10.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 320/39


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 13 juli 2018

over het nationale hervormingsprogramma 2018 van Frankrijk en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2018 van Frankrijk

(2018/C 320/09)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (2), en met name artikel 6, lid 1,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 november 2017 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees semester 2018 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin is ten volle rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 is geproclameerd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 22 maart 2018 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 22 november 2017 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Frankrijk heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 22 maart 2018 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 14 mei 2018 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) („aanbeveling voor de eurozone”) vastgesteld.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de economische en monetaire unie, dient Frankrijk ervoor te zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor de eurozone, die wordt weergegeven in de onderstaande aanbevelingen, en met name de aanbevelingen 1 en 2.

(3)

Op 7 maart 2018 is het landverslag 2018 voor Frankrijk gepubliceerd. Dit behelsde een beoordeling van de vooruitgang die Frankrijk bij de tenuitvoerlegging van de op 11 juli 2017 door de Raad vastgestelde landspecifieke aanbevelingen (4) heeft geboekt, van het gevolg dat is gegeven aan de landspecifieke aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en van de vooruitgang die Frankrijk met betrekking tot zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt. Het landverslag bevat ook een op grond van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 uitgevoerde diepgaande evaluatie, waarvan de uitkomsten ook op 7 maart 2018 zijn bekendgemaakt. Op basis van haar analyse concludeerde de Commissie dat Frankrijk wordt geconfronteerd met macro-economische onevenwichtigheden. Er zijn met name kwetsbare punten die voortvloeien uit de hoge overheidsschuld en een zwakke concurrentiedynamiek, in een context van lage productiviteitsgroei. Er bestaat een aanzienlijk risico op een negatief effect op de Franse economie en, gezien de omvang daarvan, op negatieve overloopeffecten op de economische en monetaire unie.

(4)

Op 25 april 2018 heeft Frankrijk zijn nationale hervormingsprogramma 2018 en zijn stabiliteitsprogramma 2018 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma's rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma's opnieuw te bezien en wijzigingen daarop voorstellen, indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling gebruik zal maken.

(6)

Ingevolge de tijdige en duurzame correctie van het buitensporige tekort en Besluit (EU) 2018/924 van de Raad (6) tot intrekking van de buitensporigtekortprocedure is Frankrijk aan het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en aan de overgangsregel voor de schuld onderworpen. In haar stabiliteitsprogramma 2018 gaat de regering ervan uit dat het overheidssaldo geleidelijk zal verbeteren van – 2,6 % van het bbp in 2017 tot + 0,3 % van het bbp in 2022. De middellangetermijndoelstelling voor de begroting — een structureel tekort van 0,4 % van het bbp — zal naar verwachting niet tijdens de periode van het stabiliteitsprogramma 2018 worden gehaald. Volgens het stabiliteitsprogramma 2018 zou de overheidsschuldquote dalen van 97,0 % van het bbp in 2017 tot 89,2 % in 2022. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. Tegelijkertijd zijn de maatregelen die nodig zijn om vanaf 2019 de geplande tekortdoelstellingen te ondersteunen, niet voldoende gespecificeerd.

(7)

Op 11 juli 2017 heeft de Raad Frankrijk de aanbeveling gedaan ervoor te zorgen dat de nominale groeivoet van de netto primaire (7) overheidsuitgaven in 2018 niet hoger ligt dan 1,2 %, hetgeen overeenstemt met een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Tezelfdertijd werd aangegeven dat bij de beoordeling van het ontwerpbegrotingsplan 2018 en de daaropvolgende beoordeling van de begrotingsresultaten 2018 terdege rekening zal moeten worden gehouden met de doelstelling om een begrotingskoers te bereiken die bijdraagt aan zowel het versterken van het voortgaande herstel als het waarborgen van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Na de beoordeling die de Commissie in het kader van haar advies over het ontwerpbegrotingsplan 2018 van Frankrijk heeft uitgevoerd van de kracht van het Franse herstel, zonder daarbij de uitdagingen wat betreft houdbaarheid uit het oog te verliezen, hoeven geen bijkomende elementen in aanmerking te worden genomen. Op basis van de voorjaarsprognoses 2018 van de Commissie bestaat het risico van een aanzienlijke afwijking van het aanbevolen aanpassingstraject in de richting van de budgettaire middellangetermijndoelstelling in 2018.

