27.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/34


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/292 VAN DE COMMISSIE

van 26 februari 2018

tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen ten aanzien van procedures en formulieren voor de uitwisseling van informatie en bijstand tussen bevoegde autoriteiten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende marktmisbruik

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (1), en met name artikel 25, lid 9,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om ervoor te zorgen dat de overeenkomstig Verordening (EU) nr. 596/2014 als bevoegde autoriteiten aangewezen autoriteiten in staat zijn efficiënt en tijdig samen te werken en informatie uit te wisselen en elkaar voor de toepassing van die verordening volledige wederzijdse bijstand te verlenen, is het aangewezen gemeenschappelijke procedures en formulieren vast te stellen die door de bevoegde autoriteiten moeten worden gebruikt voor de uitwisseling van informatie en bijstand, inclusief voor de indiening van verzoeken om bijstand, ontvangstbevestigingen en antwoorden op dergelijke verzoeken.

(2)

De uitwisseling van schriftelijke informatie moet een bevoegde autoriteit helpen haar taken te vervullen. Mondelinge communicatie kan eventueel plaatsvinden, ook voordat een schriftelijk verzoek wordt gezonden, om informatie te verstrekken over een aankomend verzoek om bijstand en om alle kwesties te bespreken die de verlening van bijstand in de weg kunnen staan. In urgente gevallen moet een verzoek om bijstand ook mondeling kunnen worden meegedeeld, wanneer de urgentie niet is toe te schrijven aan het feit dat de verzoekende partij te laat actie onderneemt.

(3)

Verordening (EU) nr. 596/2014 stelt vast dat bevoegde autoriteiten informatie moeten uitwisselen en bijstand moeten verlenen. Verzoeken om bijstand dienen echter, voor zover mogelijk, het afnemen van een verklaring of het uitvoeren van een inspectie of onderzoek ter plaatse alleen te behelzen in gevallen waarin een eenvoudig verzoek om uitwisseling van informatie niet zou volstaan. Van een bevoegde autoriteit wordt verwacht dat zij, alvorens een verzoek om bijstand bij een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat in te dienen, alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs uitvoerbaar zijn in haar eigen rechtsgebied, waarbij evenwel moet worden aangetekend dat het voor deze autoriteit misschien redelijkerwijs niet haalbaar is om vóór het verzoek alle onderzoeksmethoden uit te putten.

(4)

In overeenstemming met Verordening (EU) nr. 596/2014 moet, mede op vrijwillige basis, ongevraagde bijstand worden verleend wanneer de bevoegde autoriteit van een lidstaat van oordeel is dat informatie waarover zij beschikt, nuttig kan zijn voor een andere bevoegde autoriteit.

(5)

Een verzoek om bijstand ingevolge Verordening (EU) nr. 596/2014 dient voldoende informatie over het onderwerp van het verzoek te omvatten, met inbegrip van de reden voor het verzoek en de context ervan, om de aangezochte autoriteit in staat te stellen het verzoek efficiënt en opportuun te behandelen. De vermelding van de feiten die aanleiding geven tot het vermoeden, mag niet worden beschouwd als basisvoorwaarde voor het verkrijgen van bijstand door een verzoekende autoriteit indien de gevraagde informatie noodzakelijk is om haar taken te kunnen vervullen.

(6)

Naast het gebruik van formulieren voor het verzoeken om en beantwoorden van een verzoek om bijstand moeten de procedures voor samenwerking communicatie, overleg en interactie tussen de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit gedurende het hele proces mogelijk maken en vergemakkelijken, teneinde een efficiënte behandeling van een verzoek om informatie of bijstand te waarborgen. Deze procedures moeten de bevoegde autoriteiten ook in staat stellen elkaar feedback te verlenen over het nut van de ontvangen informatie of bijstand, over de afloop van de zaak in verband waarmee om bijstand is verzocht, en over alle problemen die zich bij het verstrekken van dergelijke informatie of bijstand hebben voorgedaan.

(7)

De procedures en formulieren voor de uitwisseling van informatie en bijstand moeten waarborgen dat de uitgewisselde of doorgegeven informatie vertrouwelijk wordt behandeld en dat de regels inzake de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en inzake het vrije verkeer van dergelijke gegevens worden nageleefd.

(8)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de ESMA aan de Commissie heeft voorgelegd.

