren van het Bureau, en

b)

waar van toepassing, de te vergoeden kosten van elke bevoegde NVI. Die kosten worden gespecificeerd in verhouding tot de taken en de bestede tijd of in de vorm van een vast tarief dat wordt toegepast op de behandeling van het nationale gedeelte van de aanvraag.

3.   Uiterlijk wanneer het Bureau daarom verzoekt, verstrekken de NVI's het Bureau een opgave van de voor hun bijdrage te vergoeden kosten die in de factuur van het Bureau moeten worden opgenomen. In de opgave van de kosten wordt nauwkeurig beschreven hoe die kosten zijn berekend.

4.   De vergoedingen en kosten worden uitgedrukt en betaald in euro.

5.   Het Bureau maakt voor de kennisgeving van beslissingen aan aanvragers en voor de facturering gebruik van het eenloketsysteem als bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) 2016/796.

6.   Het Bureau mag om de zes maanden tussentijdse bedragen factureren.

7.   De vergoedingen en kosten worden betaald door het verschuldigde bedrag over te schrijven naar de daartoe door het Bureau opgegeven bankrekening.

8.   De aanvragers zorgen ervoor dat het Bureau het verschuldigde bedrag, met inbegrip van eventuele bankkosten voor die betaling, ontvangt binnen zestig kalenderdagen vanaf de datum van kennisgeving van de factuur.

9.   Indien de aanvrager een kleine of middelgrote onderneming is, houdt het Bureau rekening met verzoeken om een redelijke verlenging van de betalingstermijn en stemt het ermee in dat in termijnen wordt betaald.

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder kleine of middelgrote ondernemingen verstaan: ondernemingen met minder dan 250 werknemers en een jaaromzet van niet meer dan 50 miljoen EUR of een jaarlijks balanstotaal van niet meer dan 43 miljoen EUR.

10.   De kosten van de NVI's voor de behandeling van het nationale gedeelte van de aanvragen worden vergoed binnen de in de leden 8 en 9 bedoelde termijnen.

Artikel 6

Verzuim van betaling

1.   Wanneer het Bureau de betaling niet binnen de in artikel 5, leden 8 en 9, bedoelde termijnen heeft ontvangen, kan het rente in rekening brengen voor elke extra kalenderdag totdat de betaling wordt ontvangen, waarbij het de invorderingsregels van artikel 80 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (6) toepast.

2.   Het rentepercentage is de op de eerste kalenderdag van de maand van de vervaldag door de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie, verhoogd met acht procentpunten.

3.   Als het Bureau over bewijzen beschikt dat de financiële draagkracht van de aanvrager in gevaar is, mag het een aanvraag weigeren, tenzij de aanvrager een bankgarantie of deposito verstrekt.

4.   Het Bureau mag een nieuwe aanvraag weigeren als de aanvrager zijn betalingsverplichtingen ten gevolge van eerdere door het Bureau verrichte taken of diensten met betrekking tot vergunningen, certificeringen of goedkeuringen niet is nagekomen, tenzij de aanvrager de uitstaande verschuldigde bedragen voor die verrichte taken of diensten met betrekking tot vergunningen, certificeringen of goedkeuringen betaalt.

5.   Het Bureau neemt de passende juridische maatregelen om ervoor te zorgen dat de verzonden facturen volledig worden betaald. Met dat doel wordt het Bureau daarbij ondersteund door de NVI's die een opgave van te vergoeden kosten hebben ingediend.

Artikel 7

Beroepen en vergoedingen voor beroepen

1.   Het Bureau brengt een vergoeding in rekening voor elk beroep dat wordt afgewezen of ingetrokken.

2.   De vergoeding voor het beroep bedraagt 10 000 EUR of is gelijk aan het bedrag van de vergoeding die in rekening is gebracht voor de betwiste beslissing, indien die lager is.

