4.8.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 210/100


BESLUIT (EU) 2016/1332 VAN DE COMMISSIE

van 28 juli 2016

tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de EU-milieukeur aan meubelen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 4778)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (1), en met name artikel 6, lid 7, en artikel 8, lid 2,

Na raadpleging van het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 66/2010 kan de EU-milieukeur worden toegekend aan producten die gedurende hun volledige levenscyclus een verminderd milieueffect hebben.

(2)

In Verordening (EG) nr. 66/2010 is bepaald dat per productengroep specifieke criteria voor de EU-milieukeur worden vastgesteld.

(3)

In Beschikking 2009/894/EG van de Commissie (2) zijn de milieucriteria vastgesteld, alsook de daarmee verband houdende eisen inzake beoordeling en verificatie voor houten meubelen, die geldig zijn tot en met 31 december 2016.

(4)

Om het assortiment meubelstukken op de markt en de nieuwste ontwikkelingen voor deze producten beter te weerspiegelen en om rekening te houden met de innovatie van de laatste jaren, is het passend om het toepassingsgebied van de productengroep uit te breiden door hierin ook niet-houten meubelen op te nemen en herziene milieucriteria vast te stellen.

(5)

De herziene milieucriteria zijn gericht op het gebruik van materiaal dat op duurzamere wijze is geproduceerd (uitgaande van een aanpak op basis van de analyse van de levenscyclus), de beperking van het gebruik van gevaarlijke stoffen, de vermindering van het niveau van gevaarlijke reststoffen, de bijdrage van meubelen aan luchtvervuiling binnenshuis en de bevordering van een duurzaam product van hoge kwaliteit dat eenvoudig te repareren en te demonteren is. Gezien de innovatiecyclus voor deze productengroep moeten de herziene criteria en de daarmee samenhangende eisen voor beoordeling en verificatie zes jaar geldig zijn vanaf de datum van vaststelling van dit besluit.

(6)

Beschikking 2009/894/EG moet derhalve worden vervangen.

(7)

Er moet worden voorzien in een overgangsperiode voor producenten van wie de producten de EU-milieukeur voor houten meubelen hebben ontvangen op grond van de milieucriteria die zijn vastgesteld in Beschikking 2009/894/EG, zodat zij voldoende tijd hebben om hun producten aan te passen aan de herziene milieucriteria en eisen. Het moet producenten ook worden toegestaan om gedurende een voldoende lange periode aanvragen in te dienen op basis van de milieucriteria van Beschikking 2009/894/EG.

(8)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 16 van Verordening (EG) nr. 66/2010 ingestelde comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De productengroep „meubelen” omvat vrijstaande of ingebouwde eenheden die in eerste instantie worden gebruikt voor het opbergen of ophangen van artikelen en/of die voorzien in oppervlakken waarop of waaraan de gebruikers kunnen rusten, zitten, eten, studeren of werken, en die bestemd zijn voor gebruik binnenshuis of buitenshuis. Het toepassingsgebied omvat meubelen voor huishoudelijk gebruik en meubelen die onderdeel vormen van een contract voor gebruik in een huishoudelijke of niet-huishoudelijke omgeving. Ook frames, poten, bodems en hoofdborden van bedden behoren tot het toepassingsgebied.

2.   De volgende producten behoren niet tot de productengroep:

a)

matrassen die vallen onder de criteria vastgesteld in Besluit 2014/391/EU van de Commissie (3);

b)

producten die niet in eerste instantie worden gebruikt volgens lid 1, zoals straatlantaarns, relingen en hekwerk, ladders, klokken, speeltuigen, vrijstaande of aan de wand bevestigde spiegels, elektrische leidingen, verkeerszuiltjes en bouwproducten zoals trappen, deuren, vensters, vloer- en muurbekleding;

c)

tweedehandse, opnieuw afgewerkte, opgeknapte of opnieuw vervaardigde meubelen;

d)

meubelen die zijn aangebracht in voertuigen voor particulier of openbaar vervoer;

e)

meubelen die bestaan uit meer dan 5 gewichtsprocent materialen die niet in de volgende lijst zijn opgenomen: massief hout, van hout vervaardigde platen, kurk, bamboe, rotan, kunststof, metaal, leder, gecoate stoffen, textiel, glas en opvulmateriaal.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

a)   „anilineleder”: leder met een duidelijke en volledig zichtbare natuurlijke korrel. Een eventuele oppervlaktecoating met een afwerkingsproduct zonder pigmenten is minder dan of gelijk aan 0,01 mm, zoals gedefinieerd in EN 15987;

b)   „semianilineleder”: leder dat een coating heeft gekregen met een afwerkingsproduct dat een kleine hoeveelheid pigment bevat, zodat de natuurlijke korrel duidelijk zichtbaar is, zoals gedefinieerd in EN 15987;

c)   „gepigmenteerd leder en gepigmenteerd splitleder”: leder of splitleder waarvan de natuurlijke korrel of het natuurlijke oppervlak volledig schuilgaat onder een afwerkingsproduct dat pigmenten bevat, zoals gedefinieerd in EN 15987;

d)   „lakleder en laksplitleder”: leder of splitleder met doorgaans een spiegelend effect, verkregen door het aanbrengen van een laag vernissen met of zonder pigmenten, of synthetische harsen, met een dikte die niet groter is dan een derde van de volledige dikte van het product, zoals gedefinieerd in EN 15987;

e)   „gecoat leder en gecoat splitleder”: leder of splitleder waarvan de dikte van de oppervlaktecoating, die aan de buitenkant is aangebracht, niet groter is dan een derde van de totale dikte van het product, maar toch meer is dan 0,15 mm, zoals gedefinieerd in EN 15987;

f)   „vluchtige organische stof” (VOS): een organische verbinding met een beginkookpunt van ten hoogste 250 °C, gemeten bij een standaarddruk van 101,3 kPa, als bepaald in Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (4), die, in een capillaire kolom, elueert tot en met tetradecaan (C14H30);

g)   „semivluchtige organische stof” (SVOC): een organische verbinding met een kookpunt hoger dan 250 °C en minder dan 370 °C gemeten bij een standaarddruk van 101,3 kPa, en die, in een capillaire kolom, elueert met een retentiebereik tussen n-tetradecaan (C14H30) (exclusief) en n-docosaan (C22H46) (inclusief);

h)   „recyclinggehalte”: het aandeel, in massa, van gerecycleerde materialen in een product of verpakking; alleen pre- en postconsumptiematerialen worden in aanmerking genomen voor het recyclinggehalte, zoals gedefinieerd in ISO 14021;

i)   „preconsumptiemateriaal”: materiaal dat tijdens een fabricageproces uit de afvalstroom wordt gehaald, met uitzondering van hergebruik van materialen zoals herwerking, naslijping of afval dat tijdens een proces wordt voortgebracht en dat kan worden geregenereerd tijdens hetzelfde proces als datgene waardoor het werd voortgebracht, zoals gedefinieerd in ISO 14021, en ook met uitzondering van afvalhout, spaanders en vezels afkomstig van de houtkap of houtzagerij;

j)   „postconsumptiemateriaal”: materiaal dat door huishoudens of door commerciële, industriële en institutionele voorzieningen wordt gegenereerd in hun rol van eindgebruiker van het product en niet langer kan worden gebruikt voor het oorspronkelijke doeleinde, met inbegrip van materiaal uit de distributieketen, zoals gedefinieerd in ISO 14021;

k)   „uit afval herwonnen/geregenereerd materiaal”: materiaal dat zou zijn weggegooid als afval of zou zijn gebruikt voor de herwinning van energie, maar dat in plaats daarvan is ingezameld en is herwonnen/geregenereerd als uitgangsmateriaal, ter vervanging van nieuw primair materiaal, voor een recycling- of fabricageproces, zoals gedefinieerd in ISO 14021;

l)   „gerecycleerd materiaal”: materiaal dat met behulp van een fabricageproces op basis van uit afval herwonnen/geregenereerd materiaal opnieuw verwerkt is tot een eindproduct of een component voor opname in een product, zoals gedefinieerd in ISO 14021, maar met uitzondering van afvalhout, spaanders en vezels afkomstig van de houtkap of houtzagerij;

m)   „van hout vervaardigde platen”: platen vervaardigd van houtvezels door een of meer verschillende processen waarbij mogelijk hoge temperaturen, hoge druk en bindharsen of kleefstoffen worden gebruikt;

n)   „OSB-plaat”: plaat die is samengesteld uit verschillende lagen houtschilfers die onderling zijn verbonden met een bindmiddel, zoals gedefinieerd in EN 300. De schilfers in de deklaag zijn uitgelijnd en liggen parallel aan de lengte of breedte van de plaat. De schilfers in de binnenlaag of -lagen zijn ofwel willekeurig gestrooid ofwel dwars gericht op de lengterichting van de schilfers in de deklaag;

o)   „spaanplaat”: plaatmateriaal dat onder druk en met warmte vervaardigd wordt uit houtdeeltjes (houtschilfers, spaanders, schaafkrullen, zaagsel en dergelijke) en/of ander deeltjesvormig houtcellulose bevattend materiaal (vlas- en henneplemen, bagasse en dergelijke), met toevoeging van een kleefstof, zoals gedefinieerd in EN 309;

p)   „multiplex”: van hout vervaardigde platen bestaande uit een aantal lagen die doorgaans kruiselings aan elkaar zijn gelijmd, zoals gedefinieerd in EN 313. Tal van verschillende subcategorieën kunnen worden onderscheiden op basis van de manier waarop het multiplex gestructureerd is (bijvoorbeeld fineer, kernplaat, gebalanceerd multiplex) of op basis van het eindgebruik (bijvoorbeeld watervast multiplex);

q)   „vezelplaten”: een hele reeks plaattypes die worden gedefinieerd in EN 316 en EN 622 en die kunnen worden onderverdeeld in de subcategorieën hardboard, middelhardboard, zachtboard en vezelplaat verkregen via droogproces (MDF, HDF) op basis van hun fysische eigenschappen en het productieproces;

r)   „gemakkelijk biologisch afbreekbare stof”: een stof die met gebruik van een van de volgende testmethoden binnen 28 dagen een afbreekbaarheid van opgeloste organische koolstof van 70 % ofwel 60 % van de theoretisch maximale zuurstofdepletie of koolstofdioxidevorming laat zien: OESO 301 A, ISO 7827, OESO 301 B, ISO 9439, OESO 301 C, OESO 301 D, ISO 10708, OESO 301 E, OESO 301 F, ISO 9408;

s)   „inherent biologisch afbreekbare stof”: een stof die met gebruik van een van de volgende testmethoden binnen 28 dagen een afbreekbaarheid van opgeloste organische koolstof van 70 % ofwel 60 % van de theoretisch maximale zuurstofdepletie of koolstofdioxidevorming laat zien: ISO 14593, OECD 302 A, ISO 9887, OECD 302 B, ISO 9888, OECD 302 C;

t)   „afwerking”: de methoden waarbij een deklaag of coating wordt aangebracht op het oppervlak van een materiaal. Deze methoden zijn onder meer het aanbrengen van verf, bedrukking, vernis, fineer, laminaat, geïmpregneerd papier en afwerkingsfolie;

u)   „biocide” zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (5) :

alle stoffen of mengsels die, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, uit een of meer werkzame stoffen bestaan dan wel die stoffen bevatten of genereren, met als doel een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of op een andere dan louter fysieke of mechanische wijze te bestrijden;

alle stoffen of mengsels die worden gegenereerd door stoffen of mengsels die zelf niet vallen onder het eerste streepje, en die gebruikt worden met als doel een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of op een andere dan louter fysieke of mechanische wijze te bestrijden;

behandelde voorwerpen waarvan de primaire werking een biocidale werking is, worden beschouwd als biociden;

v)   „houtconserveringsmiddelen”: biociden die met behulp van processen voor oppervlaktebehandeling (bv. verstuiving, aanbrengen met een kwast) of voor diepe inwerking (bv. vacuüm-drukmethode, dubbel vacuüm) worden aangebracht op of in hout (namelijk boomstammen die in de zagerij aankomen voor commercieel gebruik en voor alle verdere gebruik van het hout en de producten die van hout worden vervaardigd) of de van hout vervaardigde producten zelf, of die worden aangebracht op of in onderlagen die niet van hout vervaardigd zijn (bv. metselwerk of funderingen van gebouwen) met de bedoeling het aangrenzende hout of de aangrenzende van hout vervaardigde producten te beschermen tegen aanvallen van organismen die hout aantasten (bv. droogrot en termieten) volgens de definitie overeengekomen door het Europees Comité voor Normalisatie (bron CEN/TC 38 „Durability of wood and wood-based products”);

w)   „E1”: een in alle EU-lidstaten toegepaste classificatie voor van hout vervaardigde platen die formaldehyde bevatten, die is gebaseerd op de formaldehyde-emissies. Overeenkomstig de definitie in bijlage B bij EN 13986 wordt een van hout vervaardigde plaat als E1 geclassificeerd indien de emissies equivalent zijn aan concentraties in stationaire toestand van ten hoogste 0,1 ppm (0,124 mg/m3) formaldehyde na 28 dagen in een testruimte bij een test uitgevoerd volgens EN 717-1, of indien het bepaalde formaldehydegehalte ten hoogste 8 mg/100 g ovendroge plaat bedraagt wanneer wordt gemeten volgens EN 120, of indien de formaldehyde-emissies ten hoogste 3,5 mg/m2.h bedragen volgens EN 717-2, of ten hoogste 5,0 mg/m2.h volgens dezelfde methode, maar binnen drie dagen na productie;

x)   „gecoate stoffen”: stoffen met een aan een of beide oppervlakken ervan gehechte, afzonderlijk doorlopende laag van materiaal vervaardigd van rubber en/of kunststof, zoals gedefinieerd in EN 13360, met inbegrip van bekledingsmateriaal dat doorgaans „imitatieleer” wordt genoemd;

y)   „textiel”: natuurlijke vezels, synthetische vezels en synthetische cellulosevezels;

z)   „natuurlijke vezels”: katoen en andere natuurlijke cellulosezaadvezels, vlas en andere bastvezels, wol en andere keratinevezels;

aa)   „synthetische vezels”: acryl-, elastaan-, polyamide-, polyester- en polypropyleenvezels;

bb)   „synthetische cellulosevezels”: lyocell-, modal- en viscosevezels;

cc)   „bekledingsmateriaal”: materiaal dat wordt gebruikt voor de vervaardiging van de bekleding en de opvulling van zitmeubelen, slaapmeubelen of andere meubelen en dat bedekkingsmaterialen kan omvatten zoals leder, gecoate stoffen en textiel, alsmede vulmaterialen zoals van polymeren vervaardigde soepele materialen met een cellenstructuur op basis van rubberlatex en polyurethaan;

dd)   „stof”: een chemisch element en de verbindingen ervan, zoals zij voorkomen in natuurlijke toestand of bij vervaardiging ontstaan, met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit ervan, en alle onzuiverheden ten gevolge van het toegepaste procedé, doch met uitzondering van elk oplosmiddel dat kan worden afgescheiden zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of de samenstelling ervan wordt gewijzigd, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (6);

ee)   „mengsel”: een mengsel of oplossing bestaande uit twee of meer stoffen zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1907/2006;

ff)   „onderdeel”: stevige en afzonderlijke eenheid met een vorm die niet gewijzigd hoeft te worden vóór de assemblage van het eindproduct in zijn volle functionele vorm, hoewel de plaats ervan kan veranderen tijdens het gebruik van het eindproduct; omvat onder meer scharnieren, schroeven, frames, laden, wielen en planken;

gg)   „onderdeelmaterialen”: materialen waarvan de vorm vóór de assemblage van het meubel of tijdens gebruik van het meubelproduct kan wijzigen; omvat onder meer textiel, leder, gecoate stoffen en polyurethaanschuimen die voor de bekleding en opvulling worden gebruikt. Hout kan bij levering als onderdeelmateriaal worden aangemerkt, maar na zagen en verwerking een onderdeel vormen.

Artikel 3

Om krachtens Verordening (EG) nr. 66/2010 in aanmerking te komen voor de EU-milieukeur, moet een product behoren tot de productengroep „meubelen” zoals gedefinieerd in artikel 1 van dit besluit, en moet het voldoen aan de milieucriteria en de daarmee samenhangende beoordelings- en verificatievereisten die zijn uiteengezet in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 4

De milieucriteria voor de productengroep „meubelen” en de daarmee samenhangende beoordelings- en verificatievereisten zijn zes jaar geldig vanaf de datum van vaststelling van dit besluit.

Artikel 5

Voor administratieve doeleinden wordt aan de productengroep „meubelen” het codenummer „049” toegekend.

Artikel 6

Beschikking 2009/894/EG wordt ingetrokken.

Artikel 7

1.   In afwijking van artikel 6 worden aanvragen voor de EU-milieukeur voor producten die vallen in de productengroep „houten meubelen” die zijn ingediend vóór de datum waarop dit besluit is vastgesteld, beoordeeld aan de hand van de voorwaarden die zijn vastgelegd in Beschikking 2009/894/EG.

2.   Aanvragen voor de EU-milieukeur voor producten die vallen in de productengroep „houten meubelen” die binnen twee maanden na de datum van vaststelling van dit besluit worden ingediend, mogen gebaseerd zijn op zowel de in Beschikking 2009/894/EG als de in dit besluit vastgestelde criteria.

Die aanvragen worden geëvalueerd overeenkomstig de criteria waarop ze zijn gebaseerd.

3.   Een EU-milieukeur die is toegekend op basis van de in Beschikking 2009/894/EG uiteengezette criteria, mag worden gebruikt gedurende een periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop dit besluit is vastgesteld.

Artikel 8

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 28 juli 2016.

Voor de Commissie

Karmenu VELLA

Lid van de Commissie


(1)  PB L 27 van 30.1.2010, blz. 1.

(2)  Beschikking 2009/894/EG van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur voor houten meubelen (PB L 320 van 5.12.2009, blz. 23).

(3)  Besluit 2014/391/EU van de Commissie van 23 juni 2014 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de EU-milieukeur aan matrassen (PB L 184 van 25.6.2014, blz. 18).

(4)  Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen, en tot wijziging van Richtlijn 1999/13/EG (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 87).

(5)  Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).

(6)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

KADER

CRITERIA VOOR DE EU-MILIEUKEUR

Criteria voor de toekenning van de EU-milieukeur voor meubelen:

1.

Productomschrijving

2.

Algemene vereisten voor gevaarlijke stoffen en mengsels

3.

Hout, kurk, bamboe en rotan

4.

Kunststof

5.

Metalen

6.

Bekledingsmaterialen

7.

Opvulmaterialen

8.

Glas: gebruik van zware metalen

9.

Vereisten in verband met het eindproduct

10.

Consumenteninformatie

11.

Informatie op de EU-milieukeur

EISEN INZAKE BEOORDELING EN CONTROLE

Bij elk criterium worden de specifieke eisen inzake beoordeling en controle vermeld.

Wanneer de aanvrager verplicht is verklaringen, documentatie, analyses, testverslagen of ander bewijsmateriaal in te dienen waaruit blijkt dat aan de criteria is voldaan, kunnen deze afkomstig zijn van de aanvrager en/of diens leverancier(s) en/of hun leveranciers enz., naargelang het geval.

De bevoegde instanties baseren zich bij voorkeur op verklaringen die zijn afgegeven door instellingen die volgens de toepasselijke geharmoniseerde norm voor test- en kalibratielaboratoria erkend zijn, en op controles door instellingen die erkend zijn volgens de toepasselijke geharmoniseerde norm voor instellingen die producten, processen en diensten certificeren.

In voorkomend geval mogen andere testmethoden worden gebruikt dan die voor elk criterium worden vermeld, indien deze door de bevoegde instantie die de aanvraag beoordeelt, als gelijkwaardig worden geaccepteerd.

In voorkomend geval kunnen de bevoegde instanties aanvullende documentatie verlangen en onafhankelijke controles uitvoeren.

Voorwaarde is dat het product voldoet aan alle respectieve wettelijke eisen van het land/de landen waar het product op de markt zal worden gebracht. De aanvrager bevestigt in een verklaring dat het product aan dit vereiste voldoet.

De criteria voor de EU-milieukeur weerspiegelen de producten die vanuit milieuoogpunt het best presteren binnen de meubelmarkt. Voor een gemakkelijkere beoordeling zijn de criteria gegroepeerd per materiaal aangezien veel meubelen slechts een of twee van de bovenvermelde materialen bevatten.

Hoewel het gebruik van chemische producten en het vrijkomen van verontreinigende stoffen onderdeel vormen van het productieproces, wordt het gebruik van gevaarlijke stoffen zo veel mogelijk voorkomen of beperkt tot het laagste niveau dat nodig is om een correcte functie van de meubelen te verkrijgen en tegelijk te voldoen aan strenge kwaliteits- en veiligheidsnormen. Om deze reden worden in uitzonderlijke omstandigheden afwijkende voorwaarden vastgesteld voor specifieke stoffen/groepen stoffen om zo de milieubelasting niet te verschuiven naar andere fasen in de levenscyclus of andere gevolgen, en uitsluitend wanneer er op de markt geen andere haalbare alternatieven zijn.

Criterium 1 — Beschrijving van het product

Technische tekeningen die de assemblage beschrijven van de onderdelen/onderdeelmaterialen en subonderdelen/subonderdeelmaterialen die het eindproduct vormen, en de afmetingen van dat eindproduct, worden aan de bevoegde instantie verstrekt samen met een lijst van materialen voor het product die het totale gewicht van het product zelf vermeldt, evenals de opsplitsing van dat gewicht in de volgende verschillende materialen: massief hout, van hout vervaardigde platen, kurk, bamboe, rotan, kunststof, metaal, leder, gecoate stoffen, textiel, glas en opvulmateriaal.

Resterende materialen die niet onder de bovenvermelde categorieën vallen, worden in de lijst opgenomen als „andere” materialen.

De totale hoeveelheid „andere” materialen mag niet meer dan 5 % van het totale productgewicht bedragen.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt documentatie aan de bevoegde instantie, namelijk:

i)

technische tekeningen ter illustratie van de verschillende onderdelen/onderdeelmaterialen en subonderdelen/subonderdeelmaterialen die bij de assemblage van het meubel zijn gebruikt;

ii)

een algemene lijst van materialen die het totaalgewicht van het product vermeldt en de manier waarop dat gewicht is verdeeld over massief hout, van hout vervaardigde platen, kurk, bamboe, rotan, kunststof, metaal, leder, gecoate stoffen, textiel, glas, opvulmateriaal en „andere” materialen. Het gewicht van de verschillende materialen wordt uitgedrukt in gram of kilogram en als percentage van het totaalgewicht van het product.

Criterium 2 — Algemene vereisten voor gevaarlijke stoffen en mengsels

De aanwezigheid in het product en in de onderdelen/onderdeelmaterialen daarvan van stoffen die voldoen aan de criteria om volgens artikel 59, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 te worden ingedeeld bij de zeer zorgwekkende stoffen (SVHC) of bij de stoffen en mengsels die voldoen aan de criteria voor indeling, etikettering en verpakking (CLP) conform Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (1) voor de gevaren vermeld in tabel 1, wordt beperkt in overeenstemming met de criteria 2.1, 2.2 a) en 2.2 b).

Met het oog op dit criterium zijn in tabel 1 de stoffen op de kandidaatslijst voor SVHC's en de gevarenindelingen van de CLP-verordening op basis van hun gevaarlijke eigenschappen in groepen ingedeeld.

Tabel 1

Groepering van gevaren waarvoor een beperking geldt

Gevaren van groep 1 — SVHC's en CLP

Gevaren op grond waarvan een stof of mengsel in groep 1 wordt ingedeeld:

 

Stoffen op de kandidaatslijst voor SVHC's

 

Kankerverwekkend, mutageen en/of giftig voor de voortplanting (CMR) uit categorie 1A of 1B: H340, H350, H350i, H360, H360F, H360D, H360FD, H360Fd, H360Df

Gevaren van groep 2 — CLP

Gevaren op grond waarvan een stof of mengsel in groep 2 wordt ingedeeld:

 

CMR categorie 2: H341, H351, H361f, H361d, H361fd, H362

 

Aquatische toxiciteit categorie 1: H400, H410

 

Acute toxiciteit categorie 1 en 2: H300, H310, H330

 

Aspiratietoxiciteit categorie 1: H304

 

Specifieke doelorgaantoxiciteit (STOT) categorie 1: H370, H372

 

Huidallergeen categorie 1: H317

Gevaren van groep 3 — CLP

Gevaren op grond waarvan een stof of mengsel in groep 3 wordt ingedeeld:

 

Aquatische toxiciteit categorie 2, 3 en 4: H411, H412, H413

 

Acute toxiciteit categorie 3: H301, H311, H331, EUH070

 

STOT categorie 2: H371, H373

2.1.   Beperking van SVHC

Het product en de onderdelen/onderdeelmaterialen ervan mogen geen SVHC's bevatten in concentraties hoger dan 0,10 gewichtsprocent.

Er wordt met betrekking tot dit vereiste geen vrijstelling verleend voor stoffen op de kandidaatslijst voor SVHC's die in concentraties boven de 0,10 gewichtsprocent aanwezig zijn in het product of in de onderdelen/onderdeelmaterialen ervan.

Textiel waaraan de EU-milieukeur is toegekend op grond van de milieucriteria van Besluit 2014/350/EU van de Commissie (2) wordt geacht te voldoen aan criterium 2.1.

Beoordeling en controle: de aanvrager bundelt voor het product en alle onderdelen/onderdeelmaterialen die bij de assemblage van het meubel zijn gebruikt, verklaringen van afwezigheid van SVHC's in concentraties op of boven de aangegeven concentratiegrens. Bij de verklaringen wordt uitgegaan van de recentste versie van de kandidaatslijst van het ECHA (3).

Voor textiel waaraan de EU-milieukeur is toegekend in overeenstemming met Besluit 2014/350/EU, moet een kopie van het EU-milieukeurcertificaat worden verstrekt als bewijs van conformiteit.

2.2.   Beperking op in het meubel gebruikte stoffen en mengsels die zijn ondergebracht in de CLP

De eisen worden in twee delen onderverdeeld op grond van de productiefase van het meubel. Deel a) verwijst naar stoffen en mengsels die worden gebruikt tijdens de afwerking of assemblage die rechtstreeks bij de meubelfabrikant wordt verricht. Deel b) verwijst naar stoffen en mengsels die worden gebruikt tijdens de productie van geleverde onderdelen/onderdeelmaterialen.

Textiel waaraan de EU-milieukeur is toegekend op grond van de milieucriteria van Besluit 2014/350/EU, wordt geacht te voldoen aan de criteria 2.2 a) en 2.2. b).

2.2 a)   Stoffen en mengsels gebruikt door de meubelfabrikant

Geen van de kleefstoffen, vernissen, verven, primers, houtbeitsen, biociden (zoals houtbeschermingsmiddelen), vlamvertragers, vulstoffen, wassen, oliën, voegkitten, dichtingsproducten, kleurstoffen, harsen of smeeroliën die door de fabrikant worden gebruikt, zijn ondergebracht bij de in tabel 1 vermelde CLP-gevaren, tenzij er in tabel 2 specifiek een uitzondering voor wordt gemaakt.

2.2 b)   Stoffen en mengsels gebruikt door leveranciers van welbepaalde onderdelen/onderdeelmaterialen

Dit criterium geldt niet voor afzonderlijke onderdelen/onderdeelmaterialen van leveranciers die: i) minder wegen dan 25 g en die ii) bij normaal gebruik niet in contact komen met de gebruikers.

Geen van de door de leveranciers gebruikte stoffen of mengsels die binnen het hieronder omschreven toepassingsgebied vallen, zijn ondergebracht bij de in tabel 1 vermelde CLP-gevaren tenzij er in tabel 2 specifiek een uitzondering voor wordt gemaakt.

Massief hout en van hout vervaardigde platen: gebruikte kleefstoffen, vernissen, verven, houtbeitsen, biociden (zoals houtbeschermingsmiddelen), primers, vlamvertragers, vulstoffen, wassen, oliën, voegkitten, dichtingsproducten en harsen.

Kunststof: pigmenten, weekmakers, biociden en vlamvertragers gebruikt als additieven.

Metalen: verven, primers of vernissen aangebracht op het metalen oppervlak.

Bekleding van textiel, leder en gecoate stof: gebruikte kleurstoffen, vernissen, optische witmakers, stabilisatiemiddelen, hulpstoffen, vlamvertragers, weekmakers, biociden of water-/vuil-/vlekafstotende middelen.

Opvulmaterialen: op het materiaal aangebrachte biociden, vlamvertragers of weekmakers.

Tabel 2

Afwijkingen van de gevarenbeperkingen in tabel 1 en toepasselijke voorwaarden

Soort stof/mengsel

Toepasselijkheid

Afwijkende indeling(en)

Uitzonderingsvoorwaarden

a)

Biociden (zoals houtbeschermingsmiddelen)

Behandeling van meubelonderdelen en/of bekledingsmaterialen die in het eindproduct zullen worden gebruikt

Alle gevaren van groep 2 en 3 in tabel 1, behalve voor CMR-gevaren

Uitsluitend indien de werkzame stof in de biocide is goedgekeurd of wordt onderzocht in afwachting van een besluit tot goedkeuring, krachtens Verordening (EU) nr. 528/2012 of in bijlage I bij die verordening is opgenomen en in de volgende omstandigheden, in voorkomend geval:

i)

voor in-blik-conserveringsmiddelen die aanwezig zijn in coatingformuleringen die worden aangebracht op onderdelen/onderdeelmaterialen van binnen- of buitenmeubelen;

ii)

voor drogefilmconserveringsmiddelen die aanwezig zijn in coatings die uitsluitend op buitenmeubelen worden aangebracht;

iii)

voor de beschermende behandeling van hout dat wordt gebruikt voor buitenmeubelen, maar alleen als het originele hout niet voldoet aan de vereisten voor duurzaamheidsklasse 1 of 2 volgens EN 350.

iv)

Voor textielstoffen of gecoate stoffen die worden gebruikt in buitenmeubelen.

Controle:

De aanvrager verklaart of en welke werkzame stoffen van de biocide zijn gebruikt bij de vervaardiging van verschillende onderdelen/onderdeelmaterialen van meubelen, gestaafd met verklaringen van leveranciers, desbetreffende veiligheidsinformatiebladen, CAS-nummers en resultaten van tests volgens EN 350, naargelang het geval.

b)

Vlamvertragers

Textiel, leder, gecoate stoffen in meubelbekleding en opvulmaterialen

H317, H373, H411, H412, H413

Het product moet bestemd zijn voor gebruik in toepassingen waarbij voldaan moet worden aan de eisen voor brandbeveiliging in aanbestedingsnormen en -voorschriften van ISO, EN, een lidstaat of de publieke sector.

c)

Vlamvertragers/antimoontrioxide

H351

Antimoontrioxide is uitsluitend toegestaan wanneer is voldaan aan alle volgende voorwaarden:

i)

het product moet bestemd zijn voor gebruik in toepassingen waarbij voldaan moet worden aan de eisen voor brandbeveiliging in aanbestedingsnormen en -voorschriften van ISO, EN, een lidstaat of de publieke sector;

ii)

het wordt gebruikt als synergist met textiel of gecoate stoffen;

iii)

de uitstoot in de lucht op de werkplek waar de vlamvertrager op het textielproduct wordt aangebracht, mag niet hoger zijn dan de grenswaarde voor een acht uur durende beroepsmatige blootstelling van 0,50 mg/m3.

d)

Nikkel

Metalen onderdelen

H317, H351, H372

Uitsluitend toegestaan wanneer het wordt gebruikt in roestvrijstalen of vernikkelde onderdelen en wanneer overeenkomstig EN 1811 minder dan 0,5 μg nikkel/cm2/week vrijkomt.

e)

Chroomverbindingen

H317, H411

Deze afwijking geldt uitsluitend voor chroom-III-verbindingen die worden gebruikt tijdens het galvaniseren (bv. chroom(III)chloride).

f)

Zinkverbindingen

H300, H310, H330, H400, H410

De afwijking geldt alleen voor zinkverbindingen die worden gebruikt tijdens het galvaniseren of dompelverzinken (bijvoorbeeld zinkoxide, zinkchloride en zinkcyanide).

g)

Kleurstoffen voor verven en ongepigmenteerd bedrukken

Textiel, leder, gecoate stoffen in meubelbekleding

H301, H311, H317, H331

Wanneer ververijen en printers gebruikmaken van stofvrije kleurstofformuleringen of automatische dosering en toevoer van kleurstoffen om de blootstelling van werknemers te minimaliseren.

H411, H412, H413

Verfprocessen waarbij gebruik wordt gemaakt van reactieve, directe, kuip- of zwavelkleurstoffen met deze aanduidingen moeten minimaal aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

i)

gebruik van kleurstoffen met een hoge affiniteit;

ii)

verwezenlijking van een uitvalpercentage van minder dan 3,0 %;

iii)

gebruik van instrumentatie voor kleuraanpassing;

iv)

invoering van operationele standaardprocedures voor het verfproces;

v)

gebruik van kleurverwijdering voor de afvalwaterbehandeling (*).

Het gebruik van kleuroplossingen en/of digitale drukprocessen is van deze voorwaarden vrijgesteld.

h)

Optische witmakers

Textiel, leder, gecoate stoffen in meubelbekleding

H411, H412, H413

Optische witmakers mogen alleen in onderstaande gevallen worden gebruikt:

i)

bij witte bedrukking,

ii)

als additieven tijdens de productie van acryl, polyamide of polyester met gerecycleerd materiaal.

i)

Water-, vuil- en vlekafstotende middelen

Mogen worden gebruikt in oppervlaktebehandelingen van meubelonderdelen/onderdeelmaterialen

H413

Het afstotende middel en de afbraakproducten ervan moeten ofwel:

i)

gemakkelijk en/of inherent biologisch afbreekbaar zijn, ofwel

ii)

een laag potentieel voor bioaccumulatie hebben (een verdelingscoëfficiënt octanol/water log Kow ≤ 3,2 of een bioconcentratiefactor (BCF) < 100) in het aquatisch milieu, met inbegrip van aquatisch sediment.

j)

Stabilisatiemiddelen en vernissen

Mogen worden gebruikt bij de productie van gecoate stoffen

H411, H412, H413

Automatische dosering en/of persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden gebruikt om blootstelling van de werknemers zo miniem mogelijk te houden. Ten minste 95 % van deze additieven moet binnen 28 dagen een afbraak van ten minste 80 % van de opgeloste organisch gebonden koolstof te zien geven met behulp van de testmethoden OESO 303 A/B en/of ISO 11733.

k)

Hulpstoffen (omvat draagstoffen, uitloopmiddelen, dispergeermiddelen, oppervlakteactieve stoffen, verdikkingsmiddelen en bindmiddelen)

Mogen worden gebruikt bij de behandeling van meubelbekledingsmaterialen (textiel, leder of gecoate stoffen)

H301, H311, H317, H331, H371, H373, H411, H412, H413, EUH070

Recepten worden geformuleerd met behulp van automatische doseersystemen en processen volgen de operationele standaardprocedures.

Stoffen die zijn ingedeeld in H311 of H331, mogen niet op het materiaal aanwezig zijn in hogere concentraties dan 1,0 gewichtsprocent.

l)

Verven, vernissen, harsen en kleefstoffen

Elk meubelonderdeel/-onderdeelmateriaal

H304, H317, H412, H413, H371, H373

Er moet een veiligheidsinformatieblad (SDS) van het chemische mengsel worden verstrekt, dat duidelijk de correcte persoonlijke beschermingsmiddelen vermeldt evenals de passende procedures voor opslag, hantering, gebruik of verwijdering van deze mengsels tijdens gebruik, en een verklaring dat deze maatregelen worden nageleefd.

H350

Alleen van toepassing op harsen op basis van formaldehyde waarbij het gehalte aan vrij formaldehyde in de formulering van de hars (harsen, kleefstoffen en verharders) niet meer bedraagt dan 0,2 gewichtsprocent, zoals bepaald door middel van ISO 11402 of een gelijkwaardige methode.

m)

Smeeroliën

In onderdelen die bij normaal gebruik herhaaldelijk zullen worden bewogen.

Alle in tabel 1 vermelde gevaren uit groep 2, behalve CMR, en uit groep 3

Smeeroliën zijn uitsluitend toegestaan als aan de hand van de desbetreffende OESO- of ISO-proeven kan worden aangetoond dat ze gemakkelijk of inherent biologisch afbreekbaar zijn in het aquatisch milieu, met inbegrip van aquatisch sediment.

Beoordeling en controle: de aanvrager overlegt een verklaring van overeenstemming met de criteria 2.2 a) en 2.2 b), in voorkomend geval gestaafd met verklaringen van de leveranciers. De verklaringen worden gestaafd met lijsten van de desbetreffende gebruikte mengsels of stoffen, in combinatie met informatie over de indeling of niet-indeling ervan als gevaarlijke stof.

Voor elk van de stoffen of mengsels wordt de verklaring van indeling of niet-indeling als gevaarlijke stof met de volgende informatie gestaafd:

i)

het CAS-, EG- of lijstnummer (zo mogelijk ook voor mengsels);

ii)

de fysieke vorm en toestand waarin de stof of het mengsel wordt gebruikt;

iii)

geharmoniseerde gevarenindelingen volgens de CLP-verordening voor stoffen;

iv)

zelfverklaarde indelingen in de databank van krachtens REACH geregistreerde stoffen van het ECHA (4) (indien er geen geharmoniseerde indeling beschikbaar is);

v)

mengselindelingen volgens de criteria van de CLP-verordening.

Bij de beschouwing van zelfverklaarde indelingen in de databank van krachtens REACH geregistreerde stoffen wordt voorrang gegeven aan indelingen van gezamenlijke aanvragen.

Als een indeling volgens de databank van krachtens REACH geregistreerde stoffen is opgenomen met de aantekening „gegevens ontbreken” („data-lacking”) of „niet afdoende” („inconclusive”), of als een stof nog niet in het REACH-systeem is geregistreerd, worden toxicologische gegevens overgelegd die voldoen aan de vereisten van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 en voldoende onderbouwing vormen voor zelfverklaarde indelingen overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 en de ondersteunende richtsnoeren van het ECHA. Wanneer een vermelding in de databank de aantekening „gegevens ontbreken” of „niet afdoende” bevat, worden de zelfverklaarde indelingen gecontroleerd, waarbij de volgende informatiebronnen worden geaccepteerd:

i)

toxicologische onderzoeken en gevarenbeoordelingen van soortgelijke regelgevende agentschappen (5), regelgevende instanties van de lidstaten of intergouvernementele instanties;

ii)

een veiligheidsinformatieblad (SDS) dat volledig is ingevuld overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1907/2006;

iii)

een gedocumenteerde beoordeling door een deskundige, afkomstig van een professionele toxicoloog. Deze beoordeling is gebaseerd op een overzicht van de wetenschappelijke literatuur en op bestaande testgegevens, zo nodig aangevuld met de resultaten van nieuwe tests, uitgevoerd door onafhankelijke laboratoria met methoden die door het ECHA zijn erkend;

iv)

een verklaring, in voorkomend geval gebaseerd op een beoordeling door een deskundige, afgegeven door een geaccrediteerde conformiteitsbeoordelingsinstantie die gevarenbeoordelingen uitvoert op basis van de gevarenindelingen van het mondiaal geharmoniseerd classificatie- en etiketteringssysteem voor chemische stoffen (GHS) of de CLP-verordening.

Overeenkomstig bijlage XI bij de Verordening (EG) nr. 1907/2006 mag informatie over de gevaarlijke eigenschappen van stoffen of mengsels ook worden verkregen door andere middelen dan met tests, bijvoorbeeld met behulp van alternatieve methoden, zoals in-vitromethoden, via kwantitatieve structuuractiviteitsmodellen of door gebruik te maken van groepering of „read-across”.

Voor de vrijgestelde stoffen en mengsels uit tabel 2 toont de aanvrager aan dat aan alle voorwaarden voor vrijstelling is voldaan.

Van textiel vervaardigde materialen waaraan de EU-milieukeur is toegekend in overeenstemming met Besluit 2014/350/EU, worden geacht te voldoen aan de criteria 2.2 a) en 2.2 b). Er moet echter een kopie van het EU-milieukeurcertificaat worden verstrekt.

Criterium 3 — Hout, kurk, bamboe en rotan

De term „hout” geldt niet alleen voor massief hout, maar ook voor houtschilfers en houtvezels. Wanneer de criteria alleen verwijzen naar van hout vervaardigde platen, wordt dit vermeld in de titel van die criteria.

Met behulp van vinylchloridemonomeer (vcm) vervaardigde kunstoffolies mogen in geen enkel onderdeel van het meubel worden gebruikt.

3.1.   Duurzaam hout, duurzame kurk, bamboe en rotan

Dit criterium geldt uitsluitend wanneer het houtgehalte of het gehalte aan van hout vervaardigde platen meer dan 5 gewichtsprocent van het eindproduct (exclusief de verpakking) uitmaakt.

Voor alle hout, kurk, bamboe en rotan zijn geldige certificaten inzake de controleketen afgegeven in het kader van een certificeringsregeling van een onafhankelijke derde partij, zoals Forest Stewardship Council (FSC — Raad voor duurzaam bosbeheer), het Programme for the Endorsement of Forest Certification (PEFC — programma ter ondersteuning van boscertificering) of een gelijkwaardige certificering.

Voor alle primair hout, primaire kurk, bamboe en rotan, die niet afkomstig mogen zijn van ggo-soorten, zijn geldige certificaten van duurzaam bosbeheer vereist, afgegeven op basis van een onafhankelijk, door derden beheerd certificatiesysteem zoals FSC, PEFC of gelijkwaardig.

Wanneer een certificeringsregeling toestaat dat ongecertificeerd materiaal met gecertificeerd en/of gerecycleerd materiaal wordt gemengd in een product of productlijn, is ten minste 70 % van het hout, de kurk, bamboe of rotan, naargelang het geval, primair materiaal en/of gerecycleerd materiaal met een certificaat inzake duurzaamheid.

Voor ongecertificeerd materiaal is een controlesysteem vereist dat garandeert dat het materiaal afkomstig is van een legale bron en voldoet aan eventuele andere eisen van de certificeringsregeling met betrekking tot ongecertificeerd materiaal.

De certificeringsinstanties die certificaten met betrekking tot bosbeheer en/of controleketens afgeven, worden door die certificeringsregeling geaccrediteerd/erkend.

Beoordeling en controle: de aanvrager of, in voorkomend geval, de leverancier van het materiaal, verstrekt een verklaring van overeenstemming, gestaafd met een of meer geldige certificaten inzake de controleketen afgegeven in het kader van een certificeringsregeling van een onafhankelijke derde partij voor alle hout, kurk, bamboe of rotan dat in het product of de productielijn gebruikt is, en toont aan dat ten minste 70 % van het materiaal afkomstig is van bossen of gebieden die worden beheerd volgens de beginselen van duurzaam bosbeheer, en/of van gerecycleerde bronnen die voldoen aan de vereisten vastgesteld door de desbetreffende certificeringsregeling inzake de controleketen van een onafhankelijke derde partij. FSC, PEFC en gelijkwaardige systemen worden aanvaard als een onafhankelijk, door derden beheerd certificatiesysteem. Indien het systeem niet specifiek vereist dat al het primair materiaal afkomstig is van niet-ggo-soorten, moet dit met aanvullende bewijsstukken worden aangetoond.

Indien het product of de productielijn ongecertificeerd primair materiaal bevat, worden bewijsstukken verstrekt die aantonen dat het ongecertificeerde primaire materiaal minder dan 30 % uitmaakt en wordt ondersteund door een controlesysteem dat garandeert dat het materiaal afkomstig is van een legale bron en voldoet aan eventuele andere vereisten van het certificatiesysteem met betrekking tot ongecertificeerd materiaal.

3.2.   Aan beperkingen onderworpen stoffen

Naast de algemene voorwaarden inzake gevaarlijke stoffen, vastgesteld in criterium 2, gelden de volgende voorwaarden specifiek voor meubelonderdelen vervaardigd van hout, kurk, bamboe of rotan of specifiek uitsluitend voor van hout vervaardigde platen wanneer die term in de titel van het criterium wordt vermeld:

3.2 a)   Contaminanten in gerecycleerd hout dat is gebruikt in van hout vervaardigde platen

Eventuele gerecycleerde houtvezels of houtschilfers die zijn gebruikt bij de productie van van hout vervaardigde platen, worden getest in overeenstemming met de norm van de European Panel Federation (EPF) betreffende de leveringsvoorwaarden van gerecycleerd hout (6) en moeten voldoen aan de in tabel 3 vermelde grenswaarden voor contaminanten.

Tabel 3

Grenswaarden voor contaminanten in gerecycleerd hout

Contaminant

Grenswaarden

(mg/kg gerecycleerd hout)

Contaminant

Grenswaarden

(mg/kg gerecycleerd hout)

Arseen (As)

25

Kwik (Hg)

25

Cadmium (Cd)

50

Fluor (F)

100

Chroom (Cr)

25

Chloor (Cl)

1 000

Koper (Cu)

40

Pentachloorfenol (PCP)

5

Lood (Pb)

90

Creosoot (Benzo(a)pyreen)

0,5

Beoordeling en controle: de aanvrager moet het volgende verstrekken:

i)

een verklaring van de fabrikant van de van hout vervaardigde platen dat er in de plaat geen gerecycleerde houtvezels werden gebruikt, of

ii)

een verklaring van de fabrikant van de van hout vervaardigde platen dat alle gebruikte gerecycleerde houtvezels representatief getest zijn overeenkomstig de „EPF Standard conditions for the delivery of recycled wood” van 2002, gestaafd met de nodige testverslagen die aantonen dat de monsters van gerecycleerd hout beantwoorden aan de grenswaarden in tabel 3, of

iii)

een verklaring van de fabrikant van de van hout vervaardigde platen dat alle gebruikte gerecycleerde houtvezels representatief getest zijn overeenkomstig andere normen die gelijkwaardige of striktere grenswaarden hebben dan de „EPF Standard conditions for the delivery of recycled wood” van 2002, gestaafd met de nodige testverslagen die aantonen dat de monsters van gerecycleerd hout beantwoorden aan de grenswaarden in tabel 3.

3.2 b)   Zware metalen in verven, primers en vernissen

Verven, primers of vernissen die worden gebruikt op hout of op van hout vervaardigde materialen, mogen geen stoffen op basis van cadmium, lood, chroom VI, kwik, arseen of selenium bevatten in concentraties hoger dan 0,010 gewichtsprocent voor elk afzonderlijk metaal in de formulering van de verf, primer of vernis in het blik.

Beoordeling en controle: de aanvrager of, in voorkomend geval, de leverancier van het materiaal verstrekt een verklaring van overeenstemming met dit criterium evenals het respectieve veiligheidsinformatieblad van de leveranciers van de gebruikte verven, primers en/of vernissen.

3.2 c)   VOS in verven, primers en vernissen

Dit criterium geldt niet voor onbehandelde houten oppervlakken of natuurlijke houten oppervlakken die zijn behandeld met zeep, was of olie.

Dit criterium geldt alleen wanneer het gehalte aan gecoat hout of gecoate van hout vervaardigde platen (m.u.v. onbehandelde houten oppervlakken of natuurlijke houten oppervlakken die zijn behandeld met zeep, was of olie) hoger is dan 5 gewichtsprocent in het eindproduct (exclusief de verpakking).

Dit criterium hoeft niet te worden nageleefd als kan worden aangetoond dat voldaan is aan criterium 9.5.

Het VOS-gehalte van de verf, primer of vernis die gebruikt is voor het coaten van hout of van hout vervaardigde platen die in het meubel zijn gebruikt, mag niet hoger zijn dan 5 % (concentratie in het blik).

Er mogen echter coatings met een hoger VOS-gehalte worden gebruikt, als kan worden aangetoond dat:

de totale hoeveelheid VOS in de verf, primer of vernis die tijdens de coatingwerkzaamheden wordt gebruikt, minder bedraagt dan 30 g/m2 van het gecoate oppervlak, of

de totale hoeveelheid VOS in de verf, primer of vernis die tijdens de coatingwerkzaamheden wordt gebruikt, tussen 30 en 60 g/m2 van het gecoate oppervlak bedraagt en dat de kwaliteit van de afwerking van het oppervlak voldoet aan alle eisen in tabel 4.

Tabel 4

Kwaliteitseisen voor de afwerking van het oppervlak indien het VOS-gehalte van de aangebrachte coating 30-60 g/m2 bedraagt

Testnorm

Voorwaarde

Vereist resultaat

EN 12720 Meubelen — Beoordeling van de weerstand van het oppervlak tegen koude vloeistoffen

Contact met water

Geen verandering na contact dat 24 uur duurt

Contact met vet

Geen verandering na contact dat 24 uur duurt

Contact met alcohol

Geen verandering na contact dat 1 uur duurt

Contact met koffie

Geen verandering na contact dat 1 uur duurt

EN 12721 Meubelen — Beoordeling van de weerstand van het oppervlak tegen vochtige warmte

Contact met een hittebron van 70 °C

Geen verandering na testen

EN 12722 Meubelen — Beoordeling van de weerstand van het oppervlak tegen droge warmte

Contact met een hittebron van 70 °C

Geen verandering na testen

EN 15186 Meubelen — Beoordeling van de oppervlakteweerstand tegen krassen

Contact met diamanten kraspen

Methode A: geen krassen ≥ 0,30 mm wanneer er een belasting van 5 N is toegepast, of

Methode B: geen zichtbare krassen in ≥ 6 gleuven in het modelplaatje wanneer er een belasting van 5 N is toegepast

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een conformiteitsverklaring, met vermelding of het meubel conform is omdat het van dit criterium is vrijgesteld, dan wel of het conform is door het gecontroleerde gebruik van VOS tijdens de coating.

In het laatste geval wordt de verklaring van de aanvrager gestaafd met informatie van de verf-, primer- of vernisleverancier waarin het VOS-gehalte en de dichtheid van de verf, primer of vernis (beide in g/L) worden vermeld, evenals een berekening van het effectieve percentage VOS-gehalte.

Als het VOS-gehalte van de verf, primer of vernis meer dan 5 % (concentratie in het blik) bedraagt, moet de aanvrager:

i)

berekeningen overleggen die aantonen dat de effectieve hoeveelheid VOS die op het gecoate oppervlak van het definitieve, geassembleerde meubel is aangebracht, minder dan 30 g/m2 bedraagt in overeenstemming met de in aanhangsel I verstrekte richtsnoeren, of

ii)

berekeningen overleggen die aantonen dat de effectieve hoeveelheid VOS die op het gecoate oppervlak van het definitieve, geassembleerde meubel is aangebracht, minder dan 60 g/m2 bedraagt in overeenstemming met de in aanhangsel I verstrekte richtsnoeren, en testverslagen verstrekken die bewijzen dat de afwerking van het oppervlak voldoet aan de vereisten van tabel 4.

3.3.   Formaldehyde-emissies uit van hout vervaardigde platen

Dit criterium geldt uitsluitend wanneer het percentage van hout vervaardigde platen in het eindproduct (met uitzondering van de verpakking) hoger is dan 5 gewichtsprocent.

Formaldehyde-emissies uit alle geleverde van hout vervaardigde platen, in de vorm waarin ze worden gebruikt in het meubel (anders gezegd, al dan niet gecoat, gefineerd of van een beschermende deklaag voorzien), en die zijn vervaardigd met behulp van harsen op basis van formaldehyde, moeten:

lager zijn dan 50 % van de grenswaarde waardoor ze kunnen worden ingedeeld als E1;

lager zijn dan 65 % van de E1-grenswaarde, als er sprake is van middelhardboard (MDF);

lager zijn dan de grenswaarden vastgesteld in CARB Phase II of de Japanse normen F-3- of F-4-sterren.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring van overeenstemming met dit criterium, waarin hij verklaart de platen niet te hebben gewijzigd of behandeld op een andere manier die de naleving van de formaldehyde-emissiegrenswaarden van de geleverde platen in het gedrang zou brengen. De beoordeling en controle van platen met een lage formaldehyde-emissie verschillen afhankelijk van de certificeringsregeling waartoe ze behoren. De verificatiedocumentatie die voor elke regeling is vereist, wordt beschreven in tabel 5.

Tabel 5

Beoordeling en controle van platen met een lage formaldehyde-emissie

Certificeringsregeling

Verificatiedocumentatie

E1 (zoals gedefinieerd in bijlage B bij EN 13986)

Een verklaring van de fabrikant van de van hout vervaardigde platen die vermeldt dat de plaat voldoet aan 50 % van de E1-emissiegrenswaarden of, als er sprake is van middelhardboard (MDF), aan 65 % van de E1-emissiewaarden, gestaafd met testverslagen overeenkomstig EN 717-2, EN 120, EN 717-1 of gelijkwaardige methoden.

CARB — California Air Resources Board: Phase II-grenswaarden

Een verklaring van de fabrikant van de van hout vervaardigde platen, gestaafd met testresultaten overeenkomstig ASTM E1333 of ASTM D6007, die aantonen dat de platen voldoen aan de Phase II-formaldehyde-emissiegrenswaarden zoals gedefinieerd in de California Composite Wood Products Regulation 93120 (7).

De van hout vervaardigde plaat mag worden geëtiketteerd overeenkomstig hoofdstuk 93120.3(e), met gegevens betreffende de naam van de producent, het partijnummer van het product en het door CARB toegekende nummer voor de derde partij die het certificaat heeft afgegeven (dit onderdeel is niet verplicht als de producten buiten Californië worden verkocht of als ze werden vervaardigd zonder toevoeging van formaldehyde of bepaalde harsen op basis van formaldehyde met zeer lage formaldehyde-emissies).

Grenswaarden volgens F-3- of 4-sterren

Een verklaring van de fabrikant van de van hout vervaardigde platen in verband met de conformiteit met de formaldehyde-emissiegrenswaarden volgens JIS A 5905 (voor houtvezelplaat) of JIS A 5908 (voor spaanplaat en multiplex), gestaafd met testgegevens volgens de JIS A 1460-exsiccatormethode.

Criterium 4 — Kunststof

Met behulp van vinylchloridemonomeer (vcm) vervaardigde kunstoffen mogen in geen enkel onderdeel van het meubel worden gebruikt.

4.1.   Markering van kunststofonderdelen

Kunststofonderdelen met een massa groter dan 100 g worden gemarkeerd conform EN ISO 11469 en EN ISO 1043 (delen 1-4). De letters die voor de markeringen worden gebruikt, zijn ten minste 2,5 mm hoog.

Wanneer er doelbewust vulstoffen, vlamvertragers of weekmakers in de kunststof zijn opgenomen in verhoudingen groter dan 1 gewichtsprocent, moet de aanwezigheid ervan ook worden opgenomen in de markering conform EN ISO 1043 delen 2-4.

In uitzonderlijke gevallen is het niet verplicht om kunststofonderdelen met een groter gewicht dan 100 g te markeren:

als de markering invloed zou hebben op de prestaties of de functionaliteit van het kunststofonderdeel;

als de productiemethode het aanbrengen van de markering technisch onmogelijk maakt;

als onderdelen niet kunnen worden gemarkeerd omdat ze niet voldoende ruimte bieden voor een leesbaar opschrift dat door een recyclingmedewerker kan worden herkend.

In bovenstaande gevallen, wanneer markering niet verplicht is, worden verdere gegevens over het polymeertype en eventuele additieven conform de vereisten van EN ISO 11469 en EN ISO 1043 (delen 1-4) opgenomen bij de in criterium 10 bedoelde consumenteninformatie.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring van overeenstemming met dit criterium, met daarbij een lijst van alle kunststofonderdelen met een gewicht van meer dan 100 g in het meubel en de vermelding of deze al dan niet gemarkeerd zijn in overeenstemming met EN ISO 11469 en EN ISO 1043 (delen 1-4).

De markering van kunststofonderdelen moet duidelijk zichtbaar zijn tijdens een visueel onderzoek van het kunststofonderdeel. De markering hoeft niet noodzakelijk duidelijk zichtbaar te zijn op het meubel na de eindassemblage.

Als kunststofonderdelen met een hoger gewicht dan 100 g niet gemarkeerd zijn, verstrekt de aanvrager een rechtvaardiging daarvoor en geeft hij aan waar de desbetreffende informatie is opgenomen in de consumenteninformatie.

Bij twijfel over de aard van de kunststof voor onderdelen met een hoger gewicht dan 100 g en ingeval leveranciers de vereiste informatie niet verstrekken, worden als bewijs gegevens verstrekt van laboratoriumproeven met behulp van infrarood- of Ramanspectroscopie of andere geschikte analytische technieken die de aard van het kunststofpolymeer en de hoeveelheid vulstoffen of andere additieven vaststellen, ter staving van de EN ISO 11469- en EN ISO 1043-markering.

4.2.   Aan beperkingen onderworpen stoffen

Naast de in criterium 2 vastgestelde algemene vereisten voor gevaarlijke stoffen gelden de onderstaande voorwaarden voor kunststofonderdelen.

4.2 a)   Zware metalen in kunststofadditieven

Kunststofonderdelen en oppervlaktelagen mogen niet worden vervaardigd met behulp van additieven die verbindingen met cadmium (Cd), chroom VI (CrVI), lood (Pb), kwik (Hg) of tin (Sn) bevatten.

Beoordeling en controle: de aanvrager dient een verklaring in waaruit blijkt dat aan dit criterium is voldaan.

Wanneer er uitsluitend primaire kunststof wordt gebruikt, wordt een verklaring van de leverancier van het primaire kunststofmateriaal aanvaard dat er geen additieven zijn gebruikt die cadmium, chroom VI, lood, kwik of tin bevatten.

Wanneer primaire kunststof gecombineerd is met kunststofrecyclaten vóór consumptie die afkomstig zijn van bekende bronnen, en/of met polyethyleentereftalaat (pet), polystyreen (PS), polyethyleen (PE) of polypropyleen (PP) na consumptie die afkomstig is van de gemeentelijke afvalophaling, wordt een verklaring van de leverancier van het gerecycleerde kunststofmateriaal aanvaard dat er geen verbindingen met cadmium, chroom VI, lood, kwik of tin doelbewust zijn toegevoegd.

Als er geen passende verklaringen worden verstrekt door de leverancier, of wanneer primaire kunststof wordt gecombineerd met recyclaten vóór consumptie die afkomstig zijn van gemengde of onbekende bronnen, tonen representatieve tests van de kunststofonderdelen aan dat de in tabel 6 vermelde voorwaarden zijn nageleefd.

Tabel 6

Beoordeling en controle van onzuiverheden van zware metalen in kunststof

Metaal

Methode

Grenswaarde (mg/kg)

Primair

Gerecycleerd

Cd

XRF (röntgenfluorescentieanalyse) of zuur digereren gevolgd door spectrofotometrie met inductief gekoppeld plasma of atomaire absorptiespectrofotometrie of andere evenwaardige methoden voor het meten van het totale metaalgehalte

100

1 000

Pb

100

1 000

Sn

100

1 000

Hg

100

1 000

CrVI

EN 71-3

0,020

0,20

4.3.   Gehalte aan gerecycleerde kunststof

Dit criterium geldt uitsluitend wanneer het totale gehalte aan kunststofmateriaal in het meubel hoger is dan 20 % van het totale productgewicht (m.u.v. de verpakking).

Het gemiddelde recyclinggehalte van kunststofonderdelen (m.u.v. de verpakking) moet ten minste 30 gewichtsprocent zijn.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring van de leverancier(s) van de kunststof die het gemiddelde gehalte aan gerecycleerde kunststof in het eindproduct vermeldt. Wanneer de kunststofonderdelen afkomstig zijn van verschillende bronnen of leveranciers, wordt het gemiddelde recyclinggehalte voor elke kunststofbron berekend en wordt het totale gemiddelde gehalte aan gerecycleerde kunststof in het eindproduct vermeld.

De verklaring betreffende het gehalte aan gerecycleerde kunststof van de kunststoffabrikant(en) wordt gestaafd met traceerbaarheidsdocumentatie voor de kunststofrecyclaten. Het is ook mogelijk om leveringsinformatie van een partij te verstrekken, volgens het kader vastgesteld in tabel 1 van EN 15343.

Criterium 5 — Metalen

Naast de in criterium 2 vastgestelde algemene vereisten voor gevaarlijke stoffen gelden de onderstaande voorwaarden voor de metalen onderdelen van het meubel.

5.1.   Beperkingen in verband met galvaniseren

Verbindingen met chroom VI of cadmium worden niet gebruikt voor het galvaniseren van metalen onderdelen die in het eindproduct worden gebruikt.

Het gebruik van nikkel bij het galvaniseren is uitsluitend toegestaan wanneer overeenkomstig EN 1811 minder dan 0,5 μg nikkel/cm2/week uit het gegalvaniseerde onderdeel vrijkomt.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring afkomstig van de leverancier van het metalen onderdeel/de metalen onderdelen dat er geen galvanisatie met chroom VI of cadmium op is toegepast.

Wanneer bij het galvaniseren nikkel is gebruikt, verstrekt de aanvrager een verklaring van de leverancier van het metalen onderdeel/de metalen onderdelen, gestaafd met een testverslag overeenkomstig EN 1811, waarbij de resultaten aangeven dat minder dan 0,5 μg nikkel/cm2/week vrijkomt.

5.2.   Zware metalen in verven, primers en vernissen

Verven, primers of vernissen die op metalen onderdelen worden gebruikt, mogen geen additieven op basis van cadmium, lood, chroom VI, kwik, arseen of selenium bevatten in concentraties hoger dan 0,010 gewichtsprocent voor elk afzonderlijk metaal in de formulering van de verf, primer of vernis in het blik.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring van overeenstemming met dit criterium evenals het respectieve veiligheidsinformatieblad van de leveranciers van de gebruikte verven, primers en/of vernissen.

5.3.   Het VOS-gehalte in verven, primers en vernissen

Dit subcriterium geldt uitsluitend wanneer het gehalte aan gecoate metalen onderdelen meer dan 5 gewichtsprocent van het eindproduct (exclusief de verpakking) uitmaakt.

Dit subcriterium hoeft niet te worden nageleefd als kan worden aangetoond dat voldaan is aan criterium 9.5.

Het VOS-gehalte van de verf, primer of vernis die gebruikt is voor het coaten van metalen onderdelen die in het meubel zijn gebruikt, mag niet hoger zijn dan 5 % (concentratie in het blik).

Er mogen echter coatings met een hoger VOS-gehalte worden gebruikt, als kan worden aangetoond dat:

de totale hoeveelheid VOS in de verf, primer of vernis die tijdens de coatingwerkzaamheden wordt gebruikt, minder bedraagt dan 30 g/m2 van het gecoate oppervlak, of

de totale hoeveelheid VOS in het volume aan verf, primer of vernis dat tijdens de coatingwerkzaamheden wordt gebruikt, tussen 30 en 60 g/m2 van het gecoate oppervlak bedraagt en dat de kwaliteit van de afwerking van het oppervlak voldoet aan alle eisen vastgesteld in tabel 7.

Tabel 7

Kwaliteitseisen voor de afwerking van het oppervlak indien het VOS-gehalte van de aangebrachte coating 30-60 g/m2 bedraagt.

Testnorm

Voorwaarde

Vereist resultaat

EN 12720 Meubelen — Beoordeling van de weerstand van het oppervlak tegen koude vloeistoffen

Contact met water

Geen verandering na contact dat 24 uur duurt

Contact met vet

Geen verandering na contact dat 24 uur duurt

Contact met alcohol

Geen verandering na contact dat 1 uur duurt

Contact met koffie

Geen verandering na contact dat 1 uur duurt

EN 12721 Meubelen — Beoordeling van de weerstand van het oppervlak tegen vochtige warmte

Contact met een hittebron van 70 °C

Geen verandering na testen

EN 12722 Meubelen — Beoordeling van de weerstand van het oppervlak tegen droge warmte

Contact met een hittebron van 70 °C

Geen verandering na testen

EN 15186 Meubelen — Beoordeling van de oppervlakteweerstand tegen krassen

Contact met diamanten kraspen

Methode A: geen krassen ≥ 0,30 mm wanneer er een belasting van 5 N is toegepast, of

Methode B: geen zichtbare krassen in ≥ 6 gleuven in het modelplaatje wanneer er een belasting van 5 N is toegepast

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een conformiteitsverklaring, met vermelding of het meubel conform is omdat het van dit criterium is vrijgesteld, dan wel of het conform is door het gecontroleerde gebruik van VOS tijdens de coating.

In het laatste geval wordt de verklaring van de aanvrager gestaafd met informatie van de verf-, primer- of vernisleverancier waarin het VOS-gehalte en de dichtheid van de verf, primer of vernis (beide in g/L) worden vermeld, evenals een berekening van het effectieve percentage VOS-gehalte.

Als het VOS-gehalte van de verf, primer of vernis meer dan 5 % (concentratie in het blik) bedraagt, moet de aanvrager:

berekeningen overleggen die aantonen dat de effectieve hoeveelheid VOS die op het gecoate oppervlak van het definitieve, geassembleerde meubel is aangebracht, minder dan 30 g/m2 bedraagt in overeenstemming met de in aanhangsel I verstrekte richtsnoeren, of

berekeningen overleggen die aantonen dat de effectieve hoeveelheid VOS die op het gecoate oppervlak van het definitieve, geassembleerde meubel is aangebracht minder dan 60 g/m2 bedraagt in overeenstemming met de in aanhangsel I verstrekte richtsnoeren, en testverslagen verstrekken die aantonen dat de afwerking van het oppervlak voldoet aan de vereisten van tabel 7.

Criterium 6 — Bekledingsmaterialen

Met behulp van vinylchloridemonomeer (vcm) vervaardigde bekledingsmaterialen mogen in geen enkel onderdeel van het meubel worden gebruikt.

6.1.   Eisen in verband met fysische kwaliteit

Leder dat als bekledingsmateriaal wordt gebruikt, voldoet aan de eisen in verband met fysische kwaliteit vermeld in aanhangsel II.

Textiel dat als bekledingsmateriaal wordt gebruikt, voldoet aan de eisen in verband met fysische kwaliteit vermeld in tabel 8.

Gecoate stoffen die als bekledingsmateriaal worden gebruikt, voldoen aan de eisen in verband met fysische kwaliteit vermeld in tabel 9.

Tabel 8

Fysische eisen voor bekledingsmaterialen van textiel voor de bekleding van meubelen

Testfactor

Methode

Afneembare en wasbare bekleding

Niet-afneembare en wasbare bekleding

Verandering van de afmetingen bij wassen en drogen

Huishoudelijke wasprocedures: ISO 6330 + EN ISO 5077 (driemaal wassen op de temperatuur die aangegeven is op het product met na elke wascyclus een droogcyclus in de droogtrommel)

Industriële wasprocedures: ISO 15797 + EN ISO 5077 (bij ten minste 75 °C)

Geweven meubelstoffen: ± 2,0 %

Geweven tijk: ± 3,0 %

Niet-geweven tijk: ± 5,0 %

Niet-geweven meubelstoffen: ± 6,0 %

n.v.t.

Kleurvastheid bij wassen

Huishoudelijke wasprocedures: ISO 105-C06

Industriële wasprocedures: ISO 15797 + ISO 105-C06 (bij ten minste 75 °C)

≥ niveau 3-4 voor kleurverandering

≥ niveau 3-4 voor vlekken

n.v.t.

Kleurvastheid bij nat wrijven (**)

ISO 105 X12

≥ niveau 2-3

≥ niveau 2-3

Kleurvastheid bij droog wrijven (**)

ISO 105 X12

≥ niveau 4

≥ niveau 4

Kleurvastheid ten opzichte van licht

ISO 105 B02

≥ niveau 5 (***)

≥ niveau 5 (***)

Stofbestendigheid tegen pluizen en slijtage

Gebreide en niet-geweven producten: ISO 12945-1

Geweven stoffen: ISO 12945-2

ISO 12945-1 resultaat > 3

ISO 12945-2 resultaat > 3

ISO 12945-1 resultaat > 3

ISO 12945-2 resultaat > 3


Tabel 9

Fysische eisen voor gecoate stoffen die dienen voor de bekleding van meubelen

Eigenschap

Methode

Eis

Treksterkte

ISO 1421

CH ≥ 35 daN en TR ≥ 20 daN

Scheursterkte van gecoate stoffen door middel van de broekscheurmethode

ISO 13937/2

CH ≥ 2,5 daN en TR ≥ 2 daN

Kleurechtheid bij kunstmatige veroudering — proef met xenonbooglamp

EN ISO 105-B02

Gebruik binnen ≥ 6;

Gebruik buiten ≥ 7

Textiel — bepaling van de slijtweerstand volgens de methode van Martindale

ISO 5470/2

≥ 75 000

Bepaling van de hechting van de deklaag

EN 2411

CH ≥ 1,5 daN en TR ≥ 1,5 daN

waarbij: daN = deca Newtons, CH = schering en TR = inslag

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring van de leverancier van het leder, het textiel of de gecoate stof, naargelang het geval, gestaafd met relevante testverslagen die vermelden dat het bekledingsmateriaal voldoet aan de fysische vereisten voor leder, textiel of gecoate stoffen, zoals vermeld in resp. aanhangsel II, tabel 8 of tabel 9.

Van textiel vervaardigde materialen waaraan de EU-milieukeur is toegekend in overeenstemming met Besluit 2014/350/EU, worden geacht te voldoen aan dit criterium. Er moet echter een kopie van het EU-milieukeurcertificaat worden verstrekt.

6.2.   Chemische testvoorschriften

Dit criterium geldt voor de bekledingsmaterialen in de definitieve behandelde vorm waarin ze in het meubel zullen worden gebruikt. Naast de algemene voorwaarden in verband met gevaarlijke stoffen, vastgesteld in criterium 2, gelden de volgende beperkingen die in tabel 10 zijn opgenomen, specifiek voor bekledingsmaterialen:

Tabel 10

Chemische testvoorschriften voor bekledingsmaterialen van leder, textiel en gecoate stoffen

Chemische stof

Toepasselijkheid

Grenswaarden (mg/kg)

Testmethode

Beperkte arylamines uit de splitsing van azokleurstoffen (****)

Leder

≤ 30 voor elk amine (****)

EN ISO 17234-1

Textiel en gecoate stoffen:

EN ISO 14362-1 en EN ISO 14362-3

Chroom VI

Leder

< 3 (*****)

EN ISO 17075

Vrij formaldehyde

Leder

≤ 20 (voor kindermeubelen) (******) of ≤ 75 voor andere meubelen

EN ISO 17226-1

Textiel en gecoate stoffen:

EN ISO 14184-1

Extraheerbare zware metalen

Leder

Arseen ≤ 1,0

Antimoon ≤ 30,0

EN ISO 17072-1

Chroom ≤ 200,0

Cadmium ≤ 0,1

Kobalt ≤ 4,0

Koper ≤ 50,0

Lood ≤ 1,0

Kwik ≤ 0,02

Nikkel ≤ 1,0

 

Textiel en gecoate stoffen:

Arseen ≤ 1,0

Antimoon ≤ 30,0 (*******)

EN ISO 105 E04

Chroom ≤ 2,0

Cadmium ≤ 0,1

Kobalt ≤ 4,0

Koper ≤ 50,0

Lood ≤ 1,0

Kwik ≤ 0,02

Nikkel ≤ 1,0

 

Chloorfenolen

Leder

Pentachloorfenol ≤ 0,1 mg/kg

Tetrachloorfenol ≤ 0,1 mg/kg

EN ISO 17070

Alkylfenolen

Leder, textiel en gecoate stoffen

Nonylfenol, gemengde isomeren (CAS-nr. 25154-52-3)

4-Nonylfenol (CAS-nr. 104-40-5)

4-Nonylfenol, vertakt (CAS-nr. 84852-15-3)

Octylfenol (CAS-nr. 27193-28-8)

4-Octylfenol (CAS-nr. 1806-26-4)

4-tert-Octylfenol (CAS-nr. 140-66-9)

Alkylfenolethoxylaten (APEO's) en derivaten daarvan:

 

Polyoxyethyloctylfenol (CAS-nr. 9002-93-1)

 

Polyoxyethylnonylfenol (CAS-nr. 9016-45-9)

 

Polyoxyethyl-p-nonylfenol (CAS-nr. 26027-38-3)

De opgetelde totale grenswaarde:

 

≤ 25 mg/kg — textiel of gecoate stoffen

 

≤ 100 mg/kg — leder

Voor leder:

EN ISO 18218-2 (indirecte methode)

Voor textiel en gecoate stoffen:

EN ISO 18254 voor alkylfenolethoxylaten. Voor alkylfenolen worden de tests van het eindproduct verricht door solventextractie gevolgd door vloeistofchromatografie-massaspectrometrie of door gaschromatografie-massaspectrometrie.

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

Textiel, gecoate stoffen of leder

PAK's beperkt door Verordening (EG) nr. 1907/2006:

 

Chryseen (CAS-nr. 218-01-9)

 

Benzo[a]antraceen (CAS-nr. 56-55-3)

 

Benzo[k]fluorantheen (CAS-nr. 207-08-9)

 

Benzo[a]pyreen (CAS-nr. 50-32-8)

 

Dibenzo[a,h]antraceen (CAS-nr. 53-70-3)

 

Benzo[j]fluorantheen (CAS-nr. 205-82-3)

 

Benzo[b]fluorantheen (CAS-nr. 205-99-2)

 

Benzo[e]pyreen (CAS-nr. 192-97-2)

Individuele grenswaarden voor de 8 bovenvermelde PAK's:

≤ 1 mg/kg

Andere PAK's die aan beperkingen zijn onderworpen:

 

Naftaleen (CAS-nr. 91-20-3)

 

Acenaftyleen (CAS-nr. 208-96-8)

 

Acenafteen (CAS-nr. 83-32-9)

 

Fluoreen (CAS-nr. 86-73-7)

 

Fenantreen (CAS-nr. 85-1-8)

 

Antraceen (CAS-nr. 120-12-7)

 

Fluorantheen (CAS-nr. 206-44-0)

 

Pyreen (CAS-nr. 129-00-0)

 

Indeno[1,2,3-c,d]pyreen (CAS-nr. 193-39-5)

 

Benzo[g,h,i]peryleen (CAS-nr. 191-24-2)

De opgetelde totale grenswaarden voor de 18 bovenvermelde PAK's:

≤ 10 mg/kg

AfPS GS 2014:01 PAK

N,N-Dimethylaceetamide (CAS-nr. 127-19-5)

Textiel op basis van elastaan of acryl

Resultaat ≤ 0,005 gewichtsprocent (≤ 50 mg/kg)

Solventextractie gevolgd door GC-MS of LC-MS

Chlooralkanen

Leder

C10-C13 (SCCP) chlooralkanen niet aantoonbaar

C14-C17 (MCCP) chlooralkanen ≤ 1 000  mg/kg;

EN ISO 18219

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring dat het leder, het textiel of de gecoate stof voor het bekledingsmateriaal voldoet aan de grenswaarden van tabel 10; dit wordt gestaafd met testverslagen.

Van textiel vervaardigde materialen waaraan de EU-milieukeur is toegekend in overeenstemming met Besluit 2014/350/EU, worden geacht te voldoen aan dit criterium. Er moet echter een kopie van het EU-milieukeurcertificaat worden verstrekt.

6.3.   Beperkingen tijdens productieprocessen

Als de bekledingsmaterialen meer dan 1,0 gewichtsprocent van het totale gewicht van het meubel uitmaken (met uitzondering van de verpakking), moet de leverancier van het materiaal aan de in tabel 11 vastgestelde beperkingen inzake het gebruik van gevaarlijke stoffen tijdens de productie voldoen.

Tabel 11

Beperkingen op stoffen die worden gebruikt tijdens de productiefasen van leder, textiel en gecoate stof

1 —   Gevaarlijke stoffen die in verschillende productiefasen worden gebruikt

a)   Detergenten, oppervlakteactieve stoffen, verzachters en complexvormers

Toepasselijkheid:

van toepassing op verf- en afwerkingsprocessen bij de productie van textiel, leder of gecoate stoffen

Alle niet-ionische en kationische detergenten en oppervlakteactieve stoffen moeten uiteindelijk biologisch afbreekbaar zijn in anaerobe omstandigheden.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring van de producent van het leder, het textiel of de gecoate stof, gestaafd met een verklaring van diens leverancier(s) van chemische stoffen, met de desbetreffende veiligheidsinformatiebladen en de resultaten van tests volgens EN ISO 11734 of ECETOC nr. 28 OESO 311.

De recentste herziening van de databank voor ingrediënten van detergenten wordt gebruikt als referentiepunt voor de biologische afbreekbaarheid en kan, volgens eigen inzicht van de bevoegde instantie, worden aanvaard als een alternatief voor het verstrekken van testverslagen.

http://ec.europa.eu/environment/ecolabel/documents/did_list/didlist_part_a_en.pdf

Perfluoroalkylsulfonaten met een lange keten (≥ C6) en perfluorcarbonzuren (≥ C8) mogen niet worden gebruikt tijdens de productieprocessen.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring van de producent van het leder, het textiel of de gecoate stof, gestaafd met een verklaring van diens leverancier(s) van chemische stoffen en met de desbetreffende veiligheidsinformatiebladen, waaruit blijkt dat deze stoffen in geen enkele productiefase worden gebruikt.

b)   Hulpstoffen (gebruikt in mengsels, formuleringen en kleefstoffen)

Toepasselijkheid:

verf- en afwerkingsprocessen bij de productie van leder, textiel of gecoate stoffen

De volgende stoffen mogen niet worden gebruikt in mengsels of formuleringen voor het verven en afwerken van leder, textiel of gecoate stoffen:

 

bis(gehydrogeneerde talkalkyl)dimethylammoniumchloride (DTDMAC)

 

distearyldimethylammoniumchloride (DSDMAC)

 

di(geharde talk)dimethylammoniumchloride (DHTDMAC)

 

ethyleendiaminetetra-acetaat (EDTA)

 

diethyleentriaminepenta-acetaat (DTPA)

 

4-(1,1,3,3-tetramethylbutyl)fenol

 

nitrilotriazijnzuur (NTA)

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring van de leverancier van het leder, het textiel of de gecoate stof, gestaafd met desbetreffende veiligheidsinformatiebladen, waaruit blijkt dat deze verbindingen niet zijn gebruikt in de op het leder, het textiel of de gecoate stof toegepaste verf- en afwerkingsprocessen.

c)   Solventen

Toepasselijkheid:

verwerking van materialen van leder, textiel of gecoate stoffen

De volgende stoffen mogen niet worden gebruikt in mengsels of formuleringen voor de verwerking van materialen van leder, textiel of gecoate stoffen:

 

2-methoxyethanol

 

N,N-dimethylformamide

 

1-methyl-2-pyrrolidon

 

bis(2-methoxyethyl)ether

 

4,4′-diaminodifenylmethaan

 

1,2,3-trichloorpropaan

 

1,2-dichloorethaan (ethyleenchloride)

 

2-ethoxyethanol

 

benzeen-1,4-diamine-dihydrochloride

 

bis(2-methoxyethyl)ether

 

formamide

 

N-methyl-2-pyrrolidon

 

trichloorethyleen

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring van de leverancier van het leder, het textiel of de gecoate stof, gestaafd met desbetreffende veiligheidsinformatiebladen, waaruit blijkt dat deze solventen in geen enkel productieproces van het leder, het textiel of de gecoate stof zijn gebruikt.

2 —   Kleurstoffen gebruikt in verf- en drukprocessen

i)

Dragers gebruikt in het verfproces

Toepasselijkheid:

verf- en drukprocessen

Wanneer gedispergeerde kleurstoffen worden gebruikt, mogen er geen gehalogeneerde verfversnellers (dragers) worden gebruikt (voorbeelden van dragers zijn: 1,2-dichloorbenzeen, 1,2,4-trichloorbenzeen, chloorfenoxyethanol).

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring, gestaafd met verklaringen van de producenten van het leder, het textiel of de gecoate stof, diens leverancier(s) van chemische stoffen en met de desbetreffende veiligheidsinformatiebladen, waaruit blijkt dat er geen gehalogeneerde dragers zijn gebruikt tijdens het verfproces van het leder, textiel of de gecoate stof die zijn gebruikt in het meubel.

ii)

Chroombeitskleuring

Toepasselijkheid:

verf- en drukprocessen

Chroombeitskleuringen mogen niet worden gebruikt.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring, gestaafd met verklaringen van de producenten van het leder, het textiel of de gecoate stof, diens leverancier(s) van chemische stoffen en met de desbetreffende veiligheidsinformatiebladen, waaruit blijkt dat er geen chroombeitskleuringen zijn gebruikt tijdens het verfproces van het leder, textiel of de gecoate stof die zijn gebruikt in het meubel.

iii)

Pigmenten

Toepasselijkheid:

verf- en drukprocessen

Pigmenten op basis van cadmium, lood, chroom VI, kwik, arseen en antimoon mogen niet worden gebruikt.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring, gestaafd met verklaringen van de producenten van het leder, het textiel of de gecoate stof, diens leverancier(s) van chemische stoffen en met de desbetreffende veiligheidsinformatiebladen, waaruit blijkt dat er geen pigmenten op basis van de vermelde zware metalen zijn gebruikt tijdens het verf- of drukproces van het leder, textiel of de gecoate stof die zijn gebruikt in het meubel.

3 —   Afwerkingsprocessen

Gefluoreerde verbindingen

Toepasselijkheid:

bekledingsmaterialen met geïntegreerde water- of vlekafstotende functie

Gefluoreerde verbindingen mogen niet worden geïmpregneerd in de afwerking van meubelbekledingsmateriaal om deze een water-, vlek- en olieafstotende functie te geven. Deze beperking geldt ook voor stoffen op basis van per- en polyfluor. Behandelingen die niet gebaseerd zijn op fluor en die gebruikmaken van gemakkelijk of inherent biologisch afbreekbare stoffen of die weinig bioaccumuleerbaar zijn in een waterig milieu, zijn wel toegestaan.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een conformiteitsverklaring, gestaafd met verklaringen van de producenten van het leder, het textiel of de gecoate stof, verklaringen van leverancier(s) van chemische stoffen en de desbetreffende veiligheidsinformatiebladen, waaruit blijkt dat er geen stoffen op basis van fluor, perfluor of polyfluor zijn gebruikt tijdens de afwerking van het leder, het textiel of de gecoate stof.

Wanneer een aanvaardbare verklaring ontbreekt, kan de bevoegde instantie vragen om het bekledingsmateriaal te testen volgens de methoden omschreven in CEN/TS 15968.

Bij behandelingen zonder gebruik van fluor kan de gemakkelijke of inherente bioafbreekbaarheid worden aangetoond aan de hand van proeven die conform de volgende methoden worden verricht: OESO 301 A, ISO 7827, OESO 301 B, ISO 9439, OESO 301 C, OESO 301 D, ISO 10708, OESO 301 E, OESO 301 F, ISO 9408.

Een lage bioaccumuleerbaarheid wordt aangetoond aan de hand van proeven met als uitkomst een octanol/waterverdelingscoëfficiënt (log Kow) van < 3,2 of een bioconcentratiefactor (BCF) < 100.

Bij behandelingen zonder gebruik van fluor wordt de recentste herziening van de databank voor ingrediënten van detergenten gebruikt als referentiepunt voor de biologische afbreekbaarheid en kan deze, volgens eigen inzicht van de bevoegde instantie, worden aanvaard als een alternatief voor het verstrekken van testverslagen.

http://ec.europa.eu/environment/ecolabel/documents/did_list/didlist_part_a_nl.pdf

4 —   Kwaliteit van het afvalwater afkomstig van leerlooierijen en specifiek waterverbruik

Toepasselijkheid:

lederproductieproces

i)

De CZV-waarde in afvalwater afkomstig van leerlooierijen mag niet hoger zijn dan 200 mg/l wanneer het afvalwater na verwerking (al dan niet ter plaatse) wordt geloosd in het oppervlaktewater.

Beoordeling en controle: de aanvrager of, in voorkomend geval, de leverancier van het materiaal, verstrekt een verklaring van overeenstemming, gestaafd met uitvoerige documentatie en testverslagen overeenkomstig ISO 6060 die naleving van dit criterium aantonen aan de hand van maandelijkse gemiddelden voor de zes maanden die aan de aanvraag zijn voorafgegaan. Uit de gegevens blijkt de naleving door de productielocatie of, indien het afvalwater elders wordt behandeld, door de exploitant van de afvalwaterzuivering.

ii)

Het totale chroomgehalte in het afvalwater van leerlooierijen na verwerking mag niet hoger zijn dan 1,0 mg/l, zoals gespecificeerd in Uitvoeringsbesluit 2013/84/EU van de Commissie (8).

Beoordeling en controle: de aanvrager of, in voorkomend geval, de leverancier van het materiaal, verstrekt een verklaring van overeenstemming, gestaafd met een testverslag overeenkomstig een van de volgende testmethoden: ISO 9174, EN 1233 of EN ISO 11885 voor chroom, waarbij naleving van dit criterium wordt aangetoond aan de hand van maandelijkse gemiddelden voor de zes maanden die aan de aanvraag zijn voorafgegaan. De aanvrager verstrekt een verklaring van conformiteit met BBT 10 en BBT 11 of 12, naargelang het geval, van Uitvoeringsbesluit 2013/84/EU voor het verminderen van het chroomgehalte van effluent.

iii)

Het waterverbruik wordt uitgedrukt als het jaarlijks gemiddelde volume water dat wordt verbruikt per ton ongelooide huiden en vellen. Dit waterverbruik mag niet hoger zijn dan de hieronder aangegeven maxima:

Huiden

28 m3/t

Vellen

45 m3/t

Plantaardig gelooid leder

35 m3/t

Varkenshuiden

80 m3/t

Schapenvellen

180 l/vel

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een conformiteitsverklaring van de lederleverancier of van de lederfabrikant, naargelang het geval. De verklaring vermeldt de jaarlijkse hoeveelheid lederproductie en het bijbehorende waterverbruik op basis van de maandelijkse gemiddelde waarden van de laatste twaalf maanden die aan de aanvraag zijn voorafgegaan, gemeten naar de hoeveelheid geloosd afvalwater.

Als het lederproductieproces wordt verricht op verschillende geografische locaties, moet de aanvrager of leverancier van half afgewerkt leder documentatie verstrekken die de hoeveelheid geloosd water (m3) vermeldt voor de hoeveelheid half afgewerkt leder uitgedrukt in ton (t) of het aantal vellen voor schapenvellen, naargelang het geval, op basis van de maandelijkse gemiddelden tijdens de twaalf maanden die aan de aanvraag zijn voorafgegaan.

Beoordeling en controle: de aanvrager bundelt alle desbetreffende verklaringen, veiligheidsinformatiebladen en ter staving dienende testresultaten van de producenten van leder, textiel of gecoate stoffen of hun leveranciers, die relevant zijn om naleving aan te tonen van het vereiste dat er geen gebruik is gemaakt van de in tabel 11 vermelde gevaarlijke stoffen.

Bekledingsmaterialen vervaardigd van textiel waaraan de EU-milieukeur is toegekend in overeenstemming met Besluit 2014/350/EU, worden geacht te voldoen aan dit criterium dat er tijdens het productieproces geen gebruik is gemaakt van de vermelde gevaarlijke stoffen. Er moet echter een kopie van het EU-milieukeurcertificaat worden verstrekt.

6.4.   Katoen en andere natuurlijke cellulosezaadvezels

Katoen die 70,0 gewichtsprocent of meer gerecycleerde inhoud bevat, is vrijgesteld van de vereisten van criterium 6.4.

Katoen en andere natuurlijke cellulosezaadvezels (hierna katoen genoemd) die geen gerecycleerde vezels zijn, moeten een minimumgehalte aan biologische katoen (zie criterium 6.4 a) of een minimumgehalte aan IPM-katoen (IPM staat voor „integrated pest management” ofwel geïntegreerde plaagbestrijding) bevatten (zie criterium 6.4 b).

Textiel waaraan de EU-milieukeur is toegekend op grond van de milieucriteria van Besluit 2014/350/EU, wordt geacht te voldoen aan criterium 6.4.

Beoordeling en controle: de aanvrager of de leverancier van het materiaal, naargelang het geval, verstrekt een conformiteitsverklaring.

Wanneer textiel met de EU-milieukeur wordt gebruikt, verstrekt de aanvrager een kopie van het EU-milieukeurcertificaat dat aantoont dat de EU-milieukeur werd toegekend in overeenstemming met Besluit 2014/350/EU.

Waar van toepassing moet gerecycleerde inhoud helemaal tot aan het recycleproces van de grondstoffen traceerbaar zijn. Dit moet worden gecontroleerd door de certificering door een onafhankelijke derde partij in de controleketen of door documentatie die door grondstofleveranciers en -recyclers wordt verstrekt.

6.4 a)   Biologische productienorm

Ten minste 10 gewichtsprocent van de in de bekledingsmaterialen gebruikte niet-gerecycleerde katoenvezels moet zijn geteeld volgens de voorschriften van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (9), het National Organic Programme (NOP) van de Verenigde Staten of gelijkwaardige wettelijke verplichtingen vastgesteld door handelspartners van de EU. De biologische katoen mag biologisch geteelde katoen en biologische overgangskatoen bevatten.

Indien de biologische katoen bedoeld is om met conventionele of IPM-katoen te worden gemengd, moet de katoen afkomstig zijn van niet genetisch gemodificeerde rassen.

Claims inzake het gehalte aan biologische katoen zijn alleen toegestaan als dat gehalte ten minste 95 % bedraagt.

Beoordeling en controle: de aanvrager of de leverancier van het materiaal, naargelang het geval, verstrekt een verklaring van overeenstemming voor het gehalte aan biologische katoen, gestaafd met bewijsstukken die aantonen dat door een onafhankelijke controle-instantie is gecertificeerd dat deze katoen is vervaardigd in overeenstemming met de productie- en inspectievoorschriften vastgesteld in Verordening (EG) nr. 834/2007, het National Organic Programme (NOP) van de Verenigde Staten of voorschriften vastgesteld door andere handelspartners. Voor elk land van herkomst moeten er controles plaatsvinden.

De aanvrager of de leverancier van het materiaal, naargelang het geval, toont voor elke productlijn aan de hand van het op jaarbasis voor de vervaardiging van het eindproduct (de eindproducten) ingekochte katoen aan dat aan het vereiste inzake het minimumgehalte biologische katoen is voldaan. Hij moet transactiegegevens en/of facturen verstrekken waarmee de ingekochte hoeveelheid gecertificeerde katoen wordt gedocumenteerd.

Voor conventionele of IPM-katoen die wordt gemengd met biologische katoen, wordt een screening op gangbare genetische modificaties aanvaard om aan te tonen dat het katoenras aan de vereisten voldoet.

6.4 b)   Katoenproductie volgens IPM-beginselen en beperking op bestrijdingsmiddelen

Ten minste 20 gewichtsprocent van de in de bekledingsmaterialen gebruikte niet-gerecycleerde katoenvezels moet zijn geteeld volgens de IPM-beginselen zoals gedefinieerd door het IPM-programma van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) of systemen van geïntegreerd gewasbeheer waarin IPM-beginselen zijn opgenomen.

IPM-katoen bestemd voor gebruik in het eindproduct moet zijn geteeld zonder gebruik van de volgende stoffen: aldicarb, aldrin, toxafeen, captafol, chloordaan, 2,4,5-T, chloordimeform, cypermethrin, DDT, dieldrin, dinoseb en de zouten daarvan, endosulfan, endrin, fosfamidon, heptachloor, hexachloorbenzeen, hexachloorcyclohexaan (alle isomeren samen), methamidofos, methylparathion, monocrotofos, neonicotinoïden (clothianidin, imidacloprid, thiametoxam), parathion, pentachloorfenol.

Beoordeling en controle: de aanvrager of leverancier van het materiaal, naargelang het geval, verstrekt een verklaring van overeenstemming met criterium 6.4 b), gestaafd met bewijsstukken die aantonen dat ten minste 20 gewichtsprocent van de niet-gerecycleerde katoenvezels in het product geteeld is door landbouwers die hebben deelgenomen aan formele opleidingsprogramma's van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties of IPM- of ICM-programma's van de overheid en/of die zijn gecontroleerd als onderdeel van gecertificeerde IPM-programma's van derden. Controles worden ofwel op jaarbasis voor elk land van herkomst uitgevoerd, ofwel op basis van certificeringen voor al de IPM-katoen die voor de vervaardiging van het product ingekocht wordt.

De aanvrager of de leverancier van het materiaal, naargelang het geval, verklaart tevens dat de IPM-katoen niet is geteeld onder gebruikmaking van de in criterium 6.4 b) genoemde stoffen. IPM-certificeringsprogramma's die het gebruik van de vermelde stoffen uitsluiten, worden aanvaard als bewijs van conformiteit.

Criterium 7 — Opvulmaterialen

7.1.   Latexschuimrubber

7.1 a)   Aan beperkingen onderworpen stoffen

De concentraties van de hieronder vermelde stoffen in het latexschuimrubber mogen de in tabel 12 vermelde waarden niet overschrijden:

Tabel 12

Aan beperkingen onderworpen stoffen in latexschuimrubber gebruikt als opvulmateriaal

Groep stoffen

Stof

Grenswaarde (ppm)

Voorwaarden voor beoordeling en controle

Chloorfenolen

Mono- en dichloorfenolen (zouten en esters)

1

A

Andere chloorfenolen

0,1

A

Zware metalen

As (arseen)

0,5

B

Cd (cadmium)

0,1

B

Co (kobalt)

0,5

B

Cr (chroom), totaal

1

B

Cu (koper)

2

B

Hg (kwik)

0,02

B

Ni (nikkel)

1

B

Pb (lood)

0,5

B

Sb (antimoon)

0,5

B

Bestrijdingsmiddelen (uitsluitend te testen voor schuimrubber dat voor minstens 20 gewichtsprocent uit natuurlijke latex bestaat)

Aldrin

0,04

C

o,p-DDE

0,04

C

p,p-DDE

0,04

C

o,p-DDD

0,04

C

p,p-DDD

0,04

C

o,p-DDT

0,04

C

p,p-DDT

0,04

C

Diazinon

0,04

C

Dichloorfenthion

0,04

C

Dichloorvos

0,04

C

Dieldrin

0,04

C

Endrin

0,04

C

Heptachloor

0,04

C

Heptachloorepoxide

0,04

C

Hexachloorbenzeen

0,04

C

Hexachloorcyclohexaan

0,04

C

α-Hexachloorcyclohexaan

0,04

C

β-Hexachloorcyclohexaan

0,04

C

γ-Hexachloorcyclohexaan (lindaan)

0,04

C

δ-Hexachloorcyclohexaan

0,04

C

Malathion

0,04

C

Methoxychloor

0,04

C

Mirex

0,04

C

Parathion-ethyl

0,04

C

Parathion-methyl

0,04

C

Andere specifieke stoffen waarvan het gebruik beperkt is

Butadieen

1

D

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring van overeenstemming met criterium 7.1 a) en, indien van toepassing, testverslagen volgens de volgende methoden:

A.

De aanvrager overlegt voor chloorfenolen een verslag waarin de resultaten van de volgende testprocedure zijn opgenomen: 5 g van het monster wordt gemalen en de chloorfenolen worden geëxtraheerd in de vorm van fenol (PCP), natriumzout (SPP) of esters. De extracten worden geanalyseerd met behulp van gaschromatografie (GC). De detectie vindt plaats met behulp van een massaspectrometer of elektronenvangstdetector (ECD).

B.

De aanvrager overlegt voor zware metalen een verslag waarin de resultaten van de volgende testprocedure zijn opgenomen. Het gemalen monster wordt geëlueerd in overeenstemming met DIN 38414-S4 of een gelijkwaardige norm in een verhouding van 1:10. Het daaruit verkregen filtraat wordt door een membraanfilter van 0,45 μm gefilterd (indien nodig met behulp van drukfiltratie). De verkregen oplossing wordt onderzocht op het gehalte aan zware metalen door middel van optische emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-OES), ook bekend als atoomemissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), of door middel van atoomabsorptiespectrometrie met behulp van een hydride of koudedampproces.

C.

De aanvrager overlegt voor bestrijdingsmiddelen een verslag waarin de resultaten van de volgende testprocedure zijn opgenomen: 2 g van het monster wordt geëxtraheerd in een ultrasoon bad met een mengsel van hexaan en dichloormethaan (85/15). Het extract wordt schoongemaakt door middel van schudden in acetonitril of door adsorptiechromatografie met behulp van florisil. De meting en kwantificatie worden bepaald door middel van gaschromatografie met detectie op een elektronenvangstdetector of door gekoppelde gaschromatografie/massaspectrometrie. Het testen op bestrijdingsmiddelen is vereist voor latexschuimrubber met een gehalte aan natuurlijk schuimrubber van minstens 20 %.

D.

De aanvrager overlegt voor butadieen een verslag waarin de resultaten van de volgende testprocedure zijn opgenomen. Na het vermalen en wegen van het latexschuimrubber worden monsters genomen van de damp boven de vloeistof (head space). Het butadieengehalte wordt bepaald middels gaschromatografie met detectie door vlamionisatie.

7.1 b)   VOS-emissies na 24 uur

Na 24 uur mogen de concentraties van de hieronder vermelde VOS in de testkamer de in tabel 13 vermelde grenswaarden niet overschrijden:

Tabel 13

VOS-emissiegrenswaarden voor latexschuimrubber

Stof

Grenswaarde (mg/m3)

1,1,1-Trichloorethaan

0,2

4-Fenylcyclohexeen

0,02

Koolstofdisulfide

0,02

Formaldehyde

0,005

Nitrosaminen (********)

0,0005

Styreen

0,01

Tetrachloorethyleen

0,15

Tolueen

0,1

Trichloorethyleen

0,05

Vinylchloride

0,0001

Vinylcyclohexeen

0,002

Aromatische koolwaterstoffen (totaal)

0,3

VOS'en (totaal)

0,5

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring van overeenstemming met criterium 7.1 b) die, indien van toepassing, wordt gestaafd met een testverslag waarin de resultaten van een testkameranalyse overeenkomstig ISO 16000-9 zijn opgenomen.

Het ingepakte monster moet minstens 24 uur op kamertemperatuur worden bewaard. Na deze periode wordt het monster uitgepakt en direct naar de testkamer overgebracht. Het monster wordt geplaatst op een monsterhouder die luchttoegang van alle kanten mogelijk maakt. De klimaatfactoren worden aangepast in overeenstemming met ISO-norm 16000-9. Ten behoeve van de vergelijking van testresultaten moet de plaatsspecifieke ventilatiesnelheid (q = n/l) 1 zijn. De ventilatiesnelheid moet tussen 0,5 en 1 liggen. De luchtbemonstering wordt uitgevoerd 24 + 1 uur nadat het monster in de testkamer is geplaatst gedurende 1 uur op DNPH-patronen voor de analyse van formaldehyde en andere aldehyden en op Tenax TA voor de analyse van vluchtige organische stoffen. De bemonstering van andere stoffen mag langer duren, maar moet binnen 30 uur zijn voltooid.

De analyse van formaldehyde en andere aldehyden moet voldoen aan de ISO-norm 16000-3. Tenzij anders is aangegeven, moet de analyse van andere vluchtige organische stoffen voldoen aan de ISO-norm 16000-6.

Tests die worden uitgevoerd overeenkomstig de norm CEN/TS 16516, worden als gelijkwaardig beschouwd aan die van de ISO-16000-serie.

De analyse van nitrosaminen wordt uitgevoerd met behulp van gaschromatografie in combinatie met een detector voor thermische energieanalyse (GC-TEA) in overeenstemming met de methode BGI 505-23 (voorheen: ZH 1/120.23) of gelijkwaardig.

7.2.   Polyurethaanschuim (PUR-schuim)

7.2 a)   Aan beperkingen onderworpen stoffen en mengsels

De concentraties van de hieronder vermelde stoffen en mengsels in het PUR-schuim mogen de in tabel 14 vermelde waarden niet overschrijden.

Tabel 14

Lijst van aan beperkingen onderworpen stoffen en mengsels in PUR-schuim

Stofgroep

Stof (acroniem, CAS-nummer, elementsymbool)

Grenswaarde

Methode

Biociden

 

Niet doelbewust toegevoegd

A

Vlamvertragers

 

Niet toegevoegd (tenzij in overeenstemming met de voorwaarden in tabel 2, onder b) en c)

A

Zware metalen

As (arsenicum)

0,2 ppm

B

Cd (cadmium)

0,1 ppm

B

Co (kobalt)

0,5 ppm

B

Cr (chroom), totaal

1,0 ppm

B

CrVI (chroom VI)

0,01 ppm

B

Cu (koper)

2,0 ppm

B

Hg (kwik)

0,02 ppm

B

Ni (nikkel)

1,0 ppm

B

Pb (lood)

0,2 ppm

B

Sb (antimoon)

0,5 ppm

B

Se (seleen)

0,5 ppm

B

Weekmakers

Dibutylftalaat (DBP, 84-74-2) (*********)

0,01 gewichtsprocent (totaal van alle zes ftalaten in meubelen voor kinderen jonger dan drie jaar)

C

Di-n-octylftalaat (DNOP, 117-84-0) (*********)

Di (2-ethylhexyl)-ftalaat (DEHP, 117-81-7) (*********)

Butylbenzylftalaat (bbp, 85-68-7) (*********)

Di-iso-decylftalaat (DIDP, 26761-40-0)

Di-iso-nonylftalaat (DINP, 28553-12-0)

Kandidaatslijst van het ECHA (**********) ftalaten

Niet doelbewust toegevoegd

A

TDA en MDA

2,4-tolueendiamine (2,4-TDA, 95-80-7)

5,0 ppm

D

4,4′-Diaminodifenylmethaan

(4,4′-MDA, 101-77-9)

5,0 ppm

D

Tin-organische stoffen

Tributyltin (TBT)

50 ppb

E

Dibutyltin (DBT)

100 ppb

E

Monobutyltin (MBT)

100 ppb

E

Tetrabutyltin (TeBT)

Mono-octyltin (MOT)

Dioctyltin (DOT)

Tricyclohexyltin (TcyT)

Trifenyltin (TPhT)

Som

500 ppb

E

Andere specifieke stoffen waarvan het gebruik beperkt is

Gechloreerde of broomhoudende dioxinen of furanen

Niet doelbewust toegevoegd

A

Gechloreerde koolwaterstoffen: (1,1,2,2-tetrachloorethaan, pentachloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, 1,1-dichloorethyleen)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Gechloreerde fenolen (PCP, TeCP, 87-86-5)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Hexachloorcyclohexaan (58-89-9)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Monomethyldibroomdifenylmethaan (99688-47-8)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Monomethyldichloordifenylmethaan (81161-70-8)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Nitrieten

Niet doelbewust toegevoegd

A

Polygebromineerde bifenylen (PBB, 59536-65-1)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Pentabroomdifenylether (PeBDE, 32534-81-9)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Octabroomdifenylether (OBDE, 32536-52-0)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Polygechloreerde bifenylen (PCB, 1336-36-3)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Polygechloreerde terfenylen (PCT, 61788-33-8)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Tris(2,3-dibromo-propyl)fosfaat (TRIS, 126-72-7)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Trimethylfosfaat (512-56-1)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Tris-(aziridinyl)-fosfinoxide (TEPA, 545-55-1)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Tris(2-chloorethyl)-fosfaat (TCEP, 115-96-8)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Dimethylmethylfosfonaat (DMMP, 756-79-6)

Niet doelbewust toegevoegd

A

Beoordeling en controle: de aanvrager dient een verklaring in waaruit blijkt dat aan criterium 7.2 a) is voldaan. Wanneer proeven vereist zijn, verstrekt de aanvrager de testresultaten om naleving met de grenswaarden in tabel 14 aan te tonen. Voor de methoden B, C, D en E worden, waar een analyse vereist is, zes composietmonsters genomen op een maximumdiepte van 2 cm onder het oppervlak van het materiaal dat naar het betrokken laboratorium is verzonden.

A.

De aanvrager overlegt voor biociden, ftalaten en andere specifieke stoffen die aan beperkingen zijn onderworpen, een verklaring die wordt gestaafd met verklaringen van fabrikanten van het schuim waarin wordt bevestigd dat die stoffen niet doelbewust zijn toegevoegd aan de formulering van het schuim.

B.

De aanvrager overlegt voor zware metalen een verslag waarin de resultaten van de volgende testprocedure zijn opgenomen. Het gemalen monster wordt geëlueerd in overeenstemming met DIN 38414-S4 of een gelijkwaardige norm in een verhouding van 1:10. Het daaruit verkregen filtraat wordt door een membraanfilter van 0,45 μm gefilterd (indien nodig met behulp van drukfiltratie). De verkregen oplossing wordt onderzocht op het gehalte aan zware metalen door middel van atoomemissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES of ICP-OES) of door middel van atoomabsorptiespectrometrie met behulp van een hydride of koudedampproces.

C.

De aanvrager overlegt voor het totaalgehalte aan weekmakers een verslag waarin de resultaten van de volgende testprocedure zijn opgenomen. Er wordt een extractie verricht met behulp van een gevalideerde methode zoals de subsone extractie van 0,3 g van een monster in een kolf met 9 ml t-butylmethylether gedurende 1 uur, gevolgd door de bepaling van het gehalte aan ftalaten via GC met behulp van een massaselectieve detector in SIM-modus (single ion monitoring).

D.

De aanvrager overlegt voor TDA en MDA een verslag waarin de resultaten van de volgende testprocedure zijn opgenomen. Er wordt een extractie van een composietmonster van 0,5 g verricht in een injectiespuitje van 5 ml met 2,5 ml azijnzuur in 1 % waterige oplossing. Het injectiespuitje wordt leeggespoten en de vloeistof wordt terug in het injectiespuitje gebracht. Nadat deze handeling twintig keer is herhaald, wordt het uiteindelijk verkregen extract behouden voor analyse. Er wordt vervolgens opnieuw 2,5 ml azijnzuur in 1 % waterige oplossing in het injectiespuitje gebracht en dezelfde handeling wordt opnieuw twintig keer herhaald. Daarna wordt het extract gecombineerd met het eerste extract en tot 10 ml verdund in een maatkolf met azijnzuur. De extracten worden geanalyseerd met behulp van hogedrukvloeistofchromatografie (HPLC-UV) of hogeprestatievloeistofchromatografie gekoppeld aan massaspectrometrie (HPLC-MS). Als er HPLC-UV wordt verricht en er vermoedelijk interferentie is opgetreden, wordt een nieuwe analyse verricht met HPLC-MS.

E.

De aanvrager overlegt voor organische tinstoffen een verslag waarin de resultaten van de volgende testprocedure zijn opgenomen. Een composietmonster dat 1-2 g weegt, wordt gedurende 1 uur vermengd met ten minste 30 ml extractieagens in een ultrasoon bad op kamertemperatuur. Het extractieagens is een mengsel dat als volgt is samengesteld: 1 750 ml methanol + 300 ml azijnzuur + 250 ml buffer (pH 4.5). De buffer is een oplossing van 164 g natriumacetaat in 1 200 ml water en 165 ml azijnzuur, te verdunnen met water totdat een volume van 2 000 ml bereikt is. Na extractie wordt de alkyl-tinsoort gederivatiseerd door toevoeging van 100 μl natriumtetraethylboraat in tetrahydrofuraan (THF) (200 mg/ml THF). Het derivaat wordt geëxtraheerd met n-hexaan en het monster ondergaat een tweede extractieprocedure. Beide hexaanextracten worden gecombineerd en verder gebruikt om de organische tinverbindingen te bepalen door middel van gaschromatografie met massaselectieve detectie in SIM-modus.

7.2 b)   VOS-emissies na 72 uur

Na 72 uur mogen de concentraties van de hieronder vermelde stoffen in de testkamer de in tabel 15 vermelde grenswaarden niet overschrijden.

Tabel 15

VOS-emissiegrenswaarden voor PUR-schuim na 72 uur

Stof (CAS-nummer)

Grenswaarde (mg/m3)

Formaldehyde (50-00-0)

0,005

Tolueen (108-88-3)

0,1

Styreen (100-42-5)

0,005

Elke gedetecteerde verbinding die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 is ingedeeld in categorie C1A of C1B

0,005

Som van alle gedetecteerde verbindingen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn ingedeeld in categorie C1A of C1B

0,04

Aromatische koolwaterstoffen

0,5

VOS'en (totaal)

0,5

Beoordeling en controle: de aanvrager dient een verklaring in waaruit blijkt dat aan criterium 7.2 b) is voldaan. Indien van toepassing wordt de verklaring onderbouwd met testresultaten die aantonen dat de in tabel 15 vermelde grenswaarden zijn nageleefd. De combinatie monster/testkamer is:

 

Eén monster met de afmetingen 25 × 20 × 15 cm wordt in een testkamer van 0,5 m3 geplaatst, of

 

Twee monsters met de afmetingen 25 × 20 × 15 cm worden in een testkamer van 1,0 m3 geplaatst.

Het schuimmonster wordt onder in een ruimte voor de emissieproef geplaatst en gedurende drie dagen geconditioneerd op 23 °C en 50 % relatieve vochtigheid, waarbij een luchtverversingssnelheid wordt toegepast van 0,5 per uur en een ruimtelading L van 0,4 m2/m3 (= totaal blootgesteld oppervlak van het monster in verhouding tot de afmetingen van de ruimte zonder afdichtingsranden en achterkant) in overeenstemming met de ISO-normen 16000-9 en 16000-11.

De bemonstering vindt 72 ± 2 uur na het laden van de ruimte plaats gedurende 1 uur met behulp van Tenax TA en DNHP-patronen voor de analyse van respectievelijk VOS en formaldehyde. De VOS-emissies worden gevangen in Tenax TA-absorptiebuizen en vervolgens geanalyseerd door middel van GC-MS met thermische desorptie overeenkomstig ISO-norm 16000-6.

De resultaten worden semikwantitatief uitgedrukt als tolueenequivalenten. Alle gespecificeerde afzonderlijke analyten worden gerapporteerd vanaf een concentratiegrens ≥ 1 μg/m3. De totale VOS-waarde is de som van alle analyten met een concentratie ≥ 1 μg/m3 die binnen het retentietijdvenster van n-hexaan (C6) tot n-hexadecaan (C16) elueren, beide inclusief. De som van alle detecteerbare componenten die volgens Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn ingedeeld in categorie C1A of C1B is de som van al deze stoffen met een concentratie ≥ 1 μg/m3. Indien de testresultaten de standaardgrenzen overschrijden, moet een stofspecifieke kwantificering worden uitgevoerd. Formaldehyde kan worden bepaald door het verzamelen van de bemonsterde lucht op een DNPH-patroon en daaropvolgende analyse met behulp van HPLC/UV in overeenstemming met ISO-norm 16000-3.

Tests die worden uitgevoerd overeenkomstig de norm CEN/TS 16516, worden als gelijkwaardig beschouwd aan die van de ISO 16000-serie.

7.2 c)   Blaasmiddelen

Gehalogeneerde organische verbindingen mogen niet worden gebruikt als blaasmiddel of hulpblaasmiddel.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een verklaring indienen van de fabrikant van het schuim dat dergelijke stoffen niet zijn gebruikt.

7.3.   Andere opvulmaterialen

Andere materialen mogen worden toegestaan voor gebruik als vulling in meubelen als ze voldoen aan de volgende voorwaarden:

de algemene vereisten voor gevaarlijke stoffen die in criterium 2 zijn vastgesteld, moeten worden nageleefd;

gehalogeneerde organische verbindingen mogen niet worden gebruikt als blaasmiddel of hulpblaasmiddel;

veren of dons mogen — alleen of in mengsels — niet worden gebruikt als opvul-/vulmateriaal.

Als het opvul-/vulmateriaal gebruikmaakt van met latexrubber omgeven kokosvezels, moet de naleving van criteria 7.1 a) en 7.1 b) worden aangetoond.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet een conformiteitsverklaring indienen met vermelding:

i)

van de aard van het gebruikte opvul-/vulmateriaal en eventuele andere gemengde materialen;

ii)

dat het materiaal geen SVHC's of andere gevaarlijke stoffen bevat die niet specifiek als uitzondering in tabel 2 zijn opgenomen;

iii)

dat er geen gehalogeneerde organische verbindingen zijn gebruikt als blaasmiddel of hulpblaasmiddel;

iv)

dat er geen dons of dierenveren zijn gebruikt in het vul-/opvulmateriaal, hetzij alleen hetzij in mengsels;

v)

Als de kokosvezels met latexrubber zijn omgeven, moet naleving van criterium 7.1 worden aangetoond voor stoffen waarvoor beperkingen gelden en voor VOS-emissies.

Criterium 8 — Glas: gebruik van zware metalen

Dit criterium geldt voor alle materialen van glas die zijn gebruikt in het eindproduct, ongeacht hun gewichtsfractie.

Alle glas dat in het meubel wordt gebruikt, moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

het mag geen loodglas bevatten;

het mag onzuiverheden van lood, kwik of cadmium bevatten tot ten hoogste 100 mg/kg per metaal;

bij spiegelglas moet de verf, primer of vernis die op de onderlaag van de spiegel is aangebracht, een loodgehalte hebben van minder dan 2 000 mg/kg van de stof in het blik. Deklagen moeten worden aangebracht met behulp van het „tinproces” in plaats van het „koperproces”.

Beoordeling en controle:

i)

De aanvrager verstrekt een verklaring van de glasleverancier dat er geen loodglas in het eindproduct zit. Wanneer een passende verklaring ontbreekt, kan de bevoegde instantie vragen om het glas in het eindproduct te analyseren via een niet-destructieve methode met behulp van een draagbaar röntgenfluorescentietoestel.

ii)

De aanvrager verstrekt een verklaring van de glasleverancier dat het in het meubel aanwezige glas niet meer dan 100 mg/kg (0,01 gewichtsprocent) onzuiverheden van lood, kwik of cadmium bevat. Wanneer een passende verklaring ontbreekt, kan de bevoegde instantie vragen om deze metalen in het glas te testen met behulp van een röntgenfluorescentietoestel volgens de beginselen van ASTM F2853-10 of een gelijkwaardige norm.

iii)

De aanvrager verstrekt een verklaring van de spiegelleverancier dat alle verf-, primer- en vernisformuleringen die zijn gebruikt op de onderlaag van de spiegel, minder dan 2 000 mg/kg (0,2 gewichtsprocent) lood bevatten. De verklaring wordt gestaafd met een desbetreffend veiligheidsinformatieblad of soortgelijke documentatie. Voorts verstrekt de leverancier van het spiegelglas een verklaring die vermeldt dat de onderlaag is aangebracht met behulp van het „tinproces” en niet met het „koperproces”.

Criterium 9 — Vereisten in verband met het eindproduct

9.1.   Geschiktheid voor gebruik

Meubelen met de EU-milieukeur worden geschikt geacht voor gebruik indien zij voldoen aan de vereisten die zijn vastgesteld in de recentste versie van de desbetreffende in aanhangsel IV opgenomen EN-normen betreffende de duurzaamheid, afmetingen, veiligheid en sterkte van het product.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring die vermeldt welke normen in aanhangsel IV (in voorkomend geval) gelden voor het product, en verstrekt vervolgens een verklaring van overeenstemming met de desbetreffende EN-normen, gestaafd met testverslagen van de meubelfabrikant of van leveranciers van onderdelen/onderdeelmaterialen, naargelang het geval.

9.2.   Verlengde productgarantie

De aanvrager geeft zonder extra kosten minimaal vijf jaar garantie vanaf de leveringsdatum van het product. Deze garantie geldt onverminderd de wettelijke verplichtingen van de fabrikant en de verkoper op grond van de nationale wetgeving.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een conformiteitsverklaring en vermeldt de algemene voorwaarden van de verlengde productgarantie die zijn opgenomen in de informatie voor de consument en die voldoen aan de in dit criterium vastgestelde minimale vereisten.

9.3.   Levering van reserveonderdelen

De meubelfabrikant stelt reserveonderdelen ter beschikking van de klanten gedurende een periode van minimaal vijf jaar vanaf de leveringsdatum van het product. De (eventuele) kostprijs van reserveonderdelen is evenredig met de totale kostprijs van het meubel. Er worden contactgegevens verstrekt die moeten worden gebruikt om de levering van reserveonderdelen te regelen.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een verklaring dat reserveonderdelen beschikbaar zullen zijn gedurende een periode van minimaal vijf jaar vanaf de leveringsdatum van het product. De reserveonderdelen zijn gratis beschikbaar tijdens de garantieperiode indien de goederen gebreken vertonen tijdens normaal gebruik. Ze zijn verkrijgbaar voor een evenredige prijs indien de goederen door foutief gebruik beschadigd zijn geraakt. In de consumenteninformatie worden contactgegevens opgenomen.

9.4.   Productontwerp gericht op demontage

Bij meubelen die uit verschillende onderdelen/onderdeelmaterialen bestaan, moet het productontwerp demontage toelaten ter bevordering van reparaties, hergebruik en recycling. Er worden eenvoudige en geïllustreerde instructies verstrekt voor de demontage en vervanging van beschadigde onderdelen/onderdeelmaterialen. De demontage en vervanging kunnen door ongeschoolde personen worden uitgevoerd met behulp van gewoon basisgereedschap.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt technische tekeningen die illustreren hoe het meubel door ongeschoolde personen kan worden gemonteerd/gedemonteerd met behulp van basisgereedschap. Bij bekleding kan die demontage het gebruik van ritssluitingen en klittenband met zich brengen om sofakussens vast/los te maken van het onderstel en om opvulmateriaal aan te brengen in/te verwijderen uit bekledingsmaterialen. Zo nodig moet er zijn voorzien in openingen voor schroeven die rechtstreeks in van hout vervaardigde platen worden aangebracht zodat de schroef tijdens de hermontage opnieuw kan worden aangebracht, maar op een andere plaats dan die waar ze tijdens de demontage werd verwijderd.

9.5.   VOS-emissies

Als het meubel een van de hieronder vermelde onderdelen/onderdeelmaterialen bevat, moeten de VOS-emissies worden getest:

bekledingsmaterialen vervaardigd van leder;

bekledingsmaterialen vervaardigd van gecoate stoffen;

onderdelen die meer dan 5 % van het totale meubelgewicht vormen (met uitzondering van de verpakking) en die behandeld zijn met coatingformuleringen met een hoog VOS-gehalte (meer dan 5 %) waarvan de aangebrachte hoeveelheid meer dan 30 g/m2 van het gecoate oppervlak bedraagt of waarvan de gebruikte hoeveelheid niet berekend is.

De verpakking en levering van monsters verzonden voor tests, de behandeling en conditionering ervan, de vereisten die gesteld worden aan de testkamer, en de gasanalysemethoden volgen de procedures beschreven in de normenreeks ISO 16000.

De tests kunnen worden verricht op het gehele meubelstuk (zie voorwaarden en grenswaarden in tabel 16) of in kleinere testkamers die speciaal bedoeld zijn voor de hierboven vermelde onderdelen/materialen (zie voorwaarden en grenswaarden in tabel 17).

De VOS-emissies mogen niet hoger zijn dan de in tabellen 16 en 17 vermelde grenswaarden.

Tabel 16

Maximale VOS-emissiegrenswaarden voor specifieke meubelen

Testparameter

Leunstoelen en sofa's

Kantoorstoelen

Andere meubelen

Volume van de testkamer

In het bereik 2-10 m3

Densiteit

Het product neemt ongeveer 25 % van het volume van de testkamer in

 (***********) 0,5-1,5 m2/m3

Ventilatievoud

4,0 m3/h

2,0 m3/h

 (***********) 0,5-1,5 h– 1

Stof

3 d

28 d

3 d

28 d

28 d

Formaldehyde

60 μg/m3

60 μg/m3

60 μg/m3

TVOS (***********)

≤ 3 000  μg/m3

≤ 400 μg/m3

≤ 450 μg/m3

≤ 450 μg/m3

TSVOS

≤ 100 μg/m3

≤ 80 μg/m3

≤ 80 μg/m3

C-stoffen (10)

≤ 10 μg/m3 (totale limiet)

≤ 1 μg/m3 (per stof)

≤ 10 μg/m3 (totale limiet)

≤ 1 μg/m3 (per stof)

≤ 1 μg/m3 (per stof)

R-waarde voor LCI-stoffen (11)

≤ 1

≤ 1

≤ 1


Tabel 17

Maximale VOS-emissiegrenswaarden voor specifieke meubelmaterialen/-onderdelen

Testparameter

Gecoate onderdelen

Bekledingsmaterialen vervaardigd van leder of gecoate stof

Minimaal toegestaan volume van de testkamer

200 l voor van hout vervaardigde onderdelen

20 l voor andere onderdelen

20 l

Ventilatievoud

0,5 h– 1

1,5 m3/m2.h

Stof

3 d

28 d

3 d

28 d

Formaldehyde

60 μg/m3

60 μg/m3

TVOS

≤ 3 000  μg/m3

≤ 400 μg/m3

≤ 450 μg/m3

TSVOS

≤ 100 μg/m3

≤ 80 μg/m3

C-stoffen (12)

≤ 10 μg/m3 (totale limiet)

≤ 1 μg/m3 (per stof)

≤ 10 μg/m3 (totale limiet)

≤ 1 μg/m3 (per stof)

R-waarde voor LCI-stoffen (13)

≤ 1

≤ 1

Beoordeling en controle: wanneer voor het meubel een VOS-emissietest van het eindproduct nodig wordt geacht, verstrekt de aanvrager een conformiteitsverklaring, gestaafd met een testverslag van de tests in testkamers die verricht zijn volgens de normenreeks ISO 16000. Tests die verricht zijn volgens CEN/TS 16516, worden gelijkwaardig aan ISO 16000 geacht. Als de concentratiegrenswaarden in de testkamer na 28 dagen kunnen worden behaald 3 dagen na het plaatsen van het monster in de testkamer of een andere periode tussen 3 en 27 dagen na het plaatsen van het monster in de testkamer, kunnen de vereisten als nageleefd worden aangemerkt en mag de test voortijdig worden gestopt.

Testgegevens van maximaal twaalf maanden vóór de aanvraag van de EU-milieukeur zijn geldig voor producten of onderdelen/onderdeelmaterialen op voorwaarde dat er geen wijzigingen zijn aangebracht aan het toegepaste fabricageproces of de gebruikte chemische formuleringen die geacht worden de VOS-emissies van het eindproduct of de betrokken onderdelen/materialen te doen stijgen.

Testgegevens die naleving van de grenswaarden in tabel 17 aantonen voor de betrokken onderdelen/onderdeelmaterialen en die rechtstreeks door leveranciers worden verstrekt, worden ook aanvaard indien zij vergezeld gaan van een verklaring van de desbetreffende leverancier.

Criterium 10 — Consumenteninformatie

Samen met het product wordt één document met consumenteninformatie verstrekt dat informatie bevat in de taal van het land waar het product in de handel wordt gebracht en dat over de volgende aspecten handelt:

een beschrijving van het product volgens de vereisten van criterium 1;

de consument moet een gedetailleerde beschrijving krijgen van de beste manieren om het product te verwijderen (hergebruik, recycling, terugneemregeling van de aanvrager, energieherwinning), gerangschikt volgens de effecten op het milieu;

informatie over de polymeersoorten van kunststofonderdelen met een gewicht van meer dan 100 g die niet zijn gemarkeerd overeenkomstig de vereisten van criterium 4.1;

een verklaring dat de benaming, beschrijving, etikettering of markering van leder is gebruikt in overeenstemming met de vereisten vastgesteld in EN 15987 en EN 16223;

een mededeling die duidelijk vermeldt in welke omstandigheden het meubelstuk mag worden gebruikt, bijvoorbeeld binnenshuis, buitenshuis, temperatuurbereiken, draagvermogen en de correcte manier om het product te reinigen;

informatie over de gebruikte glassoort, eventuele veiligheidsinformatie, geschiktheid voor contact met harde materialen zoals glas, metaal of steen en informatie over de correcte verwijdering van het glas, bijvoorbeeld de verenigbaarheid of onverenigbaarheid met verpakkingsglas na consumptie;

een conformiteitsverklaring met de desbetreffende brandveiligheidsverordeningen in het land van verkoop voor meubelen met bekleding, nadere gegevens over de vlamvertragers die zijn gebruikt (in voorkomend geval) en in welke materialen deze zijn gebruikt (in voorkomend geval);

een verklaring dat er geen biociden zijn gebruikt om een desinfecterend effect te bereiken in meubelen die duidelijk in de handel worden gebracht voor gebruik binnenshuis, en voor meubelen voor gebruik buitenshuis, een verklaring welke werkzame stoffen van biociden zijn gebruikt (in voorkomend geval) en in welke materialen (in voorkomend geval);

een verklaring dat de betrokken EN-normen zijn nageleefd, zoals bedoeld in criterium 9.1 en aanhangsel IV;

informatie over de algemene voorwaarden van de productgarantie volgens de vereisten van criterium 9.2;

contactgegevens betreffende de levering van reserveonderdelen volgens de vereisten van criterium 9.3;

duidelijk geïllustreerde instructies voor montage en demontage volgens de vereisten van criterium 9.4.

Beoordeling en controle: de aanvrager verstrekt een kopie van het document met de consumenteninformatie die met het product zal worden meegeleverd en die aantoont dat elk van de in het criterium opgesomde punten wordt nageleefd.

Criterium 11 — Informatie op de EU-milieukeur

Als gebruik wordt gemaakt van het facultatieve etiket met tekstruimte, dan bevat het, voor zover relevant, drie van de volgende vermeldingen:

hout, kurk, bamboe en rotan uit duurzaam beheerde bossen

gerecycleerde inhoud (hout of kunststof, indien van toepassing)

gevaarlijke stoffen waarvoor een beperking geldt

niet behandeld met biociden (indien van toepassing)

niet behandeld met vlamvertragers (indien van toepassing)

product met lage formaldehyde-emissies

product met lage VOS-emissies

product ontworpen voor demontage en eenvoudige reparatie

wanneer er in de meubelbekleding katoenen stoffen zijn gebruikt met biologische of IPM-katoen, mag de tekst als volgt worden weergegeven in vak 2 van de EU-milieukeur:

Tabel 18

Informatie die mag worden vermeld bij de EU-milieukeur in verband met katoen in textiel

Productiespecificatie

Tekst die mag worden weergegeven

Gehalte aan biologische katoen hoger dan 95 %

Textiel gemaakt van biologisch katoen

IPM-gehalte hoger dan 70 %

Katoenteelt met een lager gebruik van bestrijdingsmiddelen

De richtsnoeren voor het gebruik van het facultatief etiket met tekstruimte kunnen worden geraadpleegd in de „Guidelines for the use of the EU Ecolabel logo” op de website:

http://ec.europa.eu/environment/ecolabel/documents/logo_guidelines.pdf

Beoordeling en controle: de aanvrager dient een verklaring in waaruit blijkt dat aan dit criterium is voldaan.


(1)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

(2)  Besluit 2014/350/EU van de Commissie van 5 juni 2014 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de EU-milieukeur aan textielproducten (PB L 174 van 13.6.2014, blz. 45).

(3)  ECHA, Kandidaatslijst van zeer zorgwekkende stoffen voor autorisatie, http://www.echa.europa.eu/candidate-list-table

(*)  Kleurverwijdering in afvalwaterzuivering wordt geacht plaats te vinden wanneer de afvalstromen van de ververij voldoen aan de volgende spectraalcoëfficiënten: i) 7 m– 1 bij 436 nm, 5 m– 1 bij 525 nm en 3 m– 1 bij 620 nm.

(4)  ECHA, databank van krachtens REACH geregistreerde stoffen: http://www.echa.europa.eu/information-on-chemicals/registered-substances

(5)  ECHA, Samenwerking met soortgelijke regelgevende agentschappen, http://echa.europa.eu/nl/about-us/partners-and-networks/international-cooperation/cooperation-with-peer-regulatory-agencies

(6)  „EPF Standard for delivery conditions of recycled wood”, oktober 2002. Te raadplegen op http://www.europanels.org/upload/EPF-Standard-for-recycled-wood-use.pdf

(7)  Regulation 93120 „Airborne toxic control measure to reduce formaldehyde emissions from composite wood products” California Code of Regulations.

(**)  Geldt niet voor witte producten of producten die niet geverfd of bedrukt zijn.

(***)  Niveau 4 is echter toegestaan wanneer meubelbekledingstoffen licht gekleurd zijn (standaarddiepte < 1/12) en tevens gemaakt zijn van meer dan 20 % wol of andere keratinevezels, of meer dan 20 % zijde, of meer dan 20 % linnen of andere bastvezels.

(****)  In totaal zijn er 22 arylamines opgenomen in punt 43 van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 plus twee andere verbindingen (zie tabel 1 in aanhangsel III voor een volledige lijst van de te testen arylamines). De aantoonbaarheidsgrens volgens EN ISO 17234-1 bedraagt 30 mg/kg.

(*****)  De aantoonbaarheidsgrens volgens EN ISO 17075 wordt doorgaans gelegd bij 3 mg/kg.

(******)  Meubelen die speciaal zijn ontworpen voor zuigelingen en kinderen jonger dan drie jaar.

(*******)  Als het geteste textiel met antimoontrioxide (ATO) is behandeld als synergist, in overeenstemming met de uitzonderingsvoorwaarden voor het gebruik van ATO in punt c) van tabel 2, dan hoeft het niet te voldoen aan de uitlogingsgrens voor antimoon.

(8)  Uitvoeringsbesluit 2013/84/EU van de Commissie van 11 februari 2013 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor het looien van huiden en vellen (PB L 45 van 16.2.2013, blz. 13).

(9)  Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1).

(********)  N-nitrosodimethylamine (NDMA), N-nitrosodiethylamine (NDEA), N-nitrosomethylethylamine (NMEA), N-nitrosodiiso-propylamine (NDIPA), N-nitrosodi-n- propylamine (NDPA), N-nitrosodi-n-butylamine (NDBA), N-nitrosopyrrolidinon (NPYR), N-nitrosopiperidine (NPIP), N-nitrosomorfoline (NMOR).

(*********)  0,01 gewichtsprocent (totaal van vier ftalaten in alle andere meubelen)

(**********)  Met verwijzing naar de recentste Kandidaatslijst van het ECHA op het ogenblik van de aanvraag.

(***********)  Hoewel er ruimte is om de laadcapaciteit en het ventilatievoud te variëren voor andere meubelstukken, moet de verhouding tussen laadcapaciteit (m2/m3) en het ventilatievoud (h– 1) behouden blijven op 1,0.

(10)  Formaldehyde wordt niet in overweging genomen bij de berekening van cumulatieve carcinogene VOS-emissies maar heeft zijn eigen grenswaarde.

(11)  R-waarde = totaal van alle quotiënten (Ci/LCIi) < 1 (waarbij Ci = stofconcentratie in de lucht van de testkamer, LCIi = LCI-waarde van de stof zoals gedefinieerd door de recentste gegevens die zijn gedefinieerd in het kader van de Europese samenwerkingsactie „Urban air, indoor environment and human exposure”.

(12)  Formaldehyde wordt niet in overweging genomen bij de berekening van cumulatieve carcinogene VOS-emissies maar heeft zijn eigen grenswaarde.

(13)  R-waarde = totaal van alle quotiënten (Ci/LCIi) < 1 (waarbij Ci = stofconcentratie in de lucht van de testkamer, LCIi = LCI-waarde van de stof zoals gedefinieerd door de recentste gegevens die zijn gedefinieerd in het kader van de Europese samenwerkingsactie „Urban air, indoor environment and human exposure”.

Aanhangsel I

RICHTSNOEREN VOOR DE BEREKENING VAN VOS IN OPPERVLAKTECOATINGS

De berekeningsmethode vereist de volgende informatie:

totaal gecoat oppervlak van het gemonteerde eindproduct;

VOS-gehalte van de coatingmassa (in g/l);

aanwezig volume van coatingmassa vóór de coating;

aantal identieke eenheden die tijdens de coating worden verwerkt;

resterend volume van coatingmassa na de coating.

Een berekening ziet er bijvoorbeeld als volgt uit:

Totaal gecoat oppervlak van het gemonteerde eindproduct

= 1,5 m2

VOS-gehalte van de coatingmassa (in g/l)

= 120 g/l

Aanwezig volume (1) van coatingmassa vóór de coating

= 18,5 l

Aantal identieke eenheden die tijdens de coating worden verwerkt

= 4

Resterend volume (1) van coatingmassa na de coating

= 12,5 l


Totaal gecoat oppervlak

= 4 × 1,5 m2

= 6 m2

Totaal volume gebruikte coatingmassa

= 18,5 — 12,5

= 6 l

Totaal VOS aangebracht op oppervlak

= 3,9 l × 120 g/l

= 468 g

Totaal VOS aangebracht per m2

= 468 g/6 m2

= 78 g/m2

Wanneer er meer dan één coatingmassa wordt aangebracht, bijvoorbeeld primers of deklagen, moeten het volumetrische verbruik en het VOS-gehalte ook worden berekend en bij elkaar worden opgeteld.

De mogelijkheden om de totale hoeveelheid tijdens coatingswerkzaamheden gebruikte VOS te verlagen, omvatten onder meer het gebruik van doeltreffendere technieken. De indicatieve doeltreffendheid van verschillende coatingtechnieken wordt hieronder vermeld.

Tabel

Indicatieve efficiëntiefactoren voor coatingtechnieken:

Coatingtechniek

Doeltreffendheid

(%)

Efficiëntiefactor

Spuittoestel zonder recycling

50

0,5

Elektrostatisch spuiten

65

0,65

Spuittoestel met recycling

70

0,7

Spuitschijf

80

0,8

Vernis aanbrengen met een rol

95

0,95

Vernis aanbrengen met een doek

95

0,95

Vacuümvernissen

95

0,95

Dompelen

95

0,95

Spoelen

95

0,95


(1)  Merk op dat gewicht kan worden gebruikt in plaats van het volume op voorwaarde dat de densiteit van de coatingmassa gekend is en in de berekening in aanmerking wordt genomen.

Aanhangsel II

VEREISTEN VOOR MEUBELLEDER VOLGENS EN 13336

Tabel

Fysische vereisten van leder gebruikt in meubelen met de EU-milieukeur (volgens EN 13336)

Fundamentele kenmerken

Testmethode

Aanbevolen waarden

Nubuck, suède en aniline (*)

Semianiline (*)

Gecoat, gepigmenteerd en ander (*)

pH en ΔpH

EN ISO 4045

≥ 3,5 (als de pH < 4,0 is, moet ΔpH ≤ 0,7 zijn)

Scheursterkte, gemiddelde waarde

EN ISO 3377-1

> 20 N

Kleurechtheid bij herhaald wrijven

EN ISO 11640.

Totale massa van vinger 1 000  g

Basische zweetoplossing zoals bepaald in EN ISO 11641

Te evalueren aspecten

Wijziging van lederkleur en viltvlekken

Wijziging van lederkleur en viltvlekken. Geen aantasting van afwerking

met behulp van droog vilt

50 cycli, ≥ 3 grijsschaal

500 cycli, ≥ 4 grijsschaal

met behulp van nat vilt

20 cycli, ≥ 3 grijsschaal

80 cycli, ≥ 3/4 grijsschaal

250 cycli, ≥ 3/4 grijsschaal

met behulp van vilt dat met kunstmatig zweet bevochtigd is

20 cycli, ≥ 3 grijsschaal

50 cycli, ≥ 3/4 grijsschaal

80 cycli, ≥ 3/4 grijsschaal

Kleurvastheid ten opzichte van kunstlicht

EN ISO 105-B02 (methode 3)

≥ 3 blauwschaal

≥ 4 blauwschaal

≥ 5 blauwschaal

Hechting van de droge afwerking

EN ISO 11644

≥ 2 N/10 mm

Buigweerstand bij droog buigen

EN ISO 5402-1

Uitsluitend voor anilineleder met niet-gepigmenteerde afwerking, 20 000 cycli (geen barsten in afwerkingslaag)

50 000 cycli (geen barsten in afwerkingslaag)

50 000 cycli (geen barsten in afwerkingslaag)

Kleurechtheid tegen waterdruppels

EN ISO 15700

≥ 3 grijsschaal (geen permanente zwelling)

Koudebreukweerstand van afwerkingslaag

EN ISO 17233

– 15 °C (geen barsten in afwerkingslaag)

Brandbestendigheid

EN 1021 of desbetreffende nationale normen

Geslaagd


(*)  Definities van deze ledersoorten volgens EN 15987.

Aanhangsel III

VERBODEN ARYLAMINEVERBINDINGEN IN LEDER, TEXTIEL EN GECOATE STOF ALS EINDMATERIAAL

Hierin zijn opgenomen de stoffen onder punt 43 van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 waarop moet worden getest in geverfd leder (met behulp van de norm EN 17234) of textiel (met behulp van de normen EN 14362-1 en EN 14362-3).

Tabel 1

Carcinogene arylamines die moeten worden getest in textiel of leder

Arylamine

CAS-nummer

Arylamine

CAS-nummer

4-aminodifenyl

92-67-1

4,4′-oxydianiline

101-80-4

Benzidine

92-87-5

4,4′-thiodianiline

139-65-1

4-chloor-o-toluïdine

95-69-2

o-toluïdine

95-53-4

2-nafthylamine

91-59-8

2,4-diaminotolueen

95-80-7

o-amino-azotolueen

97-56-3

2,4,5-trimethylaniline

137-17-7

2-amino-4-nitrotolueen

99-55-8

4-aminoazobenzeen

60-09-3

4-chlooraniline

106-47-8

o-anisidine

90-04-0

2,4-diaminoanisool

615-05-4

2,4-xylidine

95-68-1

4,4′-diaminodifenylmethaan

101-77-9

2,6-xylidine

87-62-7

3,3′-dichloorbenzidine

91-94-1

p-kresidine

120-71-8

3,3′-dimethoxybenzidine

119-90-4

3,3′-dimethylbenzidine

119-93-7

3,3′-dimenthyl-4,4′-diaminodifenylmethaan

838-88-0

4,4′-methyleen-bis-(2-chlooraniline)

101-14-4

Van een aantal andere kleurstofverbindingen, die niet rechtstreeks aan beperkingen zijn onderworpen door punt 43 van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006, is bekend dat zij tijdens de verwerking splitsen en dan enkele van de in tabel 1 vermelde verboden stoffen vormen. Om onzekerheid over de naleving van de vastgestelde grenswaarde van 30 mg/kg voor de in tabel 1 vermelde stoffen zo veel mogelijk te beperken, wordt de fabrikanten aangeraden, maar worden ze niet verplicht, om het gebruik van de in tabel 2 vermelde kleurstoffen te vermijden.

Tabel 2

Indicatieve lijst van kleurstoffen die kunnen splitsen en daardoor carcinogene arylamines vormen

Gedispergeerde kleurstoffen

Basische kleurstoffen

Disperse Orange 60

Disperse Yellow 7

Basic Brown 4

Basic Red 114

Disperse Orange 149

Disperse Yellow 23

Basic Red 42

Basic Yellow 82

Disperse Red 151

Disperse Yellow 56

Basic Red 76

Basic Yellow 103

Disperse Red 221

Disperse Yellow 218

Basic Red 111

 

Zure kleurstoffen

CI Acid Black 29

CI Acid Red 4

CI Acid Red 85

CI Acid Red 148

CI Acid Black 94

CI Acid Red 5

CI Acid Red 104

CI Acid Red 150

CI Acid Black 131

CI Acid Red 8

CI Acid Red 114

CI Acid Red 158

CI Acid Black 132

CI Acid Red 24

CI Acid Red 115

CI Acid Red 167

CI Acid Black 209

CI Acid Red 26

CI Acid Red 116

CI Acid Red 170

CI Acid Black 232

CI Acid Red 26:1

CI Acid Red 119:1

CI Acid Red 264

CI Acid Brown 415

CI Acid Red 26:2

CI Acid Red 128

CI Acid Red 265

CI Acid Orange 17

CI Acid Red 35

CI Acid Red 115

CI Acid Red 420

CI Acid Orange 24

CI Acid Red 48

CI Acid Red 128

CI Acid Violet 12

CI Acid Orange 45

CI Acid Red 73

CI Acid Red 135

 

Directe kleurstoffen

Direct Black 4

Direct Blue 192

Direct Brown 223

Direct Red 28

Direct Black 29

Direct Blue 201

Direct Green 1

Direct Red 37

Direct Black 38

Direct Blue 215

Direct Green 6

Direct Red 39

Direct Black 154

Direct Blue 295

Direct Green 8

Direct Red 44

Direct Blue 1

Direct Blue 306

Direct Green 8,1

Direct Red 46

Direct Blue 2

Direct Brown 1

Direct Green 85

Direct Red 62

Direct Blue 3

Direct Brown 1:2

Direct Orange 1

Direct Red 67

Direct Blue 6

Direct Brown 2

Direct Orange 6

Direct Red 72

Direct Blue 8

Basic Brown 4

Direct Orange 7

Direct Red 126

Direct Blue 9

Direct Brown 6

Direct Orange 8

Direct Red 168

Direct Blue 10

Direct Brown 25

Direct Orange 10

Direct Red 216

Direct Blue 14

Direct Brown 27

Direct Orange 108

Direct Red 264

Direct Blue 15

Direct Brown 31

Direct Red 1

Direct Violet 1

Direct Blue 21

Direct Brown 33

Direct Red 2

Direct Violet 4

Direct Blue 22

Direct Brown 51

Direct Red 7

Direct Violet 12

Direct Blue 25

Direct Brown 59

Direct Red 10

Direct Violet 13

Direct Blue 35

Direct Brown 74

Direct Red 13

Direct Violet 14

Direct Blue 76

Direct Brown 79

Direct Red 17

Direct Violet 21

Direct Blue 116

Direct Brown 95

Direct Red 21

Direct Violet 22

Direct Blue 151

Direct Brown 101

Direct Red 24

Direct Yellow 1

Direct Blue 160

Direct Brown 154

Direct Red 26

Direct Yellow 24

Direct Blue 173

Direct Brown 222

Direct Red 22

Direct Yellow 48

Aanhangsel IV

NORMEN VOOR DE DUURZAAMHEID, STERKTE EN ERGONOMIE VAN MEUBELEN

Tabel

Indicatieve lijst van EN-meubelnormen (opgesteld door het Technisch Comité CEN/TC 207 „Meubelen”) met betrekking tot criterium 9.1

Norm

Titel

Beklede meubelen

EN 1021-1

Meubelen — Bepaling van de ontvlambaarheid van beklede meubelen — Deel 1: Smeulende sigaret als ontstekingsbron

EN 1021-2

Meubelen — Bepaling van de ontvlambaarheid van beklede meubelen — Deel 2: Equivalent van de lucifervlam als ontstekingsbron

Kantoormeubelen

EN 527-1

Kantoormeubelen — Werktafels en -bureaus — Deel 1: Afmetingen

EN 527-2

Kantoormeubelen — Werktafels en -bureaus — Deel 2: Mechanische veiligheidseisen

EN 1023-2

Kantoormeubelen — Scheidingswanden — Deel 2: Mechanische veiligheidseisen

EN 1335-1

Kantoormeubelen — Kantoorstoelen — Deel 1: Afmetingen — Bepaling van de afmetingen

EN 1335-2

Kantoormeubelen — Kantoorstoelen — Deel 2: Veiligheidseisen

EN 14073-2

Kantoormeubelen — Bergmeubelen — Deel 2: Veiligheidseisen

EN 14074

Kantoormeubelen — Tafels en bureaus en bergmeubelen — Beproevingsmethoden voor de bepaling van de sterkte en duurzaamheid van bewegende delen. (na het testen mogen de onderdelen niet beschadigd zijn en moeten ze nog steeds functioneren zoals bedoeld)

Buitenmeubelen

EN 581-1

Buitenmeubelen — Zitmeubelen en tafels voor gebruik op campings, in huishoudens en voor verhuurdoeleinden — Deel 1: Algemene veiligheidseisen

EN 581-2

Buitenmeubelen — Zitmeubelen en tafels voor gebruik op campings, in huishoudens en voor verhuurdoeleinden — Deel 2: Mechanische veiligheidseisen en beproevingsmethoden voor zitmeubelen

EN 581-3

Buitenmeubelen — Zitmeubelen en tafels voor gebruik op campings, in huishoudens en voor verhuurdoeleinden — Deel 3: Mechanische veiligheidseisen en beproevingsmethoden voor tafels

Zitmeubelen

EN 1022

Woonmeubelen — Zitmeubelen — Bepaling van de stabiliteit

EN 12520

Meubelen — Sterkte, duurzaamheid en veiligheid — Eisen voor zitmeubelen voor huishoudelijk gebruik

EN 12727

Meubelen — Vast opgestelde zitmeubelen in rijen — Beproevingsmethoden en eisen aan de sterkte en de duurzaamheid

EN 13759

Meubelen — Bedieningsmechanismen van uitklapbare slaapbanken — Beproevingsmethoden

EN 14703

Meubelen — Verbindingen voor niet-huishoudelijke, gekoppelde zitmeubelen in een rij — Eisen aan de sterkte en beproevingsmethoden

EN 16139

Meubelen — Sterkte, duurzaamheid en veiligheid — Eisen voor zitmeubelen voor niet-huishoudelijk gebruik

Tafels

EN 12521

Meubelen — Sterkte, duurzaamheid en veiligheid — Eisen voor tafels voor huishoudelijk gebruik

EN 15372

Meubelen — Sterkte, duurzaamheid en veiligheid — Eisen voor tafels voor niet-huishoudelijk gebruik

Keukenmeubelen

EN 1116

Keukenmeubelen — Coördinatiematen voor keukenmeubelen en keukentoestellen

EN 14749

Woon- en keukenopslagunits en werkbladen — Veiligheidseisen en beproevingsmethoden

Bedden

EN 597-1

Meubelen — Bepaling van de ontvlambaarheid van matrassen en bedbodems — Deel 1: Ontstekingsbron: smeulende sigaret

EN 597-2

Meubelen — Bepaling van de ontvlambaarheid van matrassen en bedbodems — Deel 2: Ontstekingsbron: equivalent van de lucifervlam

EN 716-1

Meubelen — Kinderledikanten en opvouwbare kinderbedjes voor huishoudelijk gebruik — Deel 1: Veiligheidseisen

EN 747-1

Meubelen — Stapelbedden en hoogslapers — Deel 1: Eisen aan veiligheid, sterkte en duurzaamheid

EN 1725

Woonmeubelen — Bedden en matrassen — Veiligheidseisen en beproevingsmethoden

EN 1957

Meubelen — Bedden en matrassen — Beproevingsmethoden voor de bepaling van de functionele eigenschappen en beoordelingscriteria

EN 12227

Kinderboxen voor huishoudelijk gebruik — Veiligheidseisen en beproevingsmethoden

Opbergmeubelen

EN 16121

Niet-huishoudelijke opbergmeubelen — Eisen voor veiligheid, sterkte, duurzaamheid en stabiliteit

Andere soorten meubelen

EN 1729-1

Meubelen — Stoelen en tafels voor onderwijsinstellingen — Deel 1: Functionele afmetingen

EN 1729-2

Meubelen — Stoelen en tafels voor onderwijsinstellingen — Deel 2: Veiligheidseisen en beproevingsmethoden

EN 13150

Werkbanken voor laboratoria — Afmetingen, veiligheidseisen en beproevingsmethoden

EN 14434

Schrijfborden voor onderwijsinstellingen — Ergonomische, technische en veiligheidseisen en hun beproevingsmethoden