(9)

De ESMA heeft geen open publieke raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, en evenmin de potentiële kosten en baten geanalyseerd die gerelateerd zijn aan de door de betrokken bevoegde autoriteiten te gebruiken procedures en formulieren, omdat dat gezien het toepassingsgebied en de impact ervan onevenredig zou zijn, in aanmerking genomen dat de adressaten van de technische uitvoeringsnormen enkel de bevoegde nationale autoriteiten in de lidstaten zouden zijn en geen marktdeelnemers.

(10)

De ESMA heeft het advies ingewonnen van de Stakeholdergroep effecten en markten die overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) werd opgericht.

(11)

Om de soepele werking van de financiële markten te waarborgen en aangezien Verordening (EU) nr. 596/2014 reeds van toepassing is, moet deze verordening onmiddellijk in werking treden en van toepassing zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definitie

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „langs beveiligde elektronische weg” verstaan: via elektronische apparatuur voor de verwerking (met inbegrip van digitale compressie), opslag en doorgifte van gegevens, waarbij gebruik wordt gemaakt van draad, radio, optische technologieën of alle andere elektromagnetische middelen die waarborgen dat de volledigheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de informatie tijdens de doorgifte in stand worden gehouden.

Artikel 2

Contactpunten

1.   De bevoegde autoriteiten wijzen contactpunten aan voor de toepassing van deze verordening.

2.   De bevoegde autoriteiten delen de gegevens van de contactpunten binnen dertig dagen na de inwerkingtreding van deze verordening mee aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten ((ESMA). Zij verstrekken de ESMA zo nodig geactualiseerde informatie.

3.   De ESMA houdt een lijst bij van de door de bevoegde autoriteiten ingevolge lid 1 aangewezen contactpunten en actualiseert deze lijst indien nodig voor het gebruik van de bevoegde autoriteiten.

Artikel 3

Verzoeken om bijstand

1.   Een verzoekende autoriteit dient een verzoek om bijstand schriftelijk in per post, per fax of langs beveiligde elektronische weg. Zij richt het verzoek aan het overeenkomstig artikel 2 door de aangezochte autoriteit aangewezen contactpunt.

2.   Wanneer een bevoegde autoriteit om bijstand verzoekt, gebruikt zij het in bijlage I vervatte formulier en belast zij zich ermee:

a)

de relevante informatie te specificeren die de verzoekende autoriteit bij de aangezochte autoriteit inwint;

b)

eventueel probleemgebieden aan te wijzen in verband met de vertrouwelijkheid van de informatie die kan worden verkregen.

3.   De verzoekende autoriteit kan bij het verzoek alle documenten of bewijsstukken voegen die zij noodzakelijk acht om het verzoek te onderbouwen.

4.   In urgente gevallen kan de verzoekende autoriteit een verzoek om bijstand mondeling indienen. Tenzij de aangezochte autoriteit anders overeenkomt, wordt dit mondeling verzoek vervolgens zonder onnodige vertraging schriftelijk bevestigd langs de in lid 1 bedoelde weg.

Artikel 4

Bevestiging van ontvangst

Binnen tien werkdagen na ontvangst van een schriftelijk verzoek om bijstand zendt een aangezochte autoriteit een bevestiging van ontvangst per post, fax of langs beveiligde elektronische weg aan het ingevolge artikel 2 aangewezen contactpunt, tenzij in het verzoek anders is bepaald. Deze bevestiging van ontvangst gebeurt aan de hand van het formulier vervat in bijlage II en er wordt zo mogelijk in aangegeven op welke datum een antwoord te verwachten is.

Artikel 5

Antwoord op een verzoek om bijstand

1.   De aangezochte autoriteit beantwoordt een verzoek om bijstand schriftelijk per post, fax of langs beveiligde elektronische weg. Het antwoord wordt gericht aan het overeenkomstig artikel 2 aangewezen contactpunt, tenzij in het verzoek anders is bepaald.

2.   De aangezochte autoriteit beantwoordt het verzoek om bijstand met behulp van het formulier in bijlage III en belast zich ermee:

a)

om nadere toelichting in enige vorm te verzoeken indien zij twijfelt welke informatie precies gevraagd wordt;

b)

binnen de grenzen van haar bevoegdheden alle redelijke maatregelen te nemen om de gevraagde bijstand te verlenen;

c)

verzoeken om bijstand onverwijld en op zodanige wijze uit te voeren dat wordt gewaarborgd dat alle noodzakelijk regelgevende maatregelen op opportune wijze worden getroffen, rekening houdend met de complexiteit van het verzoek en de noodzaak om derden of een andere bevoegde autoriteit erbij te betrekken.