3.   De griffier van de kamer van beroep brengt de indiener van een beroep op de hoogte van de betalingsvoorwaarden. De indiener van een beroep heeft vanaf de datum van kennisgeving van de factuur dertig kalenderdagen de tijd om deze te betalen.

4.   Een aanvrager kan tegen de gefactureerde vergoedingen en kosten beroep aantekenen bij de kamer van beroep.

Artikel 8

Bekendmaking en herziening van de tarieven

1.   Het Bureau maakt het in artikel 3 bedoelde uurtarief bekend op zijn website.

2.   De NVI's maken de tarieven bekend die worden toegepast voor het vaststellen van de aan het Bureau in rekening te brengen kosten als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b). Een NVI die een vast tarief toepast, specificeert voor welke vergunning of certificering dat vaste tarief geldt.

3.   Op de website van het Bureau staat een link naar die informatie.

4.   Het Bureau neemt in het in artikel 51, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2016/796 bedoelde jaarverslag informatie op over de elementen waarop het uurtarief is gebaseerd, alsmede de financiële resultaten en de prognoses.

Artikel 9

Procedures van het Bureau

1.   Om een onderscheid te maken tussen de ontvangsten en uitgaven voor activiteiten waarvoor de in artikel 1, lid 1, bedoelde vergoedingen en kosten gelden, zorgt het Bureau ervoor dat:

a)

de inkomsten uit vergoedingen en kosten op een aparte bankrekening worden gestort en gehouden;

b)

het jaarlijks verslag uitbrengt over de totale ontvangsten en uitgaven die zijn toe te schrijven aan de activiteiten waarvoor vergoedingen en kosten gelden, alsmede over de kostenstructuur en de prestaties.

2.   Indien aan het einde van een begrotingsjaar de totale ontvangsten uit vergoedingen en kosten de totale kosten overschrijden van de activiteiten waarvoor vergoedingen en kosten gelden, wordt het verschil bijgehouden als begrotingsreserve en gebruikt voor het omgaan met tekorten of overschotten overeenkomstig het financieel reglement van het Bureau.

3.   De duurzaamheid van de inkomsten uit activiteiten waarvoor vergoedingen en kosten gelden, wordt gewaarborgd.

Artikel 10

Evaluatie en herziening

1.   De regeling voor de vergoedingen en kosten wordt eenmaal per begrotingsjaar aan een beoordeling onderworpen. Die beoordeling wordt gebaseerd op de voorafgaande financiële resultaten van het Bureau en op de raming door het Bureau van de uitgaven en ontvangsten. Zij wordt tevens verricht in het licht van het enig programmeringsdocument van het Bureau.

2.   Op basis van de beoordeling van de financiële resultaten en de prognoses van het Bureau herziet de Commissie indien nodig de vergoedingen en kosten.

3.   In het licht van de informatie die het Bureau in het in artikel 8 bedoelde jaarverslag verstrekt, wordt deze verordening uiterlijk 16 juni 2022 herzien met het oog op de geleidelijke invoering van vaste tarieven.

Artikel 11

Overgangsbepalingen

In de gevallen als bedoeld in artikel 55, lid 4, van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 en in artikel 15, lid 4, van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763 vallen de werkzaamheden die zijn verricht voordat de aanvraag bij het Bureau is ingediend, onder nationale wetgeving en zijn de in deze verordening bedoelde vergoedingen en kosten er niet op van toepassing.

Artikel 12

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 16 februari 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 mei 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 138 van 26.5.2016, blz. 1.

(2)  Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 102).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/763 van de Commissie van 9 april 2018 tot vaststelling van praktische regelingen voor de afgifte van unieke veiligheidscertificaten aan spoorwegondernemingen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 653/2007 van de Commissie (zie bladzijde 49 van dit Publicatieblad).

(4)  Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 44).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/545 van de Commissie van 4 april 2018 tot vaststelling van de praktische regelingen voor het proces voor de afgifte van typegoedkeuringen en vergunningen voor spoorvoertuigen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 90 van 6.4.2018, blz. 66).

(6)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).