(8)

Voor 2019 zou, aangezien de overheidsschuldquote van Frankrijk meer dan 60 % van het bbp bedraagt en de verwachte output gap 0,6 %, de nominale groei van de netto primaire overheidsuitgaven op niet meer dan 1,4 % moeten uitkomen, in overeenstemming met de structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp die resulteert uit de gezamenlijk overeengekomen aanpassingsmatrix van vereisten in het kader van het stabiliteits- en groeipact. Op basis van de voorjaarsprognoses 2018 van de Commissie bestaat bij ongewijzigd beleid het risico dat van dat vereiste significant zal worden afgeweken in 2019 en voor 2018 en 2019 tezamen genomen. Volgens de prognoses zal Frankrijk in 2018 en 2019 op het eerste gezicht niet aan de overgangsregel voor de schuld voldoen. Al met al is de Raad van oordeel dat vanaf 2018 de nodige maatregelen moeten worden genomen om aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact te voldoen. Het zou prudent zijn eventuele meevallers te gebruiken om de overheidsschuldquote terug te dringen.

(9)

Het niveau van de overheidsuitgaven in Frankrijk is het hoogste in de Unie. De uitgavenquote zal in 2018 naar verwachting 56,0 % van het bbp bereiken, wat 10,6 procentpunt meer is dan het Uniegemiddelde. Hoewel de consolidatiestrategie de afgelopen jaren met name van dalende rentetarieven en besparingen op de overheidsinvesteringen heeft geprofiteerd, zal het klimaat van lage rentetarieven waarschijnlijk niet prevaleren op de middellange termijn en kunnen de besparingen op productieve investeringen het toekomstige economische potentieel aantasten. De uitgaventoetsen hebben sinds 2014 niet tot aanzienlijke besparingen geleid, en de efficiëntiewinsten bleven beperkt door het uitblijven van een passende follow-up en door een geringe politieke betrokkenheid. De meest recente uitgavetoetsingsstrategie is ingetrokken en zal worden vervangen door Action Publique 2022, waarvan de beginselen zijn vastgelegd in het in oktober 2017 door de regering verleende mandaat. Het Comité Action Publique 2022 zal voor de zomer van 2018 met een verslag en een analyse van de te nemen maatregelen komen. Er zijn echter nog geen duidelijk omschreven maatregelen voorgesteld en de nieuwe besparingen binnen dit kader zullen zal pas vanaf 2020 gerealiseerd worden. De inspanningen om op de korte tot middellange termijn de nodige begrotingsconsolidatie te bewerkstelligen, zouden baat hebben bij een snelle uitvoering van maatregelen om op de uitgaven te bezuinigen.

(10)

Er bestaan op dit moment 37 verschillende pensioenregelingen in Frankrijk. Deze gelden voor verschillende groepen werknemers en werken volgens verschillende regels. Door de regels geleidelijk op één lijn te brengen, zou de transparantie van het systeem worden versterkt, de solidariteit tussen generaties worden aangemoedigd en de arbeidsmobiliteit worden bevorderd. Harmonisatie van de regels zou ook bijdragen tot een betere beheersing van de overheidsuitgaven. Hoewel de reeds goedgekeurde pensioenhervormingen naar verwachting de pensioenuitgavenquote van de overheid op de lange termijn kunnen doen dalen, zou een eenvoudiger en efficiënter pensioenstelsel tot verdere besparingen leiden en op de middellange termijn de risico's voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën beter beheersbaar maken. Volgens een recente studie van La Fondation pour la recherche sur les administrations et les politiques publiques (iFRAP) zou een onderlinge aanpassing van de verschillende pensioenregelingen in de publieke en de private sector tegen 2022 voor meer dan 5 miljard EUR aan besparingen op de overheidsuitgaven kunnen opleveren.

(11)

De werkloosheid is gedaald van 10,4 % in 2015 tot 9,4 % in 2017 en zal naar verwachting de komende jaren verder teruglopen, terwijl de arbeidsparticipatie in 2017 is gestegen tot 70,6 %. De arbeidsmarktsituatie voor jongeren, laaggeschoolden en personen met een migratieachtergrond (van zowel de eerste als de tweede generatie) is echter nog steeds relatief ongunstiger. In 2017 had slechts 55,6 % van de niet in de EU geboren personen (in de leeftijdsgroep van 20-64 jaar) een baan, wat 17,0 procentpunten minder is dan voor personen die in Frankrijk zijn geboren. Bewoners van achterstandswijken (Quartiers de la politique de la ville), met inbegrip van mensen met een migratieachtergrond, hebben nog steeds met problemen op de arbeidsmarkt te kampen. De sociaal-economische en migratieachtergrond heeft, ondanks de beleidsmaatregelen, een betrekkelijk grote impact op de onderwijsprestaties en belemmert de integratie op de arbeidsmarkt. Er zijn ook aanwijzingen voor discriminerende praktijken op de arbeidsmarkt. Doeltreffende actieve werkgelegenheidsondersteuning, met inbegrip van taalonderwijs, intensieve loopbaanbegeleiding en ondersteuning voor personeelswerving, alsmede strenger optreden tegen discriminerende praktijken, zijn cruciaal voor het bevorderen van gelijke kansen op de arbeidsmarkt.

(12)

Met de wet van 2016 inzake arbeid, modernisering van de sociale dialoog en garanties voor professionele trajecten wordt ernaar gestreefd de capaciteit van ondernemingen om zich aan te passen aan de economische cycli te vergroten en het aandeel werknemers met tijdelijke arbeidsovereenkomsten terug te dringen. Hoewel er meer mensen worden aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, blijft de segmentering van de arbeidsmarkt een uitdaging en moet de overgang naar meer arbeidsrelaties voor onbepaalde duur worden bevorderd. Het is in deze context van belang de uitvoering van het lopende programma van ambitieuze hervormingen af te ronden. Dit omvat tevens de onlangs goedgekeurde hervorming van de arbeidswet, de geplande herziening van het stelsel van werkloosheidsuitkeringen en de hervorming van het stelsel van beroepsonderwijs en -opleiding, met inbegrip van het leerlingwezen.

(13)

De geleidelijke invoering van maatregelen om de belastingwig op arbeid te verkleinen, hebben het kostenconcurrentievermogen van Frankrijk sinds 2013 verbeterd, maar de in het verleden geaccumuleerde verliezen zijn nog niet geheel weggewerkt. De werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid ten opzichte van de totale arbeidskosten behoorden in Frankrijk in 2016 nog tot de hoogste in Unie bij het gemiddelde loon. De bestaande beleidsmaatregelen ter verlaging van de arbeidskosten zullen naar verwachting vanaf 2019 verder worden geconsolideerd en versterkt; zo is aangekondigd dat het belastingkrediet voor concurrentievermogen en werkgelegenheid (CICE) zal worden omgezet in een algemene verlaging van de sociale bijdragen voor werkgevers, en zullen voor lagere lonen verdere kortingen worden ingevoerd om de werkgelegenheid voor laaggeschoolden te stimuleren.