3.   Indien de aangezochte autoriteit weigert geheel of gedeeltelijk gevolg te geven aan een verzoek om bijstand, stelt zij de verzoekende autoriteit zo spoedig mogelijk mondeling of schriftelijk in kennis van haar beslissing. De aangezochte autoriteit verstrekt tevens een schriftelijk antwoord overeenkomstig lid 1, waarin zij aangeeft op welke van de in artikel 25, lid 2, van Verordening (EU) nr. 596/2014 bedoelde uitzonderingen zij zich voor haar weigering beroept.

Artikel 6

Procedures voor de toezending en verwerking van verzoeken om samenwerking

1.   De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit communiceren met betrekking tot een verzoek om bijstand en het antwoord daarop op de meest opportune wijze, waarbij zij naar behoren rekening houden met vertrouwelijkheidsoverwegingen, de tijd die met briefwisseling gemoeid is, de hoeveelheid materiaal die moet worden verzonden, en het gemak waarmee de verzoekende autoriteit toegang tot de informatie krijgt. De verzoekende autoriteit reageert met name onverwijld op elk verzoek om verduidelijking van de aangezochte autoriteit.

2.   Wanneer de aangezochte autoriteit kennis krijgt van omstandigheden die kunnen leiden tot een vertraging van meer dan tien werkdagen in haar geschatte antwoordtermijn, stelt zij de verzoekende autoriteit daarvan onverwijld in kennis.

3.   In voorkomend geval verstrekt de aangezochte autoriteit regelmatig feedback over de voortgang van het hangende verzoek, met inbegrip van herziene ramingen van de beoogde antwoordtermijn aan de verzoekende autoriteit.

4.   Indien het verzoek door de verzoekende autoriteit als spoedeisend is gekwalificeerd, plegen de bevoegde autoriteiten onderling overleg over de frequentie waarmee de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit op de hoogte houdt.

5.   De aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit werken samen om alle problemen op te lossen die zich kunnen voordoen bij de uitvoering van een verzoek.

Artikel 7

Procedure voor verzoeken om een verklaring af te nemen

1.   Indien het verzoek van de verzoekende autoriteit een in de context van een onderzoek of een inspectie van een persoon af te nemen verklaring omvat, dienen de aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit, behoudens bestaande wettelijke beperkingen en alle verschillen in procedurele vereisten, de volgende elementen te evalueren en in aanmerking te nemen:

a)

de rechten van de personen van wie de verklaringen zullen worden afgenomen, met inbegrip van, waar van toepassing, kwesties met betrekking tot het beginsel dat men niet tegen zichzelf getuigt;

b)

de aard van de deelname van het personeel van de verzoekende autoriteit (waarnemer of actieve deelnemer);

c)

de rol van de functionarissen van de aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit bij het afnemen van de verklaring;

d)

de vraag of de persoon van wie de verklaring wordt afgenomen, het recht heeft te worden bijgestaan door een wettelijke vertegenwoordiger en zo ja, de reikwijdte van de rechtsbijstand van de vertegenwoordiger tijdens het afnemen van de verklaring, onder meer met betrekking tot alle notulen of een verslag van de verklaring;

e)

de vraag of de verklaring op vrijwillige basis of verplicht wordt afgenomen indien er sprake is van een dergelijk onderscheid;

f)

de vraag of, op grond van de informatie die beschikbaar is op het moment van het verzoek, de persoon van wie de verklaring wordt afgenomen, een getuige dan wel een verdachte is indien dat onderscheid bestaat;

g)

de vraag of, op grond van de informatie die beschikbaar is op het moment van het verzoek, de verklaring zou kunnen worden gebruikt of bedoeld is te worden gebruikt in een strafprocedure;

h)

de ontvankelijkheid van de verklaring in de jurisdictie van de verzoekende autoriteit;

i)

de registratie van de verklaring en de toepasselijke procedures, met inbegrip van de vraag of de registratie gelijktijdig plaatsvindt of in de vorm van beknopte schriftelijke notulen dan wel via een geluidsopname of audiovisuele opname;

j)

de procedures betreffende de certificering of bevestiging van de verklaring door de personen die de verklaring hebben afgelegd, met inbegrip van de vraag of die certificering of bevestiging plaatsvindt nadat de verklaring is afgegeven, en

k)

de procedure voor het doorgeven van de verklaring door de aangezochte autoriteit aan de verzoekende autoriteit, met inbegrip van het formaat en het tijdschema.

