23.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 46/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/247 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2015

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, met betrekking tot Uniesteun voor de verstrekking en de distributie van groenten en fruit, verwerkte groenten en fruit en banaanproducten in het kader van de regeling voor schoolfruit en schoolgroenten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 24,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (2), en met name artikel 64, lid 6, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1308/2013 vervangt Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (3) en bevat nieuwe voorschriften inzake de regeling voor schoolgroenten en schoolfruit („regeling”). Ook verleent zij de Commissie de bevoegdheid om in dit verband gedelegeerde en uitvoeringshandelingen vast te stellen. Met het oog op een soepele werking van de regeling in het nieuwe rechtskader moeten bepaalde regels middels dergelijke handelingen worden vastgesteld. Deze handelingen moeten in de plaats komen van Verordening (EG) nr. 288/2009 van de Commissie (4), die derhalve moet worden ingetrokken.

(2)

De regeling heeft tot doel de consumptie van groenten en fruit op de korte en de lange termijn te stimuleren en gezonde eetgewoonten te bevorderen.

(3)

Krachtens artikel 23, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 moeten lidstaten die aan de regeling wensen deel te nemen, op nationaal of regionaal niveau vooraf een strategie voor de uitvoering van de regeling vaststellen en voorzien in de nodige begeleidende maatregelen. Lidstaten die de regeling op regionaal niveau ten uitvoer willen leggen, moeten voor elke regio een strategie opstellen.

(4)

Krachtens artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1370/2013 van de Raad (5) dient de indicatieve toewijzing van de Uniesteun voor de verstrekking van groenten en fruit, verwerkte groenten en fruit en banaanproducten in het kader van de regeling („producten”) door de Commissie te worden vastgesteld. Met het oog op de optimale benutting van de beschikbare middelen moet Uniesteun waarvoor geen aanvraag is ingediend, worden herverdeeld over de deelnemende lidstaten die aan de Commissie hebben meegedeeld meer dan de indicatief aan hen toegewezen Uniesteun te willen gebruiken.

(5)

Niet alleen kosten voor het aankopen van de producten, maar ook bepaalde aanverwante kosten die rechtstreeks verbonden zijn met de uitvoering van de regeling, dienen in aanmerking te komen voor Uniesteun indien dat in de strategie van de betrokken lidstaat is bepaald. Ter vrijwaring van de doeltreffendheid van de regeling mag echter slechts een beperkt percentage van de steun worden toegewezen voor de dekking van dergelijke aanverwante kosten. Met het oog op het financiële beheer en de controle mogen deze kosten bepaalde drempelwaarden niet overschrijden.

(6)

In het belang van goed bestuur, begrotingsbeheer en toezicht moet worden gespecificeerd welke voorwaarden gelden voor de verlening van de steun en voor de selectie en de erkenning van steunaanvragers.

(7)

Om een beoordeling van de doeltreffendheid van de regeling, een collegiale evaluatie en de uitwisseling van beste praktijken mogelijk te maken, moeten de lidstaten de uitvoering van hun regeling geregeld monitoren en evalueren en moeten zij de betrokken resultaten en bevindingen aan de Commissie toezenden.

(8)

Om fraude en ernstige nalatigheid van de zijde van de aanvragers te ontraden, moeten sancties worden vastgesteld.

(9)

Overeenkomstig artikel 23, lid 10, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 moet het publiek er zich voldoende bewust van zijn dat de Unie financieel aan de regeling bijdraagt. De lidstaten moeten hiertoe een poster kunnen gebruiken die in de deelnemende onderwijsinstellingen kan worden opgehangen. Die poster moet volgens bepaalde minimumvoorschriften worden gemaakt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze verordening dient tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013, met betrekking tot Uniesteun voor de verstrekking en de distributie van groenten en fruit, verwerkte groenten en fruit en banaanproducten („producten”) aan kinderen, en voor bepaalde aanverwante kosten, in het kader van de regeling voor schoolfruit en schoolgroenten als bedoeld in artikel 23 van die verordening („regeling”).

Artikel 2

Strategie van de lidstaten

1.   Bij het opstellen van hun in artikel 23, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde strategie kunnen de lidstaten zelf bepalen op welk geografisch en administratief niveau zij de regeling ten uitvoer leggen. Indien zij besluiten de regeling op regionaal niveau ten uitvoer te leggen, moeten zij voor elke regio een strategie opstellen.

Een lidstaat die de regeling op regionaal niveau ten uitvoer legt, moet één contactpunt aanwijzen voor informatie en kennisgevingen aan de Commissie.

De strategie mag betrekking hebben op meer dan één schooljaar in de zin van artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/248 van de Commissie (6).

2.   De in artikel 23, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde begeleidende maatregelen ondersteunen de distributie van de producten en houden rechtstreeks verband met de doelstellingen van de regeling. Bij deze maatregelen mogen ook ouders en onderwijzend personeel worden betrokken.

3.   Lidstaten die aan de regeling wensen deel te nemen, delen hun strategie uiterlijk op 31 januari vóór de start van het eerste schooljaar dat onder de strategie valt, mee aan de Commissie.

4.   Lidstaten die hun strategie wijzigen, delen hun gewijzigde strategie uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op de wijziging, mee aan de Commissie.

Artikel 3

Herverdeling van Uniesteun

1.   Als lidstaten uiterlijk op de in artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/248 vermelde termijn geen Uniesteun hebben aangevraagd of slechts een deel van hun in artikel 23, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde en in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/248 vastgestelde indicatieve steuntoewijzing hebben aangevraagd, wordt hun indicatieve toewijzing of het deel ervan waarvoor geen aanvraag is ingediend, herverdeeld over de lidstaten die uiterlijk op dezelfde termijn aan de Commissie hebben meegedeeld meer dan hun indicatieve toewijzing te willen gebruiken.

2.   De herverdeling wordt begrensd overeenkomstig het niveau waarop de betrokken lidstaat de definitief toegewezen Uniesteun voor het schooljaar dat voorafgaand aan de steunaanvraag is geëindigd, heeft benut. Dat benuttingsniveau wordt vastgesteld aan de hand van de uitgavendeclaraties die uiterlijk op 15 oktober van het volgende schooljaar bij de Commissie worden ingediend overeenkomstig artikel 10 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie (7).

De herverdeling wordt als volgt begrensd:

a)

wanneer de definitieve toewijzing voor 50 % of minder is benut, wordt geen aanvullende toewijzing verleend;

b)

wanneer de definitieve toewijzing voor meer dan 50 %, maar niet meer dan 75 % is benut, mag de maximale aanvullende toewijzing niet meer dan 50 % van de indicatieve toewijzing bedragen;

c)

wanneer de definitieve toewijzing voor meer dan 75 % is benut, geldt geen bovengrens voor de maximale aanvullende toewijzing.

Deze grenswaarden worden niet toegepast tijdens de eerste twee schooljaren waarin de lidstaat de regeling ten uitvoer legt.

Artikel 4

Subsidiabele kosten

1.   De volgende kosten komen in aanmerking voor Uniesteun:

a)

de kosten van de producten die in het kader van de regeling worden verstrekt en gedistribueerd aan kinderen in in artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde onderwijsinstellingen, met inbegrip van de kosten van het aankopen, huren en huurkopen van bij de verstrekking en distributie gebruikte apparatuur, zoals is vastgelegd in de strategie van de lidstaat;

b)

de volgende aanverwante kosten, die rechtstreeks verband houden met de tenuitvoerlegging van de regeling:

i)

kosten in verband met de in artikel 8 van de onderhavige verordening bedoelde monitoring- en evaluatieverplichting van de lidstaat;

ii)

kosten om bekendheid aan de regeling te geven door het bredere publiek rechtstreeks over de regeling te informeren, met inbegrip van:

de kosten van de in artikel 10 van de onderhavige verordening bedoelde poster;

de kosten van voorlichtingscampagnes via radio of televisie, elektronische communicatie, kranten en soortgelijke communicatiemiddelen;

de kosten van voorlichtingsbijeenkomsten, conferenties, seminars en workshops om het bredere publiek te informeren over de regeling, en soortgelijke evenementen;

de kosten van informatie- en promotiemateriaal, zoals brieven, folders, brochures, gadgets en dergelijke;

iii)

kosten voor in artikel 2, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde begeleidende maatregelen, met inbegrip van:

kosten voor het organiseren van degustatieklassen en van sessies over het aanleggen en onderhouden van een moestuin, het organiseren van bezoeken aan landbouwbedrijven en soortgelijke activiteiten om kinderen in contact te brengen met de landbouw;

kosten voor maatregelen om kinderen te onderwijzen in landbouw, gezonde eetgewoonten en milieuvraagstukken die verband houden met de productie, de distributie en de consumptie van de producten.

2.   Indien de kosten voor het vervoer en de distributie van de producten apart worden gefactureerd, komen zij slechts voor Uniesteun in aanmerking indien zij niet meer dan 3 % van de kosten van de producten uitmaken.

De kosten voor het vervoer en de distributie van gratis aan onderwijsinstellingen verstrekte producten komen in aanmerking voor Uniesteun mits facturen worden overgelegd en het in de strategie van de lidstaat vastgestelde maximum in acht wordt genomen.

3.   De kosten voor acties om bekendheid aan de regeling te geven en voor begeleidende maatregelen mogen niet in het kader van andere Uniesteunregelingen worden gefinancierd.

4.   Belasting over de toegevoegde waarde (btw) en uitgaven in verband met personeel komen niet in aanmerking voor Uniesteun indien deze personeelskosten uit overheidsmiddelen van de lidstaat worden gefinancierd.

5.   De totale subsidiabele kosten voor acties om bekendheid aan de regeling te geven bedragen maximaal 5 % van de in artikel 23, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde jaarlijkse definitieve toewijzing voor elke betrokken lidstaat.

De totale subsidiabele kosten voor het aankopen, huren en huurkopen van apparatuur en voor monitoring en evaluatie bedragen niet meer dan 10 % van de jaarlijkse definitieve toewijzing voor elke betrokken lidstaat.

De totale subsidiabele kosten voor begeleidende maatregelen bedragen maximaal 15 % van de jaarlijkse definitieve toewijzing voor elke betrokken lidstaat.

Artikel 5

Algemene voorwaarden voor de verlening van de steun en de selectie van steunaanvragers

1.   De in het kader van de regeling aan een lidstaat toegewezen steun wordt verdeeld over steunaanvragers die bij de bevoegde autoriteit een steunaanvraag hebben ingediend voor de tenuitvoerlegging van een of meer van de volgende punten:

a)

de verstrekking en/of distributie van producten aan kinderen in onderwijsinstellingen in het kader van de regeling;

b)

monitoring- en evaluatieacties;

c)

acties om bekendheid te geven aan de regeling;

d)

begeleidende maatregelen.

Alleen aanvragers die overeenkomstig artikel 6 zijn erkend, mogen steunaanvragen indienen.

2.   De lidstaten selecteren de steunaanvragers uit de volgende instanties:

a)

onderwijsinstellingen;

b)

onderwijsinstanties;

c)

leveranciers en/of distributeurs van de producten;

d)

organisaties die namens één of meer onderwijsinstellingen of onderwijsinstanties optreden en specifiek voor dit doel zijn opgericht;

e)

andere openbare of particuliere instanties die betrokken zijn bij het beheren en uitvoeren van in lid 1 bedoelde activiteiten.

Artikel 6

Voorwaarden voor de erkenning van steunaanvragers

1.   De steunaanvragers moeten zijn erkend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de onderwijsinstelling waaraan de producten worden verstrekt en/of gedistribueerd, zich bevindt. De erkenning wordt uitsluitend verleend als de aanvragers zich er schriftelijk toe verbinden:

a)

ervoor te zorgen dat de producten die de Unie in het kader van de regeling financiert, beschikbaar worden gesteld voor consumptie door de kinderen in de onderwijsinstellingen waarvoor steun wordt aangevraagd;

b)

de toegewezen steun te gebruiken voor monitoring en evaluatie, voor acties om bekendheid aan de regeling te geven of voor begeleidende maatregelen overeenkomstig de doelstellingen van de regeling;

c)

ten onrechte betaalde steun voor de betrokken hoeveelheden terug te betalen wanneer is geconstateerd dat de producten niet aan de kinderen zijn gedistribueerd of niet in aanmerking komen voor Uniesteun;

d)

ten onrechte betaalde steun voor begeleidende maatregelen terug te betalen wanneer is geconstateerd dat deze maatregelen niet correct zijn uitgevoerd;

e)

bewijsstukken ter beschikking van de bevoegde autoriteit te stellen wanneer deze daarom verzoekt;

f)

alle door de bevoegde autoriteit vastgestelde controles, met name wat de verificatie van de boekhouding en fysieke inspecties betreft, toe te laten.

2.   Met betrekking tot steunaanvragen inzake de verstrekking en distributie van producten gaan de steunaanvragers een aanvullende schriftelijke verbintenis aan om een boekhouding te voeren met daarin de naam en het adres van de onderwijsinstellingen of, in voorkomend geval, van de onderwijsinstanties, alsmede de aan deze instellingen of instanties verkochte of verstrekte producten en hoeveelheden.

3.   Op steunaanvragen inzake monitoring, evaluatie of acties om bekendheid te geven aan de regeling, is slechts lid 1, onder b) en e), van toepassing.

4.   Op steunaanvragen inzake begeleidende maatregelen is slechts lid 1, onder b), d), e) en f), van toepassing. Bovendien kunnen de bevoegde autoriteiten van de steunaanvragers eisen schriftelijke verbintenissen aan te gaan, met name inzake:

a)

begeleidende maatregelen die worden uitgevoerd in scholen die geen steunaanvrager zijn;

b)

begeleidende maatregelen die onder meer de distributie van producten betreffen.

Artikel 7

Schorsing en intrekking van de erkenning

Indien een erkende aanvrager de in deze verordening vastgestelde verplichtingen niet nakomt, schorst de bevoegde autoriteit de erkenning van de aanvrager voor een periode van één tot twaalf maanden of trekt zij deze in, afhankelijk van de ernst van de niet-naleving of overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel.

Een dergelijke maatregel wordt niet genomen in de in artikel 64, lid 2, onder a) tot en met d), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde gevallen of indien de niet-naleving van gering belang is.

Indien de aanvrager daarom verzoekt en de redenen voor de intrekking zijn aangepakt, kan de bevoegde autoriteit de erkenning van de aanvrager opnieuw verlenen mits ten minste twaalf maanden zijn verlopen sinds de datum waarop de redenen voor de intrekking zijn aangepakt.

Artikel 8

Monitoring en evaluatie

1.   De lidstaten zorgen voor adequate structuren en formulieren voor een jaarlijkse monitoring van de tenuitvoerlegging van de regeling.

2.   De lidstaten evalueren de tenuitvoerlegging van de regeling teneinde te beoordelen of deze doeltreffend genoeg is gebleken om de doelstellingen ervan te halen.

3.   Indien een lidstaat uiterlijk op de in artikel 6, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/248 bedoelde termijn geen evaluatieverslag met de resultaten van de in lid 2 van het onderhavige artikel bedoelde evaluatie heeft ingediend bij de Commissie, wordt het bedrag van de volgende definitieve toewijzing voor deze lidstaat als volgt verlaagd:

a)

met 5 % indien de termijn met 1 tot 30 dagen wordt overschreden;

b)

met 10 % indien de termijn met 31 tot 60 dagen wordt overschreden.

Wordt de termijn met meer dan 60 dagen overschreden, dan wordt de definitieve toewijzing per extra dag verlaagd met 1 %, berekend over het saldo.

Artikel 9

Sancties

In het geval van onregelmatige betalingen die niet terug te voeren zijn op klaarblijkelijke fouten en in het geval van fraude of ernstige nalatigheid waarvoor de aanvrager verantwoordelijk is, betaalt de aanvrager bovenop de teruggevorderde, ten onrechte betaalde bedragen een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen het initieel betaalde bedrag en het bedrag waarop de aanvrager recht heeft.

Artikel 10

Poster over de Unieregeling voor schoolfruit en schoolgroenten

Voor de toepassing van artikel 23, lid 10, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 kunnen de lidstaten gebruikmaken van een poster die voldoet aan de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde minimumvoorschriften en permanent duidelijk zichtbaar en duidelijk leesbaar aan de hoofdingang van de deelnemende onderwijsinstellingen wordt aangebracht.

Artikel 11

Intrekking

Verordening (EG) nr. 288/2009 wordt ingetrokken.

Artikel 12

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing op het schooljaar 2016/2017 en de daaropvolgende schooljaren.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.

(3)  Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 288/2009 van de Commissie van 7 april 2009 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad ten aanzien van de toekenning, in het kader van een schoolfruitregeling, van communautaire steun voor de verstrekking van groente- en fruitproducten, verwerkte groente- en fruitproducten en banaanproducten aan kinderen in onderwijsinstellingen (PB L 94 van 8.4.2009, blz. 38).

(5)  Verordening (EU) nr. 1370/2013 van de Raad van 16 december 2013 houdende maatregelen tot vaststelling van steun en restituties in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten (PB L 346 van 20.12.2013, blz. 12).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/248 van de Commissie van 17 december 2015 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, met betrekking tot Uniesteun voor de verstrekking en de distributie van groenten en fruit, verwerkte groenten en fruit en banaanproducten in het kader van de regeling voor schoolfruit en schoolgroenten, en tot vaststelling van de indicatieve toewijzing voor die steun (zie bladzijde 8 van dit Publicatieblad).

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie (PB L 255 van 28.8.2014, blz. 59).


BIJLAGE

Minimumvoorschriften voor de in artikel 10 bedoelde poster

Grootte: A3 of groter.

Letters: 1 cm of groter.

Titel: „Regeling voor schoolfruit en schoolgroenten” van de Europese Unie

Inhoud: Ten minste de volgende formulering:

„Ons/Onze [vermeld de soort onderwijsinstelling (bv. kleuterschool/voorschoolse opvang/school)] doet met financiële steun van de Europese Unie mee aan de „Regeling voor schoolfruit en schoolgroenten” van de Europese Unie.”

De poster moet zijn voorzien van het embleem van de Unie.