(14)

Sinds 2013 volgt het Franse minimumloon de indexeringsregels, zonder ad-hocverhogingen. Daardoor is het minimumloon trager gestegen dan de referentielonen (1,23 % in 2017, vergeleken met 1,31 % voor het gemiddelde loon), dit in verband met de geringe inflatie en de bescheiden loonstijgingen. Terwijl het minimumloon vergeleken met het gemiddelde loon naar internationale maatstaven hoog is, zijn de arbeidskosten voor het minimumloon door verlaging van de sociale bijdragen aanzienlijk verminderd. Deze verlagingen zullen vanaf 2019 worden geïntensiveerd en permanent gemaakt. Hoewel de indexering van het minimumloon belangrijk is om de koopkracht van werknemers te handhaven, kan het huidige mechanisme (dat uniek is in de Unie) loonaanpassingen aan veranderende omstandigheden beperken, met potentiële negatieve gevolgen voor het concurrentievermogen. Een groep van onafhankelijke deskundigen evalueert jaarlijks het minimumloon en formuleert niet-bindende adviezen voor de evolutie ervan. In 2017 heeft de groep aanbevolen om de indexeringsregel te herzien door deze bijvoorbeeld te beperken tot uitsluitend indexering op basis van de inflatie.

(15)

Het huidige stelsel voor initieel beroepsonderwijs en initiële beroepsopleiding biedt niet voldoende steun voor de integratie in de arbeidsmarkt, in het bijzonder doordat een aanzienlijk deel van de studenten naar studierichtingen met beperkte werkgelegenheidsvooruitzichten wordt gepusht. Bovendien behalen studenten in het Franse stelsel voor beroepsonderwijs en -opleiding veel lagere studieresultaten dan het Uniegemiddelde, terwijl studenten in het algemene onderwijs juist veel beter presteren. Maatregelen ter bevordering van het leerlingwezen, die betere vooruitzichten op werk bieden, samen met maatregelen om de schoolresultaten te verbeteren, zijn daarom essentieel voor het ondersteunen van werkgelegenheid voor jongeren en de bevordering van gelijke kansen. Tegelijkertijd is het van belang de toegang tot permanente opleiding van laaggekwalificeerde werknemers en werkzoekenden te verbeteren en te bevorderen dat hogere kwalificaties worden behaald, ondersteund met passend opleidingsadvies. Gezien deze uitdagingen en met name de noodzaak de governance van het systeem te verbeteren en te zorgen dat het relevant blijft voor de arbeidsmarkt, kwaliteit en toegang tot opleidingen biedt en voorbereid is op transities op de arbeidsmarkt, heeft de regering op 27 april 2018 een wetsontwerp ingediend tot hervorming van het leerlingwezen en het stelsel voor permanent beroepsonderwijs en beroepsopleiding. Het nationale hervormingsprogramma 2018 bevestigt daarnaast het voornemen om een investeringsplan van 14 miljard EUR voor vaardigheden op te zetten. Het plan effent de weg voor een aanvullende hervorming van het initieel beroepsonderwijs op schoolbasis.

(16)

Het stelsel voor sociale bescherming levert in het algemeen goede resultaten op. De inkomensongelijkheid na overdrachten ligt lager dan het Uniegemiddelde en het aantal mensen die risico lopen op armoede en sociale uitsluiting, is weliswaar recentelijk gestegen, maar ligt nog steeds relatief laag. Sommige groepen, met name eenoudergezinnen, mensen die niet in de Unie zijn geboren en mensen in achterstandswijken, lopen echter een groter risico op armoede. De toegang tot passende huisvesting voor mensen die in armoede leven, blijft een punt van zorg. Ondanks recente verbeteringen is er in sommige gebieden nog steeds een tekort aan sociale huisvesting.

(17)

Ondanks de lopende hervormingen ter vermindering van de belastingdruk op bedrijven en ter ondersteuning van productieve investeringen wordt het Franse belastingstelsel nog steeds gekenmerkt door een hoge mate van complexiteit, waarbij de belastinguitgaven, inefficiënte belastingen en belastingen op productie belemmeringen vormen voor een goed functionerend ondernemingsklimaat. Het grote aantal belastinguitgaven (belastingkrediet, belastingverlagingen, ontheffingen) vormt een extra last voor het bedrijfsleven, met name het mkb, door hogere nalevingskosten en onzekerheid. Het leidt ook tot extra kosten voor controles door de belastingdienst. Het aantal belastinguitgaven en het daarmee gemoeide bedrag zal verder toenemen in het kader van de begrotingswet van 2018. In 2018 zal het gaan om 99,8 miljard EUR (4,2 % van het bbp), tegen 93 miljard EUR in 2017. Daarnaast zijn zo'n 192 belastingen geïdentificeerd die weinig opleveren (minder dan 150 miljoen EUR per jaar), maar slechts een zeer klein aantal daarvan is sinds 2014 afgeschaft (8). Tot slot heft Frankrijk zeer hoge belastingen op productie in de Unie (9) (3,1 % van het bbp in 2016), voornamelijk in de vorm van kapitaal- en arbeidsheffingen die bedrijven verschuldigd zijn omdat zij productie leveren, ongeacht hun economische prestaties.

(18)

Marktdiensten waren in 2016 goed voor meer dan 50 % van de toegevoegde waarde, 40 % van de werkgelegenheid en 20 % van de toegevoegde waarde van de productiesector op exportgebied. Hoewel de concurrentie op het gebied van marktdiensten haar weerslag heeft op de hele economie, wordt zij nog steeds gehinderd door regelgeving en administratieve lasten, die ondernemingen ook beletten te groeien. Indien voldoende ambitieus en volledig uitgevoerd, kunnen hervormingen op het gebied van diensten een aanzienlijke positieve economische impact hebben. Bij het bepalen van de prioriteiten voor hervormingen is het belangrijk rekening te houden met het economische belang en de prestaties van de dienstensubsectoren. Er is een op indicatoren gebaseerde benadering gebruikt om prioriteiten voor hervorming in de dienstensector te stellen. Daarbij is een aantal subsectoren naar voren gekomen: zakelijke dienstverlening (activiteiten op het gebied van architectuur en techniek, juridische en boekhoudkundige activiteiten, administratieve en ondersteunende diensten), detailhandel, horecadiensten en gezondheidszorg. Op het gebied van professionele dienstverlening heeft de wet inzake groei, activiteit en gelijke economische kansen (de „wet-Macron”) van 6 augustus 2015 de regels versoepeld voor een beperkt aantal voornamelijk juridische beroepen. Er blijft echter nog ruimte voor verdere hervormingen in de professionele dienstverlening. Met verdere hervormingen kunnen ook specifieke, als excessief beschouwde, restricties op toegang en uitoefening worden aangepast. Dit betreft bijvoorbeeld voorbehouden inzake activiteiten, beperkingen op het stemrecht, beperkingen met betrekking tot aandeelhouderschap, multidisciplinaire restricties en beperkingen in de vorm van een numerus clausus. Belangrijke belemmeringen voor de groei van bedrijven kunnen worden tegengegaan door drempeleffecten in verband met omvanggerelateerde criteria in de regelgeving weg te nemen en de administratieve lasten voor ondernemingen te verminderen. Tot slot kan de verbetering van de beschikbaarheid van breedband bijdragen tot het vermogen van Frankrijk om van de digitale economie te profiteren.

(19)

Volgens het Europese innovatiescorebord blijven de prestaties van Frankrijk op het gebied van innovatie achter bij die van de innovatieleiders in de Unie, ondanks de relatief hoge overheidssteun. Met name zou verbetering van de doelmatigheid van de publieke steunregelingen, waaronder het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling (Crédit d'Impôt Recherche), betere innovatieresultaten stimuleren. In dit verband moeten de resultaten van lopende evaluaties worden vertaald in verbetering van de opzet van de overheidssteun voor innovatie. De overdracht van kennis tussen publieke onderzoeksinstellingen en bedrijven blijft een uitdaging, waardoor de commerciële exploitatie van onderzoeksresultaten beperkt wordt. In vergelijking met andere landen van de Unie presteert Frankrijk slecht waar het gaat om publiek-private gezamenlijke publicaties en door het bedrijfsleven gefinancierde publieke R&D. Er zijn mogelijkheden om de mechanismen voor overdracht tussen de academische wereld en het bedrijfsleven te versterken door in partnerschap verricht onderzoek te vergemakkelijken en de mobiliteit van onderzoekers te stimuleren.

(20)

In de context van het Europees Semester 2018 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Frankrijk verricht. Die analyse is gepubliceerd in het landverslag 2018. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2018 als het nationale hervormingsprogramma 2018 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren aan Frankrijk zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Frankrijk, maar is zij ook nagegaan in hoeverre de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(21)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2018 onderzocht en zijn advies daarover (10) is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven.

(22)

In het licht van de diepgaande evaluatie door de Commissie en van deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma 2018 en het stabiliteitsprogramma 2018 onderzocht. De aanbevelingen van de Raad op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande aanbevelingen 1, 2 en 3 weergegeven,

BEVEELT AAN dat Frankrijk in 2018 en 2019 de volgende actie onderneemt:

1.

Ervoor zorgen dat de nominale groei van de netto primaire overheidsuitgaven in 2019 niet meer dan 1,4 % bedraagt, hetgeen overeenstemt met een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Meevallers gebruiken om de vermindering van de overheidsschuldquote te versnellen. In 2018 besparen op de uitgaven en een volledige specificatie geven van de doelstellingen en nieuwe maatregelen die in het kader van Action Publique 2022 moeten worden uitgevoerd, zodat deze tot concrete besparingen en efficiëntiewinsten leiden in de begroting voor 2019. De voorschriften van de verschillende pensioenstelsels geleidelijk harmoniseren ter versterking van de billijkheid en duurzaamheid ervan.

2.

Doorgaan met de hervormingen van het stelsel voor beroepsonderwijs en beroepsopleiding om de relevantie daarvan voor de arbeidsmarkt te versterken en de toegang tot opleiding te verbeteren, met name voor laaggeschoolde werknemers en werkzoekenden. Gelijke kansen en de toegang tot de arbeidsmarkt stimuleren, onder meer voor personen met een migratieachtergrond en personen in achterstandsgebieden. Ervoor zorgen dat de ontwikkeling van het minimumloon in overeenstemming is met de ontwikkeling van de werkgelegenheid en het concurrentievermogen.

3.

Het belastingstelsel vereenvoudigen door het gebruik van belastinguitgaven te beperken, inefficiënte belastingen af te schaffen en de belasting op productie voor ondernemingen te verlagen. De administratieve en regelgevingslasten verminderen om de concurrentie in de dienstensector te bevorderen en de groei van bedrijven te stimuleren. De inspanningen ter verbetering van de prestaties van het innovatiestelsel opvoeren door met name de doelmatigheid van publieke steunregelingen te verbeteren en de kennisoverdracht tussen openbare onderzoeksinstellingen en bedrijven te versterken.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

H. LÖGER


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(3)  PB C 179 van 25.5.2018, blz. 1.

(4)  PB C 261 van 9.8.2017, blz. 1.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Besluit (EU) 2018/924 van de Raad van 22 juni 2018 tot intrekking van Beschikking 2009/414/EG betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Frankrijk (PB L 164 van 29.6.2018, blz. 44).

(7)  De netto primaire overheidsuitgaven bestaan uit de totale overheidsuitgaven exclusief rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma's van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen. Nationaal gefinancierde bruto-investeringen in vaste activa worden gespreid over een periode van vier jaar. Er wordt rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen of bij wet verplicht gestelde inkomstenstijgingen. Eenmalige maatregelen aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde worden uitgevlakt.

(8)  Inspection générale des finances (2014), Les taxes à faible rendement.

(9)  De belastingen op productie vallen onder Eurostat-categorie D29 „niet-productgebonden belastingen op productie”.

(10)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.