2.   De aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit zorgen ervoor dat er regelingen zijn getroffen die ervoor zorgen dat hun personeel efficiënt te werk kan gaan, zoals regelingen die het personeel in staat stellen afspraken te maken over alle aanvullende informatie die nodig kan zijn, zoals:

a)

het vastleggen van data;

b)

de lijst van vragen die zullen worden gesteld aan de persoon van wie de verklaring zal worden afgenomen;

c)

reisafspraken, onder meer om ervoor te zorgen dat de aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit elkaar kunnen ontmoeten om de zaak te bespreken vóór de verklaring wordt afgenomen, en

d)

de talenregeling.

Artikel 8

Procedure voor verzoeken om een onderzoek of inspectie ter plaatse

1.   Wanneer overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 596/2014 een verzoek om een onderzoek of een inspectie ter plaatse uit te voeren wordt gedaan, plegen de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit overleg over de wijze waarop het verzoek om bijstand het best kan worden uitgevoerd, rekening houdend met artikel 25, lid 6, derde alinea, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 596/2014, mede met betrekking tot de voordelen van het verrichten van een gezamenlijk onderzoek of een gezamenlijke inspectie ter plaatse.

2.   De aangezochte autoriteit houdt de verzoekende autoriteit op de hoogte van het verloop van het onderzoek of de inspectie ter plaatse en geeft haar bevindingen tijdig door aan de verzoekende autoriteit.

3.   Bij haar besluit over het al dan niet instellen van een gezamenlijk onderzoek of een gezamenlijke inspectie ter plaatse houden de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit ten minste rekening met het volgende:

a)

de inhoud van alle van de verzoekende autoriteit ontvangen verzoeken om bijstand, met inbegrip van alle suggesties betreffende de gepastheid om gezamenlijk een onderzoek of een inspectie ter plaatse uit te voeren;

b)

of zij elk afzonderlijk een eigen onderzoek instellen naar een zaak met grensoverschrijdende implicaties en of die zaak beter geschikt is voor gezamenlijke samenwerking;

c)

de wet- en regelgeving in hun rechtsgebieden om te waarborgen dat zij een goed inzicht hebben in de potentiële beperkingen en mogelijke wettelijke restricties voor het voeren van een gezamenlijk onderzoek of een gezamenlijke inspectie ter plaatse en alle procedures die daaruit kunnen voortvloeien, inclusief alle kwesties met betrekking tot het ne-bis-in-idem-beginsel;

d)

het beheer en de leiding die nodig zijn voor het onderzoek of de inspectie ter plaatse;

e)

de waarschijnlijke vooruitzichten dat zij het eens zullen worden over de factfinding;

f)

de toewijzing van middelen en de benoeming van personeel dat belast is met het verrichten van onderzoek of inspecties ter plaatse;

g)

de mogelijkheid om een gezamenlijk actieplan en het tijdschema van de werkzaamheden per autoriteit vast te stellen;

h)

de vaststelling van de maatregelen die moeten worden getroffen, gezamenlijk of individueel, per autoriteit;

i)

het wederzijds delen van verzamelde informatie en het rapporteren van de resultaten van de individuele genomen maatregelen, en

j)

andere zaakspecifieke kwesties.

4.   Indien de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit besluiten om een gezamenlijk onderzoek of een gezamenlijke inspectie ter plaatse te verrichten, belasten zij zich ermee:

a)

overeenstemming te bereiken over procedures voor het uitvoeren en afronden ervan;

b)

een permanente dialoog aan te gaan om het proces van het verzamelen van informatie en de factfinding te coördineren;

c)

nauw met samen te werken bij de uitvoering van het gezamenlijk onderzoek of de gezamenlijke inspectie ter plaatse;

d)

wederzijdse bijstand te verlenen bij latere handhavingsprocedures voor zover wettelijk toegestaan, met inbegrip van de coördinatie van alle procedures of andere handhavingsmaatregelen die verband houden met de resultaten (administratieve, civiele of strafrechtelijke) van het gezamenlijk onderzoek of de gezamenlijke inspectie ter plaatse of, in voorkomend geval, de vooruitzichten op een regeling;

e)

te bepalen welke specifieke wettelijke bepalingen van toepassing zijn op het onderwerp van het gezamenlijk onderzoek of de gezamenlijke inspectie ter plaatse;

f)

in voorkomend geval ten minste het volgende in aanmerking te nemen:

1)

de opstelling van een gezamenlijk actieplan waarin onder meer de inhoud, de aard en het tijdstip van de te treffen maatregelen worden vermeld, met inbegrip van mijlpalen en de toewijzing van de verantwoordelijkheid voor de bekendmaking van het resultaat van de werkzaamheden, en rekening houdend met de respectievelijke prioriteiten van elke autoriteit;

2)

de identificatie en beoordeling van alle wettelijke beperkingen en mogelijke verschillen in procedures met betrekking tot onderzoeks- en handhavingsmaatregelen of andere procedures, zoals de rechten van de personen naar wie een onderzoek wordt ingesteld;

3)

de identificatie en evaluatie van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaat en cliënt die gevolgen kan hebben voor het onderzoek alsook voor de handhavingsprocedure, waaronder het recht om niet tegen zichzelf te getuigen;

4)

de strategie ten aanzien van publiek en pers, en

5)

het voorgenomen gebruik van de uitgewisselde informatie.

Artikel 9

Procedures voor bijstand bij de inning van boeten

1.   De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit raadplegen elkaar, wanneer overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 596/2014 een verzoek om bijstand in het kader van de inning van boeten wordt gedaan, over de wijze waarop aan het verzoek het best gevolg kan worden gegeven. De autoriteiten houden rekening met de maatregelen die de verzoekende autoriteit in haar rechtsgebied reeds heeft genomen en met het nationale kader voor de inning van boeten van de aangezochte autoriteit.

2.   De aangezochte autoriteit verleent de bijstand of stelt alle voor de toepassing van dit artikel gevraagde informatie ter beschikking in overeenstemming met het relevante nationale recht. Indien de gevraagde bijstand kan worden verleend door of de informatie beschikbaar kan zijn bij een andere autoriteit of relevante instantie van de lidstaat van de aangezochte autoriteit, biedt de aangezochte autoriteit aan om aan de verzoekende autoriteit de informatie te verstrekken die nodig is om overeenkomstig het nationale recht rechtstreeks contact te leggen tussen de verzoekende autoriteit en de andere autoriteit of instantie waarbij de gevraagde informatie beschikbaar kan zijn.

Artikel 10

Ongevraagde uitwisseling van informatie

1.   Om ongevraagde informatie overeenkomstig artikel 16, lid 4, en artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) nr. 596/2014 door te geven of indien een bevoegde autoriteit beschikt over informatie waarvan zij meent dat deze van nut zou zijn voor een andere bevoegde autoriteit bij de uitvoering van haar taken overeenkomstig Verordening (EU) nr. 596/2014, geeft zij deze informatie schriftelijk per post, fax of langs beveiligde elektronische weg door aan het ingevolge artikel 2 aangewezen contactpunt van de bevoegde autoriteit.

2.   Indien de bevoegde autoriteit die de informatie zendt, gelooft dat de informatie dringend moet worden doorgegeven, kan zij de andere autoriteit daarvan mondeling in kennis stellen, op voorwaarde dat de informatie vervolgens onverwijld schriftelijk wordt doorgegeven.

3.   Een bevoegde autoriteit die ongevraagd informatie zendt, doet dit aan de hand van het formulier in bijlage IV, waarin met name probleemgebieden worden aangewezen in verband met de vertrouwelijkheid van informatie.

Artikel 11

Beperkingen en toegestaan gebruik van informatie

1.   De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit nemen een passende geheimhoudingswaarschuwing op in elk verzoek om bijstand, antwoord op een verzoek om bijstand of toezending van ongevraagde informatie in overeenstemming met de in de bijlagen vervatte formulieren.

2.   Indien de aangezochte autoriteit, om het verzoek uit te voeren, moet openbaar maken dat de verzoekende autoriteit een verzoek heeft ingediend, maakt de aangezochte autoriteit het verzoek openbaar na met de verzoekende autoriteit de aard en omvang van de vereiste openbaarmaking te hebben besproken en na toestemming te hebben verkregen van de verzoekende autoriteit voor een dergelijke openbaarmaking. Indien de verzoekende autoriteit niet instemt met de openbaarmaking, geeft de aangezochte autoriteit geen gevolg aan het verzoek en kan de verzoekende autoriteit haar verzoek intrekken of opschorten totdat zij daartoe toestemming kan verlenen.

3.   De in overeenstemming met artikel 10 verstrekte informatie wordt uitsluitend gebruikt om de naleving of handhaving van de bepalingen van Verordening (EU) nr. 596/2014 te verzekeren inclusief, maar niet beperkt tot, het inleiden van, voeren van of bijstand verlenen bij strafrechtelijke, administratieve, burgerlijke of tuchtprocedures uit hoofde van een inbreuk op de bepalingen van die verordening.

Artikel 12

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 februari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).


BIJLAGE I

Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld

BIJLAGE II

Image Tekst van het beeld

BIJLAGE III

Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld

BIJLAGE IV